Part 7
Dat onze geest ons ligchaam noodig heeft om werkdadig te denken en om indrukken van de buitenwereld te verkrijgen en dat de bloeijende toestand van het ligchaam, bij gelijke hoogte der organisatie hiervan, maakt dat het de streving opwaarts van den geest gemakkelijker kan volgen, en die streving aldus dan minder tegenwerkt, maakt het noodig, dat men in zekere mate een geschikt ligchaamsleven leidt en dat onze geest zich bezig houdt met het verkrijgen van hetgeen noodig is voor de behoeften van het ligchaam en aldus de wetenschap beoefent met het oog op het materiele en praktische nut. Dit een en ander maakt tevens dat wij aan den bloei van het ligchaamsleven en aan de welvaart van anderen zorgen moeten wijden, terwijl het leven in vrede met deze zamenwerking met hen gemakkelijker maakt, hetgeen weder strekt ter bevordering der vergrooting der geestelijke ontwikkeling. Eindelijk moet de beperktheid der zintuigelijke aanschouwing grenzen stellen aan het doordringen van den geest op buitenzinnelijk gebied (zie later).
Van den anderen kant moet het ligchaam dienstbaar gemaakt worden aan de toename der geestontwikkeling om aldus de machine, slechts in zooverre in goeden staat gehouden worden, als de eischen van het gebruik er van zulks toelaten. Zelfs behoort men, om aan die eischen te voldoen, niet te schromen om de machine te verslijten en aan gevaar voor vernieling bloot te stellen. Ook moet de wetenschap, met het oog op die toename der geestontwikkeling, zelfs ten koste van stoffelijke welvaart beoefent worden.
Voorts behoort men zich jegens anderen zoo te gedragen, dat men hunne materiele welvaart in zekere mate ondergeschikt maakt aan de toename hunner geestontwikkelingen moet de deze bevorderende strijd van denkbeelden en beginselen niet aan eene te ver gedreven zucht naar eensgezindheid en vrede opgeofferd worden [20]. De liefde voor anderen moet niet alleen ten doel hebben om hen van lijden te bevrijden, of anders gezegd om hen geschikt te maken voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, maar tevens om de zedelijke ontwikkeling, zoowel van hem die liefde betoont als van hem aan wie zij betoond wordt, te verhoogen, en zij aldus ook ten bate van den vooruitgang der individuen strekken.
Slechts, wanneer de liefde op deze wijze beschouwd wordt, kan het verstandig geacht worden zich groote offers op te leggen, ten einde op eene onzekere wijze het lijden van anderen een weinig te verminderen.
Het is waar dat, hoe hooger de geestelijke ontwikkeling der menschheid is, hoe meer de menschen zich om hunne natuurgenooten en om de belangen hunner eigen toekomst bekreunen en dit kunnen doen, doch het is er verre van af, dat het directe nut dat men, zoo voor anderen als voor zich zelf, op deze aarde sticht, de hiervoor genomen inspanning loont.
Ook nemen de menschen (tenzij oppervlakkig op gezag) niet gaarne onderrigt en teregtwijzing van anderen aan, zij leeren liever zelf en nemen hierdoor wel is waar trager in kennis toe, doch deze wordt alsdan dieper, inniger en minder vergeetbaar, terwijl hunne grootere en meer langdurige inspanning ten gunste van hun intellectuelen aanleg en van hunne geestontwikkeling in het algemeen werkt. Om een anders ideën goed te begrijpen, dient men zelfs (al zij het meer onbepaald en minder naauwkeurig) van zelf op die ideën gekomen te zijn.
