Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 21

Chapter 213,636 wordsPublic domain

De nakomelingschap heeft aan Napoleon I de terdoodbrenging van den hertog van Enghien, benevens zijn trouweloosheid jegens het Spaansche hof meer euvel geduid, dan al de door hem geprovoceerde oorlogen. Dit nu kan slechts geschied zijn, omdat die nakomelingschap het voorbeeld van moord en trouwbreuk voor latere heerschers verderfelijker achtte dan dat van oorlog voeren, niettegenstaande, wanneer die oorlogen stroomen bloed doen vloeijen en duizende huisgezinnen in rouw dompelen, zij ontegenzeggelijk het genoegen der maatschappij meer schaden, dan enkele moorden zulks doen. Deze strekken echter tot zedelijke verlaging, de oorlogen daarentegen in verscheidene opzigten tot geestelijke verhooging der strijders en van de navolgers dezer.

Zoo wij ons buitendien geen hooger ideaal voorstelden dan het genoegen der maatschappij in het heden, zou bij het niet voldoen aan de eischen van dit ideaal, dit omlaag getrokken worden, dat is de beschaving zou afnemen, en dit genoegen der maatschappij meer op het dierlijke gaan gelijken. Zoo, wegens de in de Noot blz. 139 gemelde terugtrekkende werking, als wegens den zeer geringen graad der geestontwikkeling der menschen tijdens derzelver geboorte, zouden deze, wanneer zij volwassen zijn, wegens het kleiner zijn van het hunne geestontwikkeling optrekkenden ideaal, op een lageren trap van geestontwikkeling komen, en aldus de graad van ontwikkeling van het genoegen der maatschappij steeds teruggaan [79]. Het is hiermede gelegen als met de grootte van wandelingen, zoo deze, hoe klein ook, inspanning vorderen, en zij noch voor de gezondheid, noch voor het genoegen gedaan worden. Al heeft iemand door dwang de gewoonte verkregen om eene wandeling van zekere grootte te maken, die grootte zal van lieverlede verminderen, nadat die dwang opgeheven is. Is aldus ons ideaal het publieke genoegen bij de thans bestaande beschaving der maatschappij, zoo hangt het in de lucht, en zal de noodzakelijkheid dier beschaving voor ons deze evenmin voor teruggang beveiligen, als de gewoonte aan het doen van eene groote wandeling, deze zal behoeden voor verkleining, zoo geene andere oorzaak dit tegen gaat. Slechts zal die verkleining alsdan trager zijn. Wel is waar bezitten wij zie blz. 28 een drang tot vooruitgang, en misschien leidt deze de dieren, om zich (zie blz. 152) eene inspanning te geven grooter dan hun aangenaam is, maar bij ons menschen, die bewustheid hebben van de toekomst en van hoogere trappen van bestaan, is deze instinctive drang hiervoor niet voldoende, wij behooren hiertoe hetzij door anderen gedwongen te worden, of wel een door onze zucht tot gemak niet omlaag trekbaar doel voor oogen te houden. Is dit doel bij de menschheid geheel aardsch, zoo moet het, wil de trap van beschaving niet verminderen, minstens zijn om dezen trap te verhoogen. Is echter de trap van beschaving op aarde zoo hoog geklommen als de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende werking benevens de traagheid der op een zeer laag standpunt van geestelijke ontwikkeling geboren wordende menschen gedoogt, welk ideaal moeten deze zich dan ter bereiking voorstellen, om op dit maximum van op deze aarde mogelijke beschaving te blijven? [80] Een aardsch ideaal kan dit klaarblijkelijk niet zijn, en ook voor ons, die dit maximum niet bereikt hebben, kan die optrekkende werking niet geheel gevonden worden, zoo men de oogen slechts op de aarde gevestigd houdt. Wij achten ons te weinig in de menschheid op te gaan, (iets dat wel van zamenwerking met medemenschen onderscheiden moet worden) en ons gevoel van zelfstandigheid is te sterk, om ons ideaal vast te knoopen aan het lot der aan allerlei wisselvalligheden overgeleverde nakomelingschap. Wij bezitten eene meer of minder gebrekkige voorstelling, dat voor een deel ons ideaal zoodanig moet zijn, dat het op heffende werkt, hoe hoog ook men binnen de palen der eindigheid gestegen zij, en aldus slechts bij den oneindigen onveranderlijken en aldus volmaakten Oergeest kan bestaan.

