Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 3

Chapter 33,535 wordsPublic domain

Een geoefende timmermansknecht zal baas worden, maar hiervoor de noodige kennis en kapitaal missende, in zijne nieuwe positie meer bekrompen moeten leven dan in de vorige en misschien zelfs van het huwelijk moeten afzien. Stelt men nu, dat al de kinderen van zulk soort bazen insgelijks bazen worden en dat de kinderen van hen, die knecht gebleven zijn, knechten worden, hoe kunnen dan bij gene de geboorten de sterfgevallen en bij deze laatste de sterfgevallen de geboorten overtreffen? Zoo iets zou niettemin noodig zijn, om uit eene generatie, uit enkel knechten bestaande, andere generatiën te doen voortspruiten steeds en meer en meer en eindelijk uitsluitend uit bazen zamengesteld, zoo er geen drang naar het hooge bij de menschen bestond.

Evenmin zal nu een zeehond, de levenswijze van een otter trachtende aan te nemen en in organisatie wat tot die van zulk een dier naderende, het beter hebben en meer jongen verkrijgen dan zijne makkers, welke bij hunne oude gewoonten gebleven zijn. De verhooging der organisatie der dieren door de Natuurkeus veronderstelt echter zoo iets en kan aldus niet bestaan.

Naar ons inzien heeft die verhooging plaats gehad, op eene wijze, in hoofdzaak overeenkomende met de hypothese door den schrijver der Natuurlijke geschiedenis der schepping op blz. 62 en volgende van het vervolg van zijn werk voorgesteld.

Gesteld dat de hoogten van organisatie der verschillende thans bestaande diersoorten aangeduid worden door de lengten der loodlijnen onder de horizontale lijn a van vorenstaande figuur, en dat, voor de aanduiding dier hoogte, elke diersoort hare bepaalde loodlijn bezit en wel eene meer naar den linkerkant, naarmate op hetzelfde oogenblik die diersoort eene hoogere organisatie bezit, betrekkelijk die der anderen. Zoo nu, tijdens het geologische tijdvak, waarin het organische leven op deze aarde begonnen is noemenswaardig te worden, al de diersoorten, zoo ligchamelijk als geestelijk, uiterst, weinig ontwikkeld waren, maar in geestelijken aanleg verschilden, zullen die van grooteren aanleg, zoowel ligchamelijk als geestelijk, sneller dan die van minderen aanleg voorwaarts gegaan zijn en aldus de loodlijnen, derzelver ligchamelijke ontwikkeling bij vorenstaande fig. aanduidende, meer links dan die van die diersoorten van lageren aanleg gelegen zijn. De loodlijnen, begrepen tusschen de horizontale a en de schuine lijn b, zullen dan de hoogten, welke de ontwikkeling der organisatie der verschillende diersoorten op een gegeven tijdstip bereikt hebben, aangeven.

Zij, welke zich dan het meeste ontwikkeld hebben, zullen klaarblijkelijk achtervolgens de meeste veranderingen hebben ondergaan en het meeste aantal keeren schijnbaar uitgestorven zijn.

Op blz. 22 hebben wij gezegd dat, naarmate die soorten sneller in organisatie veranderen, deze gemiddeld minder geschikt voor de omstandigheden, waarin die diersoorten verkeeren, zal zijn. Van daar dat, gedurende zulke snelle veranderingen, diersoorten, of somtijds werkelijk uitsterven, of althans minder individuen tellen dan wanneer de verandering van derzelver organisatie trager is. Van daar welligt het gemis aan overgangsvormen tusschen de gedurende den voorhistorischen tijd bestaande diersoorten, waarvan de schaarsche overblijfselen voor den dag gekomen zijn. Van elk dezer soorten is de stamboom te vergelijken met eene rivier, een snelleren stroom bezittende, naarmate derzelver bedding kleiner is. De grootte dezer komt dan overeen met het aantal individuen eener diersoort en de stroomsnelheid met de snelheid waarmede de organisatie te dier soort verandert.

Op een later tijdstip dan het bovengemelde zullen de loodlijnen, tusschen de horizontaal a en de schuine lijn b' begrepen, de hoogten, welke de organisatie der verschillende alsdan bestaande diersoorten bereikt hebben, aanduiden, en, wanneer eenmaal de aard en beperktheid onzer planeet de verdere verhooging der alsdan aanzienlijk geworden ontwikkeling der diersoorten steeds sterker zal tegenwerken, de tijdvakken, gedurende welke eene soort een zeker bedrag in organisatie en geestontwikkeling klimt, al grooter en grooter worden.

