Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen

Chapter 25

Chapter 253,556 wordsPublic domain

Vandaar dat er niet, althans niet buiten zekere grenzen, gelijktijdig in eenig land, zooals men zegt bij toeval, zeer veel meer diefstallen dan gemiddeld gepleegd worden, en dat evenmin kort nadien dit aantal veel kleiner dan gemiddeld wordt, zonder dat de justitie en particulieren intusschen waakzamer geworden zijn en het straffen der diefstallen verscherpt is. Die diefstallen zijn te vergelijken met het trekken van bijv. gele ballen uit eene bus, ballen van allerlei andere kleuren bevattende, op eene onbewuste wijze voor het gevoel onderscheiden, en wier trekking met het voorvallen van de verschillende andere feiten, welke in de plaats van diefstallen kunnen plaats hebben, vergelijkbaar is; terwijl de verspreiding en de verhouding dier ballen van verschillende kleur binnen de bus, vergelijkbaar is met den stand van zaken aanleiding gevende tot die gelijktijdig voorvallende feiten van verschillende soort. Bij elke trekking, een groot aantal ballen bevattende, zullen de getrokken gele ballen niet buiten zekere grenzen in verhouding tot al die gelijktijdig getrokken wordende ballen kunnen afwijken van derzelver verhouding tot het totale aantal ballen binnen de bus, omdat er anders bij elk dier trekkingen eene te groote regelmatigheid zou ontstaan. Evenzoo bij de gelijktijdig maar op verschillende plaatsen gepleegde diefstallen. Niet slechts heeft de stand van zaken op elke plaats invloed op de aldaar gepleegde daden, maar tevens in zwakkere mate ook die op andere plaatsen. Niet alleen hebben de andere daden, ter plaatse waar de diefstal geschiedt tegelijk hiermede plaats hebbende, maar tevens die en aldus ook de diefstallen op andere plaatsen gepleegd, invloed op eerstgemelden diefstal [93].

Op blz. 311 hebben wij gezegd dat, wanneer in de ruimte alsware tusschen gelijksoortige gebeurtenissen er eene menigte andere gelegen zijn, zij, door met betrekking tot elkander regelmatig of onregelmatig in te vallen, zeer weinig bijbrengen tot de regelmatigheid van het geheel, en als onafhankelijk van elkander ontstaan beschouwd kunnen worden. Men behoeft aldus het gelijktijdig voorvallen van bijv. diefstallen slechts te beschouwen over zulk een ruimte, dat er aldaar gemiddeld zeer veel ongeveer gelijktijdig geschieden. Is nu dit aantal buitengewoon veel grooter dan gemiddeld, zoo bestaat er eene regelmatigheid welke de vrucht moet zijn van eenige accidentele overheerschende omstandigheden tegelijk bij al die plaatsen, waar die diefstallen begaan worden, van invloed zijnde. Die regelmatigheid moet toch eene oorzaak bezitten, daar op blz. 321 aangetoond, is, dat die oorzaak niet in het totaal der zeer geringe invloeden van een uiterst groot aantal omstandigheden kan bestaan, wordt aldus het bestaan dier eerste oorzaak ontkent door iemand die regelmatigheid aan het toeval toeschrijft, zoo bekent hij tevens dat de laatste oorzaak alleen bestaat, en deze kan slechts, zooals op blz. 321 gezegd is, onregelmatigheid en geene zoogenaamde toevallige regelmatigheid voortbrengen.

Hieruit blijkt tevens dat bijv. diefstallen op verschillende plaatsen, zooals men zegt, onafhankelijk van elkander gepleegd, invloeden op elkander uitoefenen, die te zamen met velerlei andere even weinig waarneembare invloeden niet verwaarloosd mogen worden, want zij behooren, of tot die menigte van zeer geringe invloeden waardoor, zooals op blz. 321 gezegd is, onregelmatigheid ontstaat, of zij worden teweeg gebragt door de enkele overheerschende omstandigheden bij die verschillende plaatsen tegelijk werkende, waardoor er bij het voorkomen dier diefstallen regelmatigheid kan ontstaan. Alsdan kan men niet met juistheid zeggen, dat de diefstallen onafhankelijk van elkander gepleegd worden, zoodat, wanneer bijv., bij gemis aan afspraak van dieven op velerlei plaatsen, of van dergelijke omstandigheden, men bij de gewone wijze van spreken mag zeggen, dat die diefstallen niet anders dan onafhankelijk van elkander kunnen gepleegd zijn, zoo zij onder den invloed derzelfde enkele op verschillende plaatsen tegelijk werkende overheerschende omstandigheden ontstaan zijn, deze al zeer zwak moeten zijn, en de er door teweeg gebragte regelmatigheid, door de op blz. 321 gemelde werking, noodzakelijk zeer sterk gestoord moet worden.

