Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 8
Dit zal daarentegen, wegens de werking der traagheid, minder het geval zijn bij iets, naarmate men sneller van een lageren tot een hoogeren trap van deugd tracht te komen en van daar dat bijv. wassen poppen minder voldoen dan bronzen beelden. De betrekkelijke schoonheid van zaken zal ook door de sterkte van zulk eene opklimming vermindert worden, doch ook hierbij de gevolgen dier opklimming zich nog doen gevoelen, nadat deze geëindigd is, omdat alsdan de werking der traagheid, waardoor het eene met betrekking tot het andere achterblijft, door de werking, alles wel met elkander in verband is, voor elkander geschikt trachtende te doen worden, nog niet geheel overwonnen is. Zoo zal bijv. wanneer een troep soldaten verspreid wordt, ten gevolge van zijn snellen gang, eerst zekeren tijd, nadat de voorste man stilhoudt, de troep weder opgesloten zijn, en een wilde, in eene op dezelfde hoogte van vrij groote beschaving blijvende maatschappij gebragt, nog lang te laag ontwikkeld, voor de omstandigheden waarin hij verkeert, kunnen blijven. Stelt men bij nevenstaande fig. in plaats der bovenste letter a, a', zoo zullen de ordinaten der kromme ab voorstellen de graden van beschaving van dien wilde, zoo hij bij zijne landgenooten bleef en die der kromme a'b' de graden van beschaving van den kring waarin hij gebragt wordt. De kromme ab', in dit geval de opklimming in beschaving van dien wilde voorstellende, zal nu de lijn a'b' eerst eenigzins regts van aa' raken.
Zoo de menschen zich direct voorgesteld hadden om het menschelijke gelaat volledig af te beelden, dan zou gewis de silhouette hen nimmer zoo goed voldaan hebben als thans de fotografie ons voldoet, terwijl, zoo zij zich tot taak stellen om zeer naauwkeurige afbeeldingen van schoone voorwerpen te maken, deze dezelfde blijvende, hunne afbeeldingen schooner moeten worden, naarmate die menschen in kunstvaardigheid toenemen.
Wij vermeenen hiermede aangetoond te hebben, dat de volmaakte schoonheid en deugd niet in eene veranderlijke wereld en bij veranderlijke wezens gevonden kunnen worden en voorts dat schoonheid en deugd, onafhankelijk van derzelver betrekkelijke grootte, op zeer verschillende standpunten van alsware volstrekte grootte kunnen staan.
Op deze aarde kan de volstrekte grootte, van schoonheid en deugd, even als die der kennis der waarheid, slechts eene beperkte hoogte bereiken, en nu kunnen wij ons wel wezens voorstellen, waarbij die volstrekte grootte van schoonheid en deugd, die van al de werkelijk bestaande menschen overtreft, doch dit is slechts binnen zekere grenzen mogelijk, willen zulke wezens voor ons te begrijpen blijven. De oude Grieken stelden zich hunne goden voor als wezens, niet slechts van groote ligchamelijke, maar ook van groote morele schoonheid in den zin als op blz. 97. Dier goden absolute grootte van zedelijkheid was, toen de Grieken nog barbaarsch waren, nog vrij wel boven die dezer laatste verheven, doch later toen die Grieken, ofschoon niet zedelijker met betrekking tot de intusschen verhoogde eischen van hun zedelijk en maatschappelijk leven geworden, desniettemin in zedelijke ontwikkeling geklommen waren, konden hunne goden, als voorbeelden van het goede en verhevene, hen niet meer voldoen. Hunne godsdienst strekte toen niet langer ter opheffing hunner zedelijke ontwikkeling en daar zij voortgingen met de eischen van hun maatschappelijk bestaan te verhoogen, moesten zij deze op eene meer gebrekkige wijze gaan vervullen.
Buitendien moet (zie blz. 77) bij denkbeeldige goddelijke wezens, wier geestelijke ontwikkeling men niet beneden die van menschen stelt, er, evenals bij ons menschen, disharmonie tusschen geest en ligchaam bestaan, zoo de ligchamen, die goden toegekend, innerlijk harmonisch gemaakte, of anders gezegd, verfraaide copijen van onze ligchamen zijn, en aldus, zie blz. 97, wel betrekkelijk, maar weinig of niet absoluut schooner en verhevener zijn als deze.