Veronderstellende dat bij het punt b' de meest beschaafde hedendaagsche Europeanen staan, zoo zullen zeer digt links van het snijpunt der lijnen b' en a de thans bestaande infusiediertjes staan en al de andere diersoorten, gerangschikt naar hare hoogte, van geestelijke ontwikkeling, tusschen dit snijpunt en het punt b' verondersteld moeten worden te staan.

Een dier diersoorten zal nu staan bij het punt waar eene horizontale lijn, uit het punt b getrokken, de schuine lijn b' snijdt en deze soort bij minderen geestelijken aanleg, thans even sterk ligchamelijk en geestelijk ontwikkeld zijn als de bij het punt b staande voorouders der beschaafde volken van Europa in een uiterst ver verleden.

Klaarblijkelijk heeft de ontwikkeling der diersoorten op eene meer zamengestelde wijze plaats gehad dan hierboven aangegeven is. Zoo kunnen bijv. accidentele oorzaken gemaakt hebben, dat eene diersoort tijdelijk trager in ontwikkeling is toegenomen dan eene andere van wat minderen aanleg, en alzoo tijdelijk lager dan deze in geestelijke ontwikkeling heeft gestaan. Iets dergelijks ontwaart men ook in de geschiedenis der volken. De Chinezen bijv. bezitten klaarblijkelijk minder aanleg dan de Duitschers, en niettemin waren zij voor achttien eeuwen beschaafder dan de Germanen. Deze hebben echter de Chinezen veel meer dan ingehaald, en het schijnt dat de geestelijke aanleg dezer laatste hunne beschaving thans weinig verder vermag te voeren, iets dat in de verre toekomst ook voor de Europeanen het geval zal worden, wegens de op blz. 31 gemelde die vergrooting in beschaving tegenstrevende invloed der woonplaats der menschelijke ligchamen.

Buitendien zullen de bij de diersoorten van hoogeren aanleg als ware sterker gegroeide stamboomen, door de bovengemelde loodlijnen van fig. blz. 29 aangeduid, zich vertakt hebben en wel in meer takken, naarmate het verschil in ontwikkeling tusschen de gelijktijdig bestaande diersoorten grooter werd, omdat toen de verscheidenheid der door de aardkorst opgeleverde levensomstandigheden zulks ook werd.

Somtijds zelfs zullen de stam, of eenige der takken uitgestorven zijn, somtijds de naburige takken van stamboomen meer of minder te zamen gegroeid zijn. Iets dergelijks ontwaart men ook bij menschenrassen. Deze zenden vertakkingen uit, zooals bijv. de Engelschen, waaruit de Amerikanen, de Nederlanders, waaruit de Kaapsche boeren voortgesproten zijn, en ook vermengen zij zich geheel, of gedeeltelijk met elkander, zooals bijv. de Angelsaxen met de Celtische Schotten, de Franken met de Galliërs enz. De lage stand der geestontwikkeling der dieren betrekkelijk die der menschen, maakt echter dat, bij gene naburige soorten slechts door onderlinge paring eigenaardigheden van elkander kunnen overnemen, terwijl bij de menschenrassen dit ook door het maatschappelijke verkeer kan geschieden.

Slechts indirect en wel door strijd kan de eene diersoort de andere in geestontwikkeling doen toenemen, terwijl, wegens de zamenwerking der menschen en van deze en de tamme dieren, dit ook bij hen door onderwijs kan geschieden. Voorts bezitten de dieren niet zoo als de menschen de middelen, om door kunst voor zich de verschillen in klimaat, bodemgesteldheid enz. minder te doen worden, en (zie blz. 26) ten gevolge hiervan, hier en elders meer op elkander te gaan gelijken. Naarmate echter de geestontwikkeling eener diersoort hooger staat, is derzelver organisatie minder gevoelig voor verschillen in levensomstandigheden, of liever geschikter voor eene grootere verscheidenheid hiervan en is, evenals bij volken van hoogere beschaving, het leven bij zulk eene diersoort meer gevarieerd.

