Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 6
Deze, zeer gering bij de geboorte, klimt gedurende een beperkt aantal jaren tot de hoogte welke die der soort gedurende een veel grooter aantal eeuwen bereikt heeft; en daar die snelle verhooging der geestontwikkeling der individuen het gevolg moet zijn van eene snelle verhooging der levensomstandigheden, zoodat die individuen gedurig aan hoogere eischen moeten voldoen, zoo zal, wegens de werking der traagheid, bij elk individu die geestontwikkeling meer te kort schieten, dan bij de soort, zoo deze bijv. uit steeds op aarde voortlevende individuen bestond. In dit geval zou gewis de toename in geestontwikkeling der soort sneller zijn dan thans, daar bijv. eene generatie, op zeker tijdstip op den graad van geestontwikkeling harer soort staande, na bijv. 30 à 40 jaren een hooger standpunt van geestontwikkeling zal bereikt hebben, dan zoo op dit eerste tijdstip die generatie van ongeveer nul af aan alles moet leeren. In dit laatste geval zal zij echter gedurende zekeren tijd sneller in geestontwikkeling toenemen dan in het eerste, omdat in dit eerste geval er geen prikkel bestaat om zich op de hoogte der kennis van voorgangers te stellen. Dit geldt ook voor individuen van volgende generatiën met betrekking tot individuen van voorgaande, en vandaar dat bijv. menschen van hunne geboorte tot hun dertigste jaar meer leeren dan van af dien leeftijd tot hun zestigste jaar.
Van af den achttienden tot den dertigjarigen leeftijd is de verhooging der eischen der levensomstandigheden op het sterkste en vandaar dat alsdan de geestontwikkeling, wegens de werking der traagheid, het meeste te kort schiet, de menschen uit gebrek aan ondervinding de meeste dwaasheden en euveldaden verrigten en zich daardoor het meeste benadeelen. Zelfs de uitmuntendste opvoeding kan dit kwaad slechts gebrekkig wegnemen, daar de menschen veel minder van andere menschen dan door eigen ondervinding kunnen leeren.
Niet slechts dat, de snelle verhooging der menschen levensomstandigheden, de voor de vervulling der eischen dier omstandigheden gevorderde wijsheid meer te kort doet schieten, maar ook de accidentele veranderingen dier omstandigheden zullen, al wordt er hierdoor geene verhooging dier eischen daargesteld, wijsheid en ondervinding (wegens de op blz. 63 gemelde werking der traagheid) in gebreke doen zijn, wanneer er door, alsware nieuwe en onbekende toestanden daargesteld worden. Dit nu zal veel meer het geval zijn bij vrij kort, dan bij zeer lang op deze aarde vertoefd hebbende wezens, en aldus reeds wegens twee oorzaken de sterfelijkheid der individuen voor hen eene bron zijn van te kortschieten in wijsheid en ondervinding en dus ook van ramp, maar tevens van sterkere toeneming in geestontwikkeling gedurende een bepaalden tijd.
Evenzoo als des menschen geest ten achteren blijft betrekkelijk de eischen der levensomstandigheden, doet het ligchaam zulks betrekkelijk den geest. Dit vooruit-zijn van deze laatsten, waardoor op het ligchaam eene vooruittrekkende werking uitgeoefend wordt, doet dit lijden en kan het zelfs ongeschikt maken om tegelijk met eene juiste werkdadige denking te bestaan. Vandaar het somtijds idioot worden van geleerde kinderen.