De idealen van zelfs leden van onbeschaafde maatschappijen bevatten dan ook bestanddeelen in sommige opzigten ongelijkslachtig zijnde met, ofschoon niet minder verheven dan hetgeen tot het genoegen strekt der wisselende leden van beschaafde maatschappijen.

Reeds de onbeschaafde mensch begeeft zich met zijne verbeelding en ook eenigzins met zijne rede op buitenzinnelijk gebied, en vervalt alsdan in dwalingen. Dit is een noodwendig gevolg van het ver vooruitloopen der controlerende zintuigelijke aanschouwing tengevolge der natuurwet van de veranderlijkheid, doch even noodwendig is het dat die dwalingen verkeerde opvattingen zijn van iets dat werkelijk bestaat. De natuurwet der geschiktmaking verbiedt toch dat wij menschen een vermogen behouden om bespiegelingen te maken over het niet, evenals zij niet zou gedogen dat de vogels vleugels behielden, zoo er geene lucht bestond om er in te vliegen. Hetzelfde kan gezegd worden van de zucht der menschen om zich in eene hoogere en naauwere betrekking met het buitenzinnelijke en verhevene op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door denking te stellen. Die zucht is de oorzaak der zoogenaamde inspiratie, die der veronderstelde persoonlijke tegenwoordigheid van God op gewijde plaatsen, die der gewaande lichamelijke vereenzelviging met hem. De menschen hebben, onder de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en die der veranderlijkheid, die zucht naar het hooge op eene voor hunne bekrompenheid van begrip geschikte wijze trachten te bevredigen, en zijn hierdoor tot dwaalbegrippen tot bijgeloovigheden vervallen, doch het bestaan dier zucht bij hen bewijst dat deze eenmaal bij elk hunner op eene objectief ware wijze bevredigd zal worden.

Het is aldus niet de zucht naar het hoogere op buitenzinnelijk gebied, of het godsdienstig gevoel in het algemeen, waardoor de toeneming der menschelijke kennis vertraagd wordt, maar het is de zinnelijke bevrediging dier zucht die zulks doet. Vandaar, dat, voorbij het standpunt van beschaving waarop de mensen en wijsgeerig beginnen te worden, zie blz. 118, er eene botsing ontstaat tusschen de verlichten der natien, namelijk de wijsgeeren en de voorgangers van het gros dier natiƫn in de zinnelijke bevrediging van het godsdienstig gevoel, en dat de eerste op de laatste eene opheffende werking uitoefenen. Die disharmonie, moge in het eene tijdvak sterker, in het andere zwakker zijn, overal zal zij bestaan waar, tengevolge der werking der wet van geschiktmaking, zinnelijke wezens zich door zinnelijke voorstellingen trachten te bevredigen, en te gelijk, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, door middel hunner rede zich tot het abstracte verheffen. Het wegens welk motief ook niet dringen in het abstracte maakt niet alleen dat de menschen bijgeloovig, maar tevens dat zij ongeloovig zijn. Op het eene oogenblik vormt de mensch verheven bespiegelingen, en zweeft hij boven de wolken in de wereld van het abstracte, op het andere oogenblik trekt zijne zinnelijkheid hem naar den bodem terug, en laat in zijn boezem een grond van wantrouwen voor zijne naar hij meent voor de rede onwederlegbare bespiegelingen.

Is het aldus te verwonderen, dat zij die gezeten zijn in het vaartuig hunner kerk, wiens deelen zij de planken der behoudenis wanen te zijn, omdat zij er tusschen op min of meer zinnelijke wijze het edelste hunner gevoelens voldoen, dit vaartuig niet durven te verlaten en te wandelen op de baren van het abstracte, uit vrees van te zinken naar de diepte van het ongeloof? Uit vrees van mismaakte dwergen te worden, blijven zij liever kinderen.

