Bedenkingen Tegen De Leer Van Darwin Gevolgd Door Beschouwingen

Chapter 1

Chapter 13,527 wordsPublic domain

BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN,

Gevolgd door

Beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Door den schrijver van het werk,

Getiteld:

Over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz.

En van

Het vervolg op dit werk.

Amsterdam,

J. C. Loman Jr.

1871.

INHOUD.

BLADZ.

1o. Bedenkingen tegen de leer van Darwin. 3. 2o. Beschouwingen over de oorzaak van het kwaad en over het doel van het leven. 64. 3o. Beschouwingen over eenige onderwerpen op buitenzinnelijk gebied. 143. 4o. Beschouwingen over de geestelijke ontwikkeling van den mensch. 205. 5o. Beschouwingen over de drie algemeene natuurwetten en eenige andere hiermede in verband zijnde zaken. 231.

BEDENKINGEN TEGEN DE LEER VAN DARWIN.

Onze bedenkingen tegen de thans bij het beschaafde publiek vrij bekende leer van Darwin zijn de volgende:

1o. Dat de splitsing van diersoorten in andere soorten, van deze weder in nieuwe enz. slechts bij uitzondering kan plaats hebben; namelijk, wanneer de natuur aan eenige diersoort een grooter aantal wijzen van bestaan aanbiedt dan vroeger en anders belet wordt, door dat de voortplanting door paring van mannetjes en wijfjes van diezelfde soort geschiedt.

2o. Dat het uitsterven van diersoorten slechts bij uitzondering kan plaats hebben, omdat, naarmate van zulk eene soort, binnen dezelfde uitgestrektheid grond, het aantal exemplaren vermindert, elk dezer onder levensomstandigheden komt, waarin het beter dan vroeger aan de oorzaken, deszelfs soort trachtende te vernietigen, kan wederstaan.

3o. Dat het geschikter worden der organisatie van diersoorten, voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, onmogelijk door de natuurkeus (anders gezegd door de werking van het toeval) kan geschieden.

4o. Dat, zelfs aangenomen, dat de natuurkeus die geschiktwording kon voortbrengen, hierdoor nog niet verklaard zou worden, hoe lagere diersoorten van lieverlede hoogere organisatien verkrijgen, zoodat de leer van Darwin de vraag wat was eerder de kip of het ei, onbeantwoord laat.

Een wel is waar niet volledig, maar desniettemin vrij voldoend antwoord op die vraag wordt toch slechts gegeven, wanneer men kan aantoonen, dat al de thans bestaande diersoorten ontsproten zijn uit een aantal anderen, elk op den allerlaagsten trap van dierlijke organisatie staande.

Deze hypothese heeft reeds, voordat de onderzoekingen der versteeningen, binnen de sedimentaire lagen bevat hare waarschijnlijkheid aangetoond hadden, den bijval van denkers genoten. Ten allen tijden hebben deze toch aangenomen, dat het bijzondere, uit het meer algemeene, het zamengestelde (mits die zamengesteldheid in eene meer kunstige inrigting bestond), uit het meer eenvoudige en het hoogere uit het lagere (zoo dit een even bijzonder karakter als dit hoogere bezat), moest voortspruiten.

De ervaring toonde toch aan, dat in het maatschappelijke en op het gebied van kunst en wetenschap dit steeds het geval was en vandaar, dat men stelde, dat die schoone regels ook op het gebied van het buitenzinnelijke moesten gelden. Raadpleegt men zelfs de Oude Cosmogonien, zoo ontwaart men daarin eene veelal op kinderlijke, wijze ontvouwde grondgedachte, dat er, wel is waar, niet een begin van alles, maar wel van het bijzondere bestaan heeft, namelijk dat de wereld met al derzelver verscheidenheden zich uit een eenvormigen chaos ontwikkeld heeft en dat uit een nevelachtigen en een karakter van algemeenheid bezittende Oergod, de menschen en bijzondere goden voortgesproten zijn.

Men kan gemakkelijk opmerken dat het hoogere, mits dit een even sterk karakter van bijzonderheid als het lagere bezit, dit laatste noodig heeft om te bestaan; terwijl het omgekeerde niet doorgaat.