Buitendien kan men op eene gebrekkige wijze op de hoogte zijn van hoogere levensomstandigheden dan die waarin men verkeert. Een kind kan bijv. in sommige opzigten te wijs zijn voor het kinderleven, zonder zelfs in dit opzigt, aan de eischen der levensomstandigheid van meervolwassenen te kunnen voldoen, niet wegens eene te lage, maar wegens eene scheve opvatting dier eischen. Zoo zal bijv. de republikeinsche regeringsvorm voor de Fransche natie, wanneer bij deze de eerbied voor de wet grooter en de bekoorlijkheid van het prestige van naam en roem geringer geworden zal zijn, geschikt worden, doch de alsdan vigerende republikeinsche constitutie waarschijnlijk beter zijn dan die gedurende het laatst der voorgaande eeuw en aldus in Frankrijk te vroeg ingevoerd [15]. Thans noemen zich de materialistische pantheïsten eene zeer geavanceerde partij op godsdienstig gebied, doch, wanneer het gros van het publiek op hunne hoogte gekomen zal zijn, zal dit geene hooger staande en minder kinderlijke, maar wel betere en minder eenzijdige godsdienstbegrippen dan zij aankleven. Krankzinnigheid, vaak ontstaande door het onvervuld blijven van wenschen, en waarbij het denken niet in overeenstemming is met de eischen der werkelijkheid, gaat, zooals bijv. bij sommige asceten, dikwijls gepaard met valsche voorstellingen van hoogere toestanden. Vandaar dat de geestelijke ontwikkeling van krankzinnigen gemiddeld niet lager is dan die van andere menschen en bijv. door Cervantes, bij Don Quichotte, zonder dezen onmogelijk te maken, vooral in het zedelijke op een hoog standpunt gesteld kon worden [16].
Het achterlijk zijn van het eene met betrekking tot het andere, ontstaat alleen doordat de vooruitgang van het laatste dit alsware ten deele vernieuwd heeft, en is aldus een bijzonder geval der uitwerking der traagheid waardoor, wanneer iets verandert, iets anders, er mede in verband zijnde, niet terstond eene overeenkomstige verandering ondergaat.
Wat doen nu de geavanceerde beginselen bezittende menschen en partijen?
Zij ontwerpen instellingen, geschikt behoorende te zijn niet voor den bestaanden, maar voor toekomstige toestanden, en neemt men nu in aanmerking, hoe, door veranderingen in het verledene, de bestaande toestand nog min of meer nieuw is, zoo zal men beseffen, hoe veel meer nieuws veronderstelde toekomstige toestanden zullen opleveren, en hoeveel moeijelijker het wordt, om de eischen en aard hiervan dan van een bestaanden toestand te bepalen. Door menschen van evenveel talent en doorzigt ontworpen, zoo zullen ontwerpen van geavanceerde instellingen noodwendiger gebrekkiger zijn dan die van instellingen voor bestaande toestanden bestemd.
Door de ondervinding ingelicht, zullen daarentegen de ontwerpers van instellingen voor verleden toestanden bestemd, deze volmaakter maken dan de instellingen werkelijk gedurende die verleden toestanden bestaan hebbende, mits de aard dezer niet te zeer onbekend geworden is.
Zoo weten de menschen gemiddeld beter wat zij vroeger hadden behooren te doen, dan zij zulks vroeger geweten hebben en weten zij minder goed wat zij later zullen moeten verrigten, dan zij zulks later zullen weten.
De miskenning der eischen van dezen thans bestaanden toestand, het zonder zulks te weten, voor oogen houden van hoogere toestanden dan den thans bestaanden, benevens de zeer gebrekkige kennis van den aard en eischen er van, hebben aanleiding gegeven tot het ontwerpen en zelfs tot het voor een deel in praktijk brengen van allerlei wel is waar buitensporige instellingen, wetten en gebruiken, maar waarbij de meeste der ontwerpers, deze in dit opzigt, gene in eenig ander opzigt, iets voorgesteld hebben werkelijk voor hoogere maatschappelijke toestanden geschikt. Die ontwerpers zijn te vergelijken met de pionniers, welke in Amerika en Australie de ontginners van den bodem in de wildernis voorafgaan, dikwerf verdwalen zij, doch niettemin wijzen zij aan het hen achterna komende gros van het menschdom den te volgen weg.
Op wetenschappelijk en godsdienstig gebied is dit nu evenzeer het geval. De hierop geavanceerde stellingen en hypothesen, hoe eenzijdig, gebrekkig en somtijds zelfs buitensporig, bevatten meestal eenige vroeger onbekende waarheden, die wel vaak lang onbegrepen blijven, maar, telkens op nieuw verkondigt, eindelijk wortel schieten; terwijl, de tegelijk met hen voorgedragen dwalingen, van lieverlede in de vergetelheid geraken. Daar echter de wetenschap gemiddeld steeds voorwaarts gaat, houdt het opwerpen van geavanceerde stellingen niet op. Zekere dosis dwalingen, en wel gemiddeld eene grootere, naarmate de voortschrijding der wetenschap sterker is, blijft aldus steeds in omloop.
