Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 26

Chapter 263,540 wordsPublic domain

De gevolgen van verschijnsels zullen op deze de beide eerste, of de beide laatste der op blz. 338 gemelde uitwerkingen hebben, al naar gelang zij, zie blz. 296 in contact komen en den invloed ondervinden van andere verschijnsels, zoo of tegengesteld zijnde, zooals bijv. het komen der op blz. 338 gemelde handelingen onder den invloed van personen met of zonder oordeel en overleg. De op blz. 307 gemelde gevolgen, dient men, zie blz. 70, steeds met derzelver oorzaken gelijkslachtig te stellen, en aldus in de stoffelijke en geestelijke wereld alsware een uiterst groot aantal zich somtijds vertakkende, somtijds ophoudende reeksen van gelijkslachtige, uit elkander voortspruitende verschijnsels aan te nemen. Van ongelijkslachtige oorzaken en gevolgen kan er eigenlijk geen sprake zijn, doch wel kan het contact met andere er niet gelijkslachtig mede zijnde zaken, deze laatste wijzigen, waardoor de gelijkslachtige gevolgen hiervan anders worden, zie blz. 296 en 299. Vandaar is het op blz. 302 gezegde, dat ligchaamsbewegingen gevolgen van geestelijken aard kunnen opwekken, niet naauwkeurig. Van die bewegingen wijzigt het contact geestelijke werkingen, waardoor deze andere gevolgen, er mede gelijkslachtig en aldus insgelijks van geestelijken aard, opwekken. Zoo zal bijv. van de menschelijke daad, bestaande in het werpen van brandstof in eenen vuurhaard, het contact met de mededeeling der gloeijing van deelen brandstof aan andere deelen, deze mededeeling wijzigen, en hierdoor het hiervan gelijkslachtige gevolg, namelijk de vrijmaking van de latente warmte binnen de zuurstof der lucht bevat door gloeijende brandstof, anders namelijk sterker worden.

De warmteontwikkeling bij het vuur is een gevolg van die vrijmaking dier zuurstofwarmte door gloeijende deelen brandstof, en zou steeds in sterkte toenemen, zoo de werking der wet van geschiktmaking, in reden der sterkte der warmte bij het vuur, die warmte er niet van afvoerde.

De er mede gelijkslachtige oorzaak van het vrijmaken der zuurstofwarmte door gloeijende brandstof, is de mededeeling dier gloeijing van het eene stuk brandstof aan het andere, en deze oorzaak wordt door derzelver gevolg versterkt, zoodat dit in sterkte versnellende zou toenemen, ware het niet, dat zekere werking der wet van geschiktmaking, in de uitbranding der brandstof bestaande, zelfs bij eene onbeperkte hoeveelheid hiervan, die sterkte eindelijk vertragende deed toenemen. De werking der wet der veranderlijkheid doet echter de mededeeling der gloeijing der brandstof als gevolg opwekken het niet meer voorhanden zijn hiervan, terwijl de vrijmaking der zuurstofwarmte door de gloeijende deelen brandstof als gevolg opwekt het blusschen van het vuur, en beide die gevolgen zullen nu werken, zooals in noot blz. 300 gezegd is, namelijk derzelver oorzaken vernietigen [102].

Het werpen van brandstof in het vuur behoort daarentegen tot eene andere reeks van gelijkslachtige oorzaken en gevolgen. Tot oorzaak heeft dit werpen voorafgaande handelingen van den stoker, en tot gevolg zekere het stoken opvolgende handelingen, en wel zal op het stoken het contact van het vuur van invloed kunnen zijn, maar enkel als eene er mede ongelijkslachtige zaak. Die hevigheid van het vuur moet toch niet noodwendig het stoken sterker of zwakker doen worden, zie blz. 297.