Wanneer de omstandigheden, van invloed op gelijksoortige verschijnsels, wier wijze van herhaling in tijd of ruimte men wenscht na te gaan, ook onderling meer op elkander van invloed zijn, zal de regelmatigheid bij die voorkoming dier verschijnsels binnen naauwere grenzen besloten blijven. Enkele dier omstandigheden zullen dan toch moeijelijker een eenigen tijd aanhoudenden overheerschenden invloed in denzelfden geest kunnen blijven uitoefenen, omdat alsdan de grootere invloed van andere omstandigheden er op dit gedurig meer verhindert. [94] Dit zal insgelijks het geval zijn, zoo die invloed van eenvoudigen aard is, omdat dan elk dier omstandigheden meer geinfluenceerd wordt door elk der andere op eene wijze in verhouding der aanraking tusschen beide, en eerstgemelde omstandigheden gedurig met andere, of op eene andere wijze met dezelfde omstandigheid in aanraking komen. Zijn daarentegen die invloeden van meer zamengestelden aard, zoo kan eene omstandigheid meer ongevoelig blijven voor vele andere waarmede zij in directe aanraking komt, en daarentegen sterk den invloed ondervinden van enkele omstandigheden, in tijd of ruimte er betrekkelijk ver van verwijderd.

Dit is in sterke mate het geval bij de omstandigheden daargesteld door de wijze van denking die men willen noemt. Iemand wil, tengevolge eener voor geheele wijziging zeer vatbare gril, bijv. witte ballen uit eene bus nemen, en, ofschoon dan zwarte ballen meer bij de hand kunnen liggen, neemt hij toch moeijelijker te bereiken witte ballen. Zoo zullen, wanneer de dieven nemen wat het gemakkelijkste en met het minste gevaar te stelen is, de gedurende elke week gepleegde diefstallen onder eene groote bevolking, wegens gebrekkige onregelmatigheid van voorkoming minder veranderen, dan zoo die diefstallen gepleegd worden nadat derzelver daders berekeningen gemaakt hebben. Tusschen twee havens varende stoomschepen, wier machines steeds met evenveel kracht werken, en die aan allerlei winden en accidentele stroomen blootgesteld zijn, zullen langs de distantie tusschen die twee havens steeds op eene vrij onregelmatige wijze verspreid moeten zijn. Hangt daarentegen de kracht waarmede de machines dier vaartuigen werken af van den wil hunner gezagvoerders, zoo zal die verspreiding regelmatiger kunnen zijn, al bestaat er geene dit bevorderende afspraak tusschen die gezagvoerders.

Gesteld dat de werking van den wil dier gezagvoerders niet bestaat, zoo zullen bij gemelde vaartuigen, bij zekere regelmatige verspreiding van sommige hunner, de winden, de stroomen, golven enz. invloeden, waarbij de indruk dier regelmatigheid bestaat, op de andere vaartuigen overbrengen. [95] Gezamentlijk met de voorgaande, bestaan nu bij die overige vaartuigen een uiterst groot aantal andere invloeden van water en lucht, welke, zooals op blz. 321 gezegd is, door hun aantal en hunne veranderlijkheid iets onregelmatigs zullen trachten teweeg te brengen. Zoo aldus de min of meer regelmatige ligging dier overige vaartuigen, in verband met die der eerstgemelde beschouwd, eene sterkere regelmatigheid, dan door de ligging van eerstgemelde vaartuigen wordt voortgebragt, daarstelt, dienen de van deze op die andere vaartuigen overgebragte regelmatige invloeden sterker te zijn, en zich hierbij te paren aan dergelijke invloeden bij die overige vaartuigen. Dit kan naar ons inzien, niet anders geschieden, dan zoo die min of meer regelmatige invloeden bij elk vaartuig aanwezig en van de andere er naar toe overgebragt, door enkele voor al de vaartuigen in denzelfden geest werkende omstandigheden worden voortgebragt.

