Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 17
De menschen bezitten eene zucht hiernaar, doch trachten zij macht te verkrijgen, niet door vergrooting hunner intellectuele en morele ontwikkeling onder gestadige inspanning, maar ten koste dezer laatste soort van geestontwikkeling, zoo worden zij eene prooi hunner hartstogten en zinnelijkheid, en het gebouw hunner magt valt weldra ineen. Zinnebeeldig heeft men zoo iets voorgesteld door verbonden van naar magt en grootheid hunkerende menschen met den booze, en het geloof aan tooverij heeft geen anderen oorsprong. De toovenaars toch werden beschouwd magt verkregen te hebben door onwettige middelen, terwijl godsdienst en vroomheid als de wettige middelen beschouwd werden, en de maatschappij, zich door de toovenaars benadeeld achtende, strafte deze.
De toovenaars zijn verdwenen, doch waarop berust thans veler ephemere grootheid? Op intrigue, op bedrog en opligterij, en hunne weelde en saturnaliën duiden genoegzaam den onwettigen oorsprong dier magt aan. Hoogere intellectuele ontwikkeling maakt, dat men meer bespeurt, welke voordeelen in het heden misdaden te weeg kunnen brengen, en beter de middelen weet te vinden om deze te volvoeren. Vandaar dat, ofschoon de menschen gedurende hun leven gemiddeld absoluut in zedelijke ontwikkeling toenemen, in het oog loopende misdaden, zie blz. 72 niet meer door jonge lieden dan door oudere van dagen gepleegd worden.
Dat menschen in beschaving toenemen en absoluut moreel slechter worden, gebeurt somtijds en naar ons inzien door dat zij dan aan qualitatief lagere eischen van zedelijkheid minder gaan voldoen, en zulks nog vrij slecht aan qualitatief hoogere doen. Dit kan vergeleken worden met het slecht schieten door een wilde, die afgeleerd heeft om met den boog om te gaan, maar nog niet goed met vuurwapens overweg kan, alsmede met het ongeloof van hen die hunne voorvaderlijke godsdienst ontgroeit, maar nog slechts gebrekkig eene meer verhevene godsdienst aangenomen hebben. Dit verschijnsel is echter bij de menschen in beschaving toenemende slechts tijdelijk.
Bij vergrooting zijner intellectuele ontwikkeling verkrijgt de mensch een dieperen blik in verschijnselen op stoffelijk en geestelijk gebied meer vreemd zijnde aan die onder het directe bereik zijner waarneming gelegen, zoo wegens derzelver aard als wegens het plaats hebben er van in verder verleden of toekomst. Hij verkrijgt aldus dan kennis van alsware sterker buitenzinnelijke zaken, van zaken welke een meer algemeen karakter bezitten, dan de het gevolg er van zijnde bijzonderheden die hij direct waarneemt; in een woord een wijderen blik in tijd en ruimte, zoo men die laatste uitdrukking niet slechts volgens de letter, maar tevens in figuurlijken zin opneemt. Bij vergrooting der zedelijke ontwikkeling verkrijgt de mensen liefde (uit met zekere eigenschappen begiftigde denkbeelden bestaande) voor wezens sterker van hem onderscheiden, en dus in figuurlijken zin in de ruimte verder van hem verwijderd, voor belangen dier wezens verder in de toekomst verscholen, en van een meer verborgen en meer algemeenen aard zijnde dan die welke direct onder het bereik zijner waarneming vallen. Zijne liefde dringt aldus dan door tot meer buitenzinnelijke zaken, tot verder in ruimte en tijd. Naarmate de zedelijke ontwikkeling grooter wordt, veranderen de er bij behoorende denkbeelden, door verhevener en dieper te worden, op dezelfde wijze van karakter als die der intellectuele ontwikkeling. [68] Er moet aldus eene constante oorzaak bestaan beide soorten van geestontwikkeling, door te trachten hen op gelijke hoogte te stellen, een overeenkomstig karakter trachtende te geven.
