Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen

Chapter 5

Chapter 53,675 wordsPublic domain

Bij de dieren van dezelfde soort bestaat er te weinig zamenwerking om hen te leiden, om zich te vereenigen tot groote met elkander strijdende groepen en slechts ziet men hen somtijds elkander prooijen betwisten. Bij onbeschaafde volken is de geest van zamenwerking te gering om te vormen groote groepen in wier boezem er niet gevochten wordt, zoodat bij hen de politie en de regtbanken in een rudimentairen toestand verkeeren. Een ieder behoort bij hen maar te strijden om zich regt te verschaffen en buiten de mogelijkheid zijnde om dit te beletten, of iets verhevener er voor in de plaats te stellen, hebben de regeringen van zulke volken gewis gelijk zoo zij het tweegevecht aan zekere regels binden.

De dieven voeren voorzeker binnen onze maatschappij een voor de belangen dezer veel te lage soort van strijd, die buitendien den meer verheven strijd, welke tot verhooging der beschaving leidt en door de met elkander zamenwerkende leden der maatschappij gevoerd wordt, belemmert. Desniettemin toonen de kunstgrepen, welke die dieven moeten verzinnen en de behendigheid, welke zij moeten bezitten aan, dat hun bedrijf strekt tot vergrooting van die lagere soort van geestontwikkeling, welke men in Sparta trachtte te bevorderen, doch met het oogmerk om er slechts in den oorlog partij van te trekken. Bij meer verhevene wijzen van oorlogvoeren mag dit laatste zelfs niet gedaan worden en zijn de antagonisten, als leden der de gansche menschheid bevattende maatschappij gehouden, terwijl zij tegen elkander strijden, met elkander zamen te werken in den meer verheven strijd door die gansche maatschappij tegen ziekten, vijandige elementen enz. gevoerd. [10]

Klassen der maatschappij kunnen met elkander zamenwerken, zooals bijv. de bazen en werklieden, bij het uitvoeren van publieke werken, het fabriceren van voorwerpen en, zonder derzelven gemeenschappelijke belangen te benadeelen, te zamen strijden, zoo dit bestaat in wettig concureren bij het opdrijven der loonen van de eene en het laag houden dezer van de andere zijde.

Dat de werklieden thans trachten zamen te werken is een teeken dat hunne intellectuele ontwikkeling en tegelijk hunne behoeften gestegen zijn en moet, voor zoo verre die zamenwerking tot geene daden van geweld aanleiding geeft, gunstig werken op de toename in geestontwikkeling van al de klassen der maatschappij. Deze toch derzelver onderlinge distantie willende behouden, zoo moet een stoot voorwaarts bij de eene, dergelijke stooten bij de andere klassen tot gevolg hebben.

Dat men niet alleen de menschen iets nuttig, of anders gezegd, iets ten bate der geschiktheid der Maatschappij voor de omstandigheden waarin deze verkeert, gesticht hebbende, hoogschat, maar insgelijks hen in eere houdt, die de geestontwikkeling van eene menigte individuen sterk hebben doen toenemen, bewijst de betooverende werking van roemrijke daden. Deze toch strekken meestal meer om de individuen te doen vooruitgaan door strijd van lagere of hoogere soort, door inspanning van hunne vermogens, dan om de maatschappij gelukkiger te maken.

Even als strijd tusschen twee diersoorten en zelfs tusschen dieren van dezelfde soort, leidt tot verbetering hunner organisatie, zoo leidt de strijd tusschen de fabrieken tot verbetering der wijze van fabricering, zonder dat de fabrieken uitgebreid worden, of dat er in nieuwe wijze van bewerking (voortbrengselen van een hoogeren trap van beschaving) in praktijk gebragt worden, of, anders gezegd, dat de fabrieken passende voor een hoogeren trap van beschaving gemaakt worden. Die verheffing der industrie is wel is waar evenzeer een gevolg van industrielen strijd als de boven gemelde wijze van verbetering der fabricering, doch leidt niet voor de fabrikanten tot dezelfde uitkomsten als deze, want, terwijl die enkele verbetering zonder verheffing, wegens de geringe er voor gevorderde uitgaven en de zekerheid waarmede de fabriekanten te werk kunnen gaan voor deze voordeelig is, strekt de verheffing hunner fabrieken, wegens de groote er voor gevorderde uitgaven en de onbekendheid van den weg, waarop de fabrikanten zich begeven, deze dikwijls tot schade. Eerst later, wanneer alles meer in overeenstemming gebragt is met die op grootere schalen aangelegde en procedes, van hoogeren trap van beschaving getuigende, aanwendende fabrieken gebragt is, wanneer die procedés, zonder verdere verhooging er van, verbeterd zijn en dat het publiek zich op de hoogte dier bij hoogeren trap van beschaving passende fabrieken gesteld heeft, ontstaat er voordeel voor de fabriekanten.