De vleeschetende dieren verslinden bijv. de gemiddeld minder geestelijk ontwikkeld dan zij zijnde plantetende dieren; terwijl deze zeer gevoegelijk eerstgemelde kunnen ontberen. De kleine vogels voeden zich met de lager dan hen staande insecten, deze weder met microscopische diertjes en zelfs de planten zouden niet kunnen bestaan, zoo er geene microscopische plantjes en diertjes aanwezig waren, terwijl daarentegen deze de hoogere planten wel kunnen missen. Zoo toch het regenwater geene organische bestanddeelen bevatte, zouden er door zouten uit den bodem gevoerd, maar geene nieuwe zouten door ontbinding dier organische bestanddeelen, er ingebragt worden. Deze laatste worden nu geleverd door de microscopische plantjes en diertjes, welke de zouten van den Oceaan binnen hunne ligchamen opnemen, tijdens het waaijen, door de beroering der lucht, hoog in den dampkring gevoerd en aldaar binnen de waterblaasjes en de zich vormende regendruppeltjes opgenomen worden.

Ook op maatschappelijk gebied dient het lagere het hoogere, als onmisbaar hiervoor, vooraf te gaan. Een leger bijv. zonder hoofd vormt wel een ordeloozen troep, maar kan niettemin bestaan, terwijl een officier zonder soldaten onmogelijk zijne functiën kan uitoefenen. Kinderen kunnen des noods van zelf leeren, maar een onderwijzer zonder scholieren onmogelijk als schoolmeester werkzaam zijn.

Tusschen dieren van dezelfde soort en die van naburige soorten bestaat, naar ons inzien, dit onderscheid, dat mannetjes en wijfjes van naburige soorten geene en die van dezelfde soort wel neiging tot geslachtparing bezitten. Hierdoor ontstaan er scherpe kloven tusschen de soorten, omdat bijv. mannetjes, zekere afwijkingen vertoonende van die, welke het beste de eigenaardigheden hunner soort vertoonen en alsware in het midden dier soort staan, in de meeste gevallen met wijfjes, gelijksoortige afwijkingen dier eigenaardigheden niet vertoonende, zullen paren, maar door de organisatie der jongen alsware naar die der exemplaren, zoo als zoo even gezegd is, in het midden der soort staande, teruggebragt zullen worden.

Dit kan vergeleken worden met het rollen van voorwerpen naar de eene of andere teen van een dijk, zoo deze geene kruin bezit en men er die voorwerpen boven laat vallen. De klove tusschen de naburige diersoorten wordt dan bij die vergelijking voorgesteld door de breedte van den grondslag van den dijk.

Bestaat de helft der bevolking van een eiland uit blanken en de andere helft uit negers en is het voor elk hunner onverschillig, of zij al dan niet met kleurgenooten huwen, zoo zal de eerstvolgende generatie gemiddeld bestaan uit een kwart blanken, de helft mulatten en een kwart negers. Dit aantal mulatten bij die generatie kan, wel is waar, minder, maar even goed meer dan die helft bedragen, en bij die generatie is voor elken blanken de kans, om met een kleurgenoot te huwen ¼. Klaarblijkelijk zal dus bij de daarop volgende generatie het aantal zuiver blanken gemiddeld maar ¼ × ¼ = 1/16 van het geheel bedragen. Dezelfde redenering, door ons voor de eerste generatie gedaan, voor de tweede doende, zoo zal men bevinden, dat bij de derde generatie het aantal zuiver blanken maar gemiddeld 1/16 × 1/16 = 1/256 van het geheel zal bedragen.

Dit ook doorgaande voor de negers en voor de kleurlingen, hetzij naar de blanken hetzij naar de negers overhellende, zoo zal men ontwaren, dat na slechts weinig generatien op zulk een eiland enkel mulatten gevonden zullen worden [1].

De gevolgen der accidentele oorzaken, waardoor de kinderen eenigzins van hunne ouders en onderling verschillen, worden aldus door eene constante oorzaak tegengewerkt, zoodat die gevolgen (namelijk de afwijkingen van het gemiddelde type) aldus zekere sterkte niet kunnen overschrijden. Bestaat er bij kleurgenooten zekere voorkeur voor elkander, zoo zal het gemengde ras niet zoo snel, maar niettemin bij de achtereenvolgende generatie steeds meer gaan predomineren, (hetgeen bijv. in Brazilië thans schijnt te geschieden). Slechts, wanneer de personen van elke kleur onmogelijk bij die eener andere kleur kinderen kunnen verwekken, zal de onderlinge betrekking der blanken, negers, mulatten enz. bij de achtervolgende generatien dezelfde blijven.