Dit hebben de stichters van den Islam begrepen en vandaar hun verbod om Allah, ofschoon zij dezen menschelijke denkvormen toeschreven, onder menschelijke gedaante af te beelden. Omdat het ligchaam der menschen lager staat dan hun geest, voldoet men zooveel mogelijk in het geheim aan de ligchaamsbehoeften en tracht men voor het gezigt beider disharmonie te verminderen door het ligchaam gedeeltelijk te bedekken en wel, naarmate de geest verhevener geacht wordt, door de ligchaamsvormen meer masquerende gewaden [26].
De absolute grootte van deugd en schoonheid wordt niet alleen vermeerderd door de hulpmiddelen van hoogere beschaving, zie blz. 97, maar ook door het passen er van in meer verhevene spheren, in spheren waarin eene grootere geestelijke ontwikkeling als in het dagelijksche leven te huis behoort. Het er in ontmoeten der schoonheid, maakt het treden binnen zulke spheren aantrekkelijker en in zooverre kan men zeggen dat de schoonheid de menschen naar hooger opvoert. Dat zij dit steeds van zelf direct doet en afgezien van hetgeen waarbij zij opgemerkt wordt, vermeenen wij daarentegen te moeten ontkennen.
De harmonie tusschen de verschillende deelen eener zaak wordt toch teweeg gebragt doordat (zie ons werk get. Over de werking der Natuurwetten, enz., blz. 501, en het vervolg hierop, blz. 207 en 414), elk dier deelen het gemiddelde is van de overeenkomstige deelen van overeenkomstige zaken, omdat bij die gemiddelden accidentele en grillige afwijkingen gemist worden.
Wanneer er nu bij zaken sprake kan zijn van hoogere en lagere vormen, zullen die bemiddelden evenmin naar de laatste als naar de eerste hellen. Zal bijv. een menschelijk ligchaam, wiens deelen, indirect dienende tot verhooging der geestelijke ontwikkeling van zijn bezitter, sterk en wiens deelen, meer bestemd voor dierlijke verrigtingen, weinig ontwikkeld zijn, schoon gevonden worden? Naar ons inzien neen.
Zijn de talen der meest beschaafde volken de zuiverste en van de regelmatigste constructie? Eigent zich fraaije stijl het beste voor het uitdrukken van diepzinnige denkbeelden, van verhevene wetenschap? Wordt de aanschouwing van den sterrenhemel, van een tal van lichtende werelden (gedurende den spreekwoordelijk leelijken nacht), bij uitnemendheid schoon gevonden? Worden de Gothische kerken schooner gevonden dan de met de weinig verhevene godsdienst der oude Grieken zoo in harmonie zijnde tempels van het oude Hellas? Op dit alles vermeenen wij dat ontkennend geantwoord moet worden. [27]
Dat de harmonie der deelen van tafereelen ontstaat doordat die deelen in den gemiddelden toestand verkeeren van die bij andere dergelijke tafereelen, wordt bijv. aangetoond bij die van stormen. Om het tafereel hiervan schoon te doen zijn moet toch eene bewolkte en driftige en geene heldere lucht zich boven eene onstuimige zee bevinden.
Het daarstellen van schoone gewrochten is aldus eene bijzondere soort van geschiktmaken van het een voor het ander. De kleêrmaker, die een rok voor iemand pas maakt, de staatsman, de constitutie van een staat zamenstellende en Phidias toen hij de majesteit van den Dondergod door een marmeren blok trachtte uit te drukken, zij allen doen dit; terwijl de burgerman, die den edelman nabootst en zich hierdoor belagchelijk en ongelukkig maakt, even goed aan den drang vooruitgang gehoorzaamt, als Columbus toen deze de Spanjaarden naar Amerika leidde en dien ten gevolge Spanje van de noodige inwoners beroofde en als iemand, die het voorvaderlijk geloof verzaakt en zijn geest te gelijk met twijfel en met philosophische bespiegelingen vult.
Dat er nu in elk dier tweede soort van gevallen een tijdelijk kwaad geboren wordt, ontstaat, zooals reeds op blz. 68 gezegd is, ten gevolge der werking der traagheid bij overgangen.