Hoe moeten nu de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing zich gevoelen op het gezigt eener omgeving weerbarstig in het aannemen van onderrigt, en wel is waar grif in het aannemen van materiele hulpmiddelen, doch slechts wanneer zij hierover naar goedvinden kunnen beschikken; op het gezigt van min of meer direct ten gevolge van hun individuelen vooruitgang lijdende menschen en dieren, waarvoor zij slechts zeer weinig kunnen doen? Zij die zulk eene levensbeschouwing aanhangen, het doel van het lijden aldus niet begrijpen en aan de liefde geene hoogere beteekenis geven dan om dit lijden te verzachten en, zoo der naasten als hunne eigen geestontwikkeling, elk oogenblik met vernietiging bedreigd achten, moeten geleid worden tot moedeloosheid, tot minachting van zich zelf en van anderen, tot gemis aan zedelijke kracht en moed om zich offers te getroosten ten behoeve van anderen of van eigen toekomst; tot het zich verdooven in de beslommeringen en genietingen van het heden; tot het ontvlugten van het lijden van anderen en zelfs tot ontkenning er van, omdat dit lijden een protest is tegen die slechts geschiktheid bij een aardsch bestaan noodig achtende levensbeschouwing.
Wanneer deze dan ook door de massas in praktijk wordt gebragt, moet zedelijk verval het gevolg zijn, zooals bijv. bij de Grieken en Romeinen tijdens het begin onzer jaartelling. De natuurwet, dat van een verschijnsel oorzaak en gevolg aan elkander tegengesteld zijn, deed echter toen hare werking gevoelen, namelijk dit zedelijke verval deed eene tegengestelde levensbeschouwing een kerkelijk gewaad aantrekken en, aldus geschikt geworden voor de massas, tot binnen deze dringen [21].
Te weinig wijsgeerig om te weten, dat het lijden een gevolg is der werking der traagheid bij het veranderlijke en aldus ook bij het zich verheffende (zie blz. 63), zoo hebben de menschen niettemin een zeker besef, dat er geleden moet worden om opwaarts te streven en dit besef nu werd levendig in de levensbeschouwing van het Christendom, dat het lijden heiligt, op den weg ter heerlijkheid plaatst en door het zich omhoog heffende kruis zinnebeeldig voorstelt.
De aanhangers der épicuristische levensbeschouwing verdiepen zich ongaarne in de beschouwing der individuen, maar liever in die der in beschaving toenemende maatschappij, in die harer kunstgewrochten, in die der schoone en jaarlijks herlevende natuur. Doch is de duur van dit alles zoo zeker, kunnen betrekkelijk snelle en groote veranderingen bij de aardkorst en het gasvormige omkleedsel onzer planeet dit alles niet vernietigen? Buitendien die schoone organische natuur maskert een slagveld, een strijdperk waarop dieren en planten al strijdende hoogere organisatiën verkrijgen en zich individueel trachten te verheffen en buitendien, waartoe leidt die toenemende beschaving? Naar aanleiding van het op blz. 83 gemelde, tot sterkeren vooruitgang der individuen gedurende hun leven, maar volstrekt niet tot hun geluk of geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren.
De maatschappij wordt gevormd door zamenwerkende individuen, en in het belang van beider vooruitgang is het noodig dat die individuen zekere zelfstandigheid behouden, en dat zij aldus geene levensbeschouwing, de individualiteit in minachting brengende, aanhangen.
Om te begrijpen, hoe het zedelijke verval eener maatschappij, derzelver beschaving achteruit moet doen gaan, behoeft men slechts te bedenken, welk een nadeeligen invloed vermindering van arbeid en vertrouwen op handel en industrie uitoefent. Zoo bijv. de menschen slechts werken om geld te winnen, zal hun arbeid geene vruchten opleveren van zulk eene gehalte, als wanneer men hem tevens ter vergrooting der geestelijke ontwikkeling, zoo van anderen als van zich zelf, doet strekken. Dit verschil, niet noemenswaardig bij grof handenarbeid, zal grooter worden, naarmate die arbeid van meer verheven aard wordt. Verder zal, zoo de winsten geringer worden, de productie van den arbeid insgelijks verminderen, en ook weder in sterkere mate, naarmate de aard hiervan meer verheven is [22].
De vergrooting der hulpmiddelen der wetenschap maakt dat de vruchten van den arbeid grooter worden, terwijl de vergrooting der digtheid der bevolking eene tegenovergestelde werking uitoefent. Gedurende de toeneming der beschaving en der volkrijkheid komt ons de toeneming der hulpmiddelen der wetenschap eerst en die der digtheid van bevolking later de overhand te moeten hebben.