Onder de omstandigheden, op de ligging dier vaartuigen van invloed zijnde, behoort echter ook de behandeling er van door derzelver bemanning. Al wordt nu die behandeling geheel bepaald door de betrekking dier vaartuigen met de winden, golven en stroomen, zoo zal veel hiervan op die bepaling dier behandeling van zeer weinig en enkele zaken, hier en nu anders dan elders en later, van veel invloed kunnen zijn. Die behandeling kan aldus staan onder den overheerschenden invloed van enkele, volstrekt niet steeds op dezelfde wijze van invloed zijnde, accidentele omstandigheden, en daar zij sterken invloed uitoefent op de ligging dier vaartuigen, deze alsdan gemiddeld meer onder den invloed van enkele en gemiddeld minder onder den invloed van zeer vele veranderlijke omstandigheden komen. Dit nu is wel is waar geene bestendige oorzaak van meer regelmatige onderlinge ligging dier vaartuigen, maar wel eene oorzaak, waardoor de invloeden van zeer vele veranderlijke omstandigheden er op zwakker kunnen worden. Het is aldus mogelijk dat alsdan de op blz. 321 gemelde werking, waardoor de regelmatigheid tegengegaan wordt, zwakker wordt.

Eene overheerschende omstandigheid kan ergens, zooals op blz. 309 gezegd is, regelmatigheid voortbrengen, en eene andere overheerschende omstandigheid elders eene andere regelmatigheid veroorzaken, zonder dat beide soorten van regelmatigheid, wegens het verband waarin zij tot elkander staan, iets regelmatigs vormen. Is dit daarentegen wel het geval, en zelfs zoo op beide plaatsen er geene regelmatigheid bestaat, maar onregelmatigheden, welke, door bijv. min of meer identiek te zijn, wegens derzelver onderling verband eene regelmatigheid daarstellen, zoo moet deze door voor beide plaatsen gemeenschappelijke overheerschende omstandigheden teweeg gebragt worden. Anders toch zou de wegens dit onderlinge verband ontstaande regelmatigheid zonder oorzaak zijn, en aldus de ook met betrekking tot dit onderlinge verband onregelmatigheid voortbrengende werking der wet van geschiktmaking alleen heerschen.

Naar mate echter die twee plaatsen in de ruimte, of wanneer het tijdstippen geldt waarop die, wegens hun onderling verband, regelmatigheid voortbrengende gebeurtenissen plaats hebben, deze in den tijd verder van elkander gelegen zijn, dat is, wanneer er tusschenbeide alsware meer gebeurtenissen liggen, zullen de omstandigheden, regelmatigheid wegens onderling verband voortbrengende, bij dezelfde sterkte dier regelmatigheid, zwakker kunnen zijn. De werking der wet van geschiktmaking zal dan toch, door tusschenkomst der invloeden van eene zeer groote menigte van omstandigheden, bij de tweede plaats de regelmatigheid met betrekking tot hetgeen, op de eerste plaats geschied is, slechts kunnen storen, voor zoo verre hetgeen aldaar geschied is, bij die tweede plaats van invloed is. Is nu die verzwakking, bij grootere betrekkelijke verwijdering in tijd of ruimte, sterker dan die der omstandigheden, bij beide plaatsen, of op beide tijdstippen, eene, zooals hierboven gezegd is, door onderling verband ontstaande regelmatigheid voortbrengende, zoo zal deze bij groote verwijdering in ruimte of tijd grooter kunnen worden [96].

Zoo bijv. thans ergens in Europa iemand, de kleur der ballen onderscheidende, eene reeks hiervan uit eene bus trekt, en over eene eeuw iemand anders in Amerika dit ook doet, zal de eerste reeks van trekkingen zekere invloeden hoe gering ook op de andere uitoefenen, en de regelmatigheid bij de verhouding tusschen beide reeksen van trekkingen tot zekeren graad hoe gering ook door op blz. 321 gemelde werking der wet van geschiktmaking verstoord worden.

Zoo er nu slechts in beide gevallen sprake kan zijn om de witte of zwarte ballen, met betrekking tot derzelver afwisseling, slechts op een bepaald aantal verschillende wijzen uit die bus te trekken, kan de zucht naar varieteit maken, dat in beide gevallen de trekkers dit op al die wijzen doen, en dat aldus in beide gevallen, in tijd en ruimte zoover van elkander gelegen, er identieke reeksen van trekkingen plaats hebben. De omstandigheid, welke dan in die beide gevallen tegelijk werkt, is de zucht om uit bussen, witte en zwarte ballen bevattende, met onderscheiding der kleuren, deze bij de getrokken ballen op een zeker aantal verschillende wijzen te doen afwisselen.