Hoe, ten gevolge hiervan, vooruitgang het schoone benadeelt, bemerkt men bijv. aan de klagten geheven over het bederven van landschappen door fabrieken, over het gemis aan schoonheid der Protestantsche eerdienst, over het ondichterlijke dat er in gelegen is om bijv. per spoorweg te Athene te komen enz. Zoo echter deze stad eenmaal de bloeijende hoofdplaats van een bedrijvig volk wordt, zal een spoorwegstation er evenmin misstaan als in vele oude en thans bedrijvige steden van Europa.
De neiging tot het geschikt maken van het een voor het ander kan zich veropenbaren, als teedere liefde voor bloedverwanten, die men, met opoffering van vooruitzigten, niet wil verlaten; als practisch gezond verstand, dat doelmatigheid boven theoretische volkomenheid en verhevenheid verkiest; als huisbakken bekrompenheid slechts kleine belangen trachtende te bevredigen; als lage zelfzucht slechts zoekende eigengenot in het heden te verkrijgen.
De neiging tot vooruitgang kan zich daarentegen veropenbaren, als opofferende liefde voor menschheid, wetenschap en geloof; als verstandelijke bespiegeling over verhevene en duistere onderwerpen; als onpractische plannenmakerij; als dwaze naäperij van maatschappelijk hooger verheven personen. [28]
Het is er aldus (zie blz. 83) verre van af, dat aan den drang tot geschiktmaken en aan dien tot vooruitgang steeds op eene wijze toegegeven wordt in het welbegrepen en aldus ruim opgevatte heil der maatschappij zijnde.
Achteruitgaan en tevens het een voor het ander ongeschikt maken, doen de menschen nimmer tegen beter weten in; en, wanneer dit door hun toedoen gebeurt, vermeenen zij dat, men, door te sterk en op verkeerde wijze vooruitgegaan te zijn, de geschiktheid van het een voor het ander geschaad heeft.
Geschikt houden is in het algemeen, ofschoon niet geheel teregt, het doel der conservatieven, de vooruitgang het doel der liberalen. (Zie blz. 73.)
Tusschen het toegeven aan beiderlei soorten van drang moet eene behoorlijke en van de omstandigheden afhangende verdeeling gemaakt worden, bij het voorschrijven van zedelijke beginselen, zie blz. 83, bij het onderwijzen, zie, blz. 76, bij het voeren van strijd en het bestaan van bescherming en regeling op verschillend gebied enz. [29]
De drang tot geschiktwording van het een voor het andere veroorzaakt bijv. dat de aan wilde volken gepredikte Christelijke godsdienst bij hen van lieverlede verbastert, dat is wel, door hooger als deze te zijn, de beelding van zulke volken wat verhoogt, maar zich te gelijk, door te dalen, op de hoogte hiervan stelt. Wel zal dan die invoering der Christelijke godsdienst bij zulke volken hunne beschaving wat verhoogen, doch die verhooging er niet alleen aan te danken zijn, dewijl er bij de rest hunner beelding (zie blz. 47) eene eigen impulsie tot verhooging bestaat. [30]
Bij de menschen wordt de aard hunner godsdienst bepaald door hun graad van intellectuele ontwikkeling, door de eigenaardigheden van hun karakter, den aard van het land dat zij bewonen, hunne omgeving, benevens door accidentele omstandigheden.
Van elk dezer laatste kan de invloed niet blijvende zijn, doch daar er gedurig nieuwe accidentele omstandigheden, van invloed op der menschen godsdienstbegrippen, ontstaan, zoo zal er hierbij op den duur een zeker van aard veranderend deel het gevolg van het toeval zijn.
Het in zulke deelen bevatte zal echter, even als de op blz. 22 gemelde door het toeval ontstaande afwijkingen bij de organisatie der dieren, gemiddeld ten nadeele werken, en aldus het geheel der godsdienstige begrippen van elk mensch, noch voor dezen, met betrekking tot zijne beelding gemiddeld geschikter maken, noch gemiddeld nader tot de kennis van hetgeen werkelijk op buitenzinnelijk gebied bestaat, brengen.