Aldus bestaat bij een hoog intellectueel ontwikkeld mensch, een ver en diep ziende geest parende aan groote wijsgeerige kennis, en zich verheffende boven het heden en de omgeving, een drang om opofferingen in het heden ligt te tellen, om niet een alles aan zijn eigen en oogenblikkelijk belang opofferend bekrompen egoïst te blijven en om door de ruimte van zijn blik, tot regtvaardigheid geleid te worden. Hij die daarentegen zeer van hem onderscheiden wezens en ver in de toekomst verscholen belangen met zijne liefde bereikt, moet daarentegen klaarblijkelijk geleid worden om zich bekend te maken met den aard van hetgeen in tijd en ruimte (ook in figuurlijken zin opgevat) ver van hem gelegen is. Kan men bijv. deelneming in vreemdelingen stellen en onverschillig blijven voor hun ganschen zijn en alles wat daarop betrekking heeft, en moet omgekeerd de kennis hiervan niet leiden tot deelneming voor zulke personen. Het spreekwoord zegt "onbekend maakt onbemind," maar evenzeer moet onbemind onbekend houden.
De godsdienstbegrippen moeten van die vergrooting der intellectuele en zedelijke ontwikkeling de gevolgen en het doel aangeven, tevens deel uitmaken dier intellectuele ontwikkeling, en op dezelfde wijze als derzelver andere deelen verkregen worden. Onze voorstellingen der daden van andere menschen vergelijken wij bijv. met de voorstellingen onzer eigen daden en uit de overeenkomst van beide, leiden wij af dat zij gelijkslachtige oorzaken moeten bezitten, en dat aldus andere menschen even als wij denken. Die denking van andere wezens behoort echter reeds met alles wat ligt buiten de voorstellingen door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt, tot het gebied van het buitenzinnelijke, en niettemin verkeeren wij daaromtrent niet in onzekerheid. Bij hoogeren graad van geestontwikkeling gaat men echter vragen of een oester denkt, iets dat insgelijks uit de door dit dier verrigt wordende daden moet opgemaakt worden. Zekerheid bestaat hierbij niet, doch het is vrij waarschijnlijk, dat de oesters wel denken, maar andere denkvormen bezitten als de menschen. Moet nu uit hetgeen wij opmerken, dat in de stoffelijke en zedelijke wereld plaats heeft, zonder dat de eigen denking van menschen of dieren daarvan de oorzaak kan zijn, de menschen niet evenzoo leiden om na te gaan of die verschijnselen al dan niet denking tot oorzaak hebben, of hiermede vergezeld gaan, een vraagstuk waarbij men, door middel van op zinnelijke waarnemingen gebouwde redeneringen, komt tot de vaststelling van iets dieper op buitenzinnelijk gebied gelegen dan de denking van andere menschen. Bestaat er een anderen weg om tot de kennis van het Oerwezen te komen? Naar ons inzien neen, en dat die kennis zoo gebrekkig is, spruit naar ons inzien alleen voort uit de disharmonie tusschen onze denkbeelden over buitenzinnelijke zaken en die door de zintuigelijke indrukken teweeggebragt. Wanneer de geestontwikkeling van wezens sedert lang slechts zeer langzaam aan het toenemen is, moet de laatste soort van denkbeelden zeer nabij in hoogte gelijk staan met de eerste, even als, bij eenigen dwang tot opsluiting, een mensch, zeer ver voor een ander uitgaande, na sedert zeer lang zeer langzaam geloopen te hebben, door deze bijna ingehaald moet worden. Op blz. 80 hebben wij aangegeven hoe, wanneer de geestontwikkeling van een wezen toeneemt, deszelfs ligchaam in figuurlijken zin omhoog getrokken wordt; en aldus hierbij, hetzij door eigen, of wel door kunstmatige hulpmiddelen, het veld der zintuigelijke waarneming vergroot. Dat er hiervoor op deze aarde een grens bestaat, bewijst dat wezens, welke zelfs rudimentaire denkbeelden over het buitenzinnelijke en oneindige verkregen hebben, omdat die denkbeelden door middel van zintuigelijke waarneming en directe ervaring op deze aarde niet tot volle zekerheid en klaarheid kunnen komen, van eene natuur zijn, dat zij er slechts tijdelijk op kunnen wonen.