De op blz. 30 gemelde hypothese wordt door de paleontologie bevestigd, daar deze toch leert, dat, hoe ouder de sedimentaire lagen zijn, hoe lager de hoogst ontwikkelde dieren zijn wier overblijfselen zij bevatten, alsmede dat van twee opvolgende sedimentaire lagen de lagere dier vormen in ontwikkeling minder dan de hoogere verschillen. Bij fig. blz. 29 wordt dit laatste aangeduid door het kleiner zijn der verticale distantiën tusschen de schuine lijnen b en b', naarmate men de snijpunten dier lijnen met de horizontaal a nadert.

Het is mogelijk, dat thans bestaande diersoorten in enkele gevallen toevallig zoo gelijken op er mede in ontwikkeling gelijkstaande fossile soorten van hoogere en aldus individuen van meer aanleg bezittende stamboomen, dat men hen voor dieren van zeer naverwante soorten aanziet. Evenzoo waande eene Engelsche touriste, bij het zien der Fellahs van Opper-Egypte, zich in de tijden der aartsvaders verplaatst en aldus de voorouders der thans, wegens hun grooten aanleg, zoo beschaafde Israëlieten te ontmoeten. Even als de thans bestaande diersoorten eene reeks vormen van af de laagst staande infusiediertjes tot de Frankrijk, Duitschland en Engeland bewonende menschen, zoo ontwaart men thans op onze aarde volken op allerlei trappen van beschaving staande en in geestelijken aanleg nog al verschillende, zooals de wilden van Zuid-Australië, de Maories, de Ashantijnen, de Kabijlen, de Japanezen, de Columbianen, de Russen en eindelijk de Franschen.

Eene eeuw geleden stonden deze laatste minder hoog in beschaving dan thans en evenaarden zij hierin de Russen van heden. Even als thans in Rusland, was toen in Frankrijk de lage volksklasse in onwetendheid gedompeld, de burgerij in snelle opkomst en de adel nog bevoorregt.

Tijdens de bloedige burgeroorlogen der Ligue waren de Franschen nog minder beschaafd dan gedurende de vorige eeuw en in beschaving evenaarde zij de thans bestaande en in bloedige twisten gedompelde Columbianen.

Tijdens den bloei van het leenstelsel en de zamenspanningen der leenmannen tegen de koningen was de beschaving der Franschen nog lager dan tijdens de Ligue en kon zij met die der Japanezen van heden gelijkgesteld worden.

Ten tijde van Cesar was de beschaving der Galliërs niet hooger dan die der hedendaagsche Arabieren van Algerië en vervulde Vincengetorix, de kampioen der nationaliteit in den krijg tegen de beschaving, eene rol, veel op die door Abdelkader gespeeld, gelijkende. Bij de oudere Galliërs deden de Druïden ter eere der Goden binnen teenenpoppen menschen verbranden, en thans ziet men de Ashantijnen menschen offeren ter eere hunner goden en overleden vorsten.

Gaat men nog verder terug, zoo ontmoet men digt bij Frankrijk de ruïnen der meerdorpen, namelijk die der woningen van een volk dat, even als thans de Maories, sterkten bouwde, stoffen weefde en onbekend was met het gebruik der metalen, even als thans de Maories nog zouden zijn, zoo er geen Europeanen op hunne eilanden geland waren.

Eindelijk in Frankrijk een laatsten terugtred doende, zoo ontmoet men aldaar de tijdgenoten van den mammouth en van den holenbeer, namelijk een volk wiens beschaving wel niet hooger dan die der thans minst ontwikkelde stammen van Australië gesteld kan worden.

Bij volken van minder geestelijken aanleg ontbreekt de toename in beschaving door eigen ontwikkeling niet. Toen bijv. de hooger in aanleg dan de oude Mexicanen zijnde Spanjaarden onder Cortes in Mexico kwamen, waren zij gedurende de toen laatst verloopen eeuwen meer in beschaving dan de Mexicanen toegenomen, doch de oorkonden dezer laatste maakten melding van hervormers en van het ontstaan van vrij groote rijken aldus van toename in beschaving.

