Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 14
Hierbij dient echter onkunde, waarvan men bewust is, als kennis aangemerkt te worden, daar zij vordert het bezit van denkbeelden over verschillende wijzen waarop eene zaak zich kan toedragen, doch waar tusschen men, wegens de onvolkomenheid der waarneming, geene keus weet te doen. Zoo iemand, in eene foul staarde, bijv. door den bliksem wordt getroffen, zal een naturalist zeggen, de vochtigheid van het ligchaam en de aard van den bodem waarop de getroffen persoon stond, de verplaatsing van de donderwolk kunnen hiertoe geleid hebben, en hij blijft in het onzekere. Niet alzoo de supre-naturalist, zoo deze dit verschijnsel wijdt aan het opwekken van den toorn Gods door den getroffen persoon. Hij die zulk eene verklaring geeft bewijst slechts dat hij van zijne onkunde weinig bewust is. Zoo nu de inrigting van het Heelal zoodanig was, dat die supre-naturalist gelijk had, zouden de Natuurwetten zoo uiterst zamengesteld zijn, dat verstandige redenering over den aard der verschijnselen tot geene uitkomst zou leiden, en dat slechts de directe aanschouwing van elk derzelve ons er mede bekend zou maken [52].
Met zulke wetten kunnen eenigzins vergeleken worden die voor de uitspraak der Engelsche taal. Het is circa even gemakkelijk om van die taal woord voor woord door nazegging goed te leeren uitspreken, dan om de regels dier uitspraak te leeren en toe te passen.
Voor zooverre de menschen schijnbaar vrijwillig handelen, zijn hunne handelingen geheel toevallig, of anders gezegd, de vruchten van accidentele oorzaken, en kan men evenmin uit de omstandigheden, waarin die menschen verkeeren, opmaken, welke schakels van redeneringen uit die omstandigheden zullen voortvloeijen en tot welke handelingen die redeneringen zullen leiden, als dat men uit de houding der hand, welke men in eene met ballen van verschillende kleur gevulde bus zal steken, benevens uit de kennis van de kleur dier ballen, kan opmaken, van welke kleur een blindelings getrokken bal zal zijn. Er bestaat echter onderscheid tusschen handelen ten gevolge van inwendigen dwang bij het doen van aaneengeschakelde redeneringen, en handelen ten gevolge van uitwendigen dwang. Zoo overigens wij en anderen steeds in den letterlijken zin schijnbaar vrijwillig handelden, zouden, zoowel onze daden als die van anderen, ons steeds raadselachtig voorkomen. Wordt toch iemand niet door bekende beweegredenen gedwongen tot zekere handeling, zoo is deze toevallig, dat is zoo iemand weet zich volstrekt niet te verklaren waarom hij zoo handelt. Zulke beweegredenen bestaan nu ook bij het doen eener keus, zoodat, wanneer deze schijnbaar vrijwillig geschiedt, het is alsof zij door dobbelen bepaald wordt.
Dat der menschen daden afhangen van constante oorzaken zooals bijv. den aard van hun geest, is voor hen een waarborg, om, althans niet binnen zeer korten tijd, daden, geheel met den huidigen toestand hunner ziel in strijd, te verrigten. Overigens moet die inwendige dwang slechts bij den geest verondersteld worden te bestaan en die dwang hierop door het ligchaam uitgeoefend, slechts als een meer nabijzijnden uitwendigen dwang als dien der omgeving aangemerkt worden. Zedelijke daden, ten gevolge van innerlijken dwang gedaan, gaan van het individu zelf uit (van daar het gevoel der toerekenbaarheid) en toonen op welken trap van zedelijke ontwikkeling het, met betrekking tot de maatschappij waarin het verkeert, staat, en voor welke behandeling het aldus geschikt is. Doet een individu, zonder uitwendig hiertoe gedwongen te worden, kwaad, zoo is het niet voldoende zijne omgeving zoodanig te maken, dat het geen kwaad meer kan doen, en aldus den uitwendigen dwang hiertoe weg te nemen, maar het moet ook gestraft, dat is als een lager ontwikkeld wezen behandeld worden. Is de intellectuele ontwikkeling van dit individu even groot als die van het gros der menschen, zoo moet klaarblijkelijke die behandeling anders zijn, dan zoo zij even laag als de zedelijke ontwikkeling staat, hiervoor bestaat er even goed reden als om bijv. een hond anders te behandelen dan een schaap. In het eerste geval heeft men te doen met een disharmonisch wezen, dat in zijn eigen oog behoort vernederd te worden, in het tweede met een meer harmonisch wezen, dat naar lagere rangen behoort te worden verbannen.