Zoo daarentegen in beide gevallen slechts eene reeks van trekkingen en wel blindelings gedaan wordt, en dat in beide gevallen de witte en zwarte ballen op de onregelmatigste, maar in elk dier gevallen op volmaakt dezelfde wijze afwisselen, zoo dient de invloed van eene voor beide gevallen gemeenschappelijke omstandigheid hiervan de oorzaak te zijn, en zal deze die overeenstemming tusschen de beide reeksen van trekkingen moeijelijker te weeg kunnen brengen, naarmate die reeksen elk uit meer trekkingen bestaan. Die voor beide reeksen gemeenschappelijke omstandigheid kan in dit geval niet in eene voorbedachtelijke imitatie in het tweede geval van hetgeen in het eerste heeft plaats gehad bestaan, en dient dan wel derzelver invloed van de trekking in Europa, tot die eene eeuw later in Amerika op eene gelijksoortige wijze overgebragt te hebben als de sporen dier geheele eerste trekking. De oorzaak, die overeenstemming tusschen beide reeksen van trekkingen voortbrengende en die deze verstorende, moeten aldus beide in dit geval uiterst zwak zijn, en zullen dit nog meer worden, zoo tusschen de reeksen van trekkingen in beide gevallen er nog meer liggen, omdat de invloeden der eerste trekking hierdoor meer verloren gaan dan door andere zaken.

De werking der wet van geschiktmaking wischt namelijk vooral zaken uit door andere er mede gelijksoortige later voorvallende zaken, zie blz. 182, want die uitwissching of liever omzetting geschiedt niet van zelf, hiertegen verzet zich de werking der wet der traagheid.

Men moet echter zeer voorzichtig zijn bij de ontkenning dat bij gevallen, in tijd en ruimte ver van elkander gelegen, er geene onderlinge regelmatigheid tusschen hen kan ontstaan dan op dezelfde wijze waarop die gevallen zelve van invloed op elkander zijn. Die regelmatigheid tusschen twee gevallen kan toch, even als de absolute regelmatigheid bij een geval, dikwijls ontstaan op wijzen wel in zekeren zin gelijksoortig met die wij kennen en aldus niet door het toeval, maar op wijzen buiten onzen kring van kennis of, wegens hare zwakte, buiten onzen kring van waarneming gelegen.

De invloeden der daden der bewoners dezer aarde op die der bewoners van de planeet Venus moeten bijv. uiterst gering zijn, en toch zouden al de bewoners der dagzijde dezer aarde onbewust bijna te gelijk iets gelijksoortigs kunnen doen, en, zoo de bewoners der dagzijde van Venus, tengevolge der op blz. 232 gemelde werking der wet van geschiktmaking, gevoelig zijn voor de warmte der zon, ook zij iets dergelijks doen. Een onwaarneembare vermindering der warmte der zon, tengevolge van het ontstaan eener zonnevlek, zou toch de oorzaak hiervan kunnen zijn.

Bij het geval van blz. 312 bestaat er voor al de waarneembare ruimtedeelen van het mengsel eene omstandigheid, welke zekere onderlinge regelmatigheid tusschen hetgeen bij die ruimtedeelen bestaat, namelijk de gelijkheid tusschen de verhouding der verschillende vochten, bij elk hunner teweeg brengt. Die omstandigheid is namelijk dat door roering voor alle de quantiteit van het bijgeschonken vocht dezelfde wordt gemaakt.

Wij besluiten uit dit een en ander, dat de regelmatigheid bij gevallen en de onderlinge regelmatigheid tusschen verschillende gevallen binnen enge grenzen beperkt is, tenzij bijzondere oorzaken, kennelijk van anderen aard dan de invloeden tusschen de deelen dier gevallen, of tusschen deze laatste onderling, haar voortbrengen, en dat voorts de uitwerkingen en het belangrijke van zulke regelmatigheden niet buiten zekere grenzen kunnen afwijken van de sterkte dier bijzondere oorzaken. Deze werking der wet van geschiktmaking komt ons menschen zeer te pas, want, omringd van min of minder regelmatige bijzondere zaken, is het voor ons noodig de oorzaken er van te kennen en hierop te kunnen rekenen, en desniettemin doet onze fantaisie ons somtijds gelooven dat er regelmatige zaken bestaan, waar wij weten dat de oorzaken er van niet aanwezig kunnen zijn.