De werkingen der wet van geschiktmaking hebben wij niet onder de gevolgen van hiermede gelijkslachtige oorzaken begrepen, omdat die werkingen steeds evenredig blijven met de sterkte der zaken, waardoor zij opgewekt worden, terwijl daarentegen de in werkingen der wet der veranderlijkheid bestaande gevolgen door de er mede gelijkslachtige oorzaken versterkt worden. Eveneens tracht het contact, tusschen ongelijkslachtige, of (zie het voorbeeld van 260) tusschen gelijkslachtige verschijnsels, als oorzaak de er door teweeg gebragte wijzigingen bij die verschijnsels door zijn duur te versterken. Deze somtijds niet ontstaande wijzigingen, werkingen der wet der veranderlijkheid, kunnen beschouwd worden als gevolgen van dit contact en door terugwerking kunnen zij dit verzwakken of versterken. Zoo kan bijv. de verwarming van het ligchaam, door het contact met een vuur, tot gevolg hebben, dat dit ligchaam tot het vuur nadert, of er zich van verwijdert, en aldus dat dit contact grooter of kleiner wordt. De vergrooting dier wijzigingen, ten gevolge, der opwekkende werking van het contact, wordt, even als op blz. 262 gezegd is, vertragende gemaakt door de werking der wet van geschiktmaking. Dit is bijv. het geval, wanneer het gezigt van eenig voorwerp het denken er over versterkt. Allerlei andere opkomende gedachten maken dan, dat zie blz. 117 en 183 die over dit voorwerp na zekeren tijd in sterkte slechts vertragende kan toenemen. Voorts kan de werking der wet der veranderlijkheid maken, dat zulk een gewijzigd wordend verschijnsel in contact komt met een ander, en dat dit laatste contact eene tegengestelde wijziging er bij opwekt, zooals bijv. bij het voorbeeld, zie blz. 341, van het contact van het vuur met iemand, die dit tracht te blusschen. Somtijds kan dan zulk een verschijnsel wijzigingen dan in deze en dan in tegenovergestelde rigting ondergaan, doordat die eerste positieve wijziging alsware het contact noopt negatief te worden, zie blz. 258.

Accidentele omstandigheden ten gevolge van wijzigingen, tot oorzaken het contact van allerlei andere zaken hebbende, zullen echter dergelijke verflaauwende schommelingen verstoren.

Wanneer gevolgen derzelver oorzaken onveranderd laten, of wel versterken, kunnen zij zelve door een gevolg van henzelve vernietigd worden, zonder dat hierdoor die oorzaak aangedaan wordt. Dit is bijv. het geval, wanneer eenige blijvende zaak de menschen leidt tot handelingen, waarmede zij na zekeren tijd wegens eenige rede ophouden. Zoo een gevolg deszelfs oorzaak vernietigt, zonder deze negatief te doen worden, zal, zoo bij dit gevolg de slijtende werking der wet van geschiktmaking niet bestaat, het in grootte steeds vertragende toenemen. Wederkeerige verzwakking, zie blz. 261, kan ontstaan tusschen twee verschijnsels, waarvan het eene tijdens het begin dier wederkeerige verzwakking bestaat en negatief of tegenovergesteld zijnde, als gevolg door het andere zou opgewekt worden onder wederkeerige versterking van gevolg en oorzaak.

Het verschijnsel, dat bij die wederkeerige versterking de oorzaak is, ontstaat bij de wederkeerige verzwakking later dan het andere, en wel op eene wijze tegengesteld aan die, waarop het bij de wederkeerige versterking vernietigd wordt. Dit bijv. geschiedt bij nadering en botsing van twee hemelligchamen bij derzelver aantrekking door de opgewekte afstooting, zie blz. 283, terwijl bij de wederverwijdering dier beide hemelligchamen de aantrekking weder ontstaat door de verdwijning der afstooting. Dit is nu wel is waar een gevolg der sterkte van verwijdering dier beide ligchamen, doch het is klaar, dat deze niet op dezelfde wijze die aantrekking opwekt als verzwakt. Bij wederkeerige versterking eene oorzaak, door derzelver gevolg versterkt, en door eene andere werking van dit gevolg, onder medewerking hiervan met iets anders, vernietigd wordende, zoo zal bij de wederkeerige verzwakking eerstgemeld gevolg negatief zijnde en als verschijnsel bestaande, slechts door medewerking met iets anders die oorzaak opwekken. [103]

De werking der wet van geschiktmaking zal bij zulk eene wederkeerige verzwakking het bovengemelde bestaande verschijnsel en het later opgewekte sneller doen verzwakken, zoo die zelfde werking in het omgekeerde geval de vergrooting, zoo van de oorzaak als van het deze versterkende gevolg verzwakt.

