Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen

Chapter 15

Chapter 153,584 wordsPublic domain

Men verbeelde zich eene lange goot, uitgezonderd bij de beide einden, waar zich afgesloten vakken bevinden, met water en aldaar met eenig ander vocht van even groot specifiek gewigt als water gevuld. Zoo nu dit vocht binnen een dier vakken in golving is, en men verbreekt de afsluiting, wordt die golving voortgaande, plant zij zich voort tot binnen het water, dat vroeger in rust was, doorloopt zij, navolgbaar dezelfde blijvende, al verandert zij van gedaante, de goot en komt zij eindelijk binnen het tegenovergestelde vak, zoo dit open is. Wordt dit laatste vak alsdan direct gesloten, zoo blijft die golving hier binnen en het vocht binnen het eerste vak is dan op het oog in rust [56]. Even als nu het wezen van ligchamen in het algemeen, waartoe ook zulke, golvingen behooren, (omdat ligchamen zijn de veropenbaringen der zelfstandigheid door beweging) zich in sommige omstandigheden onbegrijpelijk snel verplaatsen kan, om op uiterst verren afstand van de primitieve plaats, wegens den aard der localiteit daar ginds, weder stil te staan, zoo kan dit, naar ons inzien, ook doen het niet zintuigelijk aanschouwbare geheel van bewegingen het denken van eenig wezen bepalende, en omgekeerd door die denking bepaald wordende. Wel is waar is de moleculaire beweging bij den ether, tusschen en binnen de hemelbollen gelegen en deze, zie blz. 165 en 171 in verbinding met elkander brengende, anders dan bij het cellenweefsel der zenuwknoopmassa, doch op blz. 144 is reeds gezegd, dat het niet de zintuigelijke aanschouwing te weeg brengende moleculaire bewegingen der zenuwknoopmassa behoeven te zijn, welke de denking der menschen bepalen. Bij het bovengemelde voorbeeld zijn het toch niet de moleculaire bewegingen van het vocht, waardoor dit bijv. spiegelend, blaauw en vloeibaar voorkomt, welke de golving te weeg brengen.

Wegens de talrijkheid der bevolking dezer aarde (en nog in veel sterkere mate van die van het uiterst groote aantal hemelbollen na hun vertrek van het op blz. 161 gemelde middelpunt, tot een gelijksoortigen graad van ontwikkeling gestegen zijnde) zullen de oorzaken, tot veel en weinig sterfte bijdragende, door gelijktijdig te bestaan, te zamen eene resulterende gemiddelde sterfte te weeg brengen en dit eveneens plaats hebben met de oorzaken welke de geboorten bevorderen en verhinderen.

Op die, wegens gelijktijdigheid van ontstaan in zekere zin gelijksoortige hemelbollen, te zamen beschouwd, zullen gedurende korte tijdperken er aldus evenveel vruchten bestaan, waarbij eene zelfstandige denking annex wordt, en dit constante aantal door zeer algemeene oorzaken bepaald worden.

Diezelfde algemeene oorzaken kunnen nu tegelijkertijd bepalen de sterfte gedurende even groote tijdvakken plaats hebbende op de verzameling bollen m, aan de middelpuntszijde van gene gelegen, en die tot op den voorafgaanden trap van ontwikkeling van die der bollenverzameling n, waartoe onze aarde behoort, gestegen is. Die algemeene oorzaak is te vergelijken met de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen eene bus, waaruit blindelings een uiterst groot aantal ballen getrokken worden. Doen nu twee personen, onafhankelijk van elkander, even veel trekkingen, zoo zal de kans, dat beide even veel witte ballen trekken, uiterst groot zijn, en, zoo er eene oorzaak bestaat hen hiertoe dwingende, het bestaan hiervan geheel onmerkbaar kunnen zijn, daar, zoo beide personen geheel vrij en onafhankelijk van elkander te werk gaan, er uiterst groote kans bestaat, dat zij tot dezelfde uitkomst zullen geraken, als onder den dwang dier oorzaak. Een zoo kan het annex worden van zelfstandige denking bij de vruchten op de verzameling van bollen n, gedurende korte tijdvakken even menigvuldig zijn, als het ophouden van het annex zijn van zelfstandige denking bij stervende ligchamen op de verzameling van bollen m, niettegenstaande het eene schijnbaar geheel onafhankelijk van het andere plaats heeft. Wat meer is gedurende uiterst korte tijden kan dit het geval zijn, daar bijv. hier op aarde het juiste oogenblik van het sterven niet aan te geven is, zoodat men bijv. onmogelijk kan opmaken, hoeveel personen er gedurende achtervolgende secunden werkelijk sterven, terwijl er geene questie van is om het juiste tijdstip, waarop de vruchten beginnen te denken, aan te geven. Wij moeten hier zelfs de hypothese opperen, of niet alle ontstaan van organisch leven op de verzameling bollen n gepaard gaat met vernietiging van dit leven op de verzameling bollen m, zoodat de bollen hiervan alsware levensstroomen (in den zin van electrische stroomen opgevat zie blz. 192) naar de bollen der verzameling n zenden [57].