Alsdan dringen zulke fabrieken, die bij lageren stand van beschaving passende, tot op zekere distantie terug en onderwerpen hen in zekeren zin aan zich. Die minder hoog opgevoerde fabrieken kunnen dan wel is waar nog bestaan, doch moeten een meer bescheiden en anderen rol dan vroeger vervullen, om bij dien hoogeren trap van beschaving van het publiek nog te passen.

Dit laatste vergelijkende met het inkrimpen der moerassen, zoo komen die lager staande fabrieken overeen met de in die moerassen levende kruipende dieren en de tot op een hoogeren trap geklommen fabrieken met de tot zoogdieren verheven dieren, nadat deze het drooge land in bezit genomen hadden, zie blz. 42. De bewerking van het ijzer in het groot en door middel van door stoom bewogen werktuigen, heeft wel is waar het smeden uit de hand van voorwerpen tot een geringer aantal hiervan beperkt, doch slechts tot zekeren grens teruggedrongen en buitendien worden er in de groote ijzerfabrieken ook voorwerpen, waarbij dit moeijelijk anders kan geschieden, uit de hand gesmeed en bewerkt.

De ijzerindustrie staat bijv. hooger dan de houtindustrie, doch kan deze slechts tot zekeren grens terugdringen, daar, naarmate die houtindustrie vermindert, zij zich hoe langer hoe meer bepaalt tot het leveren van voorwerpen, niet slechts geschikter van hout dan van ijzer gemaakt kunnende worden, maar zelfs in het eerste geval in het gebruik beter voldoende. Men verkeert dus hierbij in een geval overeenkomende met dat op blz. 13 aangegeven. De gansche vernietiging van soorten van industrie behoort evenzeer tot de uitzondering, als, naar ons inzien, het uitsterven van soorten van dieren of planten.

Evenmin als men, hetgeen op het gebied van vrijen handel en industrie gebeurt, kan opmaken uit hetgeen, waar de staat den eenigen industrieel en handelaar is, plaats heeft, dat evenmin kan men, uit hetgeen bij de tamme soorten plaats heeft, afleiden hetgeen bij de wilde geschiedt.

Zoo bijv. het verbod om varkensvleesch te eten uit den Koran geschrapt werd, zouden de Muzelmannen meer varkens en minder schapen gaan houden en zou men nu hieruit mogen besluiten, dat in den strijd des levens de varkens eene belangrijke overwinning op de schapen behaald hebben?

Hetgeen op blz. 21 gezegd is, dat met belastingen bezwaarde neringen, eindelijk in handen geraken van lieden, er zooveel minder voor gegeven hebbende, als de belasting gekapitaliseerd bedraagt, zou waar zijn, zoo die neringen in het geval verkeerden van met grondbelasting bezwaard wordende landerijen, of met huurwaarde bezwaard wordende huizen, (onverschillig of die belasting door de eigenaars of huurders betaald wordt), edoch zij doen dit slechts gedeeltelijk. Neemt de bevolking eener stad niet toe, zoo zal, na den invoer eener belasting op de huizen, deze allen ter bewoning aangeboden worden, en, daar de huurders er van wat bekrompener gaan wonen, het bod van huizen de vraag er naar zoo lang overtreffen, totdat de waarde er van tot bovengemeld bedrag gedaald is, de huurders weder even ruim als voor den invoer der belasting wonen en bod en vraag weder even sterk geworden zijn.

