Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen
Chapter 11
Zoo iets is wel is waar in strijd met de geestelijke natuur van den mensch, doch niet onmogelijk is het dat elke generatie, bij het onderwijzen der volgende, zoo weinig buiten de grenzen van het practisch nuttige treedt, dat elke generatie aan de volgende niet meer leert dan zij geleerd heeft, iets dat bijv. thans in China het geval is en zamenhangt met den eerbied der Chinezen voor de voorvaderlijke overleveringen. Hoe meer de beschaving bij de opvolgende generatiën toeneemt, hoe meer het onderwijs van elk dezer de grenzen van het practisch nuttige zal overschrijden, terwijl dit insgelijks het geval moet zijn, bij het even groot blijven dier beschaving, naarmate, deze grooter is, omdat als dan die individuen van elke generatie, op zich zelve beschouwd, gedurende hun leven sneller in geestontwikkeling toenemen. [41]
De menschen trachten steeds hulpmiddelen uit te vinden om den arbeid te verrigten, anders met weêrzin door menschen verrigt moetende worden. Daar echter, naarmate de beschaving stijgt, elk individu meer arbeid vereischende producten verbruikt, zoo zullen, wegens de werking der traagheid, die hulpmiddelen, menschelijken arbeid uitsparende, steeds wat te kort schieten. Van den anderen kant zouden onbeschaafden weinig arbeid vereischende producten consumerende volken te veel ledigen tijd hebben, zoo het mogelijk was, dat zij over de hulpmiddelen van beschaafde volken ter besparing van menschelijken arbeid konden beschikken. Bij de beschaafde standen gebruikt men zelfs somtijds ter beschikking staande hulpmiddelen, bestemd ter verkrijging van het gewenschte met minder menschelijken arbeid, niet en geeft men aan in zeker opzigt meer primitieve middelen de voorkeur, ten einde gemis aan ligchaamsbeweging en aan vaardigheid in den wapenhandel te voorkomen. Dit is bijv. het geval bij het verkrijgen van wild door middel der jagt, terwijl de fokkerijen met veel minder arbeid evenveel wildbraad kunnen opleveren.
Onze geperfectionneerde wapens zouden bijv. ongeschikt en alsware te machinaal voor wilden zijn. Naar gelang toch wapens meer primitief zijn, vereischen zij meer kracht en behendigheid, aldus eene grootere mate van hetgeen wij op bl. 66 eene lage soort van geestontwikkeling genoemd hebben om goed behandeld te worden, waarvoor men slechts het gebruik van een slinger met dat van een revolver te vergelijken heeft. Eenvoudige wapens, ofschoon zie blz. 134 wat minder primitief dan die welke zij zelf hebben uitgevonden, zijn aldus geschikter voor wilden, die veel tijd aan ligchaamsoefeningen en aan den wapenhandel kunnen wijden en bij wie het oorlogen op eene kleine schaal geschiedt, maar veel tijd mag wegnemen.
Bleef in het beschaafde deel van Europa de beschaving van heden af stationnair, zoo zou men er zoo lang voortgaan met het verbeteren der middelen van communicatie, als men meenen zou te veel tijd en inspanning voor het reizen te besteden, maar na dien niet meer. De menschen zullen hunne woonplaatsen zoo verleggen, dat, waar bijv. wegens den aard van het terrein, die uitbreiding en volmaking der middelen van communicatie, kosten zouden veroorzaken overtreffende de baten door het meerdere gemak en den meerderen spoed bij het reizen opgeleverd, zij minder en met minder spoed behoeven te reizen en aldus meer primitieve middelen van communicatie voldoende zijn.
Van daar, dat het onraadzame van den aanleg van eenig middel van communicatie, zoo de directe en indirecte baten niet tegen de kosten opwegen, slechts een tijdelijk verschijnsel zal zijn, omdat de menschen aldaar van lieverlede meer zullen gaan wonen en die baten doen stijgen.
Hierbij moet men echter stellen, dat er van lieverlede een nadien niet meer veranderenden toestand ontstaat, want blijft deze veranderlijk, zoo zal, zooals wij meermalen gezegd hebben, het een nimmer steeds voor het ander geschikt kunnen blijven.