De geene zintuigelijke indrukken teweegbrengende moleculaire bewegingen bij die stroomen, zouden alsdan bepalen de denking, de organisatie der er aan annex zijnde levende bewerktuigde natuur trachtende, zooals op blz. 143 gezegd is, geschikt voor levensomstandigheden te maken, en tegelijk die organisatie eene hoogere ontwikkeling trachtende te geven. Binnen die uit zich golfvormige voortplantende moleculaire of liever atomistische bewegingen zouden zich dan evenzoo voortplanten de geheelen van moleculaire beweging, de denking der afzonderlijke wezens bepalende, wanneer deze van er aan annex zijnde ligchamen veranderen. Die bijzondere stroomen zouden dan bij de plaatsen van aankomst van den algemeenen levenstroom van een bol uitgaande, naar speciale punten leiden, namelijk naar die waar vruchtbeginsels in een sterk stadium van groei, den algemeenen stroom sterker zien naar toetrekken [58].

Tot het sterven der ligchamen van dieren moet, naar ons inzien, ook bijdragen de drang tot verhooging der ontwikkeling dier ligchamen door de er aan annex zijnde denking buiten die eigen denking der dieren, en eerstgemelde denking alleen, door te trachten de organisatie der gewassen eene hoogere ontwikkeling te geven, deze doen sterven. Hiervan zijn toch de accidentele variatiën der omstandigheden, waarin die gewassen verkeeren, niet, de eenigste oorzaak, zelfs voor de gemiddelde dier omstandigheden zijn de organisatien dier gewassen niet geschikt, iets dat daarentegen wel het geval zou zijn, zoo zij niet sneller in ontwikkeling toenamen, dan op blz. 157 gezegd is door onze gansche planeet te geschieden. Van daar ook, dat de laagst ontwikkelde planeten een taaijer leven dan de hooger ontwikkelde bezitten. De oorzaak van het sterven der planten en der ligchamen der dieren (bij deze laatste, voor zooverre de toename in ontwikkeling hunner eigen denking dit zie blz. 143 niet bevordert) hebben aldus volgens deze hypothese plaats wegens de toename in ontwikkeling der bijzondere denkbeelden van den Oergeest aan die levende planten en dierenligchamen annex, iets dat, naar ons inzien, slechts dan bijna niet bestaat, als die ligchamen bijna niet onderscheiden zijn van de overige massa van de hemelbollen, dat weder slechts mogelijk is, als deze bijna etherachtig van aard zijn. Slechts dan zullen die bollen bijna in geen staat van groei, van verandering verkeeren, bij derzelver organische natuur geboorten en sterfgevallen betrekkelijk niet noemenswaardig in aantal zijn en die aan die natuur annex zijnde bijzondere denkbeelden bijna niet naar hooger streven. Al het bijzondere en wel in sterkere mate, naarmate het meer van het algemeenste op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking (de algemeenste en onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest) en opdat der veropenbaring dier zelfstandigheid door beweging (de ether buiten invloed der hemelbollen) afwijkt, moet, naar ons inzien, in ontwikkeling toenemen, om reden van bestaan te hebben. Men kan zich wel iets bijzonder denken, dat, even als alles aan wiens invloed het blootgesteld is, in geen opzigt, of wel er tegelijk regelmatig periodiek mede verandert (zoo als bijv. het openen en sluiten der bloemen met de afwisseling van dag en nacht) en dat aldus volmaakt geschikt is voor de omstandigheden waarin het verkeert, doch, door naar geen einddoel te streven, zou het niet absoluut volmaakt zijn. De op blz. 194 gemelde levensstroom, bepalende de bijzondere denking annex geweest aan de pas gestorven planten en dieren, moet naar ons inzien uitkomen daar waar die bijzondere denking weder annex kan worden aan stofmassas er voor geschiktheid bezittende, en die zij op een hongeren trap van organisatie kan voeren, dan die welke zij verlaten heeft. Gesteld, dat iemand ter zijner beschikking heeft eenige stukken stof, in grootte verschillende, en, naarmate zij zulks meer doen in aard, meer onderscheiden zijnde, uit welk stuk zal dan die persoon een nieuwen rok laten maken, zoo hij die, gemaakt van een stuk waarvan de qualiteit hem het beste paste, door te groeijen verscheurd heeft? Klaarblijkelijk uit het stuk stof, in grootte en in qualiteit het digtste grenzende aan dat waaruit zijn vernielde rok gesneden geweest is, en zelfs, zoo hij nog een dergelijk stuk stof ter zijner dispositie had, zou hij dit niet kiezen, omdat de alsdan er uit te snijden rok te klein voor hem zou zijn.