Het aantal der bovengemelde neringen zal daarentegen na den invoer der belasting verminderen en buitendien de waarde er van gedeeltelijk bestaan uit die van zaken door arbeid gedurig op nieuw voortgebragt moetende worden. Van zulke zaken stijgt nu, door meerdere vraag dan bod de prijs na den invoer der belasting in zulk eene mate, dat deze niet alleen door de met patent belaste neringdoenden, maar in werkelijkheid door de gansche maatschappij (ter wier bate de opbrengst er van eindelijk komt) en wel gemiddeld in reden, van het vermogen van elk lid er van opgebragt wordt. [11]

De onregtvaardigheid eener belasting op den arbeid, verdwijnt aldus door dat de arbeiders er eindelijk niet meer in deelen dan het gansche publiek, die van eene belasting op het geene vaste renten gevende kapitaal door den dood der bezitters dier kapitalen, en door de gewoonte hunner erven aan het bezit van minder fortuin. Zelfs al bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zou dit het geval blijven, omdat de menschen zich kunnen voegen naar het bezit van minder inkomen, mits hun werkkring tegelijk die wordt van personen van minder beschaving. De opvolgers, zoo van intellectuelen, als van handenarbeiders kunnen zich daarentegen niet voegen naar het bezit van minder verdiensten dan hunne voorgangers, zoo zij dezelfde soort van werk als deze willen blijven uitoefenen. Van daar, dat, wanneer zulk een arbeider en een kapitalist zich dezelfde moeite geven om niet te verarmen onder steeds toenemende druk, de eerste kan maken dat zijn loon niet beneden zeker bedrag gevoerd wordt en de tweede slechts dat zijn kapitaal niet al te snel wegslinkt.

Bovengemelde neringdoenden verkeeren nu daaromtrent in tusschengelegen gevallen; deels wordt belast hun arbeid, of wel dien der fabriekanten, waarbij zij gestadig inkoopen doen, deels hunne bedrijfskapitalen, zooals werktuigen, uitstallingen enz. en daar beide zaken naauw verbonden zijn die arbeid te zamen, met de inkrimping der neringen, die bedrijfskapitalen beletten tot op het op blz. 21 aangegeven bedrag te dalen. Verteringsbelastingen kunnen aldus door de belaste personen slechts gedeeltelijk, door het grooter worden van het bod dan de vraag, en door tijdelijk eene meer bekrompen levenswijze te voeren, geladen worden op de bedrijfskapitalen van hunne leveranciers en van hen die hun woning, vervoer enz. verschaffen. Wordt nu dit slechts tijdelijk voelbare verlies over een groot aantal en eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen geladen, zoo zal, daar de behoeften van den Staat en die der ambtenaren ook door de bezitters van eene groote verscheidenheid van bedrijfskapitalen voldaan worden en deze trachten te verhoogen, zelfs de tijdelijke onregtvaardigheid, na den invoer van zulke belastingen ontstaande, veel verminderd worden. Er bestaat eene oorzaak trachtende een ieder van het maatschappelijke kapitaal een deel te verschaffen, evenredig met van zijn stand van beschaving afhangende behoeften. Bezit hij minder dan dit voor hem geschikte deel, zoo zal hij (zie blz. 49) duurder dan gemiddeld zijn arbeid en producten trachten te verkoopen, en goedkooper dan gemiddeld trachten te koopen, terwijl, zoo hij meer dan zijn geschikt deel bezit, het omgekeerde zal plaats hebben. [12]

Alle onregt is een gevolg der variatie der wereldsche zaken, ook bij den door belastingen teweeg gebragten druk. Bestond toch die variatie niet, zoo zou het slechtste stelsel van belasting eindigen met geen onregt te baren, omdat een ieder een vermogen zou verkrijgen dat, na aftrek der gekapitaliseerde belasting, die hij werkelijk zou opbrengen, het voor hem geschikte deel van het maatschappelijke kapitaal zou vormen.

BESCHOUWINGEN OVER DE OORZAAK VAN HET KWAAD EN OVER HET DOEL VAN HET LEVEN.

Het kwaad, zoowel het zedelijke als het stoffelijke, bestaat in ongeschiktheid van het eene voor het andere en het is even eigen aan het veranderlijke, als de volmaaktheid zulks is aan het onveranderlijke.

Wegens de werking der traagheid, anders gezegd de neiging van alles om, zooals het geworden is, in stand te blijven, moet toch de op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktwording tijd noodig hebben, om haar doel te bereiken, maar zullen daarentegen volmaakte toestanden bestendigd worden.