De meer primitieve middelen van vervoer vereischen meer bedrevenheid bij de reizigers dan de meer geperfectionneerde. Zij die bijv. hun talent in de stuurmanskunst willen toonen, maken niet van stoom- maar van zeiljagten gebruik. Buitendien zijn zij voor de reizigers leerzamer, meer herinneringen opleverend en minder enkel verplaatsend. Weet men aldus van den tijd en van het geld, die, bij het gebruik van (zie blz. 97) meer verheven middelen van vervoer gespaard blijven, geen gebruik te maken, zoo verdient eene meer primitieve wijze van reizen de voorkeur. Dit een en ander is niet in strijd met hetgeen wij op blz. 46 gezegd hebben, dat namelijk bij de dieren het bezit van meer geperfectionneerde wapens meer geestontwikkeling bij hen vereischt, want dit laatste is bij de (hetgeen de dieren niet doen) in de maatschappij zamenwerkende menschen evenzeer het geval, edoch bij de vervaardigers en niet bij de gebruikers dier wapens. Het bestaan dezer vordert bij de maatschappij en somtijds ook bij die hen behandelen, in mindere mate, zie blz. 66 lagere, doch in sterkere mate hoogere soorten van geestontwikkeling (namelijk zulke welke minder het ligchaam vaardig maken) dan de meer primitieve wapens.
BESCHOUWINGEN OVER EENIGE ONDERWERPEN OP BUITENZINNELIJK GEBIED.
Hoe ontstaat het vermogen der organisatie der dieren, om, grootendeels buiten de bijzondere soort van eigen denking der dieren wil genaamd, geschikt te worden voor de omstandigheden waarin de dieren verkeeren. Naar ons inzien, door het aan de ligchamen dezer annex zijn van moleculaire bewegingen der zelfstandigheid, geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende, en alzoo niet makende dat die zelfstandigheid zich voor ons als ligchaam veropenbaart. Een deel dier geene zintuigelijke indrukken voortbrengende bewegingen vormen een geheel en worden bepaald door en bepalen de eigen denking van het dier, waartoe ook het zien, het voelen, enz. behoort, en die aldus evenmin door de hersens (namelijk zintuigelijke indrukken te weeg brengende ligchamen) als de in de denking van het dier begrepen gezigtsindrukken, door de oogen, plaats heeft.
De overige dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, worden naar ons inzien bepaald door en bepalen eindige deelen eener oneindig groote eenheid van denking, behalve de geesten of eenheden van denking van menschen en dieren en hiermede verwante wezens op andere hemelbollen, in de totale veropenbaring der zelfstandigheid door denking bevat. Die eindige deelen dier oneindige denking werken nu, door dat zij door bewegingen der zelfstandigheid bepaald worden, mechanisch op de deelen der ligchamen der dieren en zijn wederkeerig aan den invloed hiervan blootgesteld. Stel bijv. dat iemand, ten gevolge van eenige tot hem gerigte woorden, gaat zitten, wat heeft er dan plaats. 1o Geluidsgolven planten zich in de lucht voort, 2o de trommelvliezen van dien persoon geraken in trilling, 3o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan in zijne gehoorzenuwen, 4o in zijne denking ontstaat een gehoorindruk, 5o hij denkt over de woorden na, 6o in zijne denking ontstaat een wilsindruk, 7o onbekende moleculaire bewegingen ontstaan binnen eenige zijner bewegingszenuwen, 8o insgelijks onbekende bewegingen ontstaan binnen de met die zenuwen in verband zijnde spieren, 9o beweging der ledematen heeft plaats.
Bij No. 1, 2 en 3 zijn elkander mechanisch bepalende bewegingen aangegeven, insgelijks bij No. 7, 8 en 9, terwijl bij No. 4, 5 en 6 er elkander bepalende denkingen zijn aangeduid. De keten van elkander bepalende bewegingen kan echter kwalijk na No. 3 afgebroken zijn en bij No. 7 weder beginnen, want denking en beweging zijn geheel ongelijkslachtige zaken. Er schiet aldus niets anders over dan te stellen, dat de denkingen, bij No. 4, 5 en 6 aangeduid, geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen der zelfstandigheid bepalen. Van den anderen kant zou men ook kunnen vragen of, zoo de ons bekende denking van bewegingen vergezeld moeten gaat, alle bewegingen welke ook der zelfstandigheid (ofschoon volstrekt niet in reden van derzelver sterkte) niet mede bepalen en bepaald worden door denking, behalve de eenheden van denking der eindige levende wezens eene oneindige eenheid van denking vormende [42]. De denking bij No. 4 aangeduid, zou dan door die denking buiten ons bepaald worden en die bij No. 6 aangegeven er bepalende op werken, zoodat de keten der denking evenmin als die der beweging, afgebroken zou zijn. De fatalisten stellen eigenlijk dat de aaneenschakeling onzer denkbeelden van geen invloed is op die denking buiten ons, de aanhangers der absolute wilsvrijheid, dat deze van geen invloed is op de aaneenschakeling onzer denkbeelden, terwijl daarentegen die invloed wederkeerig is.