Zoo men aanneemt, dat voor een mannetje eener diersoort, hoe weinig ook, de mogelijkheid bestaat, om neiging tot paring met een wijfje eener naburige soort te bezitten, en om bij dit wijfje vruchtbare jongen te verkrijgen, zullen de bastaarden, ofschoon zeer langzaam, in aantal toenemen, en eindelijk, al is het ook na zeer langen tijd, alleen bestaan. Elk dier beide soorten bezit echter nog andere naburen, waarmede iets dergelijks geschieden kan, zoodat bijv. n diersoorten in n - 1 tusschensoorten zullen veranderen. Deze zullen op dergelijke wijze in n - 2 nieuwe tusschensoorten omgezet worden, en zoo voortgaande, er na een uiterst langen, maar eindigen tijd, slechts eene resulterende diersoort bestaan, hoe ver ook de beide uiterste soorten der primitieve reeks van elkander stonden.

Deze werking (de tegengestelde van die door Darwin aangenomen) wordt echter tegengewerkt, doordat er eene constante oorzaak bestaat, deels door tusschenkomst van den wil der dieren (de stelling van Lamarck), doch grootendeels buiten die tusschenkomst, gedurende het leven de organisatie der dieren, voor de omstandigheden waarin deze verkeeren, geschikt trachtende te doen worden.

Gesteld bijv. dat bij het op blz. 6 aangegeven voorbeeld de kinderen steeds de levenswijze hunner vaders volgen en dat hierdoor gedurende hun leven hunne kleur, trekken enz. tot die dier vaders naderen (hetgeen overeenkomt met de nadering der bastaarden gedurende hun leven tot die der twee stamdiersoorten wier levenswijze zij kiezen), zoo zal bij de eerstvolgende generatie de helft der mulatten, gedurende den tijd tusschen hunne eigen geboorte en die hunner kinderen verloopen, de blanke en de andere helft de negertype wat naderen. Hetzelfde bij de volgende generatie plaats hebbende, zoo zal er eindelijk eene generatie ontstaan, waarvan de beide helften in uitzigt zoo weinig van elkander verschillen, dat de zoo even gemelde neiging der kinderen om gedurende hun leven tot den type hunner vaders te naderen, even sterk is als die om, (door voor hunne geboorte wat van de type hunner moeders over te nemen), alsdan van die hunner vaders af te wijken.

Klaarblijkelijk zal, wanneer de zucht tot paren van individuen, tot verschillende rassen behoorende, zwakker is, dan bij individuen van hetzelfde ras, dit tegen elkander opwegen van zooeven gemelde constante oorzaak en die op blz. 6 aangegeven, vroeger en bij grootere verschillen tusschen de na eenige generatiën bestaande rassen bestaan. Olie tracht bijv. steeds boven water te drijven, en roert men beide die vochten, zoo zal eindelijk de vermengende werking dier beroering gebalanceerd worden door de neiging der olie om op- en die van het water om nederwaarts te gaan. Hoe zwakker nu die beroering (vergelijkbaar met de werking der paring tusschen individuen van verschillend ras) is, hoe zuiverder de olie in het bovenste en het water in het onderste deel van het vat zullen zijn.

Met de kloven tusschen de diersoorten kunnen vergeleken worden, die tusschen de volken en die tusschen de belijders der verschillende godsdiensten bestaande.

Het geriefelijke voor menschen, om de eigenaardigheden van een of ander volk aan te nemen, of om eenige bestaande godsdienst te belijden en aldus niet, zoo als bij het geïsoleerd staan tusschen twee volken, of twee godsdiensten, voor een ieder een vreemdeling te zijn, is toch met de voorkeur der mannetjes voor de wijfjes van de meest op hen gelijkende soort te vergelijken.

Naarmate zekere verschillen in organisatie de neiging tot geslachtparing sterker verzwakken, zullen er kleinere maar meer diersoorten bestaan en, naarmate, bij minder beschaving, het verkeer tusschen de menschen en hun geest van zamenwerking geringer is, er meer natiën bestaan.