Ongerijmd is het echter zoo bijv. een zedeloos mensch zegt: "ik kan mijn gedrag niet verbeteren, want mijne denkbeelden zijn gedetermineerd, dat is uit een dezer kunnen niet zus of zoo andere volgen." Zoo iemand stelt toch zijne keus, om zijn gedrag niet te verbeteren, ongedetermineerd, en niet voor een deel zijn later gedrag noodwendig te moeten bepalen. De menschen handelen onder den gezamentlijken invloed van bekende oorzaken (zooals bijv. hun karakter) en van onbekende accidentele oorzaken, welke de gevolgen van eerstgemelde oorzaken kunnen vergrooten, maar ook verkleinen en zelfs opheffen. Van daar hunne bewustheid dat hunne daden anders kunnen zijn, dan zoo deze enkel de gevolgen van eerstgemelde oorzaken waren. Waar dit niet het geval is, hebben wij dan ook het bewustzijn dat onze denking niet vrij is, bijv. dat wij de tastbaarste waarheden niet in gemoede kunnen ontkennen. Door accidentele redeneringen kan men echter constante oorzaken bijv. zijn karakter en een graad van verlichting, waardoor het onmogelijk wordt om aan bijgeloovigheden te hechten, veranderen. De indeterminist, die den drang dier constante oorzaken ontkent, maakt (zie blz. 112) van de wereld een warboel, de determinist, die de werking der accidentele redeneringen niet telt, vervalt tot fatalisme, voor beiden zal echter in de praktijk de illusie dat hun wil vrij is sterker zijn, naar gelang hunne kennis van hetgeen er met hen voorvalt de op blz. 178 gemelde controlerende aanschouwing meer overtreft.
Op blz. 67 hebben wij gezegd, dat denkbeelden, uit het hoofd gebragt zijnde, tijdens het verkrijgen van nieuwe denkbeelden, van lieverlede uitgewischt worden. Moeijelijker echter geschiedt dit, naarmate die latente denkbeelden dieper in den geest gegrifd zijn, moeijelijker aldus wanneer zij, al of niet door middel van de spraak uitdrukbaar, betreffen iets, dat men met inspanning geleerd heeft, dan wanneer zij slechts door vlugtige zintuigelijke indrukken ontstaan. Wanneer men bijv. zich in eenige wetenschap geoefend heeft en er gedurende eenigen tijd niet meer aan doet, zal men wel van die wetenschap het een en ander en wel voornamelijk datgene, wat meer bepaaldelijk geheugenwerk is, vergeten, doch andermaal de beoefening dierzelfde wetenschap weder opvattende, zij gemakkelijker als vroeger zijn. Die eerste leering is aldus niet te vergeefs geworden. Dit bestaan van latente denkbeelden is een gevolg van de veranderlijkheid van ons bestaan, zoodat, bij het komen in nieuwe toestanden, nieuwe denkbeelden sterk in het hoofd gebragt of werkdadig worden. Ware dit niet het geval, kon men al zijne denkbeelden in ligte mate in het hoofd houden, geen dezer zou dan vergeten worden, doch de som der denkbeelden, de diepte dezer ook in acht nemende, niet vergrooten, terwijl daarentegen dit opdagen van nieuwe toestanden de belangstelling opwekt, tot grootere inspanning leidt en maakt, dat men (zie blz. 151) meer nieuwe denkbeelden verkrijgt dan oude vergeet. Die invloed der veranderingen van toestand doet zich in sterke mate gevoelen bij de denkbeelden betreffende der menschen eigen geschiedenis, en wel in veel sterkere mate bij kinderen dan bij bejaarden. Men kan het er dus voor houden, dat die invloed sterker is, naarmate de geestelijke ontwikkeling en de zelfbewustheid geringer zijn, ofschoon dan niet steeds de betrekking der kennis van verleden en heden eene kleinere breuk zal zijn. Het laat zich toch denken, dat, wanneer de bewuste aanschouwing van het heden zwakker is bij eenig wezen van zwakkere zelfbewustheid dan bij een ander, die breuk bij dit eerste wezen grooter dan bij het tweede kan zijn, niettegenstaande, dat het zich absoluut minder dan dit tweede van zijn verleden herinnert. In elk geval zal bij een in geestelijke ontwikkeling en zelfbewustheid toenemend wezen de herinnering van feiten, naarmate deze langer verleden zijn, niet slechts kleiner zijn, wegens den langeren tijd sedert verloopen, maar tevens omdat, toen zij pas verleden werden, de zelfbewustheid van het wezen geringer was.