Veranderen de omstandigheden waarin een dier verkeert, zoo wordt dit er eerst min of meer aan gewoon en verandert aldus zijn toestand, zonder dat er eene noemenswaardige verandering bij de organisatie van zijn ligchaam bespeurd kan worden. Verandering dient er dan evenwel ergens plaats gegrepen te hebben, en zou deze dan niet kunnen bestaan bij die geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende bewegingen, het eigenlijke leven daarstellende, en wier er door bepaalde denking, het ligchaam voor die nieuwe levenstoestanden geschikt zoekt te maken? Deze bewegingen werken toch mechanisch op de wel zintuigelijke indrukken voortbrengende moleculaire en andere bewegingen van het ligchaam en kunnen hierbij alsware eene verandering te weeg brengen in gelijken geest als die bij haar zelve tijdens het wennen plaats had, ofschoon, wegens de werking der traagheid, later, zoodat de wijzigingen der geene zintuigelijke indrukken teweeg brengende bewegingen, die der organisatie van het ligchaam alsware achter zich voortslepen. [43]
Zonder de aanhoudende werking der op blz. 7 gemelde oorzaak van geschikthouding, zouden de ligchamen der dieren onmogelijk aan vele de deugd hunner organisatie verstorende invloeden kunnen wederstaan, en er bestaat hierdoor eene ondempbare kloof tusschen de levende organismen aan de eene en de anorganische en doode organische stof aan de andere zijde. Gene toch zijn actief, deze passief, van gene kan men zeggen, dat zij voor zich zelf beter of slechter zijn ingerigt, terwijl het ongerijmd is te zeggen, dat een stuk goud voor deszelfs eigen ik meer of minder deugdzaam is.
De denking buiten de eigen denking der menschen en dieren, de organisatie dezer voor de bestaande omstandigheden geschikt trachtende te maken, moet niet veronderstelt worden te grijpen naar middelen, slechts in indirect verband met de gebreken dier organisatie zijnde, tevens ook niet door redenering het bekende uit het bekende af te leiden, of tusschen verschillende in te slane wegen eene keus te doen.
De dieren komen slechts van het eene tot het andere, wanneer dit laatste in direct verband met het eerste staat, en zijn hierdoor veel minder dan de menschen aan dwaling onderhevig. Bij deze ontstaat eerst het begrip van het doen van daden, geschikt bij het verkeeren in zekere omstandigheden en later worden die daden verrigt. Bij de dieren gaat dit eerste dit laatste minder vooraf, zij vormen zich meer al handelende het begrip van hetgeen zij behooren te doen. Zij bezitten andere denkvormen dan wij, en van daar dat de fabeldichters onder den naam van dieren eigenlijk menschen van verschillende karakters doen optreden. Overleg en handeling ten gevolge van eigene opmerking, en aldus rede kan aan de dieren niet ontzegt worden, zamenwerking met en opoffering voor andere wezens evenmin, doch wel de bewustheid, dat hunne daden strekken ter vergrooting hunner geestelijke ontwikkeling, alsmede abstracte en op het gebied van het buitenzinnelijke treden de denkbeelden. Zij missen geheel de bij vele menschen zoo flaauw ontwikkelde godsdienstige wijsbegeerte, hunne levensbeschouwing is gegrond op de directe ervaring, op de eischen van het practische nut, en dweepen en droomen is hen even vreemd als aan middelmatige menschen de dwalingen en exentriciteiten van het genie.
