Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 23

Chapter 233,518 wordsPublic domain

Hetgeen op blz. 176 gezegd is, dat elk verschijnsel bevat zekere bijzonderheden bijv. het bijzondere van eenige daad van een persoon, voorts te gelijk iets meer algemeen, zooals bijv. de uiting van het karakter van dien persoon, in alle dergelijke daden die hij verrigt bevat, voorts nog iets meer algemeen, bijv. de algemeene uiting van den menschelijken aard enz., kan alsware naar beide zijden voortgezet worden, zoodat men naar de eene zijde steeds korter durende eigenaardigheden der verschijnsels ontmoet, terwijl naar de andere zijde, men steeds meer algemeene en langer aanhoudende eigenaardigheden er van te beschouwen heeft, totdat men eindelijk, zie blz. 171, bij het algemeenste, wat op het gebied van denking en beweging bestaat, zou teregt komen. Bij alles wat gebeurd kan men aldus stellen te bestaan bijzonderheden uiterst kort durende, gedurende dien tijd slechts in grootte, maar niet in aard veranderende, en die, voorafgegaan en gevolgd door andere dergelijke bijzonderheden, elk bezitten eene oorzaak die hen voortbrengt en een gevolg dat hen vernietigt, tengevolge der op blz. 257 gemelde werking der wet der veranderlijkheid gepaard met eene zoodanige werking der wet der geschiktmaking, dat de op blz. 259 gemelde schommelingen niet noemenswaardig ontstaan. [87]

Zoo toch dit gevolg die bijzonderheid niet zeer snel na zijn ontstaan vernietigde, maar onveranderd liet of versterkte, zou deze in aard gedurende langeren tijd onveranderd blijvende, en eerst door een ander en trager ontstaand gevolg vernietigd wordende, iets meer algemeen zijn. Dit meer algemeene is nu geen verschijnsel naast een ander meer bijzonder verschijnsel bestaande, maar slechts eene minder veranderlijke eigenaardigheid van hetzelfde verschijnsel, dat te gelijk meer veranderlijke eigenaardigheden bezit. Men kan bijv. niet zeggen dat loopen een verschijnsel is, en dan in deze dan in gene rigting loopen er een ander is, niettegenstaande men van het loopen in elke rigting, hoe kort men dit ook moge doen, de oorzaken en de gevolgen kan nagaan, en deze verschillen van de oorzaken en de gevolgen van het loopen in het algemeen. Dit bijv. kan het gevolg zijn van gemoedsaandoening door ligchaamsbeweging versterkt wordende, zoodat hierbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, totdat een ander gevolg dier ligchaamsbeweging namelijk de vermoeijenis hier vernietigende opwerkt. Die gedurende zekere tijd heftiger wordende ligchaamsbewegingen veranderen echter gedurig van vorm, en, wanneer elk dier verschillende soorten van vorm, op een maximum van intensiteit zijn, zullen de er door opgewekte gevolgen nog in intensiteit toenemen, en, wanneer het aantal dier gevolgen in eenig geval meer dan een bedraagt, slechts het met die soort van eigenaardigheid gelijkslachtige gevolg die eigenaardigheid kunnen vernietigen. Ligchaamsbewegingen kunnen bijv. wegens derzelver aard twee gevolgen opwekken een van physiologischen en een van geestelijken aard, en nu wel het eerste gevolg van het tweede kunnen afhangen, maar het niettemin alleen in staat zijn om den bijzonderen vorm van zulk eene beweging uit te putten, en als oorzaak werkende een anderen vorm van beweging op te wekken. De denking van een lam mensch is bijv. even onvermogend om den vorm zijner ligchaamsbewegingen te wijzigen, als het waarnemen van een zoogenaamd slecht teeken voor het ondernemen eener zaak, om een niet bijgeloovig mensch van zulk eene onderneming te doen afzien. Het verlies van zekere soort van bijzondere eigenaardigheden bij eenig verschijnsel komt op hetzelfde neder als het er steeds bij bestaan van het gemiddelde dier bijzondere eigenaardigheden. Van eenig voorwerp kan het bijv. eene veranderlijke bijzonderheid zijn, dat het in kleur varieert, zonder dat het gemiddeld de eene kleur van den regenboog meer dan eene der andere vertoont. Het gemiddelde dier kleuren zal grijs zijn, en klaarblijkelijk een voorwerp, dat die bijzondere eigenaardigheid van dan zus en dan zoo gekleurd te zijn verliest, zich steeds grijs moeten vertoonen. Op blz. 255 hebben wij gezegd, dat de werking der wet van geschiktmaking afwijkingen van gemiddelden tracht te vernietigen, en op blz. 256 dat zij het veranderlijke van toestanden tracht te doen verdwijnen. Waar nu komt dit laatste op neder: Op het vernietigen van veranderlijke bijzondere eigenaardigheden bij zaken, zoodat hierbij slechts meer algemeene en te gelijk minder veranderlijke eigenaardigheden overschieten. Zulke gemiddelden, afwijkingen zijnde van andere meer algemeene en nog minder veranderlijke gemiddelden, zoo zal de werking der wet van geschiktmaking ook deze afwijkingen trachten te vernietigen, hetgeen hierop neder komt, dat zij meer algemeene eigenaardigheden van verschijnsels tracht weg te nemen, om deze slechts nog algemeener en nog minder veranderlijke eigenaardigheden over te laten enz. totdat, bij het niet bestaan der werkingen der wet der veranderlijkheid, zooals op blz. 257 gezegd is, eerstgemelde werking eindelijk zou leiden tot het slechts laten bij de verschijnsels van het absoluut onveranderlijke en algemeenste bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging. Die werking der wet van geschiktmaking tracht bijv. zie blz. 255 de menschen op een gemiddelden trap van zedelijkheid te brengen, en aldus zoodanig te doen worden, dat er van hunne moraliteit niets bijzonders te zeggen valt, en dat, ofschoon te veel aan te lage hartstogten toegevende en beneden de eischen van hun leven blijvende, zij niettemin noch gierig, noch mild, noch hoogmoedig, noch nederig, noch geduldig, noch ongeduldig, noch vlijtig, noch lui kunnen genaamd worden, en aldus bijzondere eigenaardigheden verliezen.

