Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 19
Dat de totale hoeveelheid der zelfstandigheid onveranderlijk is, moet naar ons inzien, ontstaan doordat haar bestaan traagheid bezit. Anders toch zou eene oorzaak, kleiner dan eenige te geven grootheid, gedurende een eindigen tijd het bestaan van een eindig deel dier zelfstandigheid kunnen vernietigen, terwijl, zoo de traagheid niet het ontstaan van zelfstandigheid tegenging, eene dergelijke oorzaak als zoo even de absolute quantiteit dier zelfstandigheid zou kunnen vergrooten. Terwijl de traagheid een oneindig sterken wederstand schijnt te bieden aan eindige oorzaken de hoeveelheid dier zelfstandigheid trachtende te veranderen, biedt zij slechts een eindigen wederstand aan de oorzaken, leidende tot veranderingen der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging, (namelijk de bewegingen der ligchamen, alsmede derzelver eigenschappen, welke zie bl. 165, ook door bewegingen worden bepaald) en der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking (namelijk de denkbeelden en de door den aard der denkbeelden bepaalde karaktertrekken der geesten.) De traagheid biedt niet slechts wederstand aan de veranderingen in sterkte, maar ook aan die in aard dier veropenbaringen, aldus niet alleen aan het werkdadig maken van latente denkbeelden, zie blz. 167, maar tevens aan de verwisseling en vervanging dezer laatste door andere denkbeelden, niet alleen aan het ontstaan van beweegkracht, van welken aard ook, bij de ligchamen, maar tevens aan de verandering van den aard der zeer zwakke met de structuur der ligchamen verbonden atomistische bewegingen, waardoor den aard der eigenschappen dier ligchamen bepaald worden.
Bij die eigenschappen bestaat er onderscheid tusschen derzelver intensiteit en derzelver uitbreiding, (dat is of zij tot een grooter of kleiner ligchaam behooren) en bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking bestaat er eveneens onderscheid tusschen de intensiteit van latente denkbeelden en derzelver uitbreiding. Deze laatste is bijv. grooter, wanneer zij bij veel dan wanneer zij bij weinig personen bestaan, en zelfs bij een enkel wezen kunnen, bij gelijke intensiteit der denkbeelden, deze in uitbreiding verschillen. Om aldus bij de denkbeelden van wezens groote veranderingen te weeg te brengen, dient er, wegens de werking der traagheid, eene oorzaak te bestaan, die, zoo deze slechts gedurende korten tijd werkt, met betrekking tot de intensiteit en uitbreiding dier denkbeelden groot is. Vandaar dat bijv. op het gebied der geschiedenis groote verschijnselen slechts kleine oorzaken kunnen bezitten, wanneer deze gedurende zeer langen tijd werkzaam zijn. Integendeel, kan bijv. wanneer in eenig land de individuen sterk voor den vrede geneigd zijn, een oorlogzuchtig pamflet hen evenmin eene noemenswaardige zucht tot oorlogvoeren geven, alsdat de aantrekking eener komeet van geringe massa de snelheden en banen der planeten noemenswaardig kan wijzigen [74]. De uitwerking van zulk een pamflet zal van lieverlede verdwijnen, dat is de traagheid dier uitwerking zal met den tijd geheel overwonnen worden, zoo de inhoud van het pamflet de drijfveeren, tot oorzaak dier vredelievende neiging strekkende, onveranderd laat. Eveneens zal eene accidentele snelheid gegeven aan waterdeelen, wier snelheid door het verhang en de wrijving bepaald worden, van lieverlede verdwijnen, zoo de kortstondige oorzaak dier accidentele snelheid noch op het verhang, noch op de wrijving van het water van invloed is.