Volstrekte overbevolking, wegens gebrek aan te bebouwen bodem, kan wel is waar niet gezegd worden te bestaan, zoolang die bodem nog een mud graan, of het voedsel voor een rund meer kan opbrengen, iets wat overal het geval is, doch dit belet niet, dat, het digter worden der bevolking, den arbeid, noodig om bijv. een mud graan voort te brengen, grooter doet worden. Minder arbeid zal er dus, naarmate (bij denzelfden trap van beschaving) die digtheid der bevolking grooter wordt, besteed kunnen worden aan de vervaardiging van voorwerpen niet volstrekt onmisbaar voor de menschen onderhoud, minder van zulke voorwerpen zullen er aldus dan te verkrijgen zijn voor hen, die hen dan met de winsten, door hun arbeid opgeleverd, willen koopen.
Wel is waar zullen de meer beschaafde menschen steeds meer behoeften hebben dan de andere en grootere rijkdom aldus voor hen eene noodzakelijkheid blijven, doch dit overwigt in geestelijke ontwikkeling zich (wanneer de digtheid der bevolking grooter is met betrekking tot de beschaving) meer door hare innerlijke waarde en minder door uiterlijk vertoon veropenbaren.
De kleinere verschillen in rijkdom, bij het kleiner zijn der winsten van den arbeid, kan men vergelijken met het meer opgesloten zijn der op blz. 77 gemelde manschappen, naarmate deze gemiddeld trager loopen. Het verschil in snelheid tusschen de verschillende manschappen zal hierdoor evenzoo verminderen, als dat der gemaakte overwinsten door het mindere gemak om overwinsten te verkrijgen. De neiging der manschappen tot opsluiting komt bij deze gelijkenis overeen met de uitwerking der verdeeling der rijkdommen bij het erven, met die der giften aan behoeftigen en met het effect van den grooteren prikkel voor armen dan voor rijken om geld te winnen, zie blz. 49.
Tegen hetgeen op blz. 86 gezegd is, zal men welligt aanvoeren, dat het kwaad, in ongeschiktheid van het een voor het ander bestaande, het zedelijke kwaad eerder moet af- dan toenemen, wanneer de menschen zich geschikter voor hun aardsch leven trachten te maken. Men dient hierbij echter te onderscheiden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke leven van den mensch en die van zijn zinnelijk of ligchaamsleven.
De drang tot vooruitgang maakt dat de menschen die eerste eischen zoodanig verhoogen, dat, wegens de werking der traagheid, hunne geestontwikkeling er bij te kort schiet. Verlagende op deze werken nu de eischen van het zinnelijke leven en verlagende op de organisatie van het ligchaam de onbewerktuigde aardt. Deze vier zaken, waarvan nu de laatste onveranderlijk is, trachten op gelijke hoogte te komen en aldus voor elkander geschikt te worden, en, zoo nu de eerste verlaagd wordt, namelijk zoo de menschen trachten de maatschappij meer barbaarsch te doen worden en naar het dierlijke terug te brengen, zullen zij tot elkander naderen en de menschen werkelijk betrekkelijk beter worden.
Zoo bijv. eene generatie in geestontwikkeling minder toeneemt dan de vorige, zal de werking, de toeneming in ontwikkeling van het ligchaam bevorderende, hierbij ook eenigzins kleiner dan bij de vorige generatie zijn. De laatste generatie zal aldus aan hare kinderen wat minder hoog ontwikkelde ligchamen achter laten dan zij van hare ouders ontvangen heeft, en de ligchamen dier kinderen zullen, door de werking van den geest, wat moeijelijker dan die hunner ouders in ontwikkeling kunnen toenemen. Bij die derde generatie zal aldus de toeneming der geestontwikkeling nog wat zwakker zijn dan bij de tweede, zoo zij zich, betrekkelijk haar standpunt van ontwikkeling, niet meer dan deze inspant, en dit zoo voortgaan; zoodat de mensch dan langs den op blz. 30 gemelden stamboom, alsware terug zal gaan, en, aangezien de geest der dieren ook opheffende en de onbewerktuigde aarde verlagende op hunne ligchamen werkt, die teruggang niet ophouden, voordat het punt van aanvang van dien stamboom weder bereikt is [23].