Evenals de op blz. 143 gemelde denking, moet de eigen denking van dieren, wegens de werking der traagheid, blijven beneden de eischen van zekere levensomstandigheden, wanneer zij hieraan niet geheel gewoon is, en niet aan die eischen zonder vermoeijende inspanning kan voldoen. Om bij gelijken aanleg en even hoogen graad van geestontwikkeling tijdens de geboorte, gedurende het leven sterk in geestontwikkeling toe te nemen, moet 1o. van het voorgeslacht veel te leeren vallen, 2o. de middelen van gemeenschap met dit voorgeslacht, namelijk het spraakvermogen enz. op een hoogen trap staan, 3o. de levensomstandigheden, waarvoor men zijne geestontwikkeling geschikt tracht te maken, insgelijks op een hoogen trap staan, en 4o. het ligchaam op de vergrooting der geestontwikkeling slechts eene kleine directe tegenhoudende werking uitoefenen.
Met betrekking tot het eerste en derde zijn wij Nederlanders bevoordeeld boven onze voorouders de Batavieren enz. en deze waren, met betrekking tot al die zaken bevoordeeld boven hunne op de boomen klauterende en, bij hoogeren aanleg, de geestontwikkeling der hedendaagsche apen bezittende voorouders en deze op hunne beurt boven hunne millioenen jaren vroeger in zee levende en de geestontwikkeling der hedendaagsche visschen bezittende voorzaten, zie blz. 31. Wel kan men door zijn vrijen wil, of anders gezegd door daden het gevolg zijnde van uit elkander voortvloeijende en elkander bepalende redeningen, de omstandigheden, op wier hoogte men zich tracht te stellen, eenigzins hooger of lager stellen, en dit ook door het toeval plaats hebben, doch hiervoor bestaan er grenzen, en, evenmin als Napoleon I in gewone tijden keizer had kunnen worden, kan een wezen zelfs van grooten aanleg, met een laag bewerktuigd ligchaam voorzien, en beroofd van de middelen om uitgebreide waarnemingen te doen en om met andere wezens denkbeelden te wisselen, gedurende zijn leven belangrijk in geestontwikkeling klimmen.
Op bladz. 143 hebben wij aangegeven, hoe op onze denking eigenlijk niet eene wel of geen zintuigelijke indrukken te weeg brengende moleculaire beweging bij ons ligchaam en de daarbuiten gelegen voorwerpen, maar eene hierdoor gedeeltelijk bepaalde denking (buiten de onze en die van andere eindige wezens bestaande) van invloed kan zijn. Om meer bij het gewone spraakgebruik te blijven, gewagende van den invloed door ons ligchaam op onzen geest uitgeoefend, zoo herinneren wij dat, naar aanleiding van het op blz. 91 gemelde, die invloed op eene directe wijze onzen geest tracht te verlagen. Op eene indirecte wijze tracht hij echter, door ons te veroorloven waarnemingen te doen en met de buitenwereld en andere wezens in contact te treden en onder zekere inspanning denkbeelden in werkdadigen toestand te bezitten, hem te verhoogen. Sprekende, om bij het gewone spraakgebruik te blijven, van wederkeerige werking tusschen ligchaam en geest, zoo is het klaar, dat elke verandering bij onze denking gepaard zal moeten gaan met zekere verandering bij de verschillende ligchaamsdeelen en omgekeerd. Zijn nu die veranderingen bij een dier deelen merkbaar, en worden zij door andere invloeden niet zoodanig gestoord, dat zij onherkenbaar worden, zoo moet elke toestand van den geest overeenkomen met zekeren toestand van zulk een ligchaamsdeel, en zelfs met dien der kleederen welke men draagt.
In zekere mate kan dit nu het geval zijn met de hersens, doch hieruit mag men volstrekt niet afleiden dat de hersens denken en aldus boven alle andere organische levende stofmassa's het voorregt bezitten, om te denken en dus ook te voelen, te ruiken, te zien enz. Bijna even goed kan men bijv. aan eenig ingezegend voorwerp boven andere dergelijke, maar niet ingezegende voorwerpen het voorregt toekennen om zekere geheime kracht uit te oefenen.