De zelfbewustheid van dit wezen constant zijnde, zoo zou zijne herinnering van feiten, bij het begin der achtervolgende veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt, vertragende verzwakken, naarmate die veelvouden grooter zijn en aldus nimmer volmaakt nul zijn, hoe groot die eindige veelvoud ook zijn moge. Aldus zal bijv. de herinnering van een feit, voor 2n jaren plaats gegrepen, minder met die van een dergelijk feit, voor n jaren geschiedt, verschillen dan die laatste herinnering met die van een dergelijk feit, zoo dit gisteren heeft plaats gehad.
Wegens bovengemeld effect van het zwakker zijn der zelfbewustheid van de waarnemers van feiten, naarmate deze tijdens het begin van grootere veelvouden van zekeren tijd plaats gehad hebben, zullen de herinneringen dier feiten bij in zelfbewustheid toenemende wezens, kleinere onderdeelen dezer herinneringen zijn, (in de veronderstelling, dat die zelfbewustheid steeds even groot als in het heden geweest was), naarmate die feiten tijdens het begin van grootere veelvouden van zekere tijdseenheid geschiedt zijn. Aldus zullen bij elk wezen, zekeren graad van zelfbewustheid verkregen hebbende, die herinneringen geheel nietig zijn, zoo zij feiten betreffen geschiedt toen zijne zelfbewustheid nog betrekkelijk gering was, en de som der herinneringen van al die feiten zelfs geheel nietig zijn, al is dit aantal feiten grooter dan de grootst mogelijke eindige grootheid [53]. Dit betrekkelijk kleiner worden der herinnering van feiten, naarmate deze waargenomen zijn door wezens van kleinere zelfbewustheid, bestaat bijv. bij de geschiedenis der menschheid, omdat, naarmate volken op een lager standpunt van beschaving staan, hunne geschiedenis meer verloren raakt. Van hetgeen bijv. vroeger dan 1000 jaren voor het begin onzer jaartelling geschiedt is, weten wij zeer weinig en de kennis hiervan kan vergeleken worden met hetgeen een bijv. 34jarig mensch weet van de geschiedenis van zijn eigen leven voor bijv. zijn zesde jaar. De kennis van zijn verleden gedurende een acht-en-twintigjarig tijdvak vormt aldus zeer nabij zijne gansche kennis van zijn verleden, even als de kennis der geschiedenis van het menschdom gedurende de jongste acht-en-twintig verloopen eeuwen bijna onze gansche kennis vormt der geschiedenis van de voorouders van het thans bestaande menschelijke geslacht, sedert dat het organische leven op deze aarde begonnen is te ontluiken zie blz. 30. Sommige geologen stellen nu dat dit voor meer dan tienduizend millioen eeuwen geschied is, zoodat, stellende, dat bij een imaginair menschelijk wezen de toeneming in geestontwikkeling honderdmaal sterker is dan bij het menschdom en deszelfs stamboom vormende voorouders, zulk een imaginair mensch, voor tienduizend millioen plus acht-en-twintig jaren geboren, gedurende dit eerste aantal jaren het maar tot den staat van een zesjarig kind zou gebragt hebben, en geen noemenswaardige herinnering van zulk een ontzettend lang bestaan zou bezitten.