Wanneer de menschen hunne geestelijke ontwikkeling, onder tegenwerking der eischen der zinnelijkheid, bijzonder verhoogen, zal zij, wel is waar, steeds in het een of ander ten achteren staan bij de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven, doch die eischen en die ontwikkeling digter bij elkander komen en gene sneller opwaarts gedreven worden.
Het tegengestelde zal daarentegen plaats hebben, zoo, wegens den drang tot vooruitgang, men die eischen wel tracht te verhoogen, maar de geestelijke en vooral de zedelijke ontwikkeling, door het toegeven aan de eischen de zinnelijkheid, daalt. Dit laatste dan kan in zulk eene mate geschieden, dat de eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven en aldus ook de beschaving er sterker door omlaag getrokken, dan door den drang tot vooruitgang omhoog gedrongen worden. Zulk een geval, op blz. 86 bedoeld, is vergelijkbaar bij eene schuit, die een paard stroomopwaarts tracht te trekken, maar daartoe onvermogend is, zoodat dit paard (met die eischen der beschaving vergelijkbaar) achterwaarts moet stappen, omdat de spanning der treklijn (met de betrekkelijke zedelijke slechtheid der menschen vergelijkbaar) groot is.
De groote afstand tusschen de beschaving der menschen en de organisatie van hun ligchaam maakt dat de beschaving middelen aanbiedt om zinnelijk te genieten en tevens dit ligchaam te benadeelen, iets dat bij dieren slechts in veel zwakkere mate bestaat, en bijv. het geval is bij hen, welke de epicuristische levensbeschouwing op eene verbasterde wijze in praktijk brengen, namelijk bij hen die zich aan grove zinnelijke lusten overgeven en onverschillig worden voor de geestelijke ontwikkeling zoo van anderen, als van zich zelf, zie blz. 87.
De verbasterde opvatting der tegenovergestelde levensbeschouwing ontmoet men bij de asceten, die, om alle zinnelijkheid te vernietigen, hun ligchaam martelen, dit alzoo minder bekwaam maken, om op eene indirecte wijze de vergrooting der geestelijke ontwikkeling te bevorderen en deze laatste zooals zij die opvatten, zoodanig ter harte nemen, dat zij andersdenkenden vervolgen [24].
Vele menschen zijn in het eene punt de eene en in tegengestelde het andere de levensbeschouwing toegedaan, doch steeds zullen die onderdeelen hunner levensbeschouwing zich in harmonie met elkander trachten te stellen.
Een gemiddelde tusschen beide dient echter in innigheid en wetenschappelijkheid toe te nemen, naarmate de beschaving zulks doet, en aldus de instinctmatige aandrang en tot geschiktheid en tot vooruitgang, bij de dieren, zie blz. 64, voldoende, alsdan meer te kort schieten om de menschen in de school van het leven te leiden.
Het humanisme, zooals de aanhangers der epicuristische levensbeschouwing dit opvatten, zou slechts kunnen bestaan, zoo de menschen steeds op aarde bleven voortleven, de onbewerktuigde natuur niet de op blz. 91 gemelde terugtrekkende werking op der menschen ligchamen uitoefenende en de beschaving niet meer toenam. Wegens de neiging der dingen om, wanneer geene oorzaken dit tegengaan, harmonisch met elkander te worden, zouden dan de eischen van zedelijke en maatschappelijke leven, de geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven en de organisatie der menschelijke ligchamen zich op dezelfde hoogte stellen, en de betrachting van het goede geene opoffering meer kosten en niet meer in strijd zijn met het genieten in het heden.
Die toestand zou echter, zelfs bij zulk eene aardsche onsterfelijkheid deelachtige wezens, niet mogelijk zijn, zoo de onbewerktuigde aarde de organisatie hunner ligchamen omlaag trok, daar dit tegengegaan zou moeten worden door eene even sterke hen omhoog trekkende werking en deze niet zou kunnen bestaan, zoo der menschen geestontwikkeling niet hooger dan die hunner ligchamelijke ontwikkeling stond, en door hoogere eischen van het zedelijke en maatschappelijke leven, die geestelijke ontwikkeling niet, tegen omlaagtrekking er van door de eischen van het zinnelijke leven, behoed werd [25].