Bij de (zie blz. 174) onveranderlijke ofschoon zeer zamengestelde veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en denking, doet de traagheid, door telkens den bestaande alsdan steeds volmaakt geschikten toestand in stand te willen houden, het effect van eene alleenheerschende oorzaak van geschikthouding. Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking is dit integendeel anders, en wel te meer hoe grooter die veranderlijkheid is. De traagheid tracht alsdan slechts gebrekkig geschikte toestanden, en zoowel het kwade als het goede hierin bevat, in stand te houden, met betrekking tot het geschikte en ongeschikte is zij neutraal.
Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid bestaan er naar ons inzien eigenlijk slechts drie natuurwetten, namelijk 1o. de traagheid, 2o. de drang tot geschiktwording en 3o. die tot veranderlijkheid.
De door de wetenschap gestelde natuurregels zijn slechts de bijzondere ofschoon onveranderlijke regels, waardoor bepaald worden de verschillende gedaanten, welke de werkingen dier drie algemeene natuurwetten aannemen. De wet der traagheid der met gewone snelheden begiftigde ligchamen, de wetten volgens welke afstooting en aantrekking, zie blz. 171, onveranderlijke doch zeer zamengestelde atomistische trillingen regelen, en de daarmede vergelijkbare natuurwetten, waardoor de aard onzer denkbeelden onveranderd tracht te blijven, bepalen toch de gedaanten waaronder zich vertoont de werking der algemeene wet der traagheid, in het eerste geval op astronomisch gebied, in het tweede op bijv. scheikundig gebied, omdat die trillingen de chemische eigenschappen der ligchamen kunnen bepalen en in het derde op zielkundig gebied.
Bij elke verandering van verschijnsels, bij alle opvolging van verschijnsels door er mede in verband zijnde andere verschijnsels, ontmoet men steeds de zich onder de eene of andere gedaante vertoonende werkingen van die drie algemeene natuurwetten.
Die der geschiktmaking zal trachten den bijzonderen aard der dingen meer algemeen te maken, omdat hier door dien aard nadert tot die van het onveranderlijke en aldus volmaakte deel van het Heelal, zie blz. 174. Door de werking dier algemeene natuurwet zal aldus het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking verzwakken, die denking naderen tot de algemeenste denkbeelden van den oergeest, en het bijzondere bij de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging verzwakken, en die bewegingen naderen tot de algemeenste en onveranderlijke van den ether. In beide gevallen zal echter de werking dier natuurwet slechts eene qualitatieve en niet, zie blz. 169, eene quantitatieve verandering te weeg brengen.
Bestond de wet der veranderlijkheid niet, zoo zou het bijzondere en verscheidene bij de veropenbaring der zelfstandigheid ook niet bestaan, terwijl, zoo de wet van geschiktmaking niet bestond, de ontwikkeling van de bijzondere en veranderlijke hemelbollen en wezens niet zou strekken om deze, wanneer derzelver ontwikkeling de palen der eindigheid bereikt, de natuur van het onveranderlijke en aldus volmaakte te geven, maar eerder om de afwijking hier van steeds grooter te doen worden. Gedurende het gemiddeld gaan dier hemelbollen en der er op verblijvende wezens van het op blz. 161 gemelde middelpunt naar het midden der dikte van den Melkweg, moet er bij naar ons inzien de werking der natuurwet van de veranderlijkheid en tegelijk die der wet van geschiktmaking grooter worden, zoo bij dit midden der dikte van den Melkweg de aard der hemelbollen het meeste van die van den ether verschilt, en dit ook het geval is met de op die bollen bestaande ligchamen, waarmede de geene zintuigelijke indrukken voortbrengende atomistische beweging, de denking der wezens bepalende, in contact komen. Gedurende derzelver gemiddelde verwijdering van die plaats naar buiten, bij die bollen de werking van beide die wetten geringer wordende, zoo zal alsdan de aard dier bollen en der daarop wonende wezens van lieverlede minder bijzonder en verscheiden worden. Gedurende deze laatste periode zal de werking der natuurwet der geschiktmaking die der wet der onveranderlijkheid overtreffen, en gedurende de eerste periode het tegenovergestelde plaats hebben. Door die eerste werking zullen zie blz. 155 de gewone snelheden of overgaan in warmtetrillingen of, wanneer gedurende derzelver verzwakking de aantrekking overwonnen wordt, veranderen in de op blz. 165, gemelde aantrekkingstrillingen, de warmte zal er door verspreid worden, de elektrische trillingen in warmtetrillingen overgaan, de chemische zamenstellingen meer gaan gelijken op die der absoluut enkelvoudige stof den ether enz. De werking der wet der veranderlijkheid moet daarentegen, bij het grooter maken der afwijkingen van den toestand der zaken van den toestand van der ether, voor zooverre deze niet aan den invloed der hemelbollen blootgesteld is, juist het tegenovergestelde doen, zoodat de werkingen der bijzondere natuurwetten der zwaartekracht, der warmte, der electriciteit, van het chemismus enz. begrepen zullen zijn deels in de werking der algemeene natuurwet der geschiktmaking en deels in die der natuurwet der verscheidenheid, zoodat zij in dezelfde verhouding tot deze algemeene wetten staan als de op blz. 269 gemelde bijzondere natuurwetten tot de algemeene wet der traagheid.