Dat regelmatigheid in tijd of ruimte door enkele op verschillende tijdstippen, of op verschillende plaatsen overheerschende omstandigheden voortgebragt moet worden, volgt alsware uit het bestaan van regelmatigheid in de herhaling of periodieke herhaling derzelfde zaken. Voorts kan eene gebrekkige regelmatigheid zamengesteld worden uit eene volmaakte regelmatigheid on eene volslagene onregelmatigheid.

Bij het voorbeeld der op blz. 327 gemelde diefstallen heeft men, al vallen deze in tijd of ruimte zoo onregelmatig mogelijk voor, wel is waar eene herhaling derzelfde zaak, doch hiervoor te gelijk eene in tijd en ruimte overheerschende omstandigheid, namelijk die in eene maatschappij tot diefstallen aanleiding gevende. Bestaat er nu buiten deze regelmatigheid eene tweede, namelijk die, welke met een volstrekt onregelmatig voorkomen dier diefstallen zamengesteld, vormt eene gebrekkige regelmatigheid van voorkoming er van, zoo bestaat die tweede regelmatigheid in eene periodieke herhaling derzelfde zaak, en moet zij de vrucht van andere overheerschende omstandigheden zijn. [97]

Trouwens verschijnsels, onder den invloed staande van verschillende omstandigheden, tracht men, ten einde de invloeden elk dezer te vinden, alsware te ontleden in verschillende regelmatige verschijnsels, en wel in meer, naarmate die omstandigheden meer in aantal zijn. Dan echter wordt de regelmatigheid van het resulterende verschijnsel van meer zamengestelden aard en meer onregelmatig, en moet het zulks volstrekt worden als die er op van invloed zijnde veranderlijke omstandigheden in aantal onnoemelijk zijn, en dat geene derzelver overheerscht, want in dit laatste geval kan het verschijnsel eene op uiterst zamengestelde wijze gestoorde eenvoudige regelmatigheid vertoonen, zie Noot blz. 328.

Op blz. 278 hebben wij aangetoond dat zaken geene plotselinge veranderingen er van in grootte kunnen ondergaan, zoodat veranderingen er van in grootte aangeduid zullen kunnen worden door de ordinaten van nergens niet afgeronde hoeken bezittende kromme lijnen. Zoo aldus zaken, aan een steeds grooter wordenden drang tot vergrooting onderworpen raken, zal derzelver grootte gedurende de achtervolgende tijdstippen door de ordinaten eener van af zeker punt oploopende en met de bolle zijde naar de abcissenas gekeerde kromme voorgesteld kunnen worden. Vergroot die drang later niet meer, en wordt hij daarna steeds kleiner, om eindelijk nul te worden, zoo zal die kromme een buigpunt verkrijgen, vervolgens steeds flaauwer oploopen en met de holle zijde naar de abcissenas gekeerd zijn, en eindelijk hiermede paralel loopen.

Wanneer oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, en aldus de drang tot vergrooting bij het gevolg steeds versnellende grooter zou worden, zoo de werking der wet van geschiktmaking zie blz. 262 de vergrooting der oorzaak niet tegenging, zal dit gevolg wel is waar aan een na zekeren tijd steeds trager, maar nog steeds toenemenden drang tot vergrooting blootgesteld zijn, maar, daar de werking der wet van geschiktmaking ook de vergrooting van dit gevolg tracht tegen te gaan, en, even als bij de oorzaak, in sterkere mate, naarmate het grooter is, het zijn, of er bij beide eene eerst toe en later afnemende vergrootende werking bestaat. De werking der wet van geschiktmaking kan nu wel de vergrooting van eenig verschijnsel zeer moeijelijk maar niet onmogelijk maken, en verkeert daaromtrent steeds in het geval van als bij eene van derzelver werkingen, namelijk den tegenstand van het water tegen drijvende vaartuigen. [98] Hoe snel ook deze bewegen, de vergrooting der voortstuwende kracht kan desniettemin eene ofschoon uiterst geringe vergrooting der snelheid van het vaartuig teweeg brengen. Vandaar dat alsdan de op blz. 336 gemelde ojiefvormige kromme, wier ordinaten de achtervolgende grootten van het bovengemelde gevolg verschijnsel aangeven, eerst bij eene oneindig groote abcis en eene eindig groote ordinaat met de abcissenas paralel zal loopen. [99] Gesteld dat nu de stoommachine van dit vaartuig sterker gestookt wordt, naarmate de snelheid hiervan meer bedraagt, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking de versterking van het vuur steeds meer gaan belemmeren, en klaarblijkelijk zulk een vaartuig eerst versnellende, maar later vertragende in snelheid toenemen, zonder dat ooit de aanwas in snelheid geheel ophoudt.