Een beschonken mensch, van eene naar eenige andere plaats willende gaan, wijkt, door te zwaaijen, dan aan deze dan aan gene zijde af van zekeren weg tusschen die twee plaatsen, en de werking der wet der geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid op blz. 258 gemeld, trachten gedurig die afwijkingen te vernietigen, en dien persoon brengen op den gemiddelden van al de verschillende wegen, die hij herhaalde keeren in staat van dronkenschap tusschen beide gemelde plaatsen zal volgen. Die gemiddelde weg is nu echter ook die welke een niet beschonken mensch tusschen die twee plaatsen zal volgen, en het gaan langs dien gemiddelden weg is aldus iets meer algemeen, dan het regts en links afwijken er van in staat van dronkenschap. Die wandeling van dien beschonken mensch is aldus een verschijnsel, waarvan het meer algemeene is dat beoogt wordt om haar te maken langs dien gemiddelden weg en het meer bijzondere in de afwijkingen hiervan bestaat. Van de gemiddelde toestanden, waarvan af deze afwijkingen, welke de werking der wet van geschiktmaking en de werking der wet der veranderlijkheid, op blz. 257 gemeld, trachten te vernietigen, bestaan, wordt trouwens den aard steeds door iets meer algemeen en minder veranderlijk bepaalt dan hetgeen den aard dier afwijkingen bepaalt. Het verschil tusschen het gemiddelde mannen en het gemiddelde vrouwenkarakter wordt bijv. bepaalt door de verschillen in ligchaamsorganisatie en werkkring der mannen en vrouwen in het algemeen, doch dat sommige vrouwen een vrij mannelijk karakter verkrijgen, van eene dergelijke afwijking kan de oorzaak van zulk een algemeenen aard niet zijn. Dit is eveneens het geval met de afwijkingen uit het oogpunt der gezondheid der ligchamen der menschen van het gemiddelde menschelijke ligchaam. Zooals op blz. 78 gezegd is, kan, wegens de optrekkende werking van den geest en de terugtrekkende werking der aarde, dit gemiddelde menschelijke ligchaam niet volmaakt gezond zijn, doch van den ziekelijken toestand er van zal niet anders te zeggen zijn, dan dat geen zijner organen volmaakt goed werken. Zoo de menschelijke ligchamen in geen staat van ontwikkeling verkeerden, zou daarentegen het volmaakt gezonde ligchaam het gemiddelde zijn, zoodat het, bij het wel bestaan dier ontwikkeling, niet de uiterste afwijking ter eene zijde kan zijn, en wel te minder hoe zwakker die ontwikkeling is. Men kan zich aldus bij sterkere afwijkingen aan die zijde alsware te bloeijende ligchamen voorstellen, evenals men zich zie blz. 215 menschen kan denken in alles aan hoogere eischen voldoende dan die voor de behoeften der thans bestaande maatschappij nuttig en noodig zijn. In de werkelijkheid ontmoet men echter evenmin zulke ligchamen als zulke karakters, omdat bij geen van beide de verschillende deelen met elkander in harmonie zijn.