Constante oorzaken van verschil in zeden, godsdienst wetenschap, moraal en uitzigt der menschen zijn den trap van geestontwikkeling of beschaving, de grond en luchtgesteldheid en den volksaard. Accidentele omstandigheden maken echter, dat, even als bij de diersoorten, (zie blz. 22), die onderscheidene zaken bij de volken meer uiteenloopen, dan ten gevolge dier verschillende constante oorzaken, even als bijv. bij personen van denzelfden leeftijd, beroep en woonplaats, de wijze waarop zij gekleed gaan, zoo zij zich niet op de voor hen doelmatigste wijze kleeden, maar onafhankelijk van elkander ook hunne grillen en individuele opvattingen van schoonheid raadplegen. [5] Wel tracht de op blz. 20 gemelde tot geschiktwording leidende oorzaak, die onderscheidene zaken zoo doelmatig mogelijk voor de volken, met inachtneming van derzelver stand van beschaving, karakter en landsklimaat te doen worden, doch gedurig worden zij hierin door op nieuw ontstaande accidentele omstandigheden gestoord. Dit een en ander maakt nu, dat er tusschen eenig thans bestaand volk, en de op een even hoogen trap van ontwikkeling als dit staande voorzaten van een thans beschaafder volk zekere gelijkenis, maar tegelijk ook zeker verschil bestaat, waarvoor men bijv. de Galliërs met de Kabijlen van heden kan vergelijken. Evenzoo zullen de thans bestaande grootste apensoorten tegelijk gelijken op en verschillen met de voorouders der Europeanen, toen deze op den trap van geestontwikkeling dier hedendaagsche apen stonden.

In elke maatschappij bestaan er voor menschen, op dezelfde hoogte van geestontwikkeling staande, verschillende geschikte werkkringen, terwijl er beroepen bestaan voor de meest en anderen voor de minst beschaafde leden van een zelfde volk geschikt.

Gesteld nu dat leden van een zeer onbeschaafd volk beroepen kiezen, dat de meest ontwikkelde onder hen krijgsman en priester en de minst ontwikkelde landbouwer en lastdrager worden: voorts, dat die beroepen erfelijk zijn en eindelijk, dat zulk een volk van lieverlede in beschaving klimt tot die thans in Nederland bestaande, wat zal er dan plaats hebben?

De met dierenvellen omhangen en met knods en werpspies gewapende krijgslieden van voorheen verkrijgen tot nakomelingen soldaten in laken gekleed en met achterladers gewapend. De met amuletten omhangen priesters herkennen hun toga en bef dragende nakomelingen niet. Van den in eene uit boomtakken zamengestelde hut wonende en met een ruw steenen werktuig den bodem omwroetende landbouwer van voorheen, bewonen de nazaten hofsteden en wordt door hen de voor den ploeg gespannen paarden gemend, terwijl van den naakten lastdrager de nakomelingen gekleed zijn, handwagens voortduwen, of wel als koetsier fungeren. Buitendien zijn de beroepen in aantal vermeerderd, de onbeschaafde krijgsman van voorheen bezit tot nakomelingen infanteristen, artilleristen, mineurs enz.; van de fetische priesters stammen af professoren in de theologie, aalmoezeniers en monniken, de primitieve landman bezit tot nazaten wijngaardeniers, bouw- en weiboeren en de lastdrager van voorheen, koetsiers, fabriekarbeiders, matrozen enz. Een hiermede vergelijkbaar, maar veel grooter verschil bestaat er nu tusschen de thans bestaande diersoorten en de alleroudste uiterst weinig ontwikkelde stichters hunner stamboomen. De wijzen waarop de dieren hun voedsel magtig worden, kunnen namelijk met de beroepen der menschen vergeleken worden.

Zeer verschillende wijzen van voeding kunnen van dieren evenveel geestontwikkeling vorderen, doch dit is volstrekt niet altijd het geval. Meer geestontwikkeling wordt er bijv. vereischt bij dieren, welke moeten klauteren, om vruchten en noten te plukken, dan bij die zich met gras en kruiden voedende, meer, wanneer zij vleesch moeten eten en aldus vlugtende en zich verbergende prooijen moeten vangen, dan wanneer zij slechts naar plantenvoedsel te zoeken hebben, meer, wanneer hunne prooijen grooter zijn en dus schaarser voorkomen, dan, wanneer deze uit overal fladderende insecten bestaan, meer, wanneer zij, vleeschetende zijnde, het land, dan wanneer zij de zee bewonen enz.

De primitieve op blz. 30 gemelde uiterst weinig ontwikkelde diersoorten kunnen nu verschillende wijzen van voeding en alzoo ook van leven (natuurlijk veel minder van elkander verschillende, dan die der heden bestaande diersoorten) aangenomen hebben. Van die primitieve diersoorten kunnen er nu twee zeer weinig in aanleg verschild hebben en de eene plant- en de tweede vleeschetende geworden zijn, echter met dien verstande, dat de laatste slechts gemakkelijk te vangen prooijen te bemagtigen had.