Waarom buitendien aan de hersens boven de andere zenuwknoopmassa's het vermogen om denken toe te kennen, en, zoo men dit min of meer als een vermogen van al de zenuwknoopmassa's beschouwd, waarom kan men, zooals bij afzetting van ledematen, van die zenuwknoopmassa's verliezen, terwijl de denkbeelden in hun geheel behouden blijven? Waarom kan men zelfs bij lagere dieren de hersens wegnemen en zij nogthans, waarschijnlijk ten gevolge van bewuste denking, hunne ledematen bewegen. Het komt ons integendeel waarschijnlijk voor, dat de op blz. 143 gemelde eenheid van geene zintuigelijke indrukken veroorzakende beweging aan onze ligchamen annex, wanneer de beleediging van dit ligchaam zekere grenzen overschrijdt, hier niet meer annex mede kan blijven, en, even als de op blz. 145 gemelde denking (buiten de onze bestaande en onze organisatie geschikt voor de levensomstandigheden trachtende te maken) alsware vrij komt en dan (zie later) geene werkdadige denking kan bepalen.
Dat voorts organische stof onder den invloed dier geene zintuigelijke indrukken te weeg brengende beweging ontstaat en tegelijkertijd uit anorganische stoffen zamengesteld kan worden, behoeft niet meer te verwonderen, als dat bijv. waterstof door electrische ontleding van water en tegelijk op zuiver chemische wijze te vormen is.
Op blz. 146 hebben wij gezegd dat de geest der dieren niet slechts quantitatief, maar tevens ook qualitatief met den onzen verschilt. Een zoodanig verschil bestaat er echter ook tusschen den geest der kinderen en die der volwassenen en bij den op blz. 31 gemelden stamboom van het menschelijke geslacht moet de qualitatieve verandering evenzeer geleidelijk als de quantitatieve plaats gegrepen hebben. Het bestaan van gelijkslachtigheid tusschen de ziel der dieren en die der menschen kan echter niet ontkend worden en, zoo men aan de onze eene toekomstige steeds voortdurende gemiddelde vergrooting toeschrijft, moet eene tragere vergrooting aan die der dieren toegekend worden.
Men verhoogt zich dan trouwens ook niet door anderen te verlagen, en passende met een hoogeren trap van geestontwikkeling, dan de thans bij de menschen bestaande, zal het welligt zijn, om, wanneer men van dieren gewaagt, niet slechts te denken aan ponden vleesch en vet, of zelfs aan een kunstig physiologisch zamenstel, maar tevens ook aan iets dat aan den kogel van den jager en aan het mes van den slagter ontsnapt.
Het verschil in uitzigt en levenswijze van wezens, elkander als niet meer vreemd beschouwende, wordt grooter naarmate de beschaving stijgt, en, terwijl bij zeer lagen trap van beschaving de leden der verschillende stammen elkander vreemd of vijandig blijven en wreedheid en onverschilligheid jegens de dieren, gemis aan beschaving aanduidt, zoo moeten, naarmate de beschaving stijgt, de menschen minder exclusief en meer cosmopoliet worden.
Hetgeen op blz. 148 gezegd is, dat elk verschil in zielstoestand, wegens de wederkeerige werking tusschen ziel en ligchaam, gepaard moet gaan met eene ofschoon volstrekt niet er mede geëvenredigde verandering bij het ligchaam (evenmin als de veranderingen van uit zintuigelijke indrukken bestaande denkbeelden met er aan geëvenredigde veranderingen bij de ligchamen die zintuigelijke indrukken opwekkende), moet niet aldus verstaan worden, dat de ontwikkeling en eigenschappen der ziel geheel door het ligchaam (de op blz. 143 gemelde moleculaire beweging, de eigen denking bepalende, hier niet bij gerekend) bepaald worden. De ziel zou zich dan tegenover de invloeden, door het ligchaam er op uitgeoefend, geheel lijdelijk moeten gedragen, iets dat wel bij de dieren en vooral bij de lagere meer dan bij de menschen, maar volstrekt niet volkomen het geval is.
De waarde van een wezen wordt niet alleen bepaald door hetgeen het is, maar tevens door hetgeen het kan worden, zoodat bijv. een wezen, in gedaante en geestontwikkeling met een visch gelijk staande, maar met menschelijken aanleg begiftigd, uit een geestelijk oogpunt meer waarde dan een werkelijken visch zou bezitten.