Nemen wij bijv. de stelling van Bouddha, dat alle bestaan een kwaad is, zoodat de mensch, door onderdrukking zijner begeerten en door zedelijke veredeling, moet trachten op te gaan in het Nirwana en zich te onttrekken aan eene wedergeboorte. Vooreerst verstonden Bouddha en zijne aanhangers onder Nirwana het niet, of wel de oplossing in de oneindige onveranderlijke denking onder verlies der eigenaardige menschelijke natuur, en verstonden zij onder bestaan alle zijn hoe ook, of wel gevarieerde op die van ons menschen gelijkende wijzen van bestaan. De tweede onderstelling komt ons de aannemelijkste voor, daar de stelling, dat men zich door veredeling moet voorbereiden voor het niet ongerijmd is, en omdat daarop, zelfs bij de traagste Oosterlingen, geen godsdienst te bouwen is.
In zooverre had echter Bouddha gelijk, dat veranderlijkheid bij het bestaan, wegens de werking der inertie-wet, ramp te weeg brengt, zoodat slechts eene, met onze geestelijke natuur niet overeenkomende onveranderlijke wijze van bestaan, met volmaakte zaligheid te vereenigen is en ook had hij gelijk door te stellen dat onderdrukking der begeerten, tot geluk leidt, doch hij had er bij moeten voegen, ook tot stilstand.
Was toch die tweede stelling van Bouddha aanbevelingswaardig, zoo zouden de menschen, even als Diogenes, hunne stoffelijke en geestelijke behoeften moeten trachten te verminderen, en in zooverre als de ontwikkeling van handel, industrie en wetenschap meer dient om nieuwe stoffelijke en geestelijke behoeften te scheppen, dan om aan reeds bestaande behoeften te voldoen, zij gebreideld moeten worden. Bij het onderwijs zou dan alles wat kan strekken om de leerlingen een hoogeren graad van beelding, dan voor den maatschappelijken toestand hunner ouders past, te doen geven, zorgvuldig geweerd moeten worden.
De indeeling der maatschappij in kasten behoorde alsdan weder te worden ingevoerd. Schadelijk voor den vooruitgang dier maatschappij, omdat de geest van routine er door opgewekt wordt en rijk begaafde individuen uit de lagere standen er door belet worden om op de maatschappij eene opheffende werking uit te oefenen, zoo bevordert daarentegen zulk eene indeeling de rust en tevredenheid, wanneer de kinderen van jongs af opgeleid worden voor de bekwame vervulling van den ouderlijken werkkring.
De gilden en het staatstoezigt over handel en industrie zouden alsdan weder ingevoerd en vrije handel afgeschaft moeten worden. De vrije concurrentie gaat toch gepaard met een strijd, waarin de knapste industrielen de andere ten gronde trachten te rigten, waarin zij op middelen peinzen, om in het bedriegen van het publiek elkander de loef af te winnen en waarin een ieder dus maar, ten bate der verhooging zijner geestontwikkeling, maar moet zorgen om niet de verliezende partij te zijn.
Wilden zou men slechts moeten trachten in den wilden toestand in gunstige omstandigheden te doen leven, maar zich overigens wel hoeden moeten om hen te beschaven, kortom men zou enkel aan de zucht tot geschiktmaking gehoor moeten geven. Dit echter wordt door de instinctmatige zucht tot vooruitgang, den mensch in veel hoogere mate dan de dieren deelachtig, onmogelijk gemaakt, maar tevens wordt, door het gehoorgeven aan die zucht, verklaard hoe de mensch, getooid met eene schoone, maar met distelen doorvlochte kroon, tegelijk is het verhevenste en het betrekkelijk onvolmaaktste, het edelst en het ongelukkigste wezen der aarde.
Even als bij snellen gang troepen niet meer opgesloten blijven, maar zich verdeelen op den weg, doet de betrekkelijke snelle toeneming in geestontwikkeling van den mensen een groot verschil in verhevenheid ontstaan tusschen zijne denkbeelden betreffende de eene en de andere zaak. Van daar zekere disharmonie, zekere tegenstrijdigheid bij zijn wezen, die gevoegd bij de uitwerking der met elkander strijdende neigingen naar geluk en naar vooruitgang, hem in zijn eigen oog, zooals Pascal zeide, tot een onbegrijpelijk monster maken [17].
