Part 22
Deze de afwijkingen uitputtende werking der wet der veranderlijkheid gepaard met de werking der wet van geschiktmaking, tracht de verschillende bestanddeelen van zaken met elkander in harmonisch verband en op dezelfde hoogte van ontwikkeling te brengen. Zijn nu bij die zaken, door dat zij in een staat van vooruitgang zijn zooals op blz. 78 gezegd is, die bestanddeelen op zeer ongelijke hoogte, zoo zullen die beide zoo even gemelde werkingen, door de trachten de hoogst staande bestanddeelen dier zaken te verlagen, ofschoon niet met betrekking tot de geschiktheid er van zie blz. 255, iets schadelijk, te weeg brengen, en daarentegen, door de laagst staande bestanddeelen er van omhoog te trekken, iets goeds wrochten. Omgekeerd zal de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, iets, ofschoon ook weder niet met betrekking tot de geschiktheid, heilzaams voortbrengen, wanneer zij zaken onharmonisch maakt door enkele bestanddeelen er van te verhoogen, en daarentegen schadelijk werken, wanneer zij eene disharmonie te weeg brengt door andere bestanddeelen dier zaak te verlagen. Dit laatste was bijv. het geval bij het ontstaan van den aflaathandel in het begin der zestiende eeuw. De vernietiging er van door de hervormers was aldus eene werking der wet der veranderlijkheid, wanneer hierdoor afwijkingen uitgeput worden en te gelijk ook eene werking der wet der geschiktmaking. Toen zij echter eene nieuwe godsdienst verhevener dan de toen bestaande stichtten, waren de handelingen der hervormers werkingen der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, begrensd door de op blz. 261 gemelde werking der wet der geschiktmaking. Hunne handelingen strekten toen toch volstrekt niet meer om de verschillende bestanddeelen der toen bestaande godsdienst meer harmonisch met elkander en met de zinnelijkheid der menschen te maken. Ware dit het geval geweest, zoo zouden de hervormers de hoogste bestanddeelen der catholijke godsdienst zie blz. 255 hebben moeten verlagen. Niet de drang tot geschiktmaking, maar die tot vooruitgang was de drijfveer dier hervormers. Eveneens was dit het geval bij Galileus, toen deze als vertegenwoordiger der wel op waarnemingen gebaseerde, maar desniettemin abstracte wetenschap verscheen voor de vierschaar der vertegenwoordigers der zinnelijkheid, der zie blz. 178 niet controlerende getuigenis der zintuigen. Hierbij toch past de stelling, dat de aarde om de zon wentelt, zoo weinig, dat niemand, tenzij hij beter ingelicht is, haar geloof zal willen schenken.
Ook op staatkundig gebied bestaat er, wegens den vooruitgang der maatschappij, disharmonie bij verschillende zaken. Ingezetenen van rijken wenschen zich bijv. te vereenigen met ingezetenen van andere rijken, met wie zij zich verwant gevoelen, en willen tevens zeer locale belangen overheerschende maken. De werking der wet der geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid zullen klaarblijkelijk trachten eerstgemelde zucht te verzwakken en te gelijk te geven eene ruimere opvatting van locale belangen. Bij eene verdeeling der menschheid in staten, enkel tengevolge van die beide werkingen, zou aldus die zucht der inwoners van staten om staatkundig zamen te smelten met hen verwante inwoners van andere staten onbevredigd moeten blijven, en zie blz. 256 later verdwijnen.
Wegens den vooruitgang der menschheid zullen de staten door zamenvoeging gemiddeld steeds grooter worden, doch dit wegens de werking der traagheid gemiddeld zie noot blz. 78 wat te laat geschieden, en de staatkundige indeeling aldus zoo zijn, dat zoo even gemelde zucht tot zamensmelting, minder bevredigd wordt dan het particularisme.