De werking der traagheid moet de wezens beletten eensklaps van natuur te veranderen en hunne persoonlijke eigenaardigheden te verliezen, zoodat zij niet op de wijze zooals Bouddha gesteld beeft, maar zelfs, slechts na eene verzwakking van hun karakter van bijzonderheid en veranderlijkheid gedurende de grootst eindige tijden, in het onveranderlijke oerwezen, door met dit qualitatief identiek te worden, opgenomen kunnen worden. De wet der geschiktmaking, welke dit tracht te doen, zal zwakker werken, naarmate er aan die volmaakte eenzelvigheid minder ontbreekt, zoodat er evenmin een eindigen tijd zal bestaan, waarin die werking alle te kort komingen aan die eenzelvigheid opgeheven zal hebben, alsdat er eene eindige abcis zal bestaan, waarbij bij eene kromme alle verwijdering van den assymptoot dezer verdwenen is. Dat de drang tot verandering van zaken, naarmate zij den toestand, waarin die drang hen wil brengen, meer genaderd zijn, kleiner wordt, is een gevolg der werking der wet der traagheid, die zulk een drang slechts veroorlooft binnen een eindigen tijd in grootte te veranderen, en aldus ook te verdwijnen. Er zullen aldus zeer korte, maar toch nog eindig groote tijden bestaan, dat die drang uiterst gering zijnde, voor het voortbrengen eener nadering der eene zaak tot de andere, die vroeger binnen korten tijd geschiedde, uiterst langen tijd noodig zal hebben. Bij bovengemelde kromme is de grootte der hoeken, welke de tangenten met de as der abcissen maken, met de grootte van dien drang te vergelijken. Is de vergelijking dier kromme nu zoodanig, dat die hoeken wel naar nul streven, maar niet negatief kunnen worden, en beneden zekere grootte alle soorten van grootte bezitten, zoo moet zulk eene kromme een assymptoot paralel met de as der abcissen bezitten. Evenmin als een veranderlijk wezen binnen een eindigen tijd het karakter der onveranderlijkheid kan verkrijgen, kan het, een zelfstandig iets zijnde, binnen zulk een tijd volmaakt vernietigd worden. Ware eene vernietiging er van mogelijk zoo zou hierbij juist het omgekeerde als bij de op blz. 184 gemelde aangroeijing van zulk een wezen van af nul tot een eindig bedrag gedurende eene eeuwigheid moeten plaats hebben. Een wezen, in dit laatste geval verkeerende, moet eene eeuwigheid nadat het eene eindigen grootte bereikt heeft, oneindig groot zijn, en de stelling der preƫxistentie tot noodwendig gevolg hebben, dat de geestontwikkeling der wezens de palen der eindigheid moet overschreden hebben, wanneer zij met den Oergeest volmaakt zamensmelten. De wet van geschiktmaking werkt, door de wezens een onveranderlijken aard te willen geven, de vergrooting dier wezens tegen. De wet der veranderlijkheid werkt op eene tegenovergestelde wijze, en moet gedurende het laatste oneindig lange tijdvak, dat de eindige wezens, voor met den Oergeest zamen te smelten, in grootte toenemen, in werking betrekkelijk de wet van geschiktmaking verzwakken.

Bij eene eindige betrekking tusschen de werkingen dier beide wetten in het voordeel der eerstgemelde, voor zooverre deze zie blz. 284 geene terugtrekkende werking uitoefent, zullen, bij den aanvang reeds bestaande wezens gedurende een eindigen tijd eene eindige betrekkelijke, vergrooting ondergaan. Alsdan zal echter die betrekkelijke vergrooting dier wezens gedurende eene eeuwigheid, van af een eindig getal tot nul afnemende zulks te traag doen om binnen die eeuwigheid slechts eene eindige absolute vergrooting voort te brengen. Hiervoor zou die verhouding, op het oogenblik van den aanvang dier eeuwigheid, oneindig groot moeten zijn en bij een wezen in grootte nul bestaan. Die grootte is vergelijkbaar met die der ordinaat nul bij den top van assymptoten bezittende kromme lijnen. Van dergelijke krommen moeten de met bovengemelde betrekkelijke vergrooting vergelijkbare tangenten der hoeken der raaklijnen van oneindig tot op nul afnemen.