Uit het bovenstaande volgt dat de op blz. 243, gemelde, hetgeen wij toeval noemen, barende verschijnsels de vruchten zijn der werking der wet van de verscheidenheid. De snelheden, waarmede de hemelbollen volgens allerhande rigtingen den ether doorklieven, zijn bijv. het werk er van, de ongelijke verspreiding der warmte en de hierdoor ontstaande ongelijke drukkingen eveneens, het alsdan veranderen van warmtetrillingen in gewone snelheden bij vloeistoffen evenzoo. De werking der wet der geschiktmaking tracht, zie blz. 169, de werkdadigheid van den geest, waarbij er geoordeeld, afgeleid en onder vooruitloopen der ervaring gedwaald wordt, te vernietigen, of liever om te zetten in de algemeene werkdadigheid van den Oergeest, hetgeen met de omzetting van gewone snelheden der ligchamen in de algemeenste atomistische bewegingen van den ether vergelijkbaar is. Van den anderen kant zal die werking bij de wezens eene werkdadigheid trachtten op te wekken als bij het voor den geest houden van denkbeelden door directe aanschouwing verkregen, namelijk eene zuivere contemplatieve ervaringsdenking, hetgeen zie blz. 159 met de opneming van warmte door de hemelbollen te vergelijken is. De werking der wet van de verscheidenheid tracht daarentegen het tegenovergestelde te doen, namelijk ons niet te doen denken aan hetgeen wij door aanschouwing zeker weten dan voor zooverre dit strekt om te oordeelen, te kiezen, af te leiden enz.
Dat het bestaan van verscheidenheid, annex aan dat van het bijzondere, de ontwikkeling bevordert, blijkt niet slechts uit het effect er van op onzen geest, maar tevens ook hieruit, dat de organisatie der planten en dieren, aan de meeste verscheidenheid van omstandigheden blootgesteld, gedurende derzelver leven in ontwikkeling het sterkste toeneemt. Stelt men water te loopen langs eene ojiefvormige, flaauwe en wrijvende helling, zoo zal, ongeveer waar het verval op het grootste is, de snelheid van het water zulks ook zijn, en dit het meeste slibstoffen opgeheven houden. Het verval hierbij is te vergelijken met de werking der wet der veranderlijkheid, de wrijving met de werking der wet van geschiktmaking, de snelheid met de intensiteit van het bijzondere en der verscheidenheid en het bezwangerd zijn van het water met slibstoffen met den vooruitgang. Even als de beide op blz. 250, gemelde werkingen waar de meeste verscheidenheid bestaat, zijn bij het zoo even gemelde geval, waar de snelheid op het grootste is, de werkingen van verval en wrijving op het grootste en even groot.