Volken ontstaan, doordat niet ieder mensch zijne afzonderlijke wetten kan bezitten en, zonder aansluiting aan anderen, voor zijne veiligheid kan zorgen; godsdienstige gezindheden, wegens de behoefte om gemeenschappelijk de eerdienst te verrigten; diersoorten, doordat de neiging tot paring niet reeds door de minste verschillen in organisatie (de sexuele niet in aanmerking genomen), uitgedoofd wordt en, doordat de voortplanting niet door hermaphroditen plaats heeft; doch, terwijl tot eene natie, of eene religie menschen kunnen behooren van zeer verschillende geestelijke, ontwikkeling en overigens onder verschillende levensomstandigheden verkeerende, is zoo iets bij de dieren eener zelfde soort veel minder mogelijk.

Voor de verdeeling eener diersoort in verschillende rassen dienen deelen er van onder andere levensomstandigheden te gaan verkeeren (hetgeen met het ontstaan van zelfstandige koloniën bij de volken te vergelijken is). De neiging der organisatiën der dieren, om voor de levensomstandigheden, waarin deze dieren verkeeren, geschikt te worden, kan dan maken dat die rassen zooveel van elkander gaan verschillen, dat de neiging tot paring tusschen hen wordt uitgebluscht, even als bijv. tusschen de Engelsche en Amerikanen het gevoel van gemeenschappelijke nationaliteit.

Gaan echter die kortelings ontstane diersoorten later weder onder dezelfde omstandigheden verkeeren, en met elkander vermengd leven, zoo zal noodwendig het omgekeerde van zooeven moeten plaats hebben.

Noodigt de aardoppervlakte de dieren steeds tot evenveel verschillende wijzen van bestaan uit, zoo zullen wel is waar accidentele oorzaken splitsing van soorten teweeg kunnen brengen, doch zamensmelting hier van gemiddeld even menigvuldig plaats hebben, doch, wanneer die mogelijke wijze van bestaan menigvuldiger worden, de soorten dit insgelijks doen.

Dit laatste schijnt nu het geval geweest te zijn. Primitief was toch de aardbodem overal met water van even groote diepte en even hooge temperatuur bedekt en hield de met dikke vochtblaasjes vervulde lucht de aarde in de schaduw gedompeld. Later ontstonden droog land, stranden, moerassen, bosschen en meer of minder diep en heet water, nog later de bloemen ontluikende zonneschijn, groote hoogten, diepe valleijen, uitgestrekte landen, groot verschil in gewassen en in temperatuur enz.

Men denke voorts niet, dat enkele exemplaren eener diersoort, in een ander land en klimaat overgebragt, zich aldaar steeds sterk vermenigvuldigen. Dit is somtijds het geval geweest, zoo als bijv. met de paarden en runderen in Z. Amerika, omdat deze dieren aldaar in zeer gunstige omstandigheden verkeerden en de beschermende hand van den mensch zich niet terstond van hen aftrok, doch in veel andere gevallen zijn de per scheepsgelegenheid naar vreemde gewesten overgebragte tamme dieren aldaar uitgestorven.

Terwijl geheel gemis aan neiging tot paring maakt, dat, ofschoon op verschillende wijze levende dieren van verschillende soorten, met elkander vermengd, dezelfde landstreek kunnen bewonen, zonder dat die soorten te zamen smelten, is dit niet zoo goed mogelijk bij dieren van aangrenzende rassen, omdat tusschen deze er nog eenige neiging tot paring bestaat.

Bij die rassen zal dan iets plaats hebben overeenkomende met hetgeen op blz. 8 aangevoerd is, namelijk, er zal na een aantal generatiën twee verscheidenheden, minder dan de twee rassen, toen deze met elkander vermengd gingen leven, van elkander verschillende, ontstaan.

Zoo men het aantal der tusschen die beide verscheidenheden gelegen kruislingen vermenigvuldigt met derzelver afwijkingen van de eene of andere verscheidenheid, zal eenmaal dit product niet meer vergrooten, door het geboren worden van nieuwe kruislingen, als verminderen, doordat gedurende hun leven al die kruislingen, deels tot de type der eene, deels tot die der andere verscheidenheid naderen.

Laatstgemelde terugbrenging ontstaat, doordat de dieren, het zuivere type der verscheidenheden m bezittende voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren (niet meer zijnde die der beide primitieve rassen) beter georganiseerd zullen zijn dan die kruislingen.