Ditzelfde gebrek aan harmonie neemt men waar bij de voorstellingen der menschen van hoogere maatschappelijke toestanden en wereld en levensdoelen. Niet alleen zijn, zooals op blz. 73 gezegd is, die voorstellingen scheef, maar men vindt er tevens bij hoogere en lagere voorstellingen dooreengemengd, en de laatste betreffen dan zaken, waarvan de hoogere voorstellingen het meeste met de zinnelijkheid en met de zucht om in zeker opzigt voor het heden geschikte toestanden daar te stellen, in strijd zijn. Het socialisme, het pantheisme enz. leveren voorbeelden op van dergelijke mengsels van op verschillende trappen staande voorstellingen.

Menschelijke ligchamen zie blz. 78 even hoog boven die der dieren verheven, kunnen in gezondheidstoestand verschillen, doch, zoo men althans de ligchamelijke ontwikkeling van het menschelijke geslacht (wel van de bovengemelde der individuen te onderscheiden) niet noemenswaardig stelt te zijn, zullen die ligchamen, op de gemiddelde hoogte van verheffing boven de ligchamen der dieren, staande, gemiddeld de gezondste zijn, ten gevolge van den op blz. 234 gemelden inwendigen drang.

Gevolgen van verschijnsels worden door deze, zie blz. 258 vergroot zoolang deze zie blz. 297 door andere er mede gelijkslachtige gevolgen en door de werking der wet van geschiktmaking niet vernietigd zijn. Geschiedde dit niet, zoo zou de werking van laatstgemelde wet, benevens gevolgen dier gevolgen en hiermede gelijkslachtig zijnde, deze beletten zeker maximum te overschrijden zie blz. 261. Geschiedt dit daarentegen wel, zoo zullen beide laatstgemelde werkingen, die eerste gevolgen in intensiteit reeds wat hebben doen afnemen, wanneer de hen opwekkende verschijnsels, wegens bovengemelde reden, opgehouden hebben te bestaan. De pijn, door een slag teweeg gebracht, en die in intensiteit afneemt, na het ophouden van het slaan, vernietigt dit niet, doch dit geschiedt door andere gevolgen van den slag, namelijk door den wederstand door de slaande hand ontmoet, door physiologische werkingen binnen het ligchaam van hem die slaat, tengevolge van zijn wil teweeg gebragt enz.

Goede daden doen de zedelijke ontwikkeling van hen die ze bedrijft toenemen, doch, nadat die daden, tengevolge der uitputtende werking van met hen gelijkslachtige gevolgen opgehouden hebben te bestaan, zooals bijv. die van het redden van iemand door het feit dat hij buiten gevaar is, zal de werking der wet van geschiktmaking die verkregen vergrooting in zedelijke ontwikkeling, zie blz. 124, alsware trachten weg te slijten. De voldoening over het bedrijf van zulk eene daad is nu niet, zooals sommigen beweren, de belooning er van, maar de blijde bewustheid, dat men eene aanwinst in zedelijke ontwikkeling verkregen heeft, eene bewustheid, die eene verkeerde rigting nemende, denzelfden verslappenden invloed als zie blz. 259 ondoelmatige belooningen kan hebben.