De invloed der omgeving baart zekere ofschoon vaak geringe gelijkenis tusschen de godsdienstige begrippen van met elkander verkeerende menschen, en op blz. 9 hebben wij aangetoond hoe deze zich in groepen splitsen, waarvan elk gezegd wordt tot zekere secte te behooren. De grootte dezer wordt, even als die der rijken, door de geographische gesteldheid der landen, het verkeer en den aard der menschen, den aard der godsdiensten benevens door accidentele oorzaken (zooals bijv. accidentele grootere of kleinere gelijkvormigheid in opinie) bepaald. In het algemeen nemen zij, even als de rijken, in grootte toe naarmate de beschaving zulks doet.
Overigens brengen veranderingen bij dien invloed der omgeving der volwassen menschen, bij de godsdienstige begrippen dezer accidentele afwijkingen naar alle kanten van de godsdienstige begrippen, welke zij, zonder het bestaan dier invloeden, zouden bezitten. Deze zijn te vergelijken met die op onze daden ten gevolge der raadgevingen der menschen, waarmede wij achtervolgens te doen krijgen.
Die onderscheidene oorzaken, de accidentele uitgezonderd, bepalen de religieuze begrippen der menschen geheel onafhankelijk van de leering en daden der stichters der godsdiensten. Zoo belijden bijv. voornamelijk de Germaansche volken de Protestantsche godsdienst, wegens de hoogte waartoe hunne beelding op het einde der middeleeuwen gestegen was, benevens wegens hunnen grooteren ernst en minder zinnelijk karakter dan de Latijnsche en Slavische volken. Het deel hunner godsdienstige begrippen niet het gevolg hiervan, maar van hetgeen er buitendien van de leer der hervormers overgeleverd is, kan als iets toevallig beschouwd worden en moet van lieverlede verdwijnen.
Men bedenke toch dat, wanneer zoo iets door eene constante oorzaak wordt voortgebragt, niet enkele, maar zeer vele menschen in dien geest werkzaam zijn, zoodat, bij gemis dier enkele voorgangers, de menigte het werk verrigt, voor zooveel die arbeid levert hetgeen die constante oorzaken tot gevolg kunnen hebben.
Die arbeid der achtervolgende generatien is grooter dan men denkt en zou bijv., al hadden de stichters van het Christendom nimmer bestaan, de meer verheven begrippen betreffende de betrekking van God tot de menschen, de pligten en roeping dezer enz., waardoor het Nieuwe Testament zich van het Oude Testament en van het Neoplatonisme enz. onderscheid en hooger dan deze staat, stellig voortgebragt hebben, omdat de aard en toename in geestontwikkeling der bewoners van het Romeinsche rijk tijdens het verval der Romeinsche staatsgodsdienst hiertoe leidde, maar dat die menigte tot de bijzonderheden der Christelijke dogmas, bij onstentenis der vinders dezer, zou gekomen zijn, is daarentegen zeer onwaarschijnlijk. [31]
Die bijzonderheden zijn aldus gewrochten van het toeval, zooals alles wat in iemands geest opkomt, gelijkslachtig is met hetgeen tot vergrooting der kennis van het menschdom kan strekken, en later niet opkomt in den geest van eene menigte andere menschen te zamen genomen, zoo al deze in dezelfde omstandigheden als hij gaan verkeeren.
De geniën, welke, door een toevalligen loop der omstandigheden, in de zending, welke zij zich opgelegd hebben, zeer goed slagen, (voorzeker de minderheid hunner) vervullen dan ook de noodzakelijke behoeften der menschheid iets eerder, maar op eene meer gebrekkige wijze, dan dit bij hun gemis later gebeurd, en het lot dier nakomelingschap hangt alzoo niet af van het broze bestaan dier enkele. Van daar ook dat zij, welke dit anders begrijpen, zulke geniën als door God speciaal bestemd en bewaard achten voor zulke zendingen, een begrip onvereenigbaar met de eenvoudigheid der Natuurwetten en aldus van supranaturalistischen aard.