De op blz. 276 gemelde zucht tot opheffing van den geest naar den onveranderlijken oneindigen Oergeest, vereischt dat diens onveranderlijke denkbeelden een invloed hoe indirect ook op onze veranderlijke denkbeelden uitoefenen, want anders zou het zijn, of dit onveranderlijke wezen voor ons geen objectief bestaan had, en aldus, zooals op blz. 275 gezegd is, die zucht bij de menschen niet kunnen bestaan. Die onveranderlijke denkbeelden van den Oergeest kunnen echter niet direct op de onze van invloed zijn, omdat deze dan ook een directen invloed op die onveranderlijke denkbeelden zonden uitoefenen, en hen niet volmaakt onveranderlijk zouden kunnen laten. Die invloed moet aldus geschieden door eene grootst eindige reeks van zie blz. 175, veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, en wel zoo dat de leden dier reeks naar de zijde waar deze zich aan de onveranderlijke denkbeelden hecht, meer en meer hun karakter van veranderlijkheid verliezen en in uitgebreidheid toenemen [81].

Die uitgebreidheid bij die onveranderlijke denkbeelden oneindig zijnde, zoo kan hun invloed op onze denkbeelden vergeleken worden met dien van een oneindig grooten hemelbol op een eindig grooten bol, waarvan hij oneindig ver verwijderd, en aldus, zie blz. 165, door eene oneindige massa van aantrekkingstrillingen bezittenden ether gescheiden is. De invloed dier reeks van denkbeelden van den Oergeest op onze denkbeelden moet echter niet beschouwd worden als inspiratie, maar zie blz. 122 als de oorzaak waardoor wij ons door middel der rede en verbeelding boven zintuigelijke indrukken verheffen. De veranderlijke denkbeelden van den Oergeest, bepaalt door de atomistische bewegingen der aarde, oefenen, door tusschenkomst van dergelijke veranderlijke denkbeelden, bepaalt door atomistische bewegingen der deelen van ons ligchaam, geestelijke invloeden uit op door de zintuigelijk onwaarneembare atomistische bewegingen bepaalde denking van onzen geest [82]. Gedroeg deze zich hier tegenover geheel passief, zoo zou hij een aardsch product zijn, en werkelijk tracht die invloed hem daartoe door eene werking der wet van geschiktmaking te verlagen. Onze geest gedraagt zich echter ook actief, ofschoon niet steeds even sterk, het minste in den slaap, in staat van dronkenschap, van waanzin, enz., wanneer hij zich weinig inspant; het meeste bij het denken over abstracte onderwerpen, over het algemeene en bij het in den niet latenten toestand. houden van denkbeelden, zoo dit sterke inspanning vereischt. Voor het bezit dier activiteit heeft echter onze geest noodig primo om eene menigte van verscheiden en veranderlijke indrukken te ontvangen, zonder welke hij niet werkdadig kan zijn, zie blz. 93, en secundo om invloed te kunnen uitoefenen op voorwerpen, die zich alsdan tegenover hem passief gedragen. Zoo gedragen zich de beenen passief, wanneer wij tengevolge van onzen wil (eene soort van denking) gaan, en zouden zij zich slechts actief gedragen, zoo zij ons konden dwingen om te loopen [83]. Onze geest zou slechts aan de op blz. 94 gemelde werking, trachtende hem een aardsch product te doen worden, blootgesteld zijnde, dit werkelijk naar ons inzien worden, zoo de werking der wet der veranderlijkheid hem niet binnen de wereldsche verscheidenheid en veranderlijkheid door de op blz. 279 gemelde reeks aan eene opheffende werking blootstelde, en daardoor tevens maakte dat die eerste werking haar doel niet kan bereiken, en aldus verlagende op den geest blijft werken.

Men kan zich voorts voorstellen wezens zich niet verheffende boven de zintuigelijke indrukken, die zij op een hemelbol verkrijgen, en die, in zeker opzigt qualitatief niet van elkander verschillende, dit quantitatief wel doen. Zoo zouden bijv. op deze aarde waterdieren, zich niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffende, niet slechts minder hoog in geestontwikkeling staan dan de werkelijk bestaande waterdieren, maar tevens als imaginaire landdieren, welke zich ook niet boven hunne zintuigelijke indrukken verheffen.