De werking der wet van geschiktmaking en de in denzelfden geest zijnde werking der wet der veranderlijkheid, zouden bij eene niet vooruitgaande maatschappij de staatkundige indeeling der menschheid zoo goed mogelijk trachten te maken, en wel volgens nationaliteiten, waarbij de particuliere en locale belangen weinig uiteenloopen, want zulk een toestand zou dan evenzeer den gemiddelden politieken toestand zijn, als de welgemaakte toestand van het ligchaam den gemiddelden van allerlei mismaakte toestanden, zie blz. 102. Oorlogen zouden het ontstaan van zulk een gemiddelden politieken toestand kunnen bevorderen, door tot beide zoo even gemelde werkingen te behooren, of kunnen tegengaan, door werkingen te zijn der wet der veranderlijkheid, die in strijd zijn met die der wet van geschiktmaking. Meer zullen zij echter in eerst dan in laatstgemelden geest werken, omdat gemiddeld de morele kracht alsmede de ondersteuning van andere staten zijn voor den oorlogvoerenden staat, die eene geschikte staatkundige verdeeling wenscht. De werking van den oorlog kan men vergelijken met die van het trekken van ballen uit eene bus, witte en zwarte ballen bevattende, met zekere voorliefde voor de witte. Het kan dan echter zijn, dat die bus zoo weinig witte en zooveel zwarte ballen bevat, dat, niettegenstaande die voorliefde voor de witte ballen, er meer zwarte dan witte ballen getrokken worden, en evenzoo zou de staatkundige indeeling zoo nabij de beste kunnen zijn, dat, niettegenstaande de gemiddeld grootere kans voor zege der partij, die de staatkundige indeeling nog beter tracht te doen worden, de oorlogen deze eerder trachten te verslimmeren dan nog beter te doen worden.
De gemiddelde toestanden, op zich zelve beschouwd, geschikte toestanden, en somtijds afwijkingen van gemiddelde toestanden van meer algemeenen aard, kunnen veranderen, en zullen dit, bij het bestaan van blijvende afwijkingen naar de eene zijde er van, doen zoodat men dan alsware een anderen gemiddelden toestand zonder afwijking zal verkrijgen. Zoo kan de verzwakking van een staat iets worden, waarnaar deszelfs bevolking zich voegt, en die deze niet meer als eene door groote inspanning te vernietigen afwijking beschouwd.
De werking der wet der geschiktmaking tracht namelijk te gelijk afwijkingen te vernietigen, en den gemiddelden toestand alsware naar de zijde dier afwijkingen te verschuiven. De werkelijke afwijkingen zijn aldus steeds van tijdelijken aard, en, wanneer de werking der wet der veranderlijkheid wederkeerige versterking tusschen een verschijnsel en deszelfs gevolg te weeg brengt, zal niet alleen zie blz. 261 de werking der wet van geschiktmaking de vergrooting van zulk een verschijnsel en van deszelfs gevolg eens doen ophouden, maar, zoo de gemiddelden toestand zich niet verplaatst, door de op blz. 258 gemelde werking der wet der veranderlijkheid, die door wederkeerige versterking voortgebragte afwijking later weder vernietigd worden. Zoo zal bijv. magtsvergrooting, voortgebragt door wederkeerige versterking van succes en aanmoediging, later door verslapping en overmoed weder vernietigd en zelfs negatief kunnen gemaakt worden, beide echter slechts zoo die grootere magt, door geschiktmaking er voor, geene werkelijke behoefte wordt. De wederkeerige versterking bestaat, alsdan tusschen het voortbrengend verschijnsel en eenig ander, doch zij kan ook bestaan, tusschen het voortgebragte verschijnsel, dat het eerstgemelde tracht te vernietigen en zelfs omgekeerd te doen worden, en eenig ander verschijnsel [84]. Hoe zwakker de werking der wet van geschiktmaking is, in hoe meer tijd zij aldus het beoogde doel bereikt, hoe minder ongeschiktheid in andere opzigten er bij andere zaken er door teweeg gebragt zal worden. Vandaar dat men een goed doel kan bereiken zonder slechte middelen er toe te bezigen, zoo men slechts geduld heeft, en een op minder vaste gronden steunende geschikten toestand, binnen korten tijd ontstaande niet verkiest boven een op vastere gronden steunende geschikten toestand meer in de toekomst.
Stelt men het verbod om aan anderen te doen, hetgeen zij wenschen dat hun niet gedaan wordt, niet in strijd met het werkelijke belang der individuen, zoo kan in elken staat het belang der deelen in overeenstemming met dat van het totaal dier deelen zijn. Dit zal insgelijks het geval bij het statenstelsel kunnen zijn, want het is hiervoor wenschelijk, dat er geene onderdrukte nationaliteiten bestaan, en dit zal niet in strijd zijn met de belangen van elk dier staten, omdat de meerderheid der inwoners van elk dezer toch een afkeer moet hebben van het denkbeeld dat zijne nationaliteit onderdrukt wordt.