Het zedelijke kwaad, dat wij menschen verrigten en de inspanning en opoffering die deugdsbetrachting ons kost, ontstaan doordat onze geest niet op de hoogte is van de sedert de wording der maatschappij verhoogde eischen van ons zedelijk bestaan. Deze eischen vorderen opoffering van het genot in het heden ten bate, van het welzijn, zoo van andere menschen als van onze eigen toekomst. De eischen van het heil der onbeschaafde maatschappijen vorderen zoo iets veel minder, en die van den dierenstaat bijna niet. De dieren hebben toch bijna geen besef van hunne toekomst en kunnen zeer weinig zoo hiervoor, als voor elkander doen, en zoo elk hunner slechts zorgt voor zijne oogenblikkelijke behoeften, schiet hij bijna niet te kort in de vervulling der eischen van zijn zedelijk bestaan.

De, betrekkelijk de toeneming in beschaving der maatschappij, zeer langzaam opwaarts gestegen dierenstaat, maakt dat, wegens het effect der traagheid, niet alleen de dieren minder ten achteren zijn met betrekking tot de eischen van hun zedelijk bestaan en aldus betrekkelijk minder zedelijk kwaad doen dan de menschen, maar ook dat bij hen het lichaam betrekkelijk den geest minder ten achteren is dan bij ons menschen. Ons lichaam tracht ons toch naar het dierlijke en aldus achterwaarts te trekken, ten einde den geest voor zich geschikt te maken, terwijl omgekeerd onze geest het lichaam opwaarts moet trachten te halen, hetgeen, zoo de geest niet ophoudt met in ontwikkeling toe te nemen, steeds aanhoudt en, wel is waar door de hulpmiddelen der geneeskunde wat gemakkelijker gemaakt wordt, maar niettemin het trage lichaam steeds achterlijk zal doen blijven.

Ook de hartstogten kunnen hoog of laag zijn (het woord laag dan niet in den alsdan gebruikelijken zin bezigende). Wegens zooeven gemelde werking der traagheid, bezitten wij bijv. hartstogten, waaraan de dieren zich geheel kunnen overgeven, zonder aan de eischen, van hun zedelijk bestaan te kort te doen, doch die wij menschen sterk moeten bedwingen, omdat zij te laag voor de eischen van onze maatschappij zijn, te meer dewijl zij, wegens de hoogte waarop die maatschappij gestegen is, op eene meer uitgebreide schaal kunnen werken. Zie noot blz. 57.

Zelfs de menschen staan daarin op verre na niet gelijk. De toegeving aan hartstogten doet bijv. de wilden minder kwaad dan ons beschaafde, en zelfs bij ons is dit kwaad geringer bij de lage dan bij de hooge standen. Zoo bijv. zal grootspraak van een ijverigen en bekwamen werkman weinig ergeren en dit daarentegen in de hoogste mate doen in den mond van een beschaafd mensch.

Het op straat vechten van vischvrouwen maakt niet dezelfde indruk als dat van dames, en, dat wij daaromtrent aan beschaafde en niet beschaafde menschen verschillende eischen stellen, moet blijkbaar gegrond zijn op een verschil in de eischen van beider maatschappelijk en zedelijk bestaan.

Het ligchaam der vrouwen, van dat der mannen verschillende, moet, daar het den geest der eerste voor zich geschikt tracht te doen worden, deze van die der mannen doen verschillen, zoo anders beider geesten niet onderscheiden zouden zijn.

Voorts neme men in aanmerking; dat, terwijl het ligchaam, door met betrekking tot den geest te laag te staan, op eene directe wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling belemmert, het deze op eene indirecte wijze, namelijk bij het gebruik der zintuigorganen en der ledematen, bevordert.

Voor soorten van geestontwikkeling, welke als de verhevenste binnen eenige onbeschaafde maatschappij beschouwd worden, (bijv. die betreffende den oorlog en de jagt) kan nu die indirecte werking van het ligchaam der mannen gunstiger zijn dan van het ligchaam der vrouwen, en vorderen nu de eischen eener maatschappij, dat de sexe, welke minder aan huis gebonden is, meer leert, zoo zal bij die sexe de intellectuele ontwikkeling verder dan bij de andere gedreven worden, en de opvoeding bij beide sexen niet van denzelfden invloed op de hartstogten zijn.