Om te beseffen hoe de aardsche zintuigelijke aanschouwing, door beneden de denking der aardbewoners te blijven, de vergrooting der geestontwikkeling dier wezens belemmert, en, zoo onze planeet (zie blz. 154) niet zelve in eene phase van vooruitgang was, hij de nakomelingschap slechts tot een zeker maximum zou veroorloven te gaan, neme men in acht, dat al der menschen wetenschappelijke kennis bestaat uit zintuigelijke waarnemingen, wiskunde en logica. Van het eerste is natuurlijk het maximum op deze aarde beperkt, en met de wiskunde en logica is dit, door eene indirecte uitwerking van dit te laag staan der zintuiglijke aanschouwing met betrekking tot onze denking, insgelijks het geval.

Zoowel bij de logica als bij de wiskunde wordt den aard en grootte van het onbekende, uit het bekende afgeleid, zoodat, waar zie blz. 174 de rijkdom en volkomenheid der aanschouwing de geesten ten volle verzadigen, wiskunde en logica overbodig zijn. Zoowel bij de logische als bij de wiskundige redenering (wier juistheid eigenlijk onafhankelijk is van de objectieve waarheid van de stellingen waarvan men uitgaat) gebruikt men beelden en voorstellingen aan de zintuigelijke aanschouwing ontleend. De beperktheid hiervan moet nu de vlugt van onze voorstellingen beperken door hierop eene terugtrekkende werking uit te oefenen, en hierdoor aan de intellectuele ontwikkeling der aardbewoners met betrekking tot de wiskunde en logica grenzen stellen, zelfs al waren die bewoners in het bezit eener aardsche onsterfelijkheid en aldus van een onbepaald langen tijd om te leeren, zonder dat hun geest een aardsch product was, twee zaken die, zie blz. 224, naar ons inzien, onvereenigbaar zijn.

Men zij voorts indachtig dat de werktuigen, zooals telescopen, microscopen, passers, barometers enz. waardoor onze aardsche zintuigelijke aanschouwing uitgebreider geworden is, niet zouden bestaan, zoo het vooruitloopen er hiervan door onze denking er zie blz. 178 niet opheffende opgewerkt had, doch die uitbreiding is begrensd.

Bij de theorie snelt men door middel van wiskundige en logische redeneringen de zintuigelijke aanschouwing meer vooruit, dan bij de praktijk. Meer dan hierbij komt men bij de theorie tot resultaten van een meer algemeenen aard. Bij haar staat meer dan bij de praktijk vooruitgang en minder dan bij deze geschiktheid op den voorgrond.

Wanneer een ligchaam valt, bestaat er een verschijnsel, namelijk de aantrekking waaraan dit ligchaam is blootgesteld, dat opwekt een ander aldus in grootte toenemend verschijnsel, namelijk de nadering van dit ligchaam tot andere ligchamen. Wederkeerige versterking tusschen die aantrekking en die sterkte van nadering heeft er hierbij (evenals in zeker opzigt zie blz. 12 tusschen den aanleg en de toeneming der geestelijke ontwikkeling) slechts zeer weinig plaats, omdat, in tegenstelling van bij onderlinge nadering van twee hemelligchamen, de aantrekking bij aardsche ligchamen gedurende den val van deze zeer weinig vergroot. Die nadering van dit ligchaam tot andere, een gevolg der aantrekking, brengt voort elastieke botsing, dat is een overgang dier aantrekking in afstooting, en aldus eene vernietiging en omkeering van deszelfs oorzaak voort. Op het oogenblik dat die afstooting begint, zal de nadering op een maximum zijn; terwijl, op het oogenblik dat de afstooting op een maximum is, de nadering nul geworden zal zijn. Deze wordt daarna negatief, dat is zij gaat over in verwijdering, die op het grootste wordt op het oogenblik dat de afstooting weder in aantrekking overgaat. Afneming hierbij dier heen en teruggaande snelheden door wrijving of onveerkrachtige botsing, is eene werking der wet van geschiktmaking, omdat er dan zie blz. 251 snelheden in warmtetrillingen overgaan. Bestaat die verwijdering bij hemelligchamen, zoo zal er na de botsing tusschen de sterkte der verwijdering en de aantrekking eene wederkeerige verzwakking bestaan.