De dieren schikken niet alleen hunne organisatie naar de levensomstandigheden waarin zij verkeeren, maar zoeken tevens naar levensomstandigheden voor hunne organisatie geschikt (even als bijv. een plotseling verrijkt mensch, niet slechts zijne behoeften grooter doet worden, maar tevens door werkeloosheid en zorgeloosheid zijne voor hem te aanzienlijke inkomsten vermindert).

De kruislingen, door paring dier beide primitieve rassen n ontstaan, zullen dit ook eenigzins doen en aldus wel is waar, zich niet geheel in voor hunne organisatie geschikte levensomstandigheden bevinden, maar ook niet meer geheel in die der uiterste van hen het meeste afwijkende leden van een dier beide primitieve rassen verkeeren.

Voor zooverre nu die kruislingen door achtervolgende paringen de organisatie dier uiterste leden dier beide rassen meer tot elkander doen naderen, moet klaarblijkelijk, het opzoeken van levensomstandigheden voor de veranderde organisatie meer geschikt, de levensomstandigheden dier uiterste leden der beide rassen n meer tot elkander doen naderen en deze alsdan in de bovengemelde verscheidenheden m veranderen.

Hiermede kan vergeleken worden, hetgeen bij twee volken, in karakter, geest, beschaving enz. van elkander verschillende en elk voor die qualiteiten geschikte instellingen bezittende, plaats heeft, wanneer zij met elkander in aanraking komen. Alsdan nemen zij wat van elkanders zeden en qualiteiten over, beginnen aldus wat meer op elkander te gelijken en schikken tegelijk hunne instellingen naar hunne nieuwe qualiteiten.

Even als echter zulk een verkeer tusschen twee volken, hen slechts tot zekeren graad meer op elkander doet gelijken, zoo zal van de bovengemelde verscheidenheden m de gelijkenis zekeren grens, bepaald door de sterkte hunner onderlinge paring, niet kunnen overschrijden. Niet alleen zoeken, wanneer eene diersoort door eene andere teruggedrongen wordt en zij in aantal individuen vermindert, deze (zie blz. 11) plaatsen op, waar zij beter dan vroeger het bestaan hunner soort kunnen verdedigen, maar bij de door overmaat van geboorten boven sterfgevallen in aantal toenemende indringers heeft het tegenovergestelde plaats. Hoe verder deze aldus dringen, hoe moeijelijker dit geschiedt, zoodat er eindelijk een toestand van evenwigt zal ontstaan waarbij aanval en verdediging tegen elkander opwegen. Het is bijv. mogelijk, dat de Indianen der Vereenigde Staten, in aantal zeer verminderd, zich eindelijk binnen voor den landbouw van onwaarde en weinig genaakbare streken als jagers en visschers zullen kunnen staande houden, en dat de olm en andere grotdieren vroeger buiten de holen leefden, maar in deze alsware teruggetrokken zijn, eigenschappen, hen geschikt makende, om die duistere verblijfplaatsen te bewonen, verkregen hebben, en dat thans bij die diersoorten het aantal geboorten tegen dat der sterfgevallen opweegt.

Niettegenstaande sedert eenige eeuwen binnen het beschaafde Europa het schadelijke wild met vuurwapens bestreden wordt, weet het zich, in aantal verminderd, binnen weinig genaakbare plaatsen vrij wel staande te houden.

Dat, wanneer hoogere rassen met lagere in aanraking komen, laatstgemelde uitsterven, is onjuist. Het ongedierte bijv. volhardt met onze ligchamen in aanraking te komen en sterft niet uit. Somtijds worden de bewoners van eenig land door veroveraars hiervan aan zich dienstbaar gemaakt en sterven zij, zooals bijv. de Heloten in het Oude Lacedemon, niet uit. Het lot der plantetende dieren, na de optreding onder hen der carnivoren, kan hiermede vergeleken worden.

Tijdens den inval der Anglo Saxen in Groot-Brittanje zijn de Celten door hen teruggedrongen, maar niet uitgeroeid, en die laatste volkstam neemt thans in Wallis in aantal individuen niet af, maar integendeel toe.

Een deel der Indianen van Mexico heeft zekeren graad van beschaving verkregen en, in plaats van uit te sterven, neemt het in invloed toe en heeft zelfs iemand uit zijn midden den presidentszetel beklommen.