Hierbij, zooals steeds op maatschappelijk gebied, moet echter in acht genomen worden, dat het verkeerd is bestaande afwijkingen van den toestand, die het beste voor het algemeen welzijn is, plotseling te willen vernietigen, omdat door den tijd zij, bij wie die afwijkingen bestaan, zich in zekere mate er naar zullen geschikt hebben. Dit is bijv. het geval bij zoogenaamde door den tijd verkregen en met het algemeen belang in strijd zijnde regten, zooals bijv. die van het houden van slaven, te hoog geestelijk ontwikkeld met betrekking tot hunne meesters om zie blz. 47 eene heerschappij, als die over slaven uitgeoefent, niet nadeelig te doen worden. Zulke regten behoeven evenmin plotseling, althans zonder schadevergoeding (eene soort van geschiktmaking voor den bezitter dier regten) afgeschaft, als onbepaald bestendigd te worden.
Wanneer een voortbrengend verschijnsel of oorzaak eene afwijking is van een gemiddelde, dat zich niet tracht te verplaatsen, zal het voortgebragte of gevolg, verschijnsel die oorzaak trachten uit te putten, en deze daarentegen versterken, wanneer dit gemiddelde zich wel tracht te verplaatsen. Zoo zal bijv. succes in den krijg, tengevolge van tijdelijke grootere eenheid, deze trachten te verminderen, of wel te vergrooten, al naar gelang die grootere eenheid elders niet aangetroffen wordt, of wel eene toenadering is tot die welke elders bestaat, of die men noodig voor zich acht. In het eerste geval schijnt die grootere eenheid iets, dat na de zege overbodig geworden is, en in het tweede iets waarvan de heilzame vruchten met betrekking tot de toekomst gebleken zijn. Inspanning brengt verhooging in positie te weeg, en deze zal, wegens den drang tot vooruitgang, gemiddeld die inspanning niet trachten te vernietigen, ofschoon de op blz. 261 gemelde werking der wet van geschiktmaking, de vergrooting dier inspanning tengevolge van wederkeerige versterking, weldra zal doen ophouden. Dat voorts die vergrooting in positie geschiedt onder strijd (zie. blz. 55) in den algemeensten zin genomen, ontstaat doordat magten zooals individuen, staten enz. in contact komen met andere niet met hen in alle deelen zamenwerkende magten of zaken, hetgeen een gevolg is der verscheidenheid, die zie blz. 237 eene voorwaarde is van den vooruitgang.
De werking van elken hartstogt is die van een der beide op blz. 284 gemelde werkingen der wet der veranderlijkheid, in het eene geval zooals op blz. 259 en in het andere, zooals op blz. 261 gezegd is, gepaard met de werking der wet van geschiktmaking. Lijden wekt bijv. medegevoel op, dat dit lijden tracht te vernietigen. De sterkte van dit medegevoel klimt en daalt nu niet, wegens de werking der traagheid, te gelijk met die van dit lijden, en vooral niet zoo de bekendheid hier van snel toeneemt, en evenmin is dit medegevoel op een maximum wanneer dit lijden ophoudt met te bestaan. Met betrekking hiertoe verkeert het in een overeenkomstig geval als doelmatige straf met betrekking tot slecht gedrag, en als met oordeel toegeven met betrekking tot gegronde grieven. Is het daarentegen iemands geluk dat medegevoel opwekt zoo heeft er tusschen beiden, even als tusschen eischen en toegeving met zwakheid, wederkeerige versterking plaats. De werking der wet van geschiktmaking tracht echter dan de toeneming van beiden tegen te gaan, daar zij iemands positie, en te gelijk de gevoelens die men hem toedraagt, tot zekere gemiddelden tracht te brengen.