Zoo die hemelligchamen, in plaats van tegen elkander te botsen, zeer langwerpige ellipsen om een gemeenschappelijk brandpunt beschrijven, zullen de naderingen op eene andere wijze de hen voortbrengende aantrekkingen vernietigen. Zij keeren in dit geval de rigting waarin de aantrekking geschiedt om, zoodat alsdan de aantrekkingen niet negatief worden, door in afstootingen over te gaan, maar door in tegenovergestelde rigting te geschieden. In dien laatsten zin zijn die aantrekkingen bij de perihelia op het sterkste negatief, en aldaar is de sterkte der nadering nul geworden, om later negatief te worden, dat is in verwijdering over te gaan. Bij de aphelia zijn bij dit geval de positieve aantrekkingen gering wegens bovengemelde wederkeerige verzwakking tijdens de verwijdering der beide ligchamen. Bij het eerste voorbeeld is daarentegen de aantrekking der aarde minus de afstooting der beide ligchamen op het grootste, wanneer het botsende ligchaam weder begint terugtevallen, en aldus de sterkte der nadering er bij nul is.

Wanneer de werking der wet der veranderlijkheid zoodanig is, dat het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te vernietigen en negatief te maken, is die werking in denzelfden geest als de werking der wet van geschiktmaking terwijl, wanneer het gevolg deszelfs voortbrengend verschijnsel tracht te versterken, de werking der wet der veranderlijkheid in tegengestelden geest als die der wet van geschiktmaking is. In het eerste geval bestaat er echter dit verschil tusschen de werking der wet der veranderlijkheid en die der wet van geschiktmaking, dat de werking dier laatste wet alsware een nevenverschijnsel te weeg brengt, in sterkte toe en afnemende met het verschijnsel waarop die werking vernietigende werkt, zooals bijv. de met wrijving gepaard gaande snelheden; terwijl daarentegen bij de werking der wet der veranderlijkheid, zooals in het eerste geval, het vernietigd wordende verschijnsel door zijne grootte het vernietigende opwekt. Deze laatste werking, gepaard met die der wet van geschiktmaking, waardoor, bijv. zooals op blz. 259 aangegeven is, de gewijzigde werking van blz. 257 ontstaat, zou op maatschappelijk gebied steeds iets heilzaams wrochten, zoo de maatschappij in geen staat van vooruitgang verkeerde, en zal aldus iets heilzaam teweeg brengen in de gevallen waarmede de vooruitgang niet te maken heeft, zooals bijv. het vernietigen van afwijkingen ten eene of andere zijde van een welgemaakt ligchaam. In zulke gevallen is toch de gemiddelde toestand den besten, de vernietiging van afwijkingen hiervan wenschelijk en het ontstaan van zulke afwijkingen door de wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg plaats heeft, schadelijk. Bij zaken in staat van vooruitgang is daarentegen, wegens de werking der traagheid zie blz. 52, die gemiddelde toestand niet den besten, het ontstaan van afwijkingen er van naar boven is aldus wenschelijk en de vernietiging dier afwijkingen schadelijk. Zoo aldus die werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking tusschen oorzaak en gevolg ontstaat alsdan dergelijke afwijkingen te weeg brengt, zal de werking er van heilzaam en de tegengestelde werking der wet der veranderlijkheid schadelijk zijn, daar in het eerste geval men iets goeds met betrekking tot wat ook, tracht te vergrooten en in het laatste dit goede tracht te vernietigen. Zoo is het bijv. goed dat de belooningen, zij die zich goed gedragen, tot nog beter aansporen. De begrenzing van dergelijke afwijkingen, tengevolge der op blz. 261 gemelde werking der wet der geschiktmaking, is dan echter en wel meer, naarmate zij digter bij zekere grootte is, iets heilzaams. Zoo is het bijv. goed om door belooningen de vlijt van leerlingen op te wekken, edoch de toeneming dier vlijt moet gematigd worden, omdat zij anders de gezondheid dier leerlingen zou schaden, en evenzeer moet de vergrooting der belooningen gematigd worden, omdat deze anders onregtvaardig zouden worden.

Het ontstaan van alsware beneden of achterwaartsche afwijkingen van achterlijke gemiddelde toestanden door de werking der wet der veranderlijkheid, waarbij er wederkeerige versterking plaats heeft, is daarentegen schadelijk omdat alsdan iets kwaads vergroot wordt; terwijl de omgekeerde werking dier wet, waardoor dergelijke afwijkingen naar achteren tegengegaan worden, heilzaam is. Schadelijk is het bijv. wanneer men slechte menschen zoo bejegent