Des menschen geest neemt te snel in ontwikkeling toe, om voor blijvende aardsche ligchamen geschikt te zijn, daar de aarde zelve het streven dier ligchamen naar hoogere ontwikkeling (volstrekt niet in vergrooting der gezondheid bestaande) belemmert. Het is dan ook verkeerd te beweren, dat de waarde van den geest hand aan hand gaat met die van het ligchaam uit het oogpunt van gezondheid en goede werking der verschillende organen.
De menschen bijv. bezitten meer wijsheid, kennis en zelfs in het algemeen eene grootere geestelijke ontwikkeling, wanneer op hoogen leeftijd hun ligchaam gebrekkig geworden is, dan toen dit in vollen bloei verkeerde. Wanneer echter de zintuigen beginnen te begeven en alle bewegingen moeijelijker en vermoeijender worden, let men minder op hetgeen in de omgeving geschiedt en gezegd wordt. Geestelijk leeft men dan minder in het heden en op de plaats zelve waar men zich bevindt, en van daar het schijnbare gemis aan geheugen en die schijnbare botheid van geest welke de grijsaards met afgetrokken en diepzinnige personen gemeen hebben. [18] Bij de kinderen heeft het tegenovergestelde plaats, hunne denkvormen gelijken meer op die der dieren dan die der volwassenen. Geheel vervuld met het heden en de omgeving, ontgaat er weinig aan hunne opmerkzaamheid, doch worden hunne vroeger gemaakte denkbeelden snel uitgewischt door andere, ten gevolge van nieuwe zintuigelijke indrukken ontstaan.
Ofschoon aan het leven gehecht, zouden de meeste menschen niet andermaal hun levensloop willen herhalen. Wel zouden zij wenschen hun, door inspanning en wegens gebrek aan ondervinding, onder betaling van leergeld, vooruitgeganen geest, aan een verjongd ligchaam te koppelen, doch niet in geestontwikkeling tot den kinderlijken toestand terug te keeren.
De geest kan overigens bij alle graden van ontwikkeling jong of oud zijn, daar zulks afhangt, of dat hij zekere toestanden en omgeving sedert kort begonnen is met bewustheid te aanschouwen, of dat hij hieraan reeds lang gewoon geworden is, of, met andere woorden, van het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, of van het behouden der vroegere.
Werkte, bij de op eenigen hemelbol aanwezige ligchamen van wezens slechts de oorzaken hen voor de omstandigheden, door den aard van dien hemelbol opgeleverd, geschikt trachtende te maken, zoo zou zulk eene beschadiging dier ligchamen, dat het organische leven er niet meer bij mogelijk is, bij elke volgende generatie moeijelijker dan bij de voorgaande plaats hebben. Gemiddeld zou aldus elke generatie langer leven dan de haar voorgaande en van de, na een oneindig langen tijd bestaande, de ligchamen onsterfelijk zijn; terwijl reeds thans dit het geval zou zijn, zoo die constante oorzaak reeds gedurende eene eeuwigheid alleen gewerkt had.
Tegelijk er mede heeft echter de oorzaak, de organisatie dier ligchamen trachtende te verhoogen, gewerkt, en daar nu de snelheid waarmede zulks geschiedt, zoo als op blz. 72 verklaard is, juist het tegengestelde effect der voorgaande oorzaak te weeg brengt, beide oorzaken, vereenigt werkende, de organische ligchamen uit de stoffen van zekere hemelbollen gevormd, wel meer zamengesteld van bouw en hooger ontwikkelt, doch tegelijk meer teer en vernielbaar dan bij het gemis dier laatste oorzaak doen zijn.