Met betrekking tot derzelver oorzaken staan de werkingen der hartstogten zie blz. 267 in dezelfde verhouding als de daden gedaan tengevolge van redeneringen. Trouwens bij hartstogtelijke handeling worden er redeneringen van eenvoudigen en oppervlakkigen aard gemaakt, die, zooals bij woede en vrees, in der menschen geest overheerschende worden. Het zijn de hartstogten die de menschen doen handelen, de goede op eene niet, de slechte op eene wel te lage wijze voor de eischen van der menschen zedelijk leven en onderlinge zamenwerking, en het verkeerde van zich blindelings aan goede hartstogten over te geven, bestaat juist in het alsdan niet maken van genoegzaam diepzinnige redeneringen. Of de intellectuele ontwikkeling is dan in gebreke met betrekking tot de morele ontwikkeling, of men weet haar dan niet genoegzaam te doen gelden.
Dit in gebreke zijn der intellectuele ontwikkeling, of het niet gebruik er van kan in het algemeen leiden om zich van het goede en insgelijks van het kwade te onthouden, en aldus de neiging tot het eene en tot het andere verminderen. Naar aanleiding van hetgeen op blz. 217 gezegd is, zal, omdat kennis noodig is om begrip en waardering van het goede te geven, en niet alleen evenals bij het kwaad strekt, om het op eene meer doelmatige wijze te doen, ontbering er van gemiddeld meer tot kwaad dan tot goed strekken, en aldus, naar aanleiding van blz. 152, de neiging tot het goede meer verminderen dan die tot het kwaad [85]. Men bedenke hierbij dat de werking der wet van geschiktmaking de verschillende soorten van kennis (althans zie blz. 67) die van even hooge soort, met elkander in harmonisch verband tracht te brengen, zoodat vermindering der wijsgeerige kennis ook die der andere kennis tengevolge heeft. Iemand, die zich nu steeds er op toelegt om met overleg kwaad te plegen, moet noodwendig de wijsgeerige kennis, die betrekking heeft op de maatschappelijke behoeften en vooruitgang, verwaarloozen en dit, wegens de zooeven gemelde reden, daling van andere takken van kennis ten gevolge hebben.
Zoo de geestelijke aanleg der individuen der verschillende diersoorten en menschenrassen bij de geboorte dier individuen slechts bepaald werd door den aard van hunne ligchamen, zou het onverklaarbaar blijven hoe zulke groote verschillen in den dezen geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen ontstaan zijn, of liever in stand gehouden worden, want bestond er geene constante oorzaak voor dit laatste, zoo zouden die verschillen, slechts door de werking der traagheid in stand gehouden, van lieverlede verminderd zijn, en slechts accidentele omstandigheden (anders gezegd het toeval) die den geestelijken aanleg bepalenden aard der ligchamen wat doen variƫren. De verschillen in levensomstandigheden kunnen althans bij de menschenrassen die constante oorzaak niet zijn, omdat de verschillen in hoogte der levensomstandigheden bij de menschen kunstmatig zijn, en niet door de aarde aangeboden worden. De verschillen in den bovengemelden aard der dierlijke en menschelijke ligchamen, moeten in overeenstemming met de stelling van blz. 92, dat die ligchamen aan eene opwaarts drijvende werking buiten hen blootgesteld zijn, naar ons inzien, ook in stand gehouden worden door eene oorzaak buiten hen, namelijk zie blz. 196 door de verschillen in aanleg der geesten op de aarde met levende ligchamen in contact willende komen. De geslachtsvoortplanting en het verkeer zullen voorts klaarblijkelijk strekken om bovengemelden aard dier ligchamen bij dezelfde soorten of dezelfde volken gelijk aan elkander te doen worden. Dit zelfde verschil in aanleg der geesten houdt, naar ons inzien, bij een zelfde volk het verschil in stand, voor zooverre dit niet door het toeval ontstaat, in stand. Wel heeft de maatschappij zich naar die verschillen in beschaving geschikt, doch die verschillen kunnen naar ons inzien geene noodzakelijke behoefte zijn van welke maatschappij ook, bijv. niet van eene wier leden in geestelijken aanleg tijdens hunne geboorte alle gelijk zijn, en niet, tengevolge der werking van het toeval, ongelijk in beelding en rijkdom worden. Verschil in magt zou in zulk eene maatschappij enkel door verschil in ancieniteit bepaald worden.