Een trap van beschaving, wegens de terugtrekkende werking der onbewerktuigde aarde voor geene verdere verhooging vatbaar, zal, wegens de op blz. 71 gemelde oorzaak, bij sterfelijke wezens niet zulk eene hoogte kunnen bereiken als bij ligchamelijk onsterfelijke. Die beschaving, door den eenen mensch in dit en door den anderen in andere opzigten opgedreven, zal eischen stellen voor het zedelijke en maatschappelijke leven, waaraan de menschen, wegens den korten duur van hun leven, nog minder zullen voldoen, dan zoo zij steeds op deze aarde bleven voortleven, aan den eenigzins hoogeren trap van beschaving, die dan bereikbaar zou worden.
In dit laatste geval zou toch die beschaving het werk zijn van de alsdan levende menschen, terwijl tot de werkelijk op deze aarde bestaande beschaving de vroegere generatiën bijgedragen hebben, zoodat zij voor elke volgende iets nieuws is.
De korte duur van ons leven maakt aldus dat wij in denzelfden tijd, om even goed te voldoen, in geestontwikkeling sneller moeten toenemen, dat wij dit wel eenigzins sneller doen, doch niet in zulk eene mate dat wij even goed voldoen als bij langer leven, dat onze taak zwaarder dan in dit laatste geval is en dat, wegens dien gevorderden snelleren aanwas in geestontwikkeling, de eischen van het zinnelijke leven meer ten achteren staan bij die van het maatschappelijke en zedelijke leven, zie blz. 71.
Het maatschappelijke verkeer maakt niet slechts, door die beschaving een hoogeren trap te doen bereiken en aldus het doel verder te stellen, dat wij onze geestontwikkeling sterker moeten vergrooten, maar tevens door het onderwijs, dat wij geholpen worden om nog sterker in geestontwikkeling toe te nemen.
Deze zou men kunnen vergelijken met een kapitaal, dat gedurende zekeren tijd van af circa nul gemiddeld vertragende toeneemt en alsdan renten afwerpt. Het totale bedrag hiervan is vergelijkbaar met de baten die iemands geestontwikkeling aan anderen verschaft, en zal, betrekkelijk het kapitaal, op het oogenblik dat dit ophoudt met renten af te werpen, meer bedragen naar gelang die renteafwerping langer duurt. Men kan zich nu voorstellen dat de inspanning, gevorderd voor de vergrooting van zulk een kapitaal, grooter is dan het nut door het totaal die renten voortgebragt.
Zoo echter dit totaal minder misbaar is, naar gelang die rente kleiner is, zal, na zekere vertraging bij de vergrooting van het kapitaal, het nut, door het totaal der kleinere renten voortgebragt, gelijk worden aan de inspanning gevorderd voor die mindere vergrooting van het kapitaal. Dit nu is vergelijkbaar met de grootere behoefte voor de leden eener maatschappij, wier zedelijke eischen tot zekere hoogte opgedreven zijn, om van de geestelijke ontwikkeling hunner medeleden te profiteren, naarmate zij zulks minder doen, of anders gezegd met de grootere behoefte aan het goede, naarmate het gebrek hiervan grooter is.
Wordt daarentegen het totaal der renten niet minder misbaar, naarmate het minder bedraagt, hetgeen te vergelijken is met het op blz. 90 gemelde geval, dat de eischen der beschaving van de maatschappij tegelijk met geestelijke ontwikkeling van derzelver leden verminderen, zoo is er geene reden waarom, na het ophouden der renteafwerping, gedurig zulke kapitalen verloren moeten gaan, en gedurig nieuwe van meet af aan vergaard moeten worden, zie blz. 85.