De werking der wet van geschiktmaking tracht de positie der menschen in alle opzigten in harmonie te brengen met hunne omgeving, en aldus bijv. menschen hunne vrijheid te ontnemen, zoo zij, met betrekking tot de maatschappij waarin wij verkeeren, vrijwillig niet genoegzaam arbeiden. Diezelfde werking tracht bijv. ook, wanneer den grond ter vermenigvuldiging van het aantal eigenaars te veel versnipperd wordt, de hierdoor ontstaande nadeelen te doen verdwijnen. Men heeft in dergelijke gevallen toch niet te doen met zie blz. 231 een veranderlijk, maar met een zamengesteld doel, en hierbij zou, zoo de werking der wet der veranderlijkheid niet bestond, er eindelijk geschiktheid in alle opzigten ontstaan. Dit zou eveneens het geval zijn met de verdeeling van het menschdom in uit bij elkander passende personen bestaande deelen, zie blz. 128 en 255, zoo de werking der wet der veranderlijkheid de menschen in aard niet veranderde, en niet menschen deed geboren worden in kringen, waarin zij, zie blz. 294, wegens hun geestelijken aanleg niet passen.

Mislukkingen hebben plaats, doordat, tengevolge eener werking van laatstgemelde wet, handelingen gevolgen baren, die hen niet slechts vernietigen, maar zie blz. 258 somtijds een tegenovergestelden toestand als die, door die handelingen daargesteld, teweeg brengen. Men poogt bijv. door eene omwenteling een staat in een geavanceerden toestand, waarvoor hij nog niet rijp is, te brengen, ondervindt tegenstand, en er ontstaat tijdelijk eene reactie. Men valt, door getal of beleid overmagtige vijanden aan, wekt het strijden dezer op, en wordt van aanvallers aangevallenen, tenzij de slijtende werking der wet van geschiktmaking de vijanden, nadat den aanval afgeslagen is, zijn strijden doet staken zie Noot blz. 300. Zoo daarentegen zulk een aanval gelukt, bestaat er tusschen hem en den strijd wederkeerige versterking, en worden beiden vernietigd door het er door opgewekte gevolg, in de vlugt van den vijand bestaande. Dit gevolg is nu wel de op blz. 258 gemelde werking der wet der veranderlijkheid, maar verkeert in hetzelfde geval als het gevolg in Noot blz. 300 gemeld, namelijk het tracht deszelfs oorzaak niet negatief te doen worden. Dergelijke gevolgverschijnsels, waarover wij op blz. 660 van ons werk get. Over de werking der natuurwetten op zedelijk gebied enz. gehandeld hebben, kunnen aangemerkt worden als de tegenhangers van die welke hunne oorzaken onveranderd laten, in plaats van deze, zooals bij de andere op blz. 261 gemelde werking der wet der veranderlijkheid gezegd is, te versterken. Deze laatste gevolgen zijn daarentegen de tegenhangers van die welke hunne oorzaken negatief doen worden, en het zie blz. 258 weder positief opwekken van die oorzaak door het negatief geworden gevolg, kan als den tegenhanger der wederkeerige verzwakking van twee zie blz. 265 op elkander werkende verschijnsels beschouwd worden.

Naarmate zaken eene fijnere nuance eener eigenschap gemeen hebben, zal de kans, dat al hunne andere eigenschappen dezelfde zijn, grooter zijn.

Wij leeren gebruik te maken van ons ligchaam met betrekking tot hetgeen er buiten gelegen is. Verandert nu die betrekking, tusschen ons ligchaam en hetgeen er buiten ligt, plotseling, zoo wordt het gebruik van het ligchaam verkeerd, edoch slechts tijdelijk, omdat de werking der wet van geschiktmaking leert het ligchaam in deszelfs nieuwen toestand van lieverlede goed te gebruiken. De veranderlijkheid is aldus ook in dit geval eene oorzaak van dwaling zie blz. 231. Niet minder is zulks het vooruitloopen van de rede door de verbeelding, en zoo dit in sterke mate het geval is, waar de werking van het verstand zie blz. 178 de controlerende aanschouwing weinig vooruitloopt, en aldus die werking steeds vrij juist kan zijn, ontstaan er krankzinnigheid. Wanneer daarentegen de verbeelding die controlerende aanschouwing slechts sterk vooruitloopt in de gevallen waarin de werking van het verstand zulks ook moet doen, ontstaat er bijgeloof zie blz. 117.