Die eischen kunnen nu langzaam in het voordeel der vrouwen, veranderen naarmate de maatschappij beschaafder wordt, doch zullen, wegens de werking der traagheid, gedurende die met zekere snelheid toenemende beschaving, steeds wat te veel in het voordeel der mannen gehouden worden. Van daar welligt dat de eischen van het welzijn der thans bestaande maatschappij vorderen, dat tusschen het de vergrooting der intellectuele ontwikkeling bevorderende onderwijs aan jongens en meisjes gegeven, het verschil geringer zij dan werkelijk het geval is. Neemt echter eenmaal de beschaving zeer weinig toe, zoo zal klaarblijkelijk dit verschil zoo groot worden als noodig en nuttig is.

Ter opheldering van het hierboven en op blz. 56 gemelde, moeten wij opmerken, dat er op de verschillende trappen van beschaving tusschen de geestontwikkeling niet slechts een verschil in quantiteit, maar tevens ook in qualiteit bestaat. Op lagen trap van beschaving bevat toch de geest veel denkbeelden over strijd, zoo met natuurlijke als met kunstwapens, want men wane niet dat er geene andere denkbeelden bestaan, dan die in woorden uitgedrukt kunnen worden. Integendeel worden er vele door oefening in de eene of andere zaak verkregen, waarbij dit het geval niet is en de dieren moeten slechts zulk eene soort van denkbeelden bezitten.

Het talent van een koorddanser zit bijv. niet in zijne beenen, maar in zijn geest. Hij bezit voor de spraak onuitdrukbare denkbeelden over de bewaring van het evenwigt door middel van zekere snelle bewegingen van het ligchaam, die een ander mensch, slechts van goede beenen voorzien, niet bezit.

Zoo echter zulk een koorddanser het koord niet meer beklimt en zich bijv. op de wetenschappen gaat toeleggen, zullen zijne denkbeelden over de middelen ter bewaring van het evenwigt, zich steeds in den latenten toestand, of, zooals men zegt, uit zijn hooft bevinden, zij in dien toestand van lieverlede door ook deels voor de spraak niet uitdrukbare denkbeelden over de wetenschappen verdrongen worden, en de kunstenaar van lieverlede voor het loopen op het koord onbekwamer worden.

Denkt men hierover na, zoo zal men gewaar worden, dat de waarde der wereld bestaat in den geest, anders genaamd de veropenbaring der zelfstandigheid door denking. Men bedenke bijv. dat, wanneer een zuigeling voor de eerste keer de aardsche voorwerpen ziet, wel is waar die aanschouwing tot het domein zijner denking behoort, maar nog geene beteekenis voor hem bezit. Die gezigtsvoorstellingen zijn voor hem even onverstaanbaar als voor een volwassen mensch, de woorden eener in eene hem onbekende taal uitgesproken redevoering. Door oefening, door met inspanning denken onder bezit van denkbeelden, in den niet latenten toestand verkeerende, moet het kind zich de beteekenis dier gezigtsvoorstellingen eigen maken, en, wanneer dit heeft plaats gegrepen, het ook met betrekking tot dit zien rijker in denkbeelden geworden zijn.

Waren zelfs de ligchamen der dieren en menschen onsterfelijk, zoo zouden zij niettemin, aan allerlei uiterst onregelmatig voorkomende accidentele omstandigheden blootgesteld zijnde, wegens gedurig gebrek aan geschiktheid lijden. Zulk een gebrek leidt echter tot geestinspanning en als gevolg hiervan tot vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Het gemis van zulke accidentele afwijkingen van een gemiddelden standvastigen toestand zou aldus, zie blz. 47, leiden tot een toestand, waarin er, wel is waar, noch lijden, noch ongeschiktheid van het een voor het ander meer zou bestaan, maar tegelijk de prikkel tot verderen vooruitgang gemist zou worden.

De verhooging der geestelijke ontwikkeling der levende wezens door die hen lijden berokkende accidentele afwijkingen, sluit niet in dat elk dezer, (zooals bijv. die van den gemiddelden toestand der gesmolten stoffen binnen den aardkern, tijdens het bestaan van aardbevingen), zulk eene verhooging in geestontwikkeling teweeg brengt, dat er hierdoor eene vergoeding voor het er door teweeg gebragte nadeel ontstaat, noch zelfs dat zij elk, op zich zelve beschouwd, tot verhooging dier geestontwikkelingen zouden bestemd zijn [13].