Bij de aanschouwing van het verscheidene en aldus bijzondere trachten wij, zooals bij de classificatie en het zoeken van het verband tusschen oorzaken en gevolgen, eene kennis te verkrijgen met meer algemeene begrippen en aldus van meer algemeenen aard dan die aanschouwing. De kennis, direct door aanschouwing van het bijzondere verkregen, voldoet ons aldus niet, doch juist daarom strekt die aanschouwing van het bijzondere om zie bl. 237 ons zoodanig in te spannen dat onze geestontwikkeling toeneemt. Dit aldus niet kunnende geschieden, zonder dat het oordeelen en besluiten de kennis, door controlerende aanschouwing verkregen, anders gezegd de ervaringskennis, vooruitloopen, waardoor deze laatste alsware omhooggetrokken en uitgebreid wordt, zoo moet noodwendig de wijze van verkrijging van kennis, waardoor de geestontwikkeling kan vergrooten, aanleiding geven tot dwaalbegrippen. Loopen nu in geestelijken aanleg en intellectuele ontwikkeling uitstekende menschen die ervaringskennis meer dan het gros der menschen vooruit, zoo zullen zij niet minder dan dit in dwalingen vervallen. Een pasgeboren kind kan niet denken "ik schort mijn oordeel op over alles wat de ervaring mij niet als zekerheid aangeeft." Zulk een kind zou van niets de juistheid te verifieren hebben en niets leeren. Denkt het dat een verwijderd voorwerp te grijpen is, zoo loopt het evenzoo de ervaring, door het gezigt verkregen, vooruit, als een wijsgeer, die zich op het gebied van het buitenzinnelijke begeeft, de ervaring door al de zintuigen aan de menschen verschaft.
Door de werking der wet van geschiktmaking zullen de gewone snelheden van ligchamen, al zijn deze zelfs door geene wrijvende vloeistof omgeven, in warmte beweegkracht overgaan. Geen ligchaam is toch volmaakt vast, en bij geen ligchaam zullen alle punten precies dezelfde evenwijdige snelheden bezitten, bij alle zal dus hetgeen, op bl. 154 en in Noot bl. 156, gezegd is, met de snelheden te gebeuren, plaats hebben. Dit is insgelijks het geval, wanneer zulke ligchamen om eene as wentelen, daar alsdan, zie Noot blz. 165 moleculen, digter bij den equator gelegen, zullen komen naast andere, er wat verder van gelegen, en die aldus eene kleinere absolute wentelingssnelheid dan gene bezitten. De op blz. 154 gemelde egaliserende en de verscheidenheid bij de aardkorst wegnemende werking van het water is eene werking der wet van geschiktmaking, ofschoon zij de aarde voor ons menschen, maar niet voor de lage en een uniform leven leidende zeedieren onbewoonbaar tracht te maken. De op diezelfde bl. gemelde werking der lava van den aardkern is daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid.
De wet van geschiktmaking oefent, bij de overwinning der traagheid van het bijzondere eene werking uit, die wij in ons het: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. blz. 660 slijtende werking genaamd hebben. Zoo in zooeven gemeld werk als in het vervolg er op, hebben wij vele voorbeelden dier slijtende werking aangehaald en aangetoont hoe hierdoor de periodieke schommelingen (zie later), van lieverlede verzwakken en de toeneming in intensiteit van verschijnsels, waarbij er elkander wederkeerig versterkende oorzaken in het spel zijn (zie later) tegengewerkt wordt. Deze wet tracht dan geschiktheid uit een en dan uit een ander oogpunt beschouwd voort te brengen, zoodat zij in het eene geval somtijds, in zeker opzigt, in strijd werkt als in andere gevallen. Zoo tracht een harer werkingen menschen, die met elkander op den voet van gelijkheid en in dezelfde omstandigheden verkeeren, even deugdzaam en kundig te maken als het gros van hen, en aldus een kundig en braaf mensch, door zijn omgang (zie blz. 48) op den voet van gelijkheid met menschen, die zulks minder zijn, in geestontwikkeling te doen afnemen. Is daarentegen, de geestontwikkeling van menschen te laag voor de eischen der omstandigheden waarin zij verkeeren, zoo zal eene andere werking dierzelfde wet beide tot elkander doen naderen en aldus die menschen deugdzamer en kundiger maken, althans zoo zij daarin niet tegengewerkt wordt door een andere van hare werkingen, waardoor de geesten van menschen geschikt worden voor de ligchamen waaraan zij annex zijn en aldus meer naar het dierlijke neigen. In dit geval zullen de werkingen dier wet drie zaken, namelijk de ligchamen, de geesten en de eischen van den maatschappelijken toestand op dezelfde hoogte trachten te stellen.