De bij de menschen bestaande godsdienstige begrippen, bepaald wordende deels door accidentele oorzaken, deels door dier menschen aanleg, karakter en woonplaats, aldus door dergelijke oorzaken als die der beschaving, zoo dienen die godsdienstige begrippen bij de volken van grooteren aanleg gedurende denzelfden tijd meer dan bij die van minder aanleg in ontwikkeling en verhevenheid gestegen te zijn, er op aarde te gelijk religieuse begrippen op allerlei graden van ontwikkeling te bestaan, en in het verleden ook het geval geweest zijn, maar, naarmate men in dit verleden verder achterwaarts gaat, de hoogst ontwikkelde der religieuse begrippen, gedurende elk tijdstip omhelsd, gemiddeld in verhevenheid lager te staan.
Dit is dan ook het geval, want bijv. zijn bij de Europeanen gedurende de laatste achttien eeuwen de religieuse begrippen in verhevenheid veel meer gestegen dan bij de Hottentotten en zelfs dan bij de Bedouinen, ofschoon deze gedurende dien tijd van het heidendom tot den Islam geklommen zijn. Voorts bestaan thans op aarde de geheel op wijsgeerigen grondslag berustende godsdienst-begrippen bezittende vrije Duitsche gemeenten, wilde stammen, wier godsdienst het plengen van menschenbloed voorschrijft, en volken met godsdiensten op allerlei trappen tusschen die beide ingelegen.
Gaat men in het verledene achterwaarts, zoo ontwaart men een paar eeuwen geleden als hoogste godsdienstbegrippen die van het orthodoxe protestantisme, vier eeuwen geleden, die van het catholicisme, negentien eeuwen geleden, die van het mozaïsme en van het wordende neoplatonicisme.
Toen het gansche menschdom op den laagsten trap van beschaving stond, was het verdeeld in eene menigte in geestelijken aanleg verschillende kleine stammen. Bij uitzondering zijn er van die stammen uitgestorven, doch meestal hebben zich, naarmate, bij verhooging hunner beelding, er meer geest van zamenwerking tusschen de menschen ontstond, zich eerst tot kleine en later tot grootere, volken gegroepeerd. Elk dier volken vormde niet altijd een staat of eene politieke eenheid, maar deszelfs leden waren door taal, zeden, wetten, godsdienst, benevens door veelvuldiger onder elkander dan met leden van andere volken gesloten huwelijken, met elkander verwant, en splitste zich somtijds, zooals bij het vormen van kolonien, in verschillende van lieverlede zich van elkander vervreemende deelen. Het bovenstaande, kan nu (zie blz. 33) voorgesteld worden door eene menigte stamboomen, sneller groeijende naarmate de aanleg der stammen of volken grooter was (somtijds zal deze, zoo als bij vermenging van hoogere met lagere rassen, den gemiddelden van die van beide geworden zijn) en dan zamengroeijende en dan zich in verschillende takken splitsende. [32] De bovenste einden dier takken en stammen zullen dan de thans bestaande volken (wel te onderscheiden van staten) en de distantie dier verschillende uiteinden tot den bodem, de graden van beschaving dier volken aanduiden. Zoo nu van elk dezer de leden dezelfde godsdienstige begrippen aankleefden, zouden die takken en stammen tevens den groei dezer begrippen voorstellen. Het Britsche rijk en deszelfs koloniën zou bijv. bevatten catholieke Ieren, angelicaansche Engelschen, presbyteriaansche Schotten, mozaïsche Israëlieten, mohamedaansche Maleijers, brahmmaansche Hindoes, boedhisthische Singalezen, zonvereerende Parsen enz.
Het bezit van dezelfde godsdienst door verschillende dier volken zou dan niet als eene zamensmelting van derzelver stamboomen moeten beschouwd, maar meer met het bezitten van dezelfde wetten moeten vergeleken worden en de bekeering van een volk tot eene andere godsdienst, onder behoud van sporen der vorige, met het enten van buiten aangebragte wetten op oude vergelijkbaar zijn en aldus niet als eene verandering van stamboom aangemerkt moeten worden.
Die onderscheidene religieuse begrippen van volken zullen nu, even als de diersoorten, onder den invloed zijn van een drang tot geschiktwording, een drang tot vooruitgang en de werking van het toeval.