De werking der wet van geschiktmaking beperkt zie blz. 302 bij gelijksoortige gevallen afwijkingen in onregelmatigheid van de onregelmatigste gemiddelden dier gevallen. Bij de regelmatige gevallen, voortbrengsels van oorzaken, ontstaat er toch als ware zekeren toestand van onvast evenwigt, die allerhande accidentele omstandigheden, in die oorzaken begrepen, zullen trachten te verstoren. Die onregelmatigste gemiddelde gevallen behoeven aan minder voorwaarden dan de meer regelmatige te voldoen, zoodat derzelver kans van voorkoming grooter dan die van deze zal zijn. De werking der wet van geschiktmaking zal aldus het ontstaan van gevallen van eenige soort moeijelijker maken, naarmate de kans van voorkoming er van kleiner wordt, doordat het karakter van regelmatigheid er bij grooter wordt. Dergelijke gevallen, wier kans van voorkoming zeer klein zou zijn, zoo boven gemelde werking der wet van geschiktmaking niet bestond, zullen aldus door deze werking onmogelijk gemaakt worden. De eenigzins minder regelmatige gevallen, waarvan anders de kans van voorkoming wat grooter zou zijn, zullen, tengevolge dier die regelmatigheid storende werking der wet van geschiktmaking, slechts uiterst zeldzaam kunnen plaats hebben, omdat, zoo zij meer plaats hadden, de kans er van anders beneden tot zooeven gemeld minimum zou dalen door kleiner te worden, zooals bijv. het bij herhaling trekken van een zeer groot aantal witte ballen uit eene bus evenveel witte als zwarte ballen bevattende.

Gevallen, waarbij de werking der wet van geschiktmaking aldus is, dienen echter uit eene aaneenschakeling van verschijnsels (bijv. trekkingen uit gemelde bus) te bestaan, welke op elkander van invloed zijn (bijv. door het onbewust niet voor het gevoel identiek zijn dier witte en zwarte ballen) en aldus niet van elkander onafhankelijke verschijnsels te zijn. Zie verder hierover blz. 579 van ons werk get. Vervolg op het werk get.: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz.

De accidentele omstandigheden, waarvan hierboven gesproken is, zijn werkingen der wet der veranderlijkheid zie blz. 251, doch de werking der wet van geschiktmaking tracht die omstandigheden te doen bestaan uit de gezamentlijke werking van vele veranderlijke omstandigheden, en hen hierdoor een meer algemeen karakter te geven. Zijn er daarentegen enkele omstandigheden overheerschende, zoo kan men meer bijzondere en regelmatige gevallen, namelijk die, waarbij eene al of niet periodieke herhaling van hetzelfde plaats heeft, verkrijgen. Dit is bijv. het geval bij het achtervolgens trekken van witte ballen uit bovengemelde bus, zoo dit met de ballen in het gezigt geschiedt, en de trekker eene blijvende voorkeur voor de witte ballen bezit, en even eens, wanneer de regelmatige vorm van ligchamen bij schudding dezer, tot eene regelmatige wijze van groepering er van leidt.

Zijn wij onbekend met zulke overheerschende bijzondere omstandigheden, zoo spreken wij van toeval, doch, voor het voortbrengen van regelmatige gevallen, moeten zij desniettemin bestaan. Alleen kan men zeggen, dat dezelfde overheerschende omstandigheden alsdan minder steeds dezelfde soort van regelmatigheid zullen voortbrengen, dat dit zal afhangen van hun verband met andere omstandigheden, en dat die wisselingen van regelmatigheid eene resulterende onregelmatigheid zullen voortbrengen.

Heeft men nu uit bovengemelde bus achtervolgens slechts witte ballen getrokken, zoo zullen de nog niet uitgewischte ons onbewuste indrukken dier vorige trekkingen opgehoopt zijn, en er aldus bestaan een regelmatigheidsverschijnsel in den tijd, waarvan de regelmatigheid bij de volgende trekkingen slechts tot zekeren grens kan vergroot worden. Het moet dunkt ons alsdan wat moeijelijker worden om, onder de voor ons menschen onbewuste invloeden der vorige trekkingen, nogmaals een witten dan een zwarten bal te trekken. Men bedenke dat, daar beide soorten van ballen onderscheiden zijn, bij het trekken van witte, er iets anders dan bij het trekken van zwarte ballen moet plaats hebben, en dat de vorige trekkingen een materieel spoor achtergelaten hebben. Bestaat er nu bij dit spoor zekere regelmatigheid, zoo zal bij eene volgende trekking deze regelmatigheid gemakkelijker verzwakt dan versterkt worden, en het eerste door het trekken van een zwarten en het laatste, door het nogmaals uit de bus halen van een witten bal, plaats hebben.