De geestelijke aanleg, die, door grooter te zijn, de toename in geestontwikkeling bevordert, is voorts bij elk individu niet onveranderlijk, maar kan door inspanning van den geest (waaronder eigenlijk alle inspanning begrepen is, omdat bijv. het gevoel van spierinspanning tot het rijk der denking behoort) vergroot worden. Die inspanning aldus beide de geestelijke ontwikkeling en den aanleg vergrootende, ofschoon deze laatste minder snel, zoo moet, bij het niet bestaan van de vergrooting dier geestontwikkeling tegengaande oorzaken, zooals bijv. de moeijelijkheid om de bewuste aanschouwing uit te breiden, die vergrooting versnellende geschieden.
De aanleg, waardoor onder geestinspanning de zedelijke ontwikkeling van den mensch toeneemt, bestaat naar ons inzien in den graad van verhevenheid van het karakter. Zoo bijv. iemand zich veel moeite geeft om beter te handelen, vergroot hij zijne zedelijke ontwikkeling, maar tevens verbetert hij zijn karakter, waardoor later dezelfde toename in geestontwikkeling hem ligter zal vallen, en dus bij gelijke inspanning als vroeger, zij grooter dan toen zal worden.
De graad van zedelijke ontwikkeling hangt veel meer van de opvoeding en van de maatschappij af waar binnen men op deze aarde treedt, dan van het karakter. Hedendaagsche menschen, geen verhevener karakter bezittende dan oude Romeinen, dompelen bijv. niet als zij de krijgsgevangenen in slavernij, verstooten niet zoo ligt als zij hunne echtgenooten, hakken in schijnbaar wanhopende omstandigheden niet zoo ligt als zij, door middel van zelfmoord, den gordiaansche knoop door, in plaats van te trachten hem te ontwarren, kortom zij staan hooger in zedelijke ontwikkeling als die oude Romeinen.
Bij de intellectuele ontwikkeling staat de aanleg vooral in verband met de op blz. 67 gemelde door oefening verkregen en niet door middel van de spraak uitdrukbare denkbeelden. Men zal bijv. ontwaren dat binnen zekere grenzen, hoe langer men zich in iets geoefend heeft, hoe gemakkelijker het valt om er zich verder in te bekwamen, zoodat de bekwaamheid versnellende toeneemt. Vandaar de verwonderlijke hoogte waarin menschen het brengen in zaken, waarin zij zich bijzonder oefenen, doch hierbij werken de beperktheid der bewuste aanschouwing, de levensomstandigheden en zeker besef van genoegzaamheid, die anders versnellende toename der intellectuele ontwikkeling in het een of ander tegen.
Die inspanning, waardoor de geestontwikkeling en te gelijk, maar in mindere mate den aanleg vergroot, is echter steeds eene overmaat van inspanning boven die noodig om die geestelijke ontwikkeling op dezelfde hoogte te houden.
Voor zooveel de inspanning hiertoe werkt, komt het ons voor dat zij ons aangenaam moet zijn. Trouwens zij zou bestaan bij een veranderlijken toestand van onzen geest en hierbij moet, zooals op blz. 47 en 64 gezegd is het een geheel voor het ander geschikt zijn. Deze slechts voor de bestendiging der verkregen geestontwikkeling gevorderde inspanning is naar ons inzien tijdens het waken grooter dan gedurende den slaap, bij hooge geestontwikkeling grooter dan bij kleine, aldus bij de menschen grooter dan bij de dieren en grooter bij eene natuur van den geest waarbij deze sterk gedreven wordt naar verhooging zijner ontwikkeling [44].
Slechts voor zooverre de vergrooting in aanleg en geestontwikkeling eener generatie door eigen toedoen op de ligchamen van derzelver leden en op de opvoeding der volgende generatie van invloed is, zal deze er partij van trekken. Dit bedrag vormt echter eene kleinere breuk dier vergrooting, voor zooverre deze den aanleg dan voor zooverre die vergrooting de geestelijke ontwikkeling betreft. In wetenschappelijke ontwikkeling zijn de volken gedurende de toeneming der beschaving het meeste toegenomen, in de kunsten veel minder, omdat hetgeen men daaromtrent weet moeijelijker medetedeelen is dan in zaken van wetenschap, en in aanleg voor de kunsten nog veel minder.