Wegens dezelfde reden moet de bovengemelde levensstroom uitkomen bij eene verzameling van hemelbollen een trap in ontwikkeling verschillende en van buiten (namelijk aan de van het middelpunt van blz. 161 afgekeerde zijde), grenzende aan de bollenverzameling waarvan hij uitgaat.

Zooals bekend is ontstaat de geslachtsvoortplanting door het ophouden van den groei der ligchamen der ouders, en die groei moet, dunkt ons, het gevolg zijn van de toeneming in ontwikkeling der bijzondere denking aan het groeijende ligchaam annex (zie blz. 143 wel van de eigen denking van een persoon te onderscheiden) zonder toeneming in geestontwikkeling onderscheiden. Bij onveranderlijke wezens, zonder toeneming in geestontwikkeling, voor hunne levensomstandigheden volmaakt geschikt en volmaakt in harmonie met hunne niet groeijende ligchamen, zou er aldus ook geene reproductie bestaan, zoodat die toeneming in geestontwikkeling zoowel die reproductie, door de ligchamen te doen groeijen, als, door deze als ware geweld aan te doen, het sterven te weeg brengt [59]. Welvaren der ligchamen moet zoowel de reproductie als derzelver groei gemakkelijker maken en aldus den op blz. 194 gemelden levensstroom er naar toe trekken, terwijl sterkere drang van dien stroom de reproductie ten koste van den groei der ligchamen moet bevorderen.

Zooals bekend is, is de organisatie der dierlijke vrucht bij het begin van derzelver ontstaan uiterst laag en, evenmin als (zie blz. 30) bij de laagste soort van dieren (zooals bijv. de infusoria) behoeft er dan eigen denking bij die vrucht annex te zijn, en zal dit welligt eerst plaats hebben, wanneer de organisatie er van zekeren trap (iets hooger voor de bolverzameling n van blz. 193 dan voor die m genaamd) overschreden heeft. Ook kan de invloed der ligchamen der ouders de toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht bevorderen, doch, even als de op blz. 28 gemelde locomotief het paard helpt om den trein voort te trekken, zoodat de impulsie tot die toename in ontwikkeling der organisatie der vrucht ontstaat door het er aan annex en min of meer werkdadig worden der door den op blz. 194 gemelden levensstroom aangebragte bijzondere denking. De invloed der ligchamen der ouders op de organisatie der vrucht is vergelijkbaar met die van het onderwijs op leerlingen. Deze behooren de zucht naar onderwijs niet van hunne leeraren te bekomen, en zulk een onderwijs hen slechts in staat te stellen om sneller te leeren, dan zoo zij dit uit hun eigen moesten doen, benevens om de vakken te bepalen, welke geleerd moeten worden. Men kan zich hierbij voorstellen, dat dit onderwijs in zulk eene sterke mate gegeven wordt, als de leerling poogt vorderingen te maken, en dit vergelijkbaar zijn met het zich afmeten van den opheffenden invloed der ligchamen der ouders op de vrucht naar de werkdadigheid der hieraan annex zijnde bijzondere denking. Met de oorzaak der gelijkenis der jongen op hunne ouders is alsdan de aard der leervakken vergelijkbaar. Even weinig kan men zeggen, dat de individuen dienen om de eigenaardigheid der soort te perpetueren, alsdat leerlingen van gymnasia dienen om de kennis der oude talen in stand te houden.