Dit zal insgelijks het geval zijn, zoo het gevolg, hierbij de snelheid van het vaartuig, de oorzaak, hierbij het stoken der machine, niet versterkt. Ook dan zal het gevolg, ofschoon niet noemenswaardig nimmer geheel ophouden met in grootte toe te nemen, doch dit wel bij de oorzaak het geval zijn. Deze zal eerst versnellende daarna vertragende en na zekeren eindigen tijd in het geheel niet meer toenemen aldus even als de ordinaten der op blz. 336 gemelde ojiefvormige kromme.

Op blz. 307 hebben wij gezegd, dat een gevolg, door zekere oorzaak opgewekt, deze kan versterken, onveranderd laten, vernietigen en daarna zelfs negatief maken [100]. Een ongeschikte toestand van zaken kan bijv. opwekken, het er over oordeelen en dien ten gevolge handelingen van menschen. Zijn alsdan die handelingen oordeelkundig, zoo zullen zij het derde te weeg brengen, of wel het vierde, wanneer zie blz. 259 en 267 die ongeschikte toestand gerekend wordt te bestaan met betrekking tot een gemiddelden toestand en een uitslag naar de andere zijde hiervan een nog wenschelijker toestand te weeg kan brengen.

Handelingen, ten gevolge van slecht oordeelen begaan brengen daarentegen het eerste of tweede voort, namelijk zij laten den ongeschikten toestand onveranderd, of versterken dien.

Dit geschiedt daarentegen door handelingen, ten gevolge van goed oordeelen begaan, zoo die toestand geschikt is, en geperpetueerd dient te worden, terwijl in dit geval handelingen, ten gevolge van slecht oordeelen begaan, het derde, of somtijds ook het vierde voortbrengen.

Wanneer er twee partijen tegen elkander strijden, kan elk dezer een voor haar al of niet werkelijken ongeschikten toestand trachten weg te nemen, en het gevolg namelijk den strijd voor de overwonnene partij bij dien ongeschikten toestand het eerste of tweede en voor de overwinnende partij het derde of vierde voortbrengen. Die door die ongeschikte toestanden opgewekten strijd wordt op zijne beurt door uitputting van een of van de beide partijen vernietigd, en de partij, die de ongeschiktheid van hare toestand het beste beoordeelt, zal gemiddeld de zege behalen, zie blz. 288 [101]. Dit is ook van toepassing op den strijd tusschen het hoogere en lagere, zooals bijv. tusschen beschaafde en onbeschaafde volken, tusschen aanhangers van lagere en hoogere godsdiensten, zie blz. 287. Neemt men hierbij den gemiddelden vooruitgang van het menschdom niet in aanmerking, zoo zal de meerdere geschiktheid van dit hoogere of van dit lagere gemiddeld aan dit of gene de zege verschaffen.

Het ten gevolge van den drang tot vooruitgang zich verwijderen van het lagere, zie blz. 287, is eene werking van de wet der veranderlijkheid, waarbij het gevolg deszelfs oorzaak min of meer versterkt; doch de pogingen om zich tegen de achterwaarts trekkende werking van het lagere te verzetten, en om het verkregen hoogere te behouden, zijn werkingen der wet van geschiktmaking en van de wet der veranderlijkheid, waarbij het gevolg deszelfs oorzaak (in dit geval de afwijking van het lagere van het verkregen hoogere) te vernietigen. De werking der wet van geschiktmaking tracht steeds ook, zonder dat er strijd in den algemeensten zin plaats heeft, van lieverlede ongeschiktheden te doen verdwijnen bijv. door bij de partij, wier uiterlijke magt derzelver hulpbronnen overtreft, zijnde die gemiddeld aangevallen wordt, die ongelijkheid weg te nemen, zie blz. 289.