Een hersenschimmige, ongevallen en ligchamelijk onsterfelijk gebleven Adam zou, sedert uiterst langen tijd in geestontwikkeling niet toegenomen zijnde, slechts denkbeelden kunnen bezitten door directe ervaring en zintuigelijke waarneming zeer nabij ten volle bevestigd, en zijn geest alsware een aardsch product zijn. In sommige opzigten zou hij aldus lager dan de laagst ontwikkelde onzer, en niettemin hooger staan dan een slechts kortstondig op deze aarde levend, maar overigens zijne geestelijke natuur bezittend wezen. Zoo bijv. een leerling al zijne denkbeelden van zijn onderwijzer bekomt, zal hij, uiterst lang onderwijs genietende, eindelijk bijna even bekwaam als dien onderwijzer en klaarblijkelijk bekwamer dan na het kortstondig genieten van zulk onderwijs zijn. Ook in dit laatste geval zou aldus de leerling een product zijn van zijn onderwijzer, even als onze geest een der aarde, zoo hij zich niet, even als de vogels boven den bodem, boven de aardsche ervaring wist te verheffen.
Ons gemis aan volmaakte juiste en klare bevatting, van hetgeen wij op buitenzinnelijk gebied en betreffende het oneindige stellen, is echter niet oneindig groot, want alsdan zouden wij, evenmin als de dieren, zulke stellingen kunnen maken, en veler onzer niet kunnen wanen, dat bij hen dit gemis niet noemenswaardig bestaat. De grootte hiervan kan aldus bij ons menschen, zie fig. blz. 207 niet door de oneindige hoogte der assijmptoot al der kromme a b c uitgedrukt worden. Zij zal dit integendeel voor onbeschaafde, bewoners dezer aarde door de ordinaat i h en voor beschaafde door de ordinaat f b gedaan worden; terwijl de kromme a b c, voorbij c uiterst ver verlengd gedacht, aldaar uiterst kleine ordinaten bezitten zal.
Het op blz. 223 gemelde geldt ook voor het verkrijgen der kennis van het werelddoel en van 's menschen bestemming. Zoo wij ons bijv. een vroeger leven, op een anderen hemelbol doorgebragt, konden herinneren, zouden wij slechts door directe ervaring weten, dat de ziel het leven van ééne soort van er aan annex geweest zijnde ligchaam kan overleven, maar volstrekt niet dat die ziel gedurende eene eeuwigheid voor eene steeds gemiddeld vergrootende ontwikkeling bestemd is. Dit laatste zou eene stelling op buitenzinnelijk gebied blijven, en buitendien bedenke men, dat de graad van wetenschap, door middel van directe ervaring te bekomen, geheel afhangt van den graad der intellectuele geestontwikkeling.
De stelling der oneindigheid en onveranderlijkheid van het Opperwezen, benevens het voorschrift, dat men voor ieder mensch evenveel liefde als voor zich zelf moet gevoelen, iets (eerst geschikt wordende tijdens de op blz. 211 gemelde volkomene zamensmelting der wezens) zijn, wegens derzelver ongeschiktheid voor ons veranderlijke, betrekkelijk laag geestelijk ontwikkelde en weinig met elkander zamenwerkende menschen, bijna geheel doode letters gebleven [69]. Het Opperwezen heeft men vermenschelijkt en tot eene Voorzienigheid en liefderijken Vader gemaakt, en als leiddraad voor liet practische leven zooeven gemeld voorschrift vervangen door het overal bekende, dat men een ander niet mag doen, hetgeen men wenscht dat ons niet gedaan worde. Dit laatste voorschrift heeft het voordeel, dat het voor alle trappen van geestontwikkeling geschikt is, zoodat bijv. een Indiaan, zeer weinig medelijden van een overwinnaar vorderende, er weinig aan te kort zal doen, wanneer hij door hem verslagen vijanden op eene wreede wijze behandelt.
Met de hierboven gemelde stellingen kan vergeleken worden die op politiek gebied, dat eene de gansche menschheid omvattende republiek de eenigste absoluut zuiver rationele regeringsvorm is. Als men nu nagaat hoe, bij toeneming der beschaving, de staten steeds grootere groepen gaan vormen en in aantal verminderen, en de menschen meer cosmopolietisch worden, meer eerbied verkrijgen voor krachtens de wet uitgeoefend gezag en meer gezind worden om met elkander zamentewerken, zoo zullen zij, die begrijpen welke ontzettende veranderingen geringe constante oorzaken, gedurende eene reeks van eeuwen werkzaam, kunnen voortbrengen, moeten toegeven, dat, zoo de aardkorst lang genoeg voor wezens van eene geestontwikkeling, hooger dan die wij thans menschen bezitten, bewoonbaar blijft; de thans voor de behoeften van het menschdom geheel ongeschikte, of anders gezegd alle praktische waarde missende universele republiek eenmaal eene werkelijkheid zal worden.