Schoonheid bestaat evenzeer als deugd in geschiktheid, doch, terwijl men iets deugdelijk noemt, wanneer het zekere geschiktheid bezit voor de omstandigheden waarin het verkeert, zoo noemt men daarentegen iets schoon, wanneer deszelfs deelen voor elkander geschikt zijn. Voor volmaakte deugdelijkheid wordt wel is waar dit laatste ook gevorderd, doch bij zekeren graad er van, kan van iets de geschiktheid der deelen voor elkander nog al te wenschen overlaten.
Verschillende typen van diervormen vinden wij bijv., wegens de juiste harmonie der deelen, schoon, maar daar onder behoort niet de vorm der miereneters, niettegenstaande de organisatie dezer dieren geschikt is voor het vangen en opslurpen van mieren.
Dit is evenzeer het geval op zedelijk gebied. Men zegt bijv. dat een deugdzaam mensch eene schoone ziel bezit, doch het komt ons voor dat het beter is te stellen dat eene schoone ziel zulk eene is, wier eigenschappen goed met elkander overeenstemmen en voor elkander geschikt zijn. De geniüs van het kwaad, zooals Milton die geschilderd heeft, kan bijv. kwalijk de bewondering opwekken als door zekere harmonie bij zijn zedelijken aard, die wij vermeenen morele schoonheid te moeten noemen.
De werking der traagheid bij veranderlijke en dus ook bij naar de hoogte strevende wezens, moet, zooals op blz. 53 gezegd is, de harmonie en geschiktheid voor elkander bij de deelen dier wezens verbreken en deze noodwendig leelijk maken. De aap, naar het ligchaam half mensch half dier, het vogelbekdier, van vogel tot zoogdier opklimmende, een wilde met vederen op het hoofd, een knods in de hand en een pantalon met souspieds aan de beenen, kwetsen evenzeer het schoonheidsgevoel als iemand, binnen eene beschaafde maatschappij handelende, zooals dit bij de wilde stammen gebruikelijk is, het zedelijk gevoel kwetst.
Men dient wel onderscheid te maken tusschen het schoone, of de innerlijke harmonie van iets, het goede, of de geschiktheid van iets voor hetgeen waarmede het in verband is, en de verhevenheid, of het behooren van iets bij hoogere phasen van bestaan.
Zoo noemen wij bijv. eene uitmuntende geteekende mestvaalt, waarin een varken wroet, eene goede, maar geene schoone en nog veel minder eene teekening van verheven genre. De getrouwheid der afbeelding geeft deze zekere geschiktheid voor ons en maakt haar aldus goed, doch eene verzameling van allerlei vuil en heterogene vodden kan kwalijk gezegd worden innerlijk harmonisch te zijn, terwijl het wroetende varken naar het grove dierlijke terugtrekt.
Wegens op blz. 64 gemelde de werking der traagheid binnen onze veranderlijke wereld, kan evenmin iets innerlijk volmaakt harmonisch zijn als precies passen voor alles waarmede het in verband komt. Bij het eene kan het eerste en bij iets anders het laatste meer het geval zijn en volmaakter zal iets zijn naarmate deugd en schoonheid beide in hoogere mate er in vereenigd zijn.
Het streven naar de hoogte van Natuur en Maatschappij maakt verder dat het schoone en goede in hoogere phasen van bestaan komen. Zoo staat bijv. de schoonheid van een insect lager dan die van een vogel, die van eene mosplant lager dan die van eene roos, die van een vogel lager dan die van een mensch, die van de kleeding en hut eener negerin lager dan die van het gewaad en woning eener beschaafde dame, niettegenstaande in elk dier gevallen de betrekkelijke schoonheid even groot kan zijn. Evenzoo is het met de deugd van zaken gelegen. Die van een spoorweg staat bijv. hooger dan die van een straatweg, die van een schietgeweer hooger dan die van een boog, die van ons burgerlijk wetboek hooger dan de burgerlijke gebruiken der Maories, die van eene fotografie hooger dan die eener silhouette, die van een gekleurd en met haren en nagemaakte oogen voorzien wassen beeld, hooger die van een bronzen beeld, niettegenstaande met betrekking tot hetgeen waarmede zij in verband zijn, elk dier zaken even goed kan voldoen.