Eenvormigheid bij menschen, op denzelfden voet met elkander verkeerende, is gewis op zich zelf beschouwd, eene geschiktheid, en dit is ook het geval bij andere zaken, zoodat de wet van geschiktmaking er toe zal leiden om alle afwijkingen van gemiddelde toestanden weg te nemen. Zij maakt door eene secundaire werking dat individuen van dezelfde soort elkander opzoeken, edoch bestaat er voor het bestaan dier verschillende soorten geene andere oorzaak dan de traagheid, zoo zal zij, (zie blz. 7) al die soorten tot eene gemiddelde soort ineen doen smelten, en daar, zooals op blz. 90 gezegd is, de aarde hierop eene terugtrekkende werking uitoefent, die zich vormende middelsoort omlaag trekken.
Een ander voorbeeld van met elkander in strijd zijnde werkingen der wet van geschiktmaking, wanneer deze bij iets geschiktheid voor verschillende belangen tracht voort te brengen, is de strijd tusschen de pogingen tot zamensmelting van verschillende volkstammen van een zelfden staat, en die waardoor die stammen hunne nationale eigenaardigheden trachten te behouden. De zamensmelting is voor de sterkte van den staat wenschelijk, de pogingen er toe kunnen aldus als werkingen der wet van geschiktmaking beschouwd worden. Blijft nu de regering de sterkste, zoo zullen de volkstammen wel, met betrekking tot hunne nationale eigenaardigheden, in een ongeschikten toestand komen, maar de werking der wet van geschiktmaking hen daaraan ontwennen, zooals zij zulks bijv. bij de Elzassers gedaan heeft. Zijn daarentegen de nationaliteiten de sterkste, en is het mogelijk dat zij, door niet door elkander vermengd te wonen, afzonderlijke staten vormen, zoo zullen zij zich hierop inrigten.
Tracht een waanzinnige zijne neiging tot vernieling bot te vieren, zoo tracht hij, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, hetgeen, hem voor het oogenblik genoegen geeft, te doen. Hierdoor schaadt hij zoowel zijne eigen toekomstige belangen als andere menschen, doch deze sluiten hem, tengevolge der werking van diezelfde wet, op in een lokaal waar hij anderen niet hinderlijk is, niets vernielen kan en zich niet kan bezeren. Die waanzinnige plooit, zich naar het leven in zulk een vertrek en zijne vroegere betrekking wordt door anderen waargenomen. Dit een en ander toont aan, dat zoo bij elken gegeven toestand er geene andere oorzaken van verandering werken dan die van geschiktmaking, er ten laatste een onveranderlijken toestand zal ontstaan, waarbij alles voor elkander geschikt is, en geschiktheid in het eene oogpunt geene ongeschiktheid in eenig ander oogpunt meer zal baren. Zoo lang echter die onveranderlijkheid niet volmaakt is, zal de geschiktheid zulks evenmin zijn. Van een staat, voortdurend burgers bevattende die onder dezelfde wetten, instellingen, en regering wenschen te leven, zullen die burgers in één opzigt in een onveranderlijken, maar dan ook slechts in een opzigt in een voor hen geschikten toestand verkeeren. Om in eenig ander opzigt in een geschikten toestand te zijn (bijv. niet meer of minder te bezitten dan zij noodig hebben) zouden zij ook in een ander opzigt in een onveranderlijken toestand moeten komen en zoo voort. Volmaakte geschiktheid in alle opzigten vordert aldus onveranderlijkheid, of gemis van alle verscheidenheid in tijd, doch, daar de ervaring leert dat verscheidenheid in ruimte steeds gepaard gaat met verscheidenheid in tijd, zoo zal het gemis hiervan met dat der verscheidenheid in de ruimte moeten gepaard gaan, en aldus de volmaakte geschiktheid slechts bij den onveranderlijken Ether en de onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest te vinden zijn [75].