Dit in de geschiedenis onbekende ontzaggelijk lange verleden van het menschelijke geslacht, voor dat dit eene noemenswaardige mate van beschaving verkregen had, heeft echter er voor eene werkelijke waarde. Op blz. 31 hebben wij toch aangegeven, hoe, wegens de werking der traagheid, naarmate een organisch wezen sneller verandert, deszelfs organisatie slechter wordt. Die trage opklimming der organisatie der voorouders van het menschelijk geslacht heeft aldus gemaakt, dat dit voor de levensomstandigheden waarin het verkeert, geschiktere ligchamen bezit.
Vooral moet dit het geval zijn bij de eigenaardigheden dier organisatie vroeger bij de achtervolgende generatiën van den stamboom van het menschelijke geslacht bestaan hebbende, en die aldus in sterkere mate als de grondslagen er van kunnen beschouwd worden. Hetgeen der menschen organisatie, met die van al de gewervelde dieren gemeen heeft, behoort toch meer tot de grondslagen hunner organisatie dan de bijzonderheden hiervan, bij geen viervoetig en dus nog minder bij visschen aangetroffen wordende, en, hetgeen de organisatien van al de dieren gemeen hebben, vormt nog in sterkere mate den grondslag der organisatie der gewervelde dieren dan hunne geraamten en ledematen. Daar nu de sterkte van opklimming der organisatie bij de achtervolgende generatiën van bovengemelden stamboom zwakker geweest is, naarmate die generatien vroeger geleefd hebben en eene lagere organisatie bezaten, zoo moeten de eigenaardigheden der organisatie der menschen volmaakter zijn, naarmate zij in sterkere mate de grondslagen er van vormen.
Evenzoo zou dit het geval zijn met de geestelijke ontwikkeling van den op blz. 185 gemelden imaginaire mensch na tienduizend millioen levensjaren slechts den graad van ontwikkeling van een zesjarig kind bereikt hebbende. Eene zeer zwakke toeneming in geestontwikkeling gepaard gaande met zeer geringe verandering en vernieuwing van denkbeelden, moet deze zie blz. 115 en 178 eene zeer groote mate van juistheid geven, en van daar misschien, dat de dieren binnen een zeer beperkten kring zoo oordeelkundig te werk gaan [54]. Nu zijn het juist de denkbeelden, welke een wezen bezit, voor snel in ontwikkeling toe te nemen, welke den grondslag vormen der later te verkrijgen denkbeelden, en waarvan de deugd dier latere vergrooting in geestontwikkeling voornamelijk afhangt.
Een mensch, ofschoon zich zijne lotgevallen voor zijn zesde jaar niet meer herinnerende, bezit op dien leeftijd eene geestontwikkeling, wel is waar betrekkelijk die van later gering, doch uithoofde van het zooeven gemelde, van eene betrekkelijke belangrijke waarde, zie voorgaande noot. Het is nu echter de vraag of een kind, van af het oogenblik, dat het begint te zien en te hooren, betrekkelijk snel in geestontwikkeling zou kunnen toenemen, zoo er op dit oogenblik geen grondslag aanwezig was voor dit op te trekken gebouw van denkbeelden dat is zoo dit kind alsdan niet reeds eene voor ons onwaarneembare geestontwikkeling bezat. Deze achten wij nu niet te bestaan uit zoogenaamde aangeboren denkbeelden, maar wel uit die, gedurende vroegere zielenlevens, door tusschenkomst van met de aardsche verschillende zintuigelijke indrukken, verkregen. De verschillen hierin vergelijkende met die tusschen de behandeling van buksen en van bogen, zoo zou men zulk een kind, op het oogenblik der geboorte reeds zekere geringe geestontwikkeling bezittende, kunnen vergelijken met iemand, nooit eene buks in handen gehad hebbende, maar geoefend in de behandeling van den boog.
Wel zijn de tot het domein der denking behoorende zintuigelijke indrukken in zekeren zin de bouwstoffen der denkbeelden, doch, even goed, als men deze eerst in eene en later in eene andere taal uitdrukt, kan men hen eerst uit deze en later uit andere zintuigelijke indrukken zamenstellen.