Hoe meer witte ballen men achtervolgens getrokken heeft, hoe ligter toch geheel verstoorbaar de dan meer geprononceerde oorzaak er van, namelijk een van bovengemelde accidentele overheerschende omstandigheden, zal worden. De kansrekening, waarbij er geen door de werking der wet der geschiktmaking niet geheel uitgewischten invloed der vorige rekkingen op de volgende aangenomen wordt, toont aan dat, naarmate er meer trekkingen gedaan worden, de kans, dat men evenveel zwarte als witte ballen zal trekken, grooter wordt. Dit ontstaat doordat bij dit geval een grooter aantal verschikkingen tusschen de witte en zwarte ballen mogelijk is dan bij de andere gevallen, en in zooverre zal dit geval elk dier andere in onregelmatigheid overtreffen, en wel te meer hoe grooter het aantal trekkingen is. Behoudens de voorwaarde, dat de periodieke afwisseling der getrokken witte en zwarte ballen er niet onregelmatiger bij is, zal elk dier andere gevallen zich aldus niet zoo dikwijls als het eerste, zie blz. 308, kunnen herhalen.

De regelmatige groepering van witte en zwarte ballen binnen eene bus, zal, bij het schudden onder den invloed van allerlei veranderlijke omstandigheden, verstoord worden, terwijl hierdoor eene primitieve onregelmatige groepering derzelver karakter van onregelmatigheid niet tot buiten zekeren grens kan verliezen, mits die witte en zwarte ballen niet voor die schuddende bewegingen identiek zijn. Regelmatige groepering der ballen binnen de bus oefent nu op het schudden dezer een dergelijken invloed uit als de overschietende sporen van vorige regelmatige trekkingen op de volgende, en terwijl bij zulke regelmatigheden in den tijd langer geleden voorvallen van minder invloed zijn op de regelmatigheid bij de volgende, zoo zal bij regelmatigheid in de ruimte, die bij verder gelegen plaatsen minder beletten ergens regelmatigheid te doen ontstaan, naarmate die plaatsen hier verder van verwijderd zijn. Binnen eene bus, er zekere verhouding tusschen het aantal er in bevatte witte en zwarte ballen bestaande, zoo zal binnen vakken dier bus, een groot aantal ballen bevattende, bij eene zeer regelmatige wijze van groepering dezer, desniettemin ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen bestaan dan binnen de gansche bus. Wegens het groote aantal der ballen binnen elk dier vakken, zal toch regelmatigheid bij een derzelve alsware in de ruimte ver van die binnen de aangrenzende vakken verwijderd zijn, en er aldus weinig invloed op uitoefenen [88].

Buitendien zullen bij onregelmatige schudding der bus, uit zulke vakken, waar binnen de verhouding voor de witte ballen gunstiger is dan binnen de aangrenzende vakken, er meer witte ballen uitgaan dan er weder binnen komen.

Om dit anders te doen uitvallen, zouden meer dezelfde witte ballen, uit zulk een vak door schudding gegaan zijnde, er weder door schudding in terug moeten komen, en aldus deze, onder den invloed van vele omstandigheden zijnde, eene regelmatigheid teweeg brengen veel grooter zijnde dan die teweeggebragt door het bestaan van ongeveer dezelfde verhouding tusschen de witte en zwarte ballen binnen elk dier vakken. Zoo deze integendeel weinig ballen bevatten, zal het omgekeerde het geval zijn, zoodat binnen die betrekkelijk kleine vakken de verhoudingen tusschen de witte en zwarte ballen op eene zeer onregelmatige wijze zullen varieren. Binnen veel ballen bevattende bussen zullen voorts die betrekkelijk kleine vakken, waarbij de verhouding tusschen de witte en zwarte ballen zeer varieert, iets grooter zijn dan binnen kleine minder ballen inhoudende bussen.