Eene goede omgeving, waakzaamheid en voorzigtigheid kunnen iemands gedrag beter doen worden, en de goede uitkomsten van zulke maatregelen nopen hen te versterken. Later kan echter dit verbeterde gedrag, zamenwerkende met bijv. slechte raadgevingen, die maatregelen overbodig doen achten, en tot vernietiging er van leiden. Het tegenovergestelde verschijnsel van het gevolg dier maatregelen is nu slecht gedrag, en dit als verschijnsel bestaande, kan gepaard met goede raadgevingen, opwekken waakzaamheid, voorzigtige behandeling, het brengen in goede omgeving, enz. Deze zullen klaarblijkelijk op dit slechte gedrag (ook buitendien door de slijtende werking der wet van geschiktmaking van lieverlede vernietigd wordende) eene verzwakkende werking uitoefenen, edoch ook die maatregelen kunnen door den duur van dit slecht gedrag, door eene wegens niet genoegzaam resultaat ontstane moedeloosheid, verzwakt worden, terwijl zij buitendien als iets bijzonders aan zekere slijting onderhevig zijn.

De op blz. 165 gemelde wijzigingen der onregelmatige aantrekkingstrillingen van den ether door het bestaan binnen deze van bijzondere ligchamen, zullen die aantrekkingstrillingen regelmatig doen worden.

Bij de onregelmatige afstootings- of warmtetrillingen van den ether heeft dit insgelijks plaats door het bestaan van bijzondere ligchamen, omdat die trillingen op de van deze ligchamen uitgaande stralen zulk eene wijziging ondergaan, dat zij deels worden transversale trillingen, waarbij het aantal trillingen per seconde even groot is als bij dat der warmtetrillingen dier bijzondere ligchamen. Wanneer die stralen tusschen twee ligchamen, waarvan het eene warmte opslurpt, loopen, zal het aantal dier transversale ethertrillingen gelegen zijn tusschen die bij de warmtetrillingen dier beide ligchamen bestaande. [104] Ook bij deze laatste soort van trillingen bestaat er in zooverre regelmatigheid, dat de temperaturen, gemeten door het aantal der trillingen per seconde, van het eene punt naar het andere min of meer egaal af of toenemen. Dit belet echter niet dat het overgaan in dergelijke warmtetrillingen van bijv. geluidsgolven eene de onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking is. De aantrekking van massas digter dan en onderscheiden van den ether, aldus van iets bijzonders, perst om zich heen gassen te zamen, doet deze condenseren, onder vermindering der banen der warmtetrillingen en verhooging van het aantal dezer per seconde, of anders gezegd onder overgang van latente warmte in vrije warmte. Bij nog sterkere zamenpersing, waarbij de afgifte van vrij geworden warmte voortgaat, kunnen die vochten stollen, en daar nu de onregelmatigheid bevorderende werking der wet van geschiktmaking vochten en ook vaste ligchamen (voor zooverre deze niet verrotten) doet verdampen, en aldus een omgekeerden overgang der stof te weeg brengt, moeten de vochten in het algemeen in een meer bijzonderen toestand dan de gassen en in minder bijzonderen toestand dan de vaste ligchamen verkeeren.

Terwijl dan ook bij de vloeistoffen, wier deelen zeer verschuifbaar zijn, binnen gelijke kubieke ruimten, betrekkelijk weinig moleculen bevattende, het aantal dezer zeer zal verschillen, en daarentegen binnen gelijke kubieke ruimten, zeer veel moleculen bevattende, dit aantal betrekkelijk zeer weinig verschilt, zie blz. 311, moet bij de vaste ligchamen en vooral bij de elastieke, het tegenovergestelde plaats hebben.

Wordt bijv. een elastiek vast ligchaam verticaal ingedrukt, zoo zet het zich in horizontale rigting uit, en moeten in die rigting de aantrekkingen tusschen de zich van elkander verwijderende moleculen grooter dan derzelver afstootingen worden, en het omgekeerde in de verticale rigting plaats hebben. Anders toch zou het ligchaam, na het ophouden der indrukking, deszelfs primitieve gedaante niet weder kunnen hernemen.