De aan de vrucht annex zijnde bijzondere denking zou, door de organisatie er van vooruit te zijn, hierdoor alsware achterwaarts getrokken worden en aldus in geestontwikkeling verkleinen, zoo zij niet een eigen drang tot uitbreiding en verhooging van haar veld van aanschouwing en dientengevolge tot vergrooting dier geestontwikkeling bezat. Bovengemelde werking van de ligchamen der ouders op de vrucht zal maken, dat de organisatie hiervan minder bij de ontwikkeling dier bijzondere denking ten achteren blijft en, naarmate hierbij den geestelijken aanleg, die, zooals op blz. 150 gezegd is, met de geestontwikkeling toeneemt, grooter is, men kunnen stellen, dat die bijzondere denking annex wordt aan eene vrucht van ouders eene hoogere organisatie bezittende, en die aldus de ontwikkeling der organisatie dier vrucht krachtiger vergrooten. Dit zou vergeleken kunnen worden met het zenden van vlugge kinderen naar scholen, waarop het onderwijs sneller opklimt en, de vorming tot eene hoogere maatschappelijke betrekking ten doel heeft.

Dat de reproductie bij eenige diersoort grooter wordt, wanneer, ten gevolge der vervolging door nieuwe vijanden, de sterfgevallen er bij menigvuldiger worden, kan misschien ontstaan, doordat het aantal individuen zulk eener soort verminderende, terwijl het aantal sterfgevallen betrekkelijk grooter dan vroeger blijft, die individuen wegens overvloediger voeding sneller dan vroeger zullen groeijen.

Het omgekeerde zal daarentegen plaats hebben, zoo wegens overbevolking de voeding schaarscher wordt, en aldus dan de gestalte der menschen verkleinen en het betrekkelijke aantal geboorten zooveel verminderen, tot dat deze weder even menigvuldig als de sterfgevallen zijn [60].

Naarmate de hemelbollen in aard minder met den ether verschillen, zullen zij, zooals op blz. 160 gezegd is, betrekkelijk trager bewegen en in massa toenemen en, in harmonie hiermede, de er op wonende wezens in zeker opzigt qualitatief minder met den Oergeest verschillen, trager in geestontwikkeling toenemen, op elk dier bollen gemiddeld langer leven. Hunne verwisseling van ligchaam zal meer geleidelijk geschieden en bij de denking dier wezens eene minder scherpe verandering te weeg brengen, terwijl de op blz. 94 gemelde terugtrekkende werkingen geringer zullen zijn bij hen dan bij ons. Zoo lang de denking van wezens annex wordt aan ligchamen achtervolgens in aard meer met den ether verschillende, moeten die denkingen qualitatief meer met die van den Oergeest in natuur gaan verschillen en (zie blz. 169) in grootte of ontwikkeling gemiddeld versnellende toenemen.

Dat de toeneming op deze aarde van het aantal menschen eenmaal niet noemenswaardig zal worden, blijkt ook uit het volgende. Hetgeen de menschen jaarlijks aan voedsel, kleeding, woning, huisraad en andere kunstwerken benevens aan brandstof verteren, kan toch beschouwd worden als de rente van een kapitaal bestaande uit: 1o. de voor de weide, bouw- en boschgronden benoodigde zouten; 2o. het voor de gewassen gevorderde koolzuur; 3o. de den bodem bedekkende nuttige gewassen; 4o. het vee en 5o. de voor voedsel en mestspecie gebruikt wordende waterdieren en planten. Daar nu de drie laatste deelen van dit kapitaal in reden zijn met de hoeveelheden zouten en koolzuur, ter vorming er van benoodigd, zoo kan met dit kapitaal in zeker opzigt stellen geheel te bestaan uit zulke zouten, benevens uit koolzuur. Neemt men nu de vermeerdering van dit gas, door de verbranding der fossile brandstof, benevens door de vulcanische werkingen, niet in aanmerking, zoo wordt dit kapitaal constant, maar vergrooten, naarmate de beschaving en het aantal aardbewoners stijgen, de deelen No. 3 en 4 er van ten koste van de deelen No. 1, 2 en 5. Buitendien wordt alsdan de omzetting van dit kapitaal en dus ook de jaarlijksche rente er van grooter; doch, zoowel dit als die vormverandering van dit kapitaal, moeten noodwendig begrensd zijn.