Het geschikt worden der organisatie der dieren voor hunne levensomstandigheden, benevens het geschikt worden der verschillende deelen dier organisatie voor elkander, wordt bij die religieuse begrippen der volken vervangen door het harmonisch worden derzelve met de beschaving en aard dier volken en met het goed bij elkander passen der verschillende deelen dier begrippen, zoodat zij te zamen een harmonisch geheel vormen. Die geschiktheid of betrekkelijke volmaaktheid der godsdienstige begrippen neemt aldus volstrekt niet toe met derzelver wetenschappelijke waarheid van voorstelling van hetgeen in tijd en ruimte op buitenzinnelijk gebied bestaat. Bij onbeschaafde volken moeten zij bijv. eenvoudig en zinnelijk zijn om voor hen geschikt te zijn en dit maakt bijv. dat men niet in elke omstandigheid welke ook dwalingen moet bestrijden. Hierdoor zou meer dan wenschelijk is den vooruitgang ten koste der geschiktheid begunstigd worden.
Even als bij de organisatie der dieren, bestaat er ook bij die begrippen een drang tot vooruitgang waardoor zij echter in het algemeen niet te hoog voor den graad van beschaving der volken worden, omdat hierbij ook een dergelijken eigen drang tot vooruitgang bestaat, waardoor zij dan trager en dan sneller dan die begrippen zal klimmen en die godsdienstbegrippen aldus dan voor en dan achter zich zal laten. Daar echter in het eerste geval die begrippen de beschaving voor- en deze die begrippen achterwaarts tracht te trekken en omgekeerd in het tweede geval, kan beider ongelijke snelheid van vooruitgang door geene constante oorzaak in stand gehouden worden. Bij vooruitgang dier begrippen zullen echter derzelver verschillende deelen dit nimmer even sterk doen en van daar dat, naarmate zij sneller vooruitgaan, de harmonie en consequentie bij het geheel verbroken wordt. Die verandering moet dan noodwendig twist over en twijfel aan de verschillende deelen der begrippen benevens splitsing van derzelver aanhangers in verschillende rigtingen doen ontstaan. In een woord er ontstaat dan bij hen iets gebrekkigs, dat met gemis aan opsluiting en rigting van met den looppas gaande soldaten vergelijkbaar is, maar dat bij trageren voortgang dier begrippen van lieverlede moet verminderen, daar de drang tot geschiktwording van het een voor het ander, die begrippen evenzoo op gelijke hoogte tracht te stellen en voor elkander passende maakt, als het bevel tot opsluiting die soldaten bij elkander brengt.
Ook zijn die begrippen, even als de organisatie der dieren, aan de werking van accidentele oorzaken onderhevig en, terwijl bij de ligchamen der dieren die toevallige bijzonderheden, zoo als bijv. de bogchels der kameelen, door geslachtsvoortplanting van generatie tot generatie overgaan, geschiedt dit bij de toevallige bijzonderheden dier begrippen, door het onderwijs der jeugd.
Hierboven hebben wij reeds gezegd, hoe bij zeker geheel van godsdienstige begrippen de onderscheidene deelen, even als bij de organisatie dier diersoorten, op ongelijke hoogte kunnen staan, doch ook kunnen deelen der organisatie van diersoorten, zonder hooger of lager dan de rest te staan, buitengemeen ontwikkeld, vervormd of gereduceerd zijn. Somtijds maakt zoo iets zulke diersoorten geschikter voor hunne levensomstandigheden, doch somtijds is het deels eene toevallige en aldus door den drang tot geschiktwording voor die levensomstandigheden van lieverlede weggenomen wordende wanstaltigheid. Evenzoo bij de godsdienstige begrippen. Zoo vindt men bijv. bij die van het oude Israel het bestaan van een volksgod zeer sterk en dat der zielsonsterfelijkheid zeer zwak uitgedrukt. In zekere mate kan dit geschikt zijn geweest voor een volk, waarbij het individu zoo sterk in het volksbestaan opging als bij de oude Israelieten, doch deels was het ook eene door het toeval ontstane wanstaltigheid, die, wel is waar, door het geloof aan eene regtvaardige vergelding der daden en geschikte rolsverdeeling gedurende dit aardsche leven, wel min of meer bedekt bleef, doch bij de latere Israelieten desniettemin van lieverlede verminderd werd. Evenzoo kan men zeggen dat het fatalisme wel min of meer eigenaardig is bij een volk van een passief en het begrip van een volstrekte wilsvrijheid bij dat van een actief karakter, doch beide stellingen zijn niettemin accidentele afwijkingen van het juiste.