Dit nu zal slechts mogelijk zijn, zoo er tijdens de indrukking geene blijvende verschuiving van moleculen plaats heeft, dat weder slechts mogelijk is, zoo de aan elkander grenzende uiterst kleine kubieke ruimten, elk niet veel moleculen bevattende, er ongeveer evenveel inhouden. Dat de kubieke ruimten, elk zeer veel moleculen bevattende, er bij de vaste ligchamen niet evenveel inhouden, hetgeen vooral bij de zeer merkbaar poreuse onder hen het geval is, belet daarentegen dit niet blijvende zijn der onderlinge verschuiving der moleculen niet, mits de moleculen massas, tusschen die porien gelegen, dik genoeg zijn om niet te breken. Bij de stolling van vochten moet er aldus iets plaats hebben, als op blz. 313 gezegd is, namelijk, door het gelijktijdig dringen van veel moleculen naar eene plaats en het zich gelijktijdig verwijderen van andere plaatsen, er eene grootere regelmatigheid ontstaat [105]. Eene soort van veerkracht als die der vaste ligchamen bezitten de vloeistoffen niet, dan voor zooverre zij kleverig zijn, en derzelver moleculen aldus niet volmaakt verschuifbaar zijn. Het niet bevatten van evenveel moleculen door evengroote ruimten, er elk niet veel van inhoudende, moet voorts bij de vochten in verband gebragt worden met de moleculaire warmtetrillingen, bij hen, wegens het bevatten van meer latente warmte, grooter zijnde dan bij de vaste ligchamen.

Bij chemische verbinding heeft er, even als bij stolling en condensatie, overgang van gebondene in vrije warmte plaats, terwijl bij chemische verbinding gemiddeld, ofschoon niet steeds, de stoffen van den gasvorm tot den toestand van vochten of vaste ligchamen gebragt worden. In het algemeen kan dus chemische verbinding beschouwd worden als eene werking der wet der veranderlijkheid in strijd met de onregelmatigheid verwekkende werking der wet der geschiktmaking, zie blz. 251. Het is echter eene primaire werking dier laatste wet, welke, door de stoffen chemisch te ontleden, de ontbondene meer dan de verbinding op de natuur van den ether doet gelijken. Waar er toch chemische verbindingen bestaan, kunnen, terwijl die primaire werking hen tracht te ontleden, secondaire werkingen dier wet, zie blz. 24, er andere stoffen mede in harmonie brengen, door deze chemisch met elkander te verbinden. Een dergelijke secundaire werking is bijv. de verbinding der metalen met de zuurstof, waardoor er met de natuur van de aardkern en van de anorganische aardkorst, alsware in harmonie zijnde chemische verbindingen ontstaan. De scheikundige verwantschap tusschen stoffen is toch niet zoo zeer iets aan deze eigen, dan wel het gevolg der omstandigheden waarin zij zich bevinden. De vochtigheid, de warmte enz. hebben er grooten invloed op, en men kan zich even goed zie blz. 159 een hemelbol van meer etherachtige en chemisch minder zamengestelde natuur dan onze aarde denken, alwaar ijzeroxyde zonder kunstmiddelen, door opneming en binding der warmte van omgevende ligchamen en verbreking der moleculen door de vergrootende warmteafstooting, in ijzer en zuurstof overgaat, alsdat op deze aarde bijv. de planten in water en koolzuur ontleed worden. [106]