Dit zou eene kinderlijke en bekrompene wijze van natuurbeschouwing zijn. Slechts in zooverre men zulke accidentele of toevallige afwijkingen collectief met andere dergelijke afwijkingen beschouwt, valt in zekere mate zoo iets er van te zeggen, en wel in sterkere mate, naar gelang men hen collectief met meer andere soorten van accidentele afwijkingen beschouwt, en, slechts op een volstrekte wijze, wanneer alle mogelijke accidentele afwijkingen van gemiddelde toestanden te zamen beschouwd worden. Aldus, slechts in ruimte en tijd collectief beschouwd, vormen die afwijkingen iets algemeen en aanhoudend en, naarmate nu de natuurverschijnsels een meer algemeen en voortdurend karakter bezitten, komt het ons voor dat alles er bij meer voor elkander bestemd is [14].

De eenvoudigheid der natuurwetten maakt bovendien dat tusschen oorzaken en gevolgen er zekere gelijkslachtigheid moet bestaan, zoodat van accidentele afwijkingen, zooals bijv. aardbevingen, stormen enz. bij het bestaan van zulke natuurwetten, aard niet kan bepaald worden door doelmatige wijzen om der menschen geestelijke ontwikkeling te verhoogen, aangezien dit laatste op geestelijk gebied behoort. Die eenvoudigheid dier wetten maakt, dat men kan leeren, terwijl de er door teweeg gebragte verscheidenheid en afwijkingen dit leeren bevorderen.

Was het verband tusschen oorzaken en gevolgen, zoo als de supranaturalisten beweren, dan zouden de natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat de gevolgen van zekere gebeurtenissen onmogelijk zouden te gissen zijn en de ervaring geen leiddraad voor het handelen meer zou opleveren.

Van daar dat er in het practische leven evenmin zuivere supranaturalisten als zuivere fatalisten bestaan. De onwetenste schipper, nimmer van natuurwetten en eene daardoor teweeg gebragte gelijkslachtigheid van oorzaken en gevolgen gehoord hebbende, maakt bijv. uit den staat van den atmospheer op, welk weder er te verwachten is en rigt zich hiernaar in.

Even als Molieres bourgeois gentilhomme in proza sprak zonder dit te weten, zoo gedraagt zich aldus die schipper, zonder hiervan bewust te zijn, in strijd met zijne supranaturalistische religieuse beginselen, als naturalist, en neemt hij bijv. niet aan, dat voor of tegenwind van de zedelijke gehalte zijner passagiers afhangen, daar hij dan hun certificaat van goed gedrag zou moeten inzien, in plaats van op wolken en windwijzer te letten.

Hoe minder intellectueel ontwikkeld de menschen zijn, hoe meer onmiddelijk de verschijnsels uit elkander voortvloeijen, waarvan het verwachten der eene uit het voorkomen der andere opgemaakt dient te worden; en met hoe minder kennis der werking der Natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied zij aldus kunnen volstaan. Hieromtrent gemaakte dwalingen zullen aldus door zulke menschen minder dan door meer beschaafde opgemerkt worden, en buitendien heeft het bijgeloof minder invloed op de handelingen, dan men wel denkt. In plaats van deze te doen afhangen van goede of slechte voorteekens, waardoor het toeval de wijze van handelen zou bepalen, vallen, naarmate, wegens naturalistische oorzaken, zekere handelingen al of niet geraden geoordeeld worden, die voorteekens goed of slecht uit. Vaak toch bedriegen de menschen zich zelf en zien zij hetgeen zij raadzaam achten te zien.

Wij hebben hierboven de directe en niet de indirecte gevolgen der verschijnsels in het oog gehad. Zoo is bijv. zeeziekte een direct gevolg der schommelingen van schepen ten gevolge der deining, maar de door deze teweeg gebragte bewondering en vrees, moet niet als een direct gevolg der golving der zee, maar als dat van zekere zinnelijke indrukken in verband met eene bestaande gemoedsgesteldheid beschouwd worden. Men heeft hierbij als ware eene andere reeks van oorzaken en daarmede gelijkslachtige gevolgen.

Behalve de gemiddelde plaats hebbende vergrooting der geestontwikkeling der soorten bestaat die der wisselende individuen dier soorten.