Van elk tijdperk moeten echter de hoogst ontwikkelde diersoorten doorgaans de krachtigste en best gewapende diersoorten van dit tijdperk geweest zijn.

Zoo nu elk dier primitieve diersoorten derzelver wijze van voeding op hare nakomelingen overgedragen heeft, deze weder op de hare enz. tot op heden, zoo is het gemakkelijk te begrijpen, dat hare zoo veel meer dan zij ontwikkelde nazaten, een veel minder dan voorheen uniformen bodem bewonende, veel meer dan zij van elkander in organisatie en wijze van leven moeten verschillen.

Aan de thans bestaande roofdiersoorten staan die van het katten en hondengeslacht hooger dan de insectenetende zoogdiersoorten alsmede dan de gras en kruidenetende diersoorten, doch dat zij hooger staan dan de verschillende op boomen klauterende en noten bolsterende apensoorten is zeer twijfelachtig.

Dieren, in gedaante en levenswijze veel verschillende, kunnen in aanleg en geestelijke ontwikkeling zulks veel minder doen dan met andere dieren, waarmede zij in uitzigt meer overeenkomen. Olifanten moeten bijv. in geestontwikkeling minder met honden dan met rinocerossen verschillen. Die laatste dieren leven toch niet zooals de eerste gezellig bij elkander, en buitendien zijn zij ontembaar en bezitten zij niet de geestontwikkeling voor het gebruik maken van een langen snuit gevorderd wordende.

Voor de diersoorten van hetzelfde geslacht kunnen de voorouders hun bloed eenigzins met elkander vermengd hebben, en, zoo zij van eene enkele soort afstammen, moet deze nog al lager dan hen gestaan en betrekkelijk zeer veel vroeger dan hen bestaan hebben.

Zoo bijv. de verschillende soorten van het kattengeslacht afgestamd zijn van eene enkele soort van katachtige dieren, moeten deze, in eene even ontwikkelde en verscheiden natuur als hunne nazaten, geleefd hebben. Het is aldus moeijelijk te verklaren, hoe voor de verschillende groepen dezer, de levensomstandigheden zoo zeer met elkander zijn gaan verschillen, dat, naar aanleiding van hetgeen op blz. 9 gezegd is, elk dier groepen zoo in soortkenmerken van de andere moest gaan verschillen, dat de lust tot paring met deze verdween [6]. Zoo echter die gemeenschappelijke stamvaders der katachtige dieren ver achterwaarts van hen staande zeedieren geweest zijn, laat zoo iets zich beter verklaren, doch het is de vraag, of de geslachtkenmerken eener diersoort niet geheel onafhankelijk van den invloed der andere soorten van ditzelfde geslacht, door de op blz. 7 gemelde neiging tot geschiktwording voor gelijksoortige levensomstandigheden, in verschillende landen kunnen ontstaan.

De noodzakelijkheid om bijv. in streken, sterk door groote plantetende dieren bewoond en aldus in het bezit eener weelderige vegetatie zijnde, hunne prooijen in eene hinderlaag af te wachten en hen te bespringen, kan dezelfde geslachtkenmerken gegeven hebben aan de leeuwen in Afrika, aan de gestreepte tijgers in Azië, en aan de jaguars in Z.-Amerika. Dezelfde strijdwijze heeft bijv. aan de tirailleurs der verschillende legers vrij gelijksoortige uitrusting en bewapening doen geven, zonder dat het eene leger daarvoor het voorbeeld van het andere noodig had. De ondervinding, door elk leger opgedaan, was hiervoor voldoende.

De onjuistheid onzer laatste stelling zou alleen aangetoond worden, zoo bijv. onder de geslachtkenmerken der katachtige diersoorten er gebreken voorkwamen, door accidentele oorzaken ontstaan, door overerving voortgeplant en door de meergemelde oorzaak van geschiktwording van lieverlede uitgeroeid wordende. Zulke gebreken kunnen aan elke diersoort van een geslacht moeielijk anders dan bij het bestaan van bloedverwantschap tusschen hen medegedeeld zijn, even als bijv. het bezit van beerenmutsen door tirailleurs van verschillende legers moeijelijk anders dan door navolging te verklaren is.