Zoo kan het weren van bederf, eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking, namelijk eene met betrekking tot de organische stoffen zelve zijn; terwijl dit bederf zelf eene secondaire werking dier wet is, wegens de disharmonie tusschen de levende organismen en de aarde, zie blz. 94. Tusschen die twee werkingen der wet van geschiktmaking bestaat er nu een strijd, maar waarbij zoo, zie blz. 195, geene werking der wet der veranderlijkheid gedurig nieuwe levende organismen vormde, de tertiaire werking even goed het onderspit zou delven, als de verdediging van een staat, noch op de nationaliteit, noch op de behoeften der ingezetenen gebaseerd, of zie blz. 256 later geschikt kunnende worden, voor de ondermijning van het bestaan van zulk een staat. De drang der vaste stoffen en vochten om te verdampen, zie blz. 316, ontstaat ten gevolge eener primaire werking der wet van geschiktmaking, en secundaire werkingen hiervan met betrekking tot de aarde kunnen een tegenovergesteld effect uitoefenen. Die secundaire werkingen kunnen bijv. gerekend worden hier op aarde alles in harmonie te brengen met den toestand van hare kern en korst, zoo de aarde zeer ver van de zon gelegen was, en tot zulke werkingen behooren dan de gedurige uitstraling door de aarde van opgeslurpte zonnewarmte, het vervoer van warmte van den evenaar naar de polen, enz. De nabijheid der aarde van de zon is toch, zie blz. 161, eene bijzonderheid, die de werking van blz. 163 zal trachten op te heffen, doch er bestaan tertiaire werkingen der wet van geschiktmaking trachtende alles op deze aarde te brengen in harmonie met haren gemiddelden toestand met betrekking tot de zon. Alle afwijkingen hiervan, zoo periodieke als accidentele, zal die tertiaire werking der wet van geschiktmaking trachten te vernietigen. Hierdoor wordt er bijv. van de dag- en zomerzijde der aarde warmte gevoerd naar de nacht- en winterzijde, en hierdoor zullen, wanneer de zonnewarmte veel water heeft doen verdampen, die dampen later condenseren, iets dat niet zou plaats hebben, zoo de aantrekkingskracht der aarde die dampen niet zamenperste, en hen daardoor belette ten gevolge der op blz. 345 gemelde primaire werking der wet van geschiktmaking steeds meer uit te zetten [107].

Electriciteit kan kwalijk als in harmonie met de verdeeling der warmte beschouwd worden, omdat de beide electriciteiten neiging bezitten om elkander te vernietigen onder overgang der elektrieke beweegkracht in warmte zie blz. 251, welke laatste zich dan evenzoo, ten gevolge der werking der wet van geschiktmaking, verspreid, als zekere hoeveelheid wijn, binnen water gestort, zulks doet.

Eene primaire werking van gemelde wet put de snelheid van den wind uit, doch, met betrekking tot de wentelende en aan de zonnewarmte blootgestelde aarde, zal eene secundaire werking dier wet slechts alle afwijkingen van zekere constante hoofdwinden trachten te vernietigen [108]. Evenzoo is het met de zeestroomen gelegen, en men kan aannemen, dat eene tertiaire werking der wet van geschiktmaking alle afwijkingen van constante stroomen met betrekking tot door vaste landen en eilanden afgebroken en ongelijk diepe zeeen vernietigt, terwijl zie blz. 254 eene secundaire werking dier wet, zooals bijv. het afvallen en afschuiven van aardsche voorwerpen, de aardkorst overal met eene zee van gelijke diepte tracht te bedekken.

Dat de werking der wet van geschiktmaking zaken in harmonie met volgens zekere regels veranderende toestanden tracht te brengen, ofschoon alsdan die harmonie steeds onvolmaakt blijft, hiervan is reeds op blz. 233 gesproken. Meer primaire werkingen dier wet zullen echter die regelmatige veranderingen trachten te vernietigen.

Het kenteeken van harmonie bij zaken is het gemis er bij van oorzaken van verandering anders dan die, wegens het zijn dier zaken binnen de veranderlijke wereld, voortspruiten, en onder laatstgemelde oorzaken moeten ook geteld worden die welke de zaken, waarmede gene in verband staan, wijzigen. Gesteld toch, dat er harmonie bij eene zaak bestaat, zoo zal, bij verandering van het verband er van met andere zaken, die harmonie verbroken worden, zooals bijv. die bij de constante zeestroomen bij verandering der kusten.

Men kan zich voorts ook voorstellen, dat er harmonie bestaat bij eene bijzondere zaak afhangende van eene meer algemeene. Verandering bij deze laatste kan dan zelfs maken, dat er van die bijzondere zaak later geene questie meer kan zijn, zooals bijv. van het goed verdeelen van levensmiddelen binnen ingeslotene vestingen na het ontzet dezer. In de werkelijkheid bestaat er slechts een volmaakt harmonischen toestand, namelijk de onveranderlijke en algemeenste veropenbaring der zelfstandigheid door denking en beweging. Bij alle andere meer of minder bijzondere zaken bestaan er echter alsware door het zijn er van geboren werkingen, welke die zaken zoodanig trachten te wijzigen, dat deze in een nieuwen, wegens de gedurige werking van allerlei accidentele oorzaken, nimmer volmaakt bereikt wordenden toestand gekomen zijnde, die er uit voortgesproten werkingen zouden ophouden te bestaan. Deze zijn nu die wij de werkingen der wet van geschiktmaking genaamd hebben. Toestanden, uit met elkander in verband zijnde zaken bestaande, worden er door meer harmonisch gemaakt door wijziging dier verschillende zaken, en wel zoo, dat die het moeijelijkste kunnen gewijzigd worden, of wel het meeste op die toestanden van invloed zijn, door de werking der wet van geschiktmaking het minste gewijzigd worden, zie blz. 265 en 289.