Naarmate de landbouw volkomener is, draagt elke oppervlakte grond gemiddeld meer planten en wordt er meer en zwaarder vee gehouden, doch, wegens het alsdan meer opvangen der mestspecien, zullen er minder zouten hiervan door het grondwater en de rivieren naar zee gevoerd worden, en aldus al het water alsmede de dampkring (op de op blz. 5 verklaarde wijze) minder van die zouten inhouden. Zoo wegens deze oorzaak, waardoor het voedsel der zeedieren vermindert als, wegens het verjagen, zullen deze dan minder in aantal worden. Neemt de beschaving toe, zoo vindt men middelen om het vee sneller vet te doen worden, om de nuttige gewassen sneller te doen groeijen, om de bosschen jaarlijks meer brandhout te doen leveren en om de vischvangst te verbeteren, hetgeen de hierboven gemelde rentevergrooting uitmaakt. Zoowel dit als de vermindering der hoeveelheden vrij koolzuur en vrije voor den landbouw benoodigde zouten zal echter steeds bezwaarlijker worden, naarmate men beide verder doordrijft, en aldus de middelen van bestaan van het menschdom, tegelijk met de totale massa der menschelijke ligchamen, vertragende en eindelijk niet meer noemenswaardig toenemen [61].

Op blz. 9 en 18 hebben wij gezegd, dat de verschillen tusschen de op natuurlijke wijze ontstane rassen, waaronder ook de menschenrassen behooren, bepaald worden door de verschillen hunner levensomstandigheden in verband met die tusschen de grond en luchtgesteldheid, en op blz. 26, dat de verschillen in lucht en grondgesteldheid, naarmate de beschaving klimt, van minder invloed zijn op de menschen, zoodat, zie blz. 9, de verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen geringer moeten zijn dan tusschen die aanwezig, toen het menschdom ontstaan is. De thans bestaande verschillen zijn echter grooter dan door de verschillen in lucht en grondgesteldheid der woonplaatsen der onderscheidene menschenrassen gewettigd wordt. Zoo kan men bijv. kwalijk aannemen, dat de organisatie van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Afrika, de neger en die van menschen, zich geschikt hebbende naar het tropische klimaat van Amerika, de roodhuidentype heeft voortgebracht. De verschillen tusschen de thans bestaande menschenrassen moeten aldus, zie blz. 24 voor een deel de gevolgen zijn van accidentele oorzaken, of wel zij moeten, (zie blz. 30) voor het ontstaan van het menschdom, door de verschillen in levensomstandigheden der voorouders der menschen in de verschillende werelddeelen teweeggebragt, ten gevolge der werking der traagheid, zie blz. 41 later, te groot gebleven zijn, en dus gedeeltelijk als iets verouderd beschouwd moeten worden.