Op blz. 174 hebben wij gezegd, dat werkdadige denking onbestaanbaar is zonder aanschouwing der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, zoodat, deze bij het heelal niet bestaande, alle denking zou vervallen. Van den anderen kant drukt het woord veropenbaring uit het bestaan van iets waaraan zij geschiedt, dat niet anders dan bewuste denking, onder welke vorm ook, kan zijn, zoodat, zonder deze, er wel van zelfstandigheid, doch van geene veropenbaring hiervan sprake kan zijn.
Bij dit woord van zelfstandigheid mag dan niet eens aan massa en beweging gedacht worden, omdat dit begrippen onafscheidelijk van denking zijn. Op verschillende plaatsen hebben wij op blz. 144 gezegd, dat de denking bepaald wordt door atomistische beweging, ofschoon zij volstrekt niet in reden der sterkte hiervan is; naauwkeuriger is het echter om te zeggen, dat de zelfstandigheid, in den toestand zijnde waarin zij zich veropenbaart, eenige denking bepaalt, omdat die toestanden niet aanschouwd wordende, de zelfstandigheid zich op geenerlei wijze zou veropenbaren. Men kan echter niet zeggen, dat die veropenbaring verloren gaat, wanneer ligchamen niet het voorwerp der aanschouwing van menschen zijn, evenmin als men kan zeggen, dat de denking dezer onbestaanbaar is, wanneer bij derzelver aanschouwing de aardsche zintuigelijke indrukken niet meer worden opgewekt. Dat menschen kunnen stellen, dat die onbestaanbaarheid niet bestaat, bewijst de juistheid dier stelling. Elke met ernst geopperde stelling moet toch, hoe weinig ook, zekeren grond van waarheid bevatten. Zegt men bijv. van een schurk, dat hij een braaf mensch is, zoo moet braafheid met betrekking tot dien persoon niet iets volstrekt onbestaanbaar zijn, evenals bijv. met betrekking tot een spiegel. Zoo nu het bestaan van eenigen grond van waarheid bij eene stelling vereischt, dat deze geheel waar is, moet zulks het geval zijn en aldus iets niet onbestaanbaar zijn, zoo er eenigen grond voor de bestaanbaarheid er van bestaat. Bespiegelingen over hetgeen op buitenzinnelijk gebied bestaat, zijn voor ons menschen mogelijk en kunnen aldus, hoeveel dwalingen ook inhoudende, niet in alle deelen ongerijmd zijn.
Hebben de menschen immer gedacht eenige wetenschap te beoefenen, terwijl deze, geheel op het gebied van het ongerijmde verkeerde? Naar ons inzien neen. Zoo bijv. zochten de alchimisten goud in waardelooze stoffen en uit klei is het aluminium voor den dag gekomen. De astrologen veronderstelden dat de hemelligchamen allerlei invloeden op deze aarde uitoefenen, en meer en meer invloeden schrijft men thans aan het zonnelicht toe. Buitendien dient men wel onderscheid te maken tusschen hetgeen de astrologen zelf voor wetenschappelijk waar hielden, en hetgeen zij oningewijden zochten wijs te maken.
Bij het op blz. 185 gemelde hebben wij het oog gehad op eene preëxistentie der zielen van menschen en dieren, gedurende welke zij, annex zijnde aan ligchamen op andere wereldbollen, wel zie blz. 169 gemiddeld in geestontwikkeling versnellende zijn toegenomen, doch hierin nog steeds te laag stonden, om, betreffende verledene feiten, denkbeelden in den latenten toestand, niet uiterst nabij geheel door nieuw opgekomen denkbeelden verdrongen en uitgewischt, te behouden.
Er bestaan naar ons inzien voor die hypothese even veel gronden als voor die van het niet ophouden van het bestaan der ziel na den dood van het ligchaam. Men dient toch aan te nemen, dat, even als de wereldbollen in massa toenemen, door etherdeelen den aard hunner bestanddeelen te geven en aan zich te voegen, de zielen in grootte toenemen, door denkbeelden van den oergeest te verflaauwen ten bate hunner eigen hoeveelheid denkbeelden, want anders bestaat er op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking niet iets overeenkomende met de onveranderlijkheid van het totaal der massa op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging. Op blz. 158 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen voor den grootst eindigen tijd reeds eene eindige grootte bezaten en aldus gedurende geen eindigen tijd van af nul eene eindige grootte bereikt hebben. Ware dit het geval wel, zoo zouden zij gedurende een eindig tijdvak in massa betrekkelijk oneindig maal vergroot zijn, hetgeen, bij een zelfstandig en door eigen vermogen en impulsie zich vergrootend iets, niet aanneembaar is.