De werking der wet der veranderlijkheid, waarbij oorzaak en gevolg elkander wederkeerig versterken, veroorzaakt vaak eene overdrevene schatting van zekere hartstogten, zooals vreugde, smart, bewondering, verachting, opwekkende gebeurtenissen. Tusschen de opvatting dezer laatste in den geest dier hartstogten en deze bestaat er dan eene wederkeerige versterking, door de werking der wet van geschiktmaking, waardoor de hartstogt en de overdrevene voorstelling gematigd worden, begrensd. De aanschouwing der werkelijke gevolgen van zulk eene gebeurtenis wekt dan echter het denkbeeld op, dat men zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt, en dit denkbeeld nu is, wegens de werking der traagheid, niet verdwenen, wanneer, tengevolge er van, die overdrijving niet meer bestaat. Vandaar dat deze naar aanleiding van hetgeen op blz. 258 gezegd is, negatief zal worden, en er aldus, met betrekking tot de juiste schatting, verflaauwende schommelingen zullen ontstaan. Was dit niet het geval, zoo zou men, na het vernemen dat eene heugelijke tijding valsch is, direct weder in dezelfde gemoedsstemming als voor het ontvangen dier tijding moeten komen, want op het oogenblik dat de ongegronde vreugde verdwenen zou zijn, zou zulks ook zijn het denkbeeld dat men zich ten onregte verheugd heeft. Dit is echter in werkelijkheid het geval niet, en vandaar, dat men daar na gedurende zekeren tijd treurig wordt.
Hierbij komt echter nog dat de wet van geschiktmaking de menschen ras gewoon maakt aan het denkbeeld van voorspoed, en aldus, zooals op blz. 289 gezegd is, althans met betrekking tot de bestaande afwijking, in gevoel van vreugde bestaande, het gemiddelde verzet, zoo dat hierdoor, wanneer de valschheid der goede tijding ruchtbaar wordt, de vreugde reeds veel vermindert zal zijn.
Een zelfde verschijnsel kan te gelijk bestaan bij verschillende groepen van verschijnsels, elk, wegens de vereenigde werking der zamenstellende verschijnsels, opwekkende een gevolg onderscheiden van de gevolgen dier andere groepen. Zoo kan bijv. eene slechte daad, vereenigd werkende met de vriendschappelijke stemming der beoordeelaars dier daad, jegens derzelver bedrijver tot gevolg medelijden hebben; terwijl diezelfde daad, vereenigd werkende met de vijandelijke stemming van andere beoordeelaars, jegens derzelver bedrijver verachting en haat tengevolge heeft.
Het gretig eten van gewijde kuikens kan, vereenigd werkende met de bijgeloovige gevoelens van een leger, aanmoediging hiervan tot gevolg hebben; terwijl, vereenigd werkende met de functie van de keel dier kuikens, dit gretig eten dezer de vulling van derzelver magen tot gevolg heeft. In elk dier gevallen zal elk gevolg zie blz. 71, gelijkslachtig zijn met een of meer der verschijnsels door wier vereenigde werking het opgewekt wordt. Zoo is bijv. aanmoediging gelijkslachtig met bijgeloovige stemming, en vulling van magen met eten. Evenzoo is uitdrooging der lucht gelijkslachtig met derzelver oorzaak, namelijk de met storm vergezeld gaande betrekkelijk sterke luchtrijzing, terwijl het reven van zeilen gelijkslachtig is met het besturen van vaartuigen, dat vereenigd werkende met storm, dit reven tengevolge heeft [86]. Gelijkslachtig zijn oorzaken en gevolg, wanneer deze op gene kunnen terugwerken en hen, zooals op blz. 284 gezegd is, kunnen uitputten en omkeeren, of versterken, en ongelijkslachtig zijn oorzaken en gevolgen, wanneer dit niet mogelijk is. Zoo zal bijv. de aan- of ontmoediging van een leger kunnen terugwerken op deszelfs bijgeloovige stemming, maar niet op het eten van gewijde kuikens, terwijl de met dit eten gelijkslachtige vulling der magen dier kuikens dit daarentegen wel kan doen.
Evenzoo zal de uitdrooging der lucht de luchtrijzing en aldus ook de horizontale toeschieting der lucht of den wind verzwakken, terwijl het reven van zeilen op de sterkte van den wind niet, maar op het besturen van zeilvaartuigen wel terugwerken kan.