Wanneer oorzaken gevolgen verwekken, welke hen vernietigen, moeten die gevolgen de toestanden, waarvan die oorzaken eenige der met elkander in verband zijnde zaken vormen, meer harmonisch maken, zoo tevens die gevolgen door het bestaan dier toestanden geboren worden, omdat alsdan die oorzaken het karakter van afwijking bezitten. Zoo bijv. omdat het peil der moraliteit bij eene maatschappij grooter is dan die van een slecht mensch, er deel van uitmakende, deze zoodanig wordt behandeld, dat de slechtheid van zijn karakter vernietigd wordt, zal die maatschappij in zedelijkheid meer harmonisch worden, daar dan toch derzelver leden elkander minder door omgang en voorbeeld in moraliteit zullen doen veranderen.

Zoo echter derzelver oorzaken vernietigende gevolgen niet tevens door de zoo even gemelde toestanden geboren worden, behoeven zij de harmonie bij het een of ander niet te bevorderen, en zelfs kunnen dergelijke gevolgen, door in het algemeen verandering te weeg te brengen, de harmonie bij met elkander in verband zijnde zaken verstoren. Terwijl toch die oorzaken hier als ware buiten liggen, kunnen derzelver gevolgen er in grijpen, zie blz. 342. Hetzelfde valt op te merken omtrent gevolgen derzelver oorzaken versterkende, doch, wegens eene bijzondere rede, zullen dergelijke gevolgen de harmonie bij toestanden verstoren, wanneer zij zaken, die, met andere in verband, zulke toestanden vormen, op eene wijze tegengesteld aan die, welke uit dien toestand voortspruit, wijzigen, namelijk wanneer afwijkingen er door versterkt worden. Zoo men bijv. iemand, boven zijne medemenschen in deugd uitstekende, zoodanig beloont, dat hij nog meer boven deze gaat uitsteken, is dit niet tevens het gevolg van de betrekking, waarin zijne zedelijkheid staat tot die zijner medemenschen, maar wel van het niet voldoen dezer aan de eischen van hun zedelijk en maatschappelijk bestaan. Door zulke verheffingen van individuen wordt echter niet de harmonie bij een toestand van zaken bevordert, want op blz. 277 hebben wij gezegd, dat door dit meer harmonisch worden van zulk een toestand, de door het wezen er van geboren werkingen, door zwakker te worden, hen minder zullen trachten te wijzigen. Nu is wel is waar de zedelijkheid der menschen in verband met de eischen van hun zedelijk bestaan, maar tevens met de werking der zinnelijkheid, en de terugtrekkende werking hiervan zal sterker zijn, naarmate de menschen meer aan de eischen van hun zedelijk bestaan voldoen. Eene uit hun wezen, en hetgeen hiermede in verband staat, voortspruitende werking tracht alsdan, in plaats van eene flaauwere, eene sterkere wijziging tot stand te brengen. Op blz. 270 hebben wij wel is waar gezegd, dat bij menschen, aan de eischen van hun maatschappelijk bestaan voldoende, de bij hun geest bestaande ongeschiktheid op een minimum zou zijn, doch hierbij is hun verband met de zinnelijkheid, met het dierlijke egoïsme, zie noot blz. 139, niet in aanmerking genomen. Bij toestanden van met elkander in verband zijnde zaken, waarbij de eene dezer dien toestand zus en andere hem op eene tegengestelde wijze tracht te wijzigen, en waarbij aldus het gemis aan eene er uit voortspruitende werking, hem trachtende te wijzigen, ontstaat, doordat dergelijke werkingen elkander opheffen, bestaat er buitendien slechts in zeker opzigt harmonie. Voor harmonie in alle opzigten zoude geen dier zaken zulk eene den toestand wijzigende werking moeten trachten uit te oefenen.