Uit hetgeen op blz. 223 gezegd is, blijkt, dat der menschen stellingen op buitenzinnelijk gebied, waarin hunne godsdienstbegrippen (voor zoo verre deze niet, zie blz. 108 de vruchten van het toeval, of der op de verbeelding werkende hartstogten zijn) bevat zijn, de uitkomsten van redeneringen, van de ervaring uitgaande, moeten zijn. Zij hebben dit gemeen met al onze wetenschappelijke kennis, en slechts kunnen zij minder dan vele der uitkomsten op het gebied van wetenschappen, zooals de zoölogie, chemie, astronomie, enz. door de ervaring gecontroleerd worden. Wij zeggen dan vele, want bijv. wie kan door zintuigelijke waarnemingen bewijzen, dat de ether de eenige absoluut enkelvoudige stof is, dat de aarde eene voorbij de maan reikende dampmassa geweest is, dat dieren van af de laagst ontwikkelde tot menschen opgeklommen zijn? Deze laatste hypothese, althans voor dat zij door de jongste onderzoekingen der fossilen eene nog zeer onzekere bevestiging verkregen had, tot het gebied van het weten en de stelling, dat de ziel gedurende den grootst eindigende lijd voor eene gemiddelde toename in ontwikkeling bestemd is, tot het gebied van iets, dat men geloof noemt, te rangschikken, achten wij ongerijmd.
Men is echter hiertoe gekomen, omdat men voor de zedelijkheid en het geluk der menschen het voor waar houden dier laatste stelling noodzakelijk achtte en die der eerste, ofschoon ten onregte, voor verderfelijk achtte, zie blz. 150 [70].
Die noodzakelijkheid dient echter in iets haren grond te hebben, en waarin anders kan dit zijn, dan in den aard en werking of denking onzer ziel, zooals wij die gedurende dit leven waarnemen, en die wij tot voorwerp van bespiegelingen kunnen maken, namelijk van wetenschappelijke bespiegelingen, waarin de werking der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied nagegaan wordt, en welke aldus aan 's menschen ontwikkeld verstand gerigt zijn.
De kennis, welke wij op lateren leeftijd bezitten, is de vrucht van hetgeen wij tijdens onze jeugd en later geleerd hebben, en de toepassing er van verklaart het doel van dit leeren. Evenzoo moeten de godsdienstbegrippen de vruchten zijn der toename in intellectuele ontwikkeling en in wijsbegeerte, en tevens verklaren het doel waartoe de verhooging onzer geestelijke ontwikkeling dient. Zij behooren aldus een voornaam deel uit te maken van der menschen wijsgeerige kennis, en in verband gebragt te worden met de overige deelen hiervan. Onder wijsgeerige kennis verstaan wij die der werkingen der natuurwetten op stoffelijk en geestelijk gebied, dat is op het gebied van het absolute Al, waaronder het oneindige en onveranderlijke Oerwezen ook begrepen is. Dit boven die wetten te stellen, zou slechts zijn het te stellen te zijn onder andere meer primitieve natuurwetten, waarvan die wij trachten op te sporen, (aldus dan eigenlijk niet de ware onveranderlijke wetten van het Al), de producten zouden zijn. Stelt men bijv. de zwaartekrachtswet is eenmaal ingesteld, zoo kan men vragen, volgens welke wetten bewogen zich vroeger de ligchamen, en hebben die bewegingen zich tijdens die instelling zoo gewijzigd, dat zij thans juist geschieden als volgens de vermeende natuurwet der algemeene aantrekking plaats moet hebben. Ware die stelling juist, zoo zouden er aldus niettemin nimmer ingestelde natuurwetten bestaan, maar deze slechts zamengestelder zijn dan de naturalisten met grond vermeenen, dat zij zijn. Men kan aan niets hoegenaamd zekere natuur toeschrijven, of men bepaalt tevens, zonder hiervan bewust te zijn, dat die natuur het product der werking van zekere onveranderlijke wetten is, en zegt men dit wezen, aan wie ik die natuur toeschrijf, kan in strijd hiermede en met die wetten handelen, zoo bekent men tegelijk, dat dit wezen eene andere meer zamengestelde natuur; door andere meer primitieve wetten beheerscht, dan die men gesteld heeft, bezit. Met de noodwendige aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen verkeert men precies in hetzelfde geval. Steeds moet men ze aannemen, doch van zekere feiten kan de eene mensch dit en de ander iets anders de noodzakelijke oorzaak stellen te zijn.