Hoe komt het nu dat, zooals bij deze voorbeelden, geheel ongelijkslachtige verschijnsels vereenigd werkende gevolgen kunnen opwekken, die aldus onmogelijk met elk van derzelver oorzaken gelijkslachtig kunnen zijn? Naar ons inzien, doordat hier op aarde niet alles in harmonisch verband is, doordat, zooals op blz. 195 gezegd is, de gewassen en de ligchamen der dieren hooger dan de onbewerktuigde natuur, en de geesten der menschen hooger dan de door derzelver ligchamen bepaalde denking, en zie blz. 91 en 280 nog hooger dan de door de onbewerktuigde aardsche natuur bepaalde denking staan. Zoo is het rijp worden van vruchten, een gevolg der vereenigde werking der organische zamenstelling dier vruchten en der warmte, met deze laatst geheel ongelijkslachtig. Het met die warmte gelijkslachtige gevolg is daarentegen de grootere uitstraling en de mindere vatbaarheid voor warmteopslurping der verhitte voorwerpen. Wegens de op de verhitting terugwerkende eigenschap van dit gevolg, moet het in de warmteleer beschouwd worden, hetgeen aldaar daarentegen weinig meer met het rijpen van vruchten, als met het bezoeken van zomer-theaters behoeft te geschieden.
Hoe grooter de disharmonie is tusschen met elkander in verband gebragte zaken, hoe ongelijkslachtiger de gevolgen en sommige van derzelver oorzaken kunnen worden. Dit is bijv. in sterke mate het geval, zoo het eten van gewijde kuikens, of zie blz. 145 en 171 juister gezegd, de hierdoor bepaald wordende denking, in verband komt met de menschelijke denking over geheel andere zaken. Die disharmonie is nu enkel het gevolg hiervan, dat de verbeelding opwekkende bewuste aanschouwing sterk vooruitloopt de op blz. 178 gemelde aanschouwing, waardoor de menschen met den waren aard der zaken bekend worden, en zoo nu die disharmonie werkelijk maakt dat gevolgen geheel ongelijkslachtig met sommige van derzelver oorzaken worden, zoo is het klaar, dat de door de wijsbegeerte zie blz. 117 niet ingelichte menschen het mogelijk kunnen achten, dat gevolgen er mede gelijkslachtige oorzaken geheel kunnen missen, of met andere woorden dat er wonderen bestaan. Kon bijv. het gezigt van een klein stuk beschreven papier de eenigste oorzaak zijn, dat iemands bloed sneller gaat loopen, en dat zijne spijsvertering belemmerd wordt, zoo zou dit verschijnsel van denzelfden aard zijn alsdat iemands woorden een dooden kunnen opwekken. Wat maakt echter het eerste verschijnsel mogelijk en het tweede onmogelijk? Het bestaan van eene oorzaak gelijkslachtig met de physiologische werkingen binnen het ligchaam, en vereenigde werkende met de inzage van het kleine stuk beschreven papier, het gemis van eene oorzaak gelijkslachtig met de organische en chemische werkingen bij lijken en vereenigd werkende met de woorden van den zoogenaamden doodenopwekker.
Niet slechts moet eene der oorzaken van elk verschijnsel hier qualitatief op gelijken, ook dient zij dit quantitatief te doen. Zoo bijv. een voorwerp breekt tengevolge van een zachten tik, zoo dient te gelijk hiermede, de broosheid van dit voorwerp de oorzaak van dat breken te zijn, omdat dit een veel sterker verschijnsel dan dien ligten tik is. Broosheid bestaat voorts ook op maatschappelijk gebied, bijv. bij legers wier nederlaag het gevolg kan zijn van een verkeerd kommando. Op dit gebied bestaat de vastheid in ongevoeligheid voor storende oorzaken, en de taaiheid in de sterkte der werking der wet van geschiktmaking waardoor de storingen verdwijnen Die eene oorzaak, wier sterkte die van het gevolg evenaart, kan somtijds voor oppervlakkige of oningewijde menschen onbekend blijven, en somtijds vereenigd werken met andere bekende belangrijke oorzaken, waardoor het bekende gevolg van deze zeer belangrijk gewijzigd kan worden.