Door opneming in andere stammen, door vermenging hiermede, door verandering van naam en gewoonten kunnen buitendien volkstammen schijnbaar van den aardbodem verdwenen zijn en wegens het verkrijgen van andere organisatien dit met de diersoorten der voorwereld insgelijks het geval geweest zijn.

Uitsterving van diersoorten en menschenstammen kan naar ons inzien slechts bij uitzondering en wel voornamelijk, daar waar geschikte ruimten om er binnen terug te trekken en verschil in localiteiten gemist worden, plaats hebben.

Wordt ergens het klimaat kouder, zooals bijv. dat van Europa gedurende en na het tertiaire tijdperk, zoo zal de vegetatie er minder weelderig worden en aldus minder voedsel aan de plantetende dieren aanbieden. Een deel hiervan zal zich alsdan terugtrekken naar warmere oorden en van de overblijvende de organisatie voor het koudere klimaat van lieverlede geschikt gemaakt worden.

Voor de vleeschetende dieren zal dit eveneens doorgaan, aangezien de veelvuldigheid van derzelver voorkoming van die der plantetende afhangt, en zoo iets is nu vergelijkbaar met hetgeen in eenig door een vreemden stam veroverd land plaats heeft, wanneer voor een deel der inwoners émigratie mogelijk is. Dit deel gaat alsdan in een vreemd land hetzelfde vrije leven van vroeger voeren; terwijl de achterblijvers zich onderwerpen en voor den slavenstaat geschikt worden.

Zoo bij elke generatie een ieder slechts wist hetgeen hij van de vorige generatie leerde en er niets van zijne eigen vinding bijvoegde, zou de wetenschap gedurende de achtereenvolgende generatien steeds achteruit gaan, daar toch de onderwijzers slechts een deel hunner kennis in den geest hunner leerlingen kunnen doen overgaan.

Nu verkeert misschien de overdragt der deugd der organisatie van ouders op hunne kinderen, gedurende het vruchtleven dezer, in een geval met dat van het onderwijs vergelijkbaar. Deugd veronderstelt toch iets dat verstoorbaar is en dat aldus eene neiging bezit om te verminderen, wanneer er toevallige veranderingen bij ontstaan, zooals bijv. bij de bijna goed gerangschikte letters van een woord, zoo men eenige dier letters blindelings verzet. De kans, dat van de juiste rangschikking verder afgeweken wordt, is alsdan veel grooter, dan die dat er toe genaderd wordt.

Om zelfs op eene zeer gebrekkig wijze te bestaan, moeten de dieren eene organisatie bezitten, zoo weinig van die het beste voor de omstandigheden, waarin zij verkeeren, geschikt, afwijkende, dat men toevallige afwijkingen er bij naar de eene of andere zijde, kan vergelijken met de blindelingsche verzettingen der bijna goed gerangschikte letters van eenig woord. Iets waarvoor grootere kans bestaat heeft nu op den langen duur zoo goed als zeker het veelvuldigste plaats, zoodat, zoo geene constante oorzaak zulks tegenging, de herhaalde toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders na eene reeks van generatien de organisatie der dieren zoo slecht zou maken, dat zij onmogelijk meer zouden kunnen bestaan.

Kan die constante oorzaak nu deze zijn, dat de zeer enkele toevallig wat beter dan hunne ouders georganiseerde jongen, gemiddeld meer nakomelingen dan de andere verkrijgen en zulks bij de volgende generatien insgelijks liet geval is (de zoogenaamde Darwinsche natuurkeus). [2]

Naar ons inzien niet. Wat zou bijv. Darwin zeggen, zoo men voorstelde de Engelsche wetten voor den veranderenden maatschappelijken toestand van Engeland geschikt te maken door de volgende politieke keus? De ministers stellen in den blinde gedane wijzigingen der wetten voor en het parlement neemt onder die geheel ondoordacht en dus natuurlijk slechte wijzigingen betrekkelijk betere aan, naarmate eene grootere meerderheid er zich voor verklaart. Die meerderheid bij die politieke keus zou dan overeenkomen met bovengemelden overheerschenden invloed op de nakomelingschap der betrekkelijk beter georganiseerde dieren. Klaarblijkelijk zou zulk eene politieke keus van de Engelsche wetten weldra louter onzin maken.