De zaken, bij hun ontstaan oogenblikkelijk eene eindige grootte verkrijgende, zijn afgescheiden en vervormde deelen van andere er mede gelijkslachtige zaken, en is bijv. de dierlijke vrucht eene afscheiding van de uitgegroeide ligchamen der ouders.
Stelt men nu, dat geene reeds vroeger bestaande denking aan de vrucht annex wordt, maar dat er zich eene denking van nul af er bij ontwikkelt, zoo weten wij niet waarom men deze voor geene afscheiding der denking der ouders zou houden. Terwijl echter het ligchaam in grootte toeneemt door afscheidingen uit massa's voedsel, wier aard op die van het ligchaam van invloed is en waarvan, door die er bij gedane afscheidingen, de quantiteit vermindert, waarmede vergroot zich de, bij het aanhouden der werkdadigheid, tot aan den dood in ontwikkeling toenemenden geest? Tegen de ontkenning der preëxistentie bestaat buitendien ook dit bezwaar, dat alsdan op eenige bollen zooals bijv. de aarde er bij ligchamen denking van niet af zou ontstaan, terwijl er slechts vroeger bestaande denking annex zou worden aan de ligchamen op andere bollen aanwezig, een onderscheid, waarvoor geene reden van bestaan is. Wezens kunnen naar ons inzien niet binnen een eindigen tijd van nul af zekeren graad van aanleg verkrijgen, en deze dient zie blz. 151, tijdens dezelfde toeneming in geestontwikkeling, meer te vergrooten, naarmate die toeneming der geestontwikkeling gedurende meer tijd heeft plaats gehad [55]. Daar, na het komen van wezens onder geheel andere omstandigheden, de door eene nieuwe aanschouwing opgewekte denkbeelden meer zullen verschillen van die in vroegere omstandigheden verkregen, naar gelang zij meer het bijzondere betreffen, en er aldus van de vroeger verkregen denkbeelden in den latenten toestand minder uitgewischt zullen worden, naarmate deze het meer algemeene betreffen, zoo zal, naarmate van eenig wezen de denkbeelden meer van laatstgemelden aard zijn, het zich onder geheel nieuwe omstandigheden in sterkere mate herkennen. Dit houden wij voor het ware deel van het dogma der zielsonsterfelijkheid verkregen door het geloof, omdat dit geloof gewaand werd in te houden begrippen verheven boven de denkbeelden verkregen door de indrukken der omgeving en van het heden, bijv. de denkbeelden over der menschen handel, bedrijf en vermaken, welke allen het zeer bijzondere betreffen.
De physica leert, dat zekere geheelen van moleculaire bewegingen van stofdeelen, als zoodanig niet waar te nemen, maar zekeren zintuigelijken indruk, bijv. het beeld van eenig voorwerp te weeg brengende, zich bij eene middenstof onbegrijpelijk snel golfvorming in de eene of andere rigting voortplanten en aldus onbegrijpelijk snel van stofdeelen verwisselen. In uiterst korten tijd breiden zij zich uit over stofdeelen binnen verbazende inhouden bevat, en ongehinderd doorkruisen zij andere dergelijke zich in andere rigtingen golfvorming voortplantende geheelen van moleculaire bewegingen. De electriciteit, van eene in den grond gegraven zinkplaat uitgaande, bestaat hoogstwaarschijnlijk uit zulke binnen de vochtige aardkorst zich golfvorming voortplantende moleculaire bewegingen, en deze breiden zich van af die zinkplaat uiterst snel over de omringende ruimte alsware tastende uit; doch, zoodra een deel er van eene honderde mijlen verwijderde ingegraven koperen plaat bereikt heeft (iets dat, uiterst kort nadat die golfvormige voortplanting begonnen is, geschiedt) dringen zij alsware hier naar toe en verzamelen zij zich er bij.