Het is aldus klaar, dat de godsdienstbegrippen niet alleen niet in strijd met de wetenschap, maar tevens in harmonisch verband met het wijsgeerige deel daarvan moeten zijn, iets dat thans bij die van vele onzer het geval niet is, en maakt dat hunne godsdienstbegrippen uit de plaatsen, waar de wetenschap moet heerschen, als belemmerend verbannen worden. Dit gebrek aan overeenstemming moet noodwendig ontstaan, zoo men tracht met die begrippen slechts op eene pietistische wijze te voldoen aan het gemoedsgevoel, de zucht naar regt, de menschelijke kortzigtigheid, in een woord aan eenige hartstogten en te bevreesd en te traag is om hen te zuiveren en opwaarts te drijven.
Het gevolg daarvan is, dat (zie blz. 74) de geest van ontkenning het hoofd opsteekt, omdat verscheidene (zooals bijv. de zoogenaamde materialisten) ziende dien verwarden toestand van den Gordiaansche knoop, dezen liever doorhakken dan ontwarren, en, wars van de kinderlijke oplossingen van het vraagstuk van het werelddoel, het bestaan hiervan ontkennen. Zij doen dit bezield met eene overtuiging, waarachter hen onbewust veel moedeloosheid, beperktheid en eenzijdigheid van opvatting schuilt, en zijn nuttig als critisie. Terwijl de Deïsten van het gehalte van Martinet en Uilkens alles in het Heelal goed vinden, en slechts der menschengeest en diens werken onvolmaakt en gebrekkig achten, houden de Materialisten er voor, dat er nergens doel bestaat dan in het menschelijke brein en bij de menschelijke werken, zoodat en voor gemelde Deïsten en voor de Materialisten de menschen en in zwakkere mate ook de dieren (want ook deze toch dwalen en houden zeker doel voor oogen), voor zoo verre hunne denking en hetgeen daaruit voortspruit betreft, wanklanken en raadsels in de Natuur zijn, voor gene wegens hunne onvolmaaktheid, voor de Materialisten, omdat, volgens deze, bij hen alléén denking en doel bestaat.
BESCHOUWINGEN OVER DE DRIE ALGEMEENE NATUURWETTEN EN EENIGE ANDERE HIERMEDE IN VERBAND ZIJNDE ZAKEN.
Men kan zich voorstellen, dat bij een onveranderlijken toestand van zaken iets volmaakt geschikt is voor eenig zamengesteld doel, doch onmogelijk kan iets bij een veranderlijken toestand van zaken tegelijk volmaakt geschikt voor twee of meer in verschillende omstandigheden voorkomende doelen. Zoo kan bijv. geen geweer met bajonet tegelijk zeer geschikt zijn om dan te schieten en dan te steken. In het eerste geval zal het bij de lans en in het tweede bij het geweer zonder bajonet ten achteren staan. Bij verandering van omstandigheden maakt de werking der traagheid dat dergelijke zaken niet genoegzaam snel en sterk gewijzigd worden, om hen dan voor het eene en dan voor het andere doel zeer geschikt te maken. Bestond er toch geene traagheid, zoo zouden in een oogwenk de grootste metamorphosen mogelijk worden. Wegens haar bestaan kan bijv. de Natuur geen dierlijk ligchaam zeer geschikt maken, om dan op de vaste aarde te leven en dan te vliegen, en daar nu op den vasten bodem er meer zamengestelde wijzen van leven kunnen bestaan dan in de lucht, zoo zijn het niet de vogels welke de hoogst ontwikkelde wezens dezer aarde zijn. Hiermede stemt overeen, dat in het algemeen communicatie middelen over land, welke de reizenden steeds in contact met de woonplaatsen der menschen doen blijven, en aldus bij hoogere standen van beschaving, waarbij de behoefte aan gedurig contact van veel menschen grooter wordt, meer gezocht zullen zijn dan die over water, alsware hooger dan deze staan. Het vervoer op een kunstweg met wagens staat bijv. hooger dan dat met schuiten op eene rivier.