Zoo daarentegen de diersoorten van een geslacht, door in ontwikkeling toe te nemen, eene gemeenschappelijke vroegere wijze van leven voor eene nieuwe vaarwel gezegd hebben, kunnen zij, wegens de werking der traagheid, allen nog eene zelfde eigenaardigheid, goed voor die vorige, maar ondoelmatig voor die nieuwe wijze van bestaan, bezitten. Zulke veranderde eigenaardigheden (zooals bijv. de zwemvliezen der pooten der nimmer zwemmende fregatvogels) vormen alsdan gebreken, welke echter veel minder zeker dan de hierboven gemelde op bloedverwantschap tusschen die verschillende diersoorten wijzen. Evenzoo vindt men bijv. in vele legers heden nog kurassiers, ofschoon de thans bestaande vuurwapenen het nut der kurassen hebben doen verdwijnen. Deze bestaan echter, niet doordat de departementen van oorlog van verschillende staten eene gril eener hunner nagevolgd hebben, maar wel, doordat allen te traag geweest zijn, om het vroeger wel, maar thans niet meer doelmatige bij tijds afteschaffen.

Om de op blz. 30 ontwikkelde hypothese te bewijzen, zouden de geraamten van althans eenige leden van elk der vroegere generatien van elken stamboom opgedolven moeten worden en men, bij die stamboomen steeds achterwaarts gaande, gemiddeld tot steeds lagere, maar in wijze van voeding eenigzins met elkander overeenkomende diervormen moeten komen. [7] Om het onmogelijke, vooral voor de overblijfselen van landdieren, hiervan na te gaan, behoeft men slechts te bedenken, dat van die dieren het verrotten der beenderen slechts kan worden belet, wanneer hunne lijken overdekt worden met veen, vulcanische asch, opgestoven zand, of in holen nederploffende kalk en wanneer zij door beken of rivieren naar opslibbende, of verzandende meeren, of zeevakken gevoerd worden.

Wij hebben zooeven gesproken van gemiddelde verlaging, daar bij uitzondering de latere generatien eener diersoort eene lagere organisatie dan derzelver voorouders kunnen verkrijgen. De Schrijver der Sporen der Natuurlijke geschiedenis der schepping, stelt bijv. dat de nazaten van althans sommige der groote landhagedissen van het secundaire tijdvak gedurende het tertiaire tijdvak de slangenvorm aangenomen hebben.

Nu kan het zijn dat, toen de magtige landzoogdieren en landvogels in groote hoeveelheden optraden, het land als ware door twee legers veroverd geworden is en dat hierdoor die landhagedissen tot binnen holen en digt struikgewas terug gedrongen en in aantal vermindert zijn.

De drang tot geschikt wording voor nieuwe en lagere levensomstandigheden kan toen laatstgemelde dieren sterker achter, dan die tot het hoogere voorwaarts hebben doen gaan, zoodat eene resulterende verlaging en voor de nieuwe levenswijze der dieren betrekkelijke verbetering hunner organisatie later op die terugdringing gevolgd is en het cijfer der geboorte weder op dat der sterfgevallen gebragt heeft, zie blz. 12.

Iets hiermede vergelijkbaar wordt ook bij den strijd tusschen de volken waargenomen.

Verovert bijv. een dezer het grondgebied van eenig ander volk en dringt het dit terug tot binnen woeste bergstreken, zoo zal laatstgemeld volk, om zich in zijne nieuwe positie beter te handhaven en er voor geschikt te worden, op een lager standpunt van beschaving dan vroeger moeten gaan staan, en, in plaats van te leven van landbouw en handel, zulks grootendeels van stroopen moeten gaan doen. In zulk een geval kunnen bijv. de Montenegrijnen, na den inval der Turken in het Illyrische schiereiland, verkeerd hebben. Thans echter kan die drang tot geschiktworden voor zekeren toestand bij hen weder zwakker dan die tot verhooging geworden zijn en zij aldus, na een tijdelijke achteruitgang, thans weder in beschaving stijgen.

Wanneer een volk een ander, of leden daarvan, op gelijken trap van beschaving als dit eerste volk staande, gaat overheerschen, zooals bijv. plaats heeft bij volken, hunne krijgsgevangenen tot slavernij veroordeelende, zal de neiging tot geschikt wording voor nieuwe toestanden dit eerste volk in beschaving vooruit en het tweede achteruit doen gaan.