Hoe geringer de toeneming in geestontwikkeling en aldus ook de verhooging der organisatie der ligchamen van wezens is, hoe zwakker de werking van de tweede der boven gemelde oorzaken wordt, en hoe bezwaarlijker aldus het leven der ligchamen van zulke wezens uitgebluscht moet kunnen worden. Van daar de taaiheid van het leven en den meer onbeperkten groei der lagere dieren. Het optreden van hen overheerschende namelijk bestrijdende hoogere dieren heeft echter voor die lagere dieren veranderde levensomstandigheden daargesteld, waarvoor eerstgemelde constante oorzaak, wegens de binnen geen beperkten tijd te overwinnen werking der traagheid, hen niet geheel geschikt kon maken. Hunne ligchamen moeten aldus voor die hoogere dieren verslindbaar zijn, en, korteren tijd bestaande, door groeijen niet zulk een omvang verkrijgen, als die der mede in ontwikkeling gelijk staande dieren, aan zulk eene overheersching niet blootgesteld. Van daar dat welligt de (zie blz. 30) binnen de sedimentaire lagen gevonden fossile weekdieren, levende voor dat de visschen optraden, grooter waren dan de heden bestaande weekdieren en dat de kruipende dieren van het secundaire tijdperk grooter waren dan de heden bestaande door vogels en zoogdieren overheerschte kruipende dieren.
Naar ons inzien kan aldus gesteld worden, dat kortere duur van het leven van ligchamen gemiddeld een teeken is van snelle toename in ontwikkeling en tevens van betrekkelijke onvolmaaktheid van geest en ligchaam.
Neemt een volk in beschaving af, zoo zullen na zekeren tijd, deszelfs instellingen en geestelijke ontwikkeling op de hoogte der eischen van den verminderden graad van beschaving zijn, een maximum bereikt hebben, na dien dalen, en voor de eischen der afnemende beschaving, wegens de werking der traagheid, te hoog blijven (zie Noot blz. 72). Al bleven echter de individuen steeds voortleven, zoo zou zulk een volk geruimen tijd in beschaving moeten achteruitgaan, voordat de nog stijgende geestelijke ontwikkeling dier individuen in elk opzigt op zulk eene hoogte zou gekomen zijn, dat zij aan de eischen der omstandigheden, door den trap van beschaving daargesteld, zou voldoen.
Nu kunnen zulke afnamen in beschaving slechts bij uitzondering, gedurende betrekkelijk korten tijd en gedurende den leeftijd der individuen slechts in geringe mate plaats hebben. Voor deze blijven aldus de eischen der levensomstandigheden gedurende hun leven toenemen, zoodat hunne geestelijke ontwikkeling er beneden en buitendien, wegens andere soorten van verandering dier omstandigheden (zie blz. 71), onvoldoende zal blijven. [19]
Hoe, wanneer de beschaving toeneemt, de zedelijke ontwikkeling der volken absoluut kan toenemen en nogthans even onvoldoende blijven, blijkt bijv. uit het gemis aan eerlijkheid, waarover men thans niet minder dan vroeger klaagt. Welligt zijn wij in geldzaken eerlijker dan onze voorouders vier à vijf eeuwen geleden, doch hoe uitgebreider is het finantieel verkeer geworden, hoe noodzakelijker het is geworden, dat men op de eerlijkheid van anderen staat kan maken.
De opvoeding van een timmerman duurt bijv. korter dan die van een staatsman, en niettemin levert gene gemiddeld beter werk dan deze en zullen er over de kunsten van koorddansers gemiddeld minder aanmerkingen dan over de verzen van dichters te maken zijn. Slechts in zooverre de lagere klasse aan dezelfde eischen als de hoogere moet voldoen, vertoont zij zich betrekkelijk onvolmaakter dan deze, terwijl, wanneer die eischen evenredig zijn met de graden van beschaving van beide klassen, de lage het in betrekkelijke zedelijke volmaaktheid van de hooge wint. Dit zou echter het geval niet zijn, zoo de menschen tot hoogere klasse behoorende, langer en alsware langzamer leefden dan die van lagere klassen, zoodat zij niet sneller dan deze in geestontwikkeling moesten toenemen.
De graad van beschaving of geestelijke ontwikkeling der menschen zal, na gedurende zeker tijdvak vertragende gestegen te zijn, dit op deze aarde eenmaal niet meer noemenswaardig moeten doen.