Zoo de levensomstandigheden van eenig dier gedurende deszelfs leven veranderen, zal er bij deszelfs organisatie en zeker vermogen ontstaan om ook wat te veranderen en wel door inwendigen drang, te vergelijken met den op blz. 28 gemelden locomotief, zoo de uitwendige drang, door de levensomstandigheden teweeggebragt, met het aldaar gemelde paard vergeleken wordt. Zoo bezitten wij bijv. een inwendigen drang om achtervolgens gedurende eenige uren te slapen en dan gedurende eenige uren te waken. Die drang is gewis ontstaan ten gevolge der impulsie der verandering der uitwendige omstandigheden gedurende het etmaal. Men kan bijv. geen mensch van zijne geboorte af wennen om achtervolgens eene maand lang te slapen en dan eene maand lang te waken, en evenmin om het een en ander om de minuut te doen, en veranderden die omstandigheden gedurende elk etmaal niet, zoo zouden welligt onze hersenen en ledematen, evenmin als thans ons hart, een alternatieven toestand van inspanning en rust noodig hebben. Kan echter dit vermogen tot periodieke verandering onzer organisatie deze, zooals wij op blz. 23 en 196 beweerd hebben, even goed dan voor werkzaamheid en dan voor rust geschikt maken, als de oorzaak van geschiktwording van blz. 7 zulks voor onveranderlijke omstandigheden kan doen? Naar ons inzien neen, omdat het niet uit gebrek aan tijd bij alle deelen van het ligchaam de werking der traagheid hiervoor genoegzaam kan overwinnen. Bij de werking van hart en maag geschiedt die periodieke verandering bijv. slechts in zwakke mate, en de rust gedurende den slaap moet hierdoor minder volkomen worden. Trouwens, wanneer dit vermogen meer tijd heeft, om de neiging der ligchaamsdeelen, om in beweging te zijn, te overwinnen, doet het zulks ook, zooals bijv. bij den winterslaap van sommige dieren. De op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking neemt in die gevallen een middenweg. Zoo zij dit vermogen tot verandering der organisatie van het ligchaam te groot maakte, zoo zij dit laatste ongeschikt voor het leven maken, en deed zij dit vermogen te klein blijven, zoo zou zij het ligchaam te onvatbaar maken om anders te zijn, wanneer de uitwendige omstandigheden tot werkzaamheid, dan wanneer zij tot rust nopen. Een inwendigen drang om binnen elk jaar eenmaal dikker en eenmaal dunner haar te verkrijgen bezit de organisatie der zoogdieren niet. Worden deze bijv. verplaatst naar klimaten, alwaar het des winters warm is, zoo verkrijgen zij aldaar geen winterhaar; terwijl, naar de poolstreken verplaatst, zij wel gedurende den aldaar maanden langen dag in slaap vallen. Met betrekking tot die voorziening der dieren tegen de koude, maakt de werking der traagheid dat de oorzaak van geschiktwording hierbij in gebreke blijft. [71] Muizen en vogels lijden bijv. van de winterkoude, terwijl het ijskoude water, waarin zij zich steeds bewegen, de walvisschen waarschijnlijk niet hindert. Hunne organisatie is hiervoor welligt nog beter ingerigt dan de levenswijze en woningen der Javanen voor de warmte, waarvoor wij, omdat deze hier te lande slechts kort aanhoudt, ons slechts vrij gebrekkig inrigten.
Bij de organisatie van dieren bestaat er ook een inwendigen drang om te veranderen met den ouderdom dezer dieren. Veranderingen bij de uitwendige omstandigheden dier dieren gedurende hun leven hebben welligt tot impulsie gediend voor het ontstaan van dien inwendigen drang. Hiertoe behoort het groeijen, het sterker worden der dieren, omdat dit gebeurt, al blijft de moeder het jong even zoo beschermen en koesteren als vlak na de geboorte. Dit groeijen doet in zeker opzigt de dieren geschikter worden voor de omstandigheden waarin zij achtervolgens komen, doch brengt met zekere snelheid veranderingen teweeg in derzelver organisatie, waarnaar deze, wegens de werking der traagheid, zich niet in andere opzigten even snel kan voegen, en kan hierdoor zelfs somtijds het ligchaam ongeschikter voor het leven maken. De uit hunne krachten groeijende jongelieden strekken tot voorbeeld hiervan.