De wet der veranderlijkheid werkt echter het ontstaan van zulk een toestand onophoudelijk tegen en wel sterker bij de hemelbollen qualitatief meer van den onveranderlijken Ether, en bij de geesten evenzoo meer van den onveranderlijken Oergeest verschillende. Deze wet werkt op verschillende wijzen. Zij doet bijv. uit verschijnsels andere verschijnsels voortspruiten waardoor de eerste tegengewerkt of bevordert worden. In het eerste geval is echter dit tweede verschijnsel traag, zoodat het nog bestaat, wanneer het eerste zulks niet meer doet, en dan een verschijnsel tegengesteld aan het eerste te voorschijn brengt. Dit alsware negatieve eerste verschijnsel vernietigt wel het tweede, doch zelf traag zijnde, zoo bestaat het nog, wanneer dit tweede verschijnsel zulks niet meer doet, en brengt dan een verschijnsel tegengesteld aan dit tweede voort. Deze vernietiging van verschijnsels hebben wij op blz. 660 van ons werk get: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. de uitputtende werking genaamd. Zoo in dat werk, als in het vervolg er op, hebben wij eene menigte voorbeelden aangegeven van schommelingen door die werking der wet der veranderlijkheid bij verschijnsels van zeer verschillenden aard te weeg gebragt. Een voorbeeld er van is het volgende. Iemand gedraagt zich slecht, men begint hem te straffen, en, op het oogenblik dat hij zich het slechtste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste toe, om een maximum te worden, wanneer die persoon zich even goed als gemiddeld de menschen gedraagt. Daarna begint hij zich beter dan deze te gedragen, en, op het oogenblik dat hij zich het beste gedraagt, neemt het bestraffen het sterkste af en gaat het over in beloonen. Hierdoor wordt die persoon bedorven, hij begint zich minder goed te gedragen, en, op het oogenblik dat hij zich weder even goed als gemiddeld de menschen gedraagt, is het beloonen op een maximum geklommen enz.
Zulke schommelingen zouden nu slechts kunnen ontstaan door de gecombineerde werkingen der natuurwetten der traagheid en der veranderlijkheid. Bij dit voorbeeld toch trachten, zoowel zij die straffen en loonen, als hij die gestraft en beloond wordt, zoo zeer geene afwijkingen, te vernietigen, dan, tengevolge van bestaande afwijkingen van handelingen te veranderen. Wanneer bij deze de afwijking op het grootste is, veranderen gene op het meeste hunne manier van handelen, omdat alsdan de wet der veranderlijkheid hen daartoe dringt; terwijl, wanneer de afwijkingen bij de handelingen van gene op het grootste zijn, de gestraft of beloond wordende, eveneens wegens dezelfde oorzaak, zijne wijze van doen op het meeste wijzigt. Zulke schommelingen zullen echter zoo sterk niet plaats kunnen hebben, omdat de wet der geschiktmaking vereenigt met de beide bovengemelde natuurwetten werkt. Werkte zij alleen met de wet der traagheid, zoo zou de intensiteit der straffen steeds evenredig blijven met die van het wangedrag, die straffen aldus ophouden, wanneer hij, die deze straffen ondergaan heeft, zich weder gedraagt als gemiddeld de menschen, en er geene schommelingen ontstaan.