Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 28
[24] Die indirecte werking van het ligchaam op den geest, zooals bijv. door het spraakvermogen, bestaat slechts dan wanneer de graad van ontwikkeling van den geest hooger dan die van het ligchaam is, en wel in sterkere mate, naar gelang beide meer in hoogte verschillen. Zij maakt die verheffing van den geest boven het ligchaam gemakkelijker en daar zij afneemt, wanneer gene dit ligchaam in graad van ontwikkeling nadert, belet zij niet dit den geest (zoo hierbij geene verheffende werking bestaat), naar zich toe te halen.
Die indirecte werking van het ligchaam kan vergeleken worden met iets bij de derde winding van de in noot blz. 94 gemelde veer, waardoor naarmate de windingen verder van elkander gelegen zijn, de persoon, die de veer spant, meer kracht kan uitoefenen.
Ook de onbewerktuigde aarde oefent eene dergelijke indirecte werking uit door het veld van bewuste aanschouwing en door de hulpmiddelen, ten bate van kunst en wetenschap, er door opgeleverd.
[25] Deze verschillende zaken kan men vergelijken met massa bezittende windingen van eene met de as horizontaal gestelde spiraalveer. Is deze ontspannen, zoo liggen al de windingen tegen elkander, maar trekt men aan de voorste winding (met de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven vergelijkbaar), zoo zullen de andere windingen, wegens de werking der traagheid bij derzelver massas, betrekkelijk de voorste eenigzins ten achteren zijn. Bevestigt men daarentegen de achterste winding (vergelijkbaar met de onbewerktuigde aarde) ergens aan vast, zoo zullen de windingen verder van elkander komen, naarmate men sterker aan de voorste trekt en veroorlooft men deze om wat achterwaarts te gaan, de windingen digter bij elkander komen om dezelfde volgorde te behouden, zie blz. 91.
[26] Een leeuw, eene prooi verslindende, kan bijv. een schoon tafereel opleveren, doch niet een mensch met vraatzucht etende, omdat dit in disharmonie is met zijne zielswerking.
[27] Ons zoo veranderlijk bestaan doet ons behagen scheppen in verscheidenheid, mits deze de innerlijke harmonie niet verstoort, hetgeen bijv. wel het geval zou zijn, zoo men bij eene kolonnade de kolommen om de andere van de Dorische en van de Ionische orde maakte.
[28]
[29] In die gevallen maakt men zich niet voor alles geschikter, of gaat men niet in elk opzigt vooruit, maar slechts voor of in hetgeen in elk dier gevallen een overheerschende invloed uitoefent. In het laatste bestaat er bijv. vooruitgang in oppervlakkige beschaving, maar niet in zedelijke ontwikkeling.
[30] De drang tot vooruitgang baart emancipatie, die tot geschiktmaking het kinderlijk en ondergeschikt houden.
[31] Men houde hierbij in het oog, dat bij zekeren trap van geestontwikkeling der massas, de begrippen dezer omtrent de denking op buitenzinnelijk gebied zoo bekrompen is, dat zij hunne Goden niet alleen menschelijke denkvormen toeschrijven, maar zelfs onder menschelijke gedaante, ter vervulling van missien, hier op aarde doen verkeeren. Het meer algemeene van zulke begrippen wordt door constante oorzaken, maar de bijzonderheden er van door het toeval teweeg gebragt. Eene constante oorzaak maakt dat, naarmate de geestontwikkeling der menschen grooter is, aan zulke missien een meer verheven aard wordt toegekend.
[32] Wegens de vroeger gemelde oorzaak zal het eerste, vooral bij de hoog boven den bodem verheven deelen der stammen de overhand hebben.
[33] Die laatste stelling paart zich toch aan die, dat ons willen niet door den bestaanden toestand bepaald wordt, zie blz. 69.
[34] Later zullen wij aantoonen, dat zulke menschen ook naar den geest aardsche producten zouden moeten zijn, daar zij slechts in zulk een geval gedwongen zouden worden om hunne wetenschap te bepalen tot hetgeen waarvan de juistheid hier op aarde volkomen te verifieren is.