De beperktheid der zintuigelijke aanschouwing is toch onvereenigbaar niet eene onbepaalde geestontwikkeling en, naarmate de drang tot vergrooting hiervan zwakker is, zal die grens, waarboven de geestontwikkeling niet meer noemenswaardig stijgt, lager gelegen zijn, even als, naarmate een steeds aanhoudende wind zwakker is, de er door voortgebragte toenemende, maar eindelijk in sterkte circa standvastig wordende golving, geringer is.
Dit laatste nu ziet op de hoogere en lagere dieren, want ook deze bezitten, ofschoon in veel zwakkere mate dan de mensch, bewuste aanschouwing en zucht tot uitbreiding hiervan.
Zoo elk mensch steeds op deze aarde bleef voortleven zou hij, nadat zulk een eindtoestand der beschaving bereikt is, alles weten wat hij maar eenigzins in zijn stand wenschelijk zou achten te weten, omdat hij een onbepaalden tijd ter zijner beschikking zou hebben om een bij de maatschappij niet noemenswaardig meer toenemende dosis kennis op te doen. Hoe langer de individuen leven, hoe sneller het gansche menschengeslacht bij gelijken aanleg in kennis zal toenemen, omdat elke generatie alsdan meer tijd zal hebben om hare verkregene kennis aan het opkomende geslacht mede te deelen.
Hoe hooger de beschaving is, hoe meer elke generatie zal moeten leeren, en hoe betrekkelijk gebrekkiger de opvoeding zal worden, al is het dat alsdan, wegens de grootere zamenwerking en onderlinge gemeenschap der menschen, de mededeeling van wetenschap aan de jeugd gemakkelijker geschiedt.
Elke generatie zal aldus op lateren leeftijd meer in kennis moeten toenemen, om zich op de hoogte te stellen der kennis door het vorige geslacht bereikt. Dit zal nu gemiddeld wel geschieden en zelfs iets meer dan dat, zoolang de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing die vergrooting der wetenschap der aardbewoners niet belet, maar de zoo even gemelde oorzaak de vergrooting der kennis van het menschdom trager doen toenemen.
Van deze kennis zal alsdan elk individu een kleiner deel zich eigen kunnen maken dan tijdens het bestaan van een minder gevorderden trap van beschaving, elk individu alsdan, met betrekking tot het dan zoo zamengesteld geworden maatschappelijk leven, meer in ondervinding te kort schieten; zij alsdan gedurende hun leven wel sterker in geestontwikkeling dan thans toenemen, doch tevens meer teleurstellingen ondervinden; met betrekking tot hetgeen zij wenschen te leeren en te doen, minder en gebrekkiger leeren en doen, in een woord betrekkelijk onvolmaakter zijn dan tijdens het bestaan van lagere trappen van beschaving.
Zij die de individuen geschikt voor het leven op deze aarde wenschen te zien, zullen aldus door de toeneming der beschaving niet bevredigd worden. Wel integendeel zij, die de toename der geestelijke ontwikkeling der individuen, al zij het dat hierdoor hunne ligchamen gesloopt en hun leven verkort wordt, als het doel hiervan beschouwen.
De aanhangers van eerstgemelde levensbeschouwing (die der geschiktheid voor het aardsche), waartoe behooren de epicuristen, voegen den mensch toe: gedenk te leven, in den zin van gedenk op eene oordeelkundige wijze te genieten, tracht uwe gezondheid en welvaart te bevorderen, in vrede met andere menschen te verkeeren, bedenk dat slechts in een gezond ligchaam eene gezonde ziel kan huizen en weet dat onnieuwsgierigheid een zacht hoofdkussen voor een welgevormd hoofd is.
De aanhangers der tweede levensbeschouwing (die van den vooruitgang), waartoe de rationele stoïcijnen behooren, roepen daarentegen de menschen toe: gedenk te sterven, namelijk leef zoodat uwe geestelijke ontwikkeling op het oogenblik van het verscheiden hoog opgevoerd zij, offer hieraan op gezondheid en welvaart, schroom niet in strijd met anderen te komen en oneenigheid te stichten, wanneer het beginselen geldt het menschdom naar hooger leidende en tracht zoover mogelijk, door peinzen en denken, op het gebied van het buitenzinnelijke door te dringen.
Een gemiddelde tusschen beide soorten van levensbeschouwing komt ons voor de voorkeur te verdienen.