Naar ons inzien mag men niet stellen, dat primitief elk der zoogenaamde menschenrassen een volk heeft gevormd, eene enkele taal sprekende en later in verschillende natiën gesplitst, daar toch de toeneming der beschaving (zie blz. 26) juist het tegenovergestelde namelijk aglomeratie en eenheid te weeg brengt. Elk der zoogenaamde menschenrassen moet integendeel in een groot aantal onzamenhangende en verschillende talen sprekende stammen verdeeld zijn geweest en eene primitieve taal van het zoogenaamde Arische menschenras, naar ons inzien, evenmin beslaan hebben, als thans eene enkele Australische Indianentaal. Zoodra echter wilde stammen niet volstrekt vreemd aan elkander blijven, door bijv. door zeeën, woestijnen, enz. van elkander gescheiden te zijn, zullen zij bij die plaatsen van onderlinge aanraking, gebruiken, woorden, enz. van elkander overnemen en zelfs hun bloed vermengen, en die kruisingen zich alsware van af die plaatsen van aanraking naar het midden de woonplaatsen van elk der stammen, zie blz. 12, voortgeplant hebben. Volksverhuizingen hebben er steeds plaats gehad, stammen hebben, (zie blz. 12) stammen teruggedrongen, of onder deze hunne woonplaatsen gevestigd en met hen hun bloed, zeden, taal, enz. vermengd, (zooals bijv. de Normandiërs met de Anglo-Saxen). Wegens de met de toename der beschaving plaats hebbende aanwas in bevolking, zal het indringen meer dan het terugdringen (zooals dat der Mooren uit Spanje) plaats gehad hebben; doch men mag, naar ons inzien, niet stellen, dat wilde stammen na hunne verhuizing zeer veel uitgestrekter jagtvelden en weidegronden hebben ingenomen dan voor die verhuizing. Hetgeen thans in Amerika en Australië plaats heeft kan toch niet vergeleken worden met hetgeen heeft plaats gehad tijdens de nederzetting der Germanen in Duitsland en Scandinavië. De Engelschen en Duitschers leven, wegens hunne hooge mate van beschaving, in hun vaderland digt opeengehoopt, en vinden aldus in Amerika en Australië voor hunne behoeften zeer uitgestrekte akkers en vermenigvuldigen aldaar sterk. Zoo echter, in plaats dat er Engelschen zich in Australië vestigen, men er Sioux en andere Indiaansche stammen bragt, zou dit geenszins het geval zijn, en niet veel uitgebreider streken als die welke deze stammen in de Vereenigde Staten innemen, zouden door de inboorlingen van Australië op dit eiland, al zij het zelf gedwongen, (zie blz. 13) aan die Amerikaansche wilden afgestaan kunnen worden.

BESCHOUWINGEN OVER DE GEESTELIJKE ONTWIKKELING VAN DEN MENSCH.

Er bestaat in des menschen geest een strijd tusschen de zucht naar toestanden, waarvoor hunne natuur, zooals zij thans is, zekere geschiktheid bezit en waaraan zij gewoon zijn, hetgeen eene soort van geschiktheid is, en de zucht naar hoogere, maar hun onbekende toestanden. Van daar dat bijv. menschen, geruimen tijd in de gevangenis vertoefd hebbende, aan hunne enge cel hechten, en er somtijds tegen op zien, om weder in de wijde en hun vreemd geworden maatschappij te treden [62]. Vandaar ook de liefde der menschen niet slechts voor bestaan in het algemeen, maar tevens voor het aardsche leven, dat wel is waar hun veel leed oplevert, maar met wiens aard zij bekend zijn, en waarvoor zij zekere geschiktheid verkregen hebben. Hoe lager des menschen trap van geestontwikkeling is, en aldus hoe zinnelijker zij en hoe meer bekrompen hunne denkbeelden zijn, hoe sterker (althans zoo men het zwakker zijn hunner zelfbewustheid niet in aanmerking neemt) hunne gehechtheid aan bekende levenstoestanden, en tegelijk hoe sterker hun afkeer voor door hen veronderstelde vreemde toestanden zal zijn. Dit kan nu de oorzaak zijn, dat de oude Grieken het verblijf in den Hades zoo weinig aanlokkend voorstelden, en dat de menschen zekere neiging bezitten om den zielstoestand na den dood wel verhevener, maar overigens gelijkende op die hier op aarde te stellen. Kan bijv. de meest philosophische mensch vurig verlangen naar een leven, waarin hij een veel hoogere ontwikkeling, maar tegelijk geheel andere denkvormen dan hier op aarde bezit, en dat hij aldus wel kan stellen te zullen bestaan, maar voor zich niet begrijpelijk kan maken? Naar ons inzien neen, maar zulk een philosoof zal zeggen, dat de aardsche levenstoestanden thans voor hem niet eene grootere absolute, maar slechts eene grootere relatieve waarde bezitten dan alle andere wier bestaan hij kan stellen, en dat die voorkeur voor het aardsche bestaat door zijne bekendheid er mede, aldus door eene oorzaak, die, wanneer hij eenmaal vertrouwd zal zijn met andere levenstoestanden, hem voor deze dezelfde voorkeur zal inboezemen, al thans voor de aardsche.