[35] De poëzy wordt alsdan door de phylosophie vervangen. Gene is naar ons inzien de vrucht der beschouwing door middel der verbeelding van het betrekkelijke verhevene en tevens schoone bij wezens en zaken, en, zoowel wanneer men deze van hunne vulgaire zijde beschouwd, als wanneer bij die beschouwing de verbeelding door de redenering vervangen wordt, is het met de poëzy gedaan.
Waar slechts de verbeelding op het gebied van het buitenzinnelijke treedt, moeten godsdienst en poëzij innig met elkander verbonden zijn, doch men behoeft het niet te betreuren dat, nadat later de redenering zich op dit gebied begeven heeft, de schoone en geurige bloem door de saprijke vrucht wordt vervangen.
[36] Zie over de werking der traagheid bij het voorwaarts getrokkene, wanneer het voorwaarts trekkende stationnair geworden is, blz. 89 en 93.
[37] Zoo iets zou echter slechts bij de in de Noot van blz. 116 gemelde wezens mogelijk zijn.
[38] Zie hierover blz. 233 van ons werk get: Vervolg op het werk get.: door de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
[39] Naarmate dit besef van hulpbetoon sneller toeneemt, zal (zie blz. 89 en 118) dit ten achterblijven sterker zijn.
[40] Hoe weinig grond het met het Joodsche Messiasrijk verwante aardsche idéaal der humanisten, namelijk de menschheid op den hoogsten trap van beschaving, heeft, is op blz. 83 aangetoond.
[41] Bij ons menschen dient, zie blz. 138, de geestelijke ontwikkeling de practisch nuttige aanwending ervan te overtreffen, ten einde hierop uit te oefenen eene opwaarts trekkende werking, opwegende tegen de tegengestelde werking er op door de aarde door tusschenkomst onzer ligchamen uitgeoefend. Deze laatste werking tracht, zie blz. 90, onze met die practisch nuttige aanwending zamenhangende behoeften die der dieren te doen naderen.
[42] Hierbij moet men volstrekt niet aannemen, dat die bewegingen, naar gelang hunner plaats, een of ander denkbeeld bepalen, maar eerder, dat door elke beweging elk der denkbeelden meer of minder en dus gedeeltelijk bepaald wordt omgekeerd.
[43] Er bestaat voorts naar ons inzien een groot onderscheid tusschen gewoonte en instinct. Men is bijv. gewoon om eene daad te doen, wanneer de primitief door redenering verkregen denkbeelden, het verrigten dier daad moetende vergezellen, zoo diep ingeworteld zijn, dat zij met weinig inspanning voor den geest, of buiten den latenten toestand kunnen gehouden worden; terwijl men iets uit instinkt verrigt, wanneer men door de denking buiten de onze, of die van andere menschen of dieren, er toe gedreven wordt.
[44] Zie blz. 69 van ons werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.
[45] Zie hierover ons geschrift get: Over den aard en de toekomst der beweegkracht blz. 4 en 16.
[46] Zie hierboven ons werk get: "Vervolg van het werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 123 en 524.
[47] Zie hierover het in de voorgaande noot gemelde werk, blz. 322.
[48] Deze baanverkleining zal ook ontstaan, doordat van een uitzettenden bol de verschillende deelen door een anderen bol niet even sterk aangetrokken wordende en aldus ongelijke snelheden bezittende, tegen elkander zullen wrijven zie blz. 154.
[49] De kleinste dier beide bollen zal alsdan, wegens de ongelijke snelheid van derzelver verschillende deelen, betrekkelijk meer uitzetten en warmte binden dan den grootsten, zie noot blz. 156.
[50] Vooral op lage breedten ontstaat er namenlijk door de werking der verticale ontbondene der centrifugale krachten eene circulatie overeenkomende met die der passaatwinden en anders vooral op hooge breedten door de werking der horizontale ontbondene der centrifugale kracht eene tegengestelde circulatie. De oorzaak hiervan is door ons elders verklaard.
[51] Even als de hemelbollen vergrooten door omzetting van deelen der algemeene oerstof in hunne eigen soorten van bijzondere stof, zoo vergrooten geesten door omzetting van bijdragen tot de algemeene denkbeelden bij deelen van den oergeest in bijdragen tot hunne eigen bijzondere denkbeelden, zie blz. 144.
[52] Dit zou ook het geval zijn, zoo menschen zoodanig aan zeker lot verbonden waren, dat bijv. de accidentele weêrverschijnselen zich er naar zouden regelen.
[53] De beoefenaars der wiskunde is het bekend, dat de ruimte besloten tusschen eene kromme, derzelver assijmptoot en eene zekere ordinaat dier kromme eindig kan zijn, ofschoon de lengte dier ruimte oneindig is.
[54] Ook zal, naarmate die toeneming in geestontwikkeling trager is, de aanleg gedurende een zelfde aanwas in ontwikkeling sterker toegenomen zijn.
[55] Op dién aanleg kan de praeëxistentie een invloed uitoefenen, vergelijkbaar met den op blz. 185 gemelden invloed van het ligchaamsleven der reeks onzer antiduliviaansche voorouders op de deugd van de type van ons ligchaam. Hetgeen op blz. 186 gezegd is van het algemeene van dit type gaat door voor den aanleg voor het verkrijgen van denkbeelden, innig in veel andere bevat, vooral voor deze gronddenkbeelden moet de praeëxistentie den aanleg bevorderd hebben.
[56] Men denke hierbij aan de geluidsgolven, binnen vloeistoffen of vaste ligchamen, de in onze monden gevormde phrasen, getrouw naar een anders ooren overbrengende.
[57] Zie ons geschrift get.: Over den aard en toekomst der beweegkracht, blz. 43.
[58] Men denke hier aan de ligchamen waarop de electriciteit bij verkiezing overspringt.
[59] Dit is te vergelijken met de uitwerking van overspanning der spieren. Deze worden er door onbruikbaar, niettegenstaande zij door het gebruik zich ontwikkelen, zie blz. 168.
[60] De oorzaak van geschiktmaking moet de stofwisseling bij de ligchamen der individuen in het eerste geval versterken en in het tweede verzwakken, zie blz. 49.
[61] De oppervlakte van het land zal een en ander slechts begrenzen, zoo de vulcanische werkingen de voor de gewassen benoodigde zouten uit de vloeibare aardkern brengen.
[62] Van daar het hechten van grijsaards aan oude gebruiken, en dat het ten bate hunner vooruitgang noodig is, dat de menschen gedwongen in nieuwe toestanden worden gebragt.
[63] Dat men iemand dient te begrijpen om hem lief te hebben, blijkt hieruit, dat het bezit van kleine zwakheden, waardoor zij voor anderen begrijpelijker worden, menschen beminnenswaardiger maakt, en dat men bij onbekende weldoeners deelneming voor zich moet veronderstellen, om hen te kunnen beminnen.
[64] Die vreugde zou vergelijkbaar zijn met die van een vader, zich verheugende, dat zijn zoon zich zoo gedraagt als diens welbegrepen en ruim opgevat belang zulks vordert, en zij zal gewis zeer matig zijn, zoo die zoon zuinig is met eene geldsom bestemd om toch binnenkort verloren te raken. Wel is waar kan die vaderlijke vreugde den zoon aanmoedigen om zich goed te gedragen, doch hetzelfde resultaat verkregen worden, zoo die zoon inniger het belang van goede gedragingen gaan beseffen.
[65] Zoo kunnen de behoeften van het vervoer den aanleg van een groot werk vereischen, maar deze te bezwarend zijn voor de financien, omdat deze, wegens de werking der traagheid, niet op de hoogte der eischen van den tijd zijn. Aldus kunnen de bestaande vervoermiddelen ten achteren zijn betrekkelijk de eischen van het vervoer, en de financien dit zijn betrekkelijk die vervoermiddelen.
[66] Zouden niet velen onder ons, die, wegens het gevestigde prestige van den naam van Socrates, diens gedragingen thans verheerlijken, zoo zij zijne tijdgenooten geweest waren, dien wijze naar het vaderlijke atelier hebben verwezen?
[67] Zie ons werk, get. Vervolg van het werk, get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied, enz. blz. 322.
[68] De zedelijke ontwikkeling, noodig om wezens geschikt te maken voor den strijd, staat bijv. lager dan die noodig om hen voor zamenwerking geschikt te doen zijn. Bij overigens gelijke omstandigheden zal een zedelijk mensch meer denkbeelden bezitten over hetgeen hij aan zijne medemenschen en aan zijn eigen toekomst verschuldigd is, dan een onzedelijk mensch.
[69] Wij willen hiermede niets afdingen op de absolute waarde dier beide stellingen, welke, door waarheden op het gebied van het volstrekt hoogste ideaal te bevatten, de hoogste eertitels der menschheid zijn. Tusschen de absolute deugd en de geschiktheid of betrekkelijke deugd moet, zie blz. 82, onderscheid gemaakt worden.
[70] Men neme in acht dat zoo (zie blz. 187) de ziel een zelfstandig iets is, wij slechts naar het ligchaam op deze aarde voorouders hebben.
[71] Die werking dier oorzaak is bijv. vergelijkbaar met de elasticiteit van eenig kleed. Zoo dit een kind goed gepast heeft, zal het een volwassen mensch knellen, zoo deze het niet zoo lang gedragen heeft, dat het al den tijd tot uitrekking gehad heeft.
[72] Zie hierover ons geschrift get.: Vervolg van het werk Over de werking der Natuurwetten enz., blz. 500.
[73] Het is klaar, dat het kennen der geschiedenis, dat met de op blz. 178 gemelde eerste soort van bewuste aanschouwing te vergelijken is, daarvoor niet voldoende is.
[74] Bij de planeten zal de invloed der aantrekking der komeet niet uitgewischt worden, omdat zie blz. 154, geene oorzaak anders dan de traagheid het planetenstelsel in stand tracht te houden, zie blz. 163.
[75] Verscheidenheid in ruimte moet ontstaan zijn door verandering der zaken ten gevolge van accidentele oorzaken. Komen deze nu niet meer voor, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking (zie blz. 270 en 275), die verscheidenheid in ruimte doen verdwijnen
[76] De zedelijke waarde van armen zal gemiddeld in zooverre absoluut minder zijn dan die van rijken als zij in geestelijke ontwikkeling voor deze onderdoen. Overigens kan men evenmin zeggen, dat in alle opzigten armoede de oorzaak als het gevolg van slecht gedrag is.
[77] Op blz. 61 hebben wij verschillende voorbeelden der werking der wet van geschiktmaking op economisch gebied gegeven. Hiernevens nog eenige. Zoo omstandigheden het uitoefenen van eenig beroep onvoordeeliger maken, zal, door het verlaten er van, of door overmaat van sterften boven geboorten, (zie begin blz. 50) het aantal beoefenaars er van verminderen, en dit de overblijvende in gunstiger omstandigheden stellen, dan zoo hun aantal grooter is. Die overblijvende beoefenaars zullen aldus even veel geld kunnen verdienen na het ontstaan dier voor dit beroep ongunstige omstandigheden, dan het grootere aantal beoefenaars er van voor het ontstaan dier omstandigheden. Men kan hieruit nagaan, hoe de werking der wet van geschiktmaking beroepen, bij derzelver beoefenaars evenveel beelding vorderende, even winstgevend, en die winsten bij beroepen, bij derzelver beoefenaars niet evenveel beelding vorderende, in reden der behoeften dier beoefenaars tracht te doen worden.
Voorts zal de werking der wet van geschiktmaking bij vergroote productie de behoeften en de voeding der arbeiders zoodanig vergrooten, dat deze het eindelijk betrekkelijk niet ruimer dan vroeger bij minder verdiensten zullen hebben. Eene werking dier wet is ook de beperking der prijsverhooging van iets tengevolge van grootere vraag dan bod. Die prijsverhooging zal toch de koopers moeijelijker en de verkoopers gemakkelijker maken, en hierdoor het weder gelijk worden van vraag en bod en aldus ook het tot staan komen van den prijs bevorderd worden.
Werkingen der wet der veranderlijkheid op economisch gebied zijn alle die welke die bovengemelde werkingen verstoren; voorts alle toevallige winsten of verliezen, handelscrisissen, beurspanieken enz. Werkingen dier wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, zijn de bankroeten veroorzaakt door vorige bankroeten; het overleggen van meer geld door handelaars, naarmate hun bedrijfskapitaal grooter is; het op schadelijke wijze leenen van geld naarmate de schuld grooter is enz.
[78] Te gelijk hiermede zou ook de behoefte aan veiligheid, alsmede de kennis om zich deze te verschaffen afnemen. Bij elken stand van beschaving trachten al de gevolgen hiervan harmonisch met elkander te worden. Zoo zullen bijv. volken in het bezit van spoorwegen en van langdurige tijdperken van vrede, zich mijnongelukken en het bekostigen van moorddadige vuurwapens moeten getroosten.
[79] Hieruit volgt dat moraal onafhankelijk van een ideaal langzamerhand tot dierenmoraal zou dalen.
[80] Het ideaal, dat beoogt het door den graad van beschaving bepaalde genoegen der maatschappij, is te vergelijken met eene zware maar niet wrijvende massa, die slechts hierdoor aan eene zie blz. 138, achterwaarts trekkende kracht wederstaat. Het ideaal, dat daarentegen den geestelijken vooruitgang der individuen beoogt, is te vergelijken met zulk eene massa, maar waarop tevens eene kracht werkt, die aan de zooeven gemelde achterwaarts trekkende wederstaat. Voor zoo verre der menschen ideaal niet het eerste der beide gemelde is, strekt betrachting van deugd niet om gemiddeld het gelukkigste te zijn, en om gemiddeld het beste in zijn doen te gelukken, en hangt de waarde der zedelijke daden niet af van het voordeel dat de maatschappij er van trekt, zie blz. 218.
[81] Iets dergelijks moet ook plaats hebben bij den invloed door de onveranderlijke atomistische bewegingen van den ether op hemelbollen uitgeoefend zie blz. 170.
[82] De kinderlijke voorstelling van dit een en ander is die der hemel en aardgeesten.
[83] Met de hersens is dit eveneens het geval. Wanneer de directe werking der indrukken, door de hersens bij den geest voortgebragt, bij de denking van dezen (zie blz. 144 bepaalt door een geheel van zintuigelijke onwaarneembare atomistische bewegingen) overheerschende is; is de geest min of meer passief. Tot dien toestand, waarbij de denking van eene lagere gehalte is, trachten de hersens den geest nu te brengen, en niet het minste wanneer het ligchaam gezond is, omdat dit dan in een gemiddelden toestand verkeert, en aldus zie bl. 78 en 102 niet in dien waarbij het de minste terugtrekkende werking op den geest uitoefent zie Noot blz. 79.
[84] In dit geval verkeeren bijv. de door ongeschikt geworden instellingen voortgebragte en deze slopende revolutien. In den aanvang geschiedt dit op eene meer schroomvallige wijze dan later, omdat er tusschen de intensiteit dier revolutien en de bedoelingen, die men er mede heeft, alsmede den bijval die zij vinden, wederkeerige versterking plaats heeft. Voor zooverre zulke revolutien nieuwe zaken daarstellen moeten zij, zooals op blz. 287 met betrekking tot de hervorming gezegd is, beschouwd worden.
[85] Hierbij stellen wij dat in elk dier gevallen de zedelijke eischen van het leven even groot zijn, zoodat zie blz. 82 de absolute graad van deugd gelijk aan den betrekkelijk graad hiervan is. Van de voor die eischen te groote zelfzucht en zucht tot genot in het heden, zijn de slechte hartstogten wel verschillende uitingen, edoch bij veel lagere trappen van beschaving kunnen de zelfzucht en de zucht tot genot in het heden zich of in het geheel niet op de wijze van sommige dier slechte hartstogten, of slechts gebrekkig op de wijze van andere derzelve uiten.
[86] Zie hierover ons werk get. Over de werking der wet Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 361 en het vervolg van dit werk blz. 74.
[87] Een gevolg kan een verschijnsel vernietigen, op het oogenblik dat dit geschiedt is, zelf door de werking der wet van geschiktmaking vernietigd zijn, en intusschen een nieuw verschijnsel van den aard als het eerste opgewekt hebben. Dit bijv. is het geval bij het gaan dan in deze en dan in gene rigting, twee verschijnsels welke door een tusschenliggend verbonden zijn.
[88] Liggen er n × 2n ballen binnen die bus en n ballen binnen elk deel er van, waar binnen die verhoudingen op allerlei wijze varieren, zoo zal, bij het voorkomen van al de gevallen, slechts eene dier 2n deelen enkel witte en een ander enkel zwarte ballen bevatten. Nu zal de grootheid n niet aanzienlijk behoeven te zijn, om het aantal deelen 2n uiterst groot en de betrekkelijke grootte dier deelen aldus zeer gering te doen worden.
[89] Die ongelijkheid in digtheid van groepering binnen eene rij van zulke aan elkander grenzende deelen kan echter in stand gehouden worden, zoo binnen het deel, bij het eene einde der rij, er nieuwe poeijerdeelen in gebragt en, bij het deel bij het andere einde, er poeijerdeelen weggenomen worden. De digtheid van groepering der poeijerdeelen zal alsdan langs dien weg van het eene naar het andere einde afnemen, en, onder het bezit van allerlei onregelmatige snelheden, die poeijerdeelen zich langzaam van het eene naar het andere einde dier rij verplaatsen. Iets hiermede overeenstemmende heeft bijv. plaats bij de in de poolzeeën drijvende ijsbergen. De gletschers voeren er nieuwe in zee aan, zij smelten onder weg, en de accidentele en onregelmatige stroomen binnen de poolzeeën, het effect van hierboven gemelde snelheden doende, zullen die ijsbergen gemiddeld naar lagere breedten voeren, zoo hier naar toe de digtheid van groepering der ijsbergen afneemt.
De zwaarte der stof of slibbedeelen, door wind of stroomend water opgeheven, zal hetzelfde effect uitoefenen als die aan en afvoer van bovengemelde poeijerdeelen. Stroomende vloeistoffen zijn steeds in beroering en, bij zekere afneming der sterkte van groepering dier stofjes of slibbedeelen naar boven, kan de werking dier beroering er overal gemiddeld even veel meer op dan nederwaarts voeren als de zwaartekracht er nederwaarts voert.
Niet alleen zal bij sterke stroomen die digtheid van groepering naar boven minder afnemen, maar zij zal dan tevens bij den bodem grooter zijn, zoo hierop eene onbepaald aantal ophefbare stofjes of slibbedeelen gelegen is.
[90] Die verschillende kansen van voorkoming bezittende afwijkingen zijn te vergelijken met de trekkingen uit bussen, ballen van verschillende kleur bevattende. De onregelmatigheid bij eene reeks van trekkingen zal alsdan minder worden, zoo niet enkele keeren ballen van eene kleur, in de bus schaars voorkomende, getrokken worden. Zie ons werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 453.
[91] Merken wij hier op dat bij het geval van blz. 3 van ons werk get.: Vervolg op het werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz., zoo de drang tot onregelmatigheid, op blz. 309 gemeld, niet bestond, hoe lang ook schuddende, de groepering n binnen geen eindigen tijd zou ontstaan moeten, evenmin als bij het werpen met eene dobbelsteen, waarvan het eene vlak met lood bezwaard is (hetgeen overeenstemt met de meerdere kans van voorkoming der groepering n.) Door zachter te gaan schudden, wanneer de groepering n zich vormt, ontstaat er nu iets overeenkomende met het minder in aantal worden der vlakken dier dobbelsteen.
[92] Zie ons werk get. Vervolg van het werk get. Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 73 en 536.
[93] Dit is met inachtneming van den tijd noodig voor eene ons onbewuste voortplanting van het effect der handelingen der menschen met de golvingen binnen vloeistoffen vergelijkbaar.
[94] Dit zou bijv. het geval bij ons zonnestelsel zijn, zoo de vaste sterren er veel digter bij gelegen waren.
[95] Men denke hierbij aan de voortplanting van toonen.
[96] Dit niet te verwarren met gelijksoortige absolute regelmatigheden. Hoe verder deze toch in tijd of ruimte van elkander gelegen zijn, hoe minder groote totale regelmatigheid zij, in verband met elkander beschouwd, zullen teweegbrengen zie blz. 311.
[97] In plaats van op de onregelmatigste wijze dan te winnen en dan te verliezen, kan een speler verliezen, door het krijgen van slechte spellen, door onoplettendheid en door onkunde. In alle drie gevallen zal dit steeds na een verliezen door den overheerschenden invloed van enkele omstandigheden geschieden, doch in het eerste deze omstandigheden ieder oogenblik kunnen verdwijnen en dit eindelijk moeten doen, terwijl zij sterker zullen bestaan, naar gelang dit krijgen van slechte spellen langer aanhoudt. Het tweede geval ligt alsware tusschen de beide andere in, en kan dan meer op het eerste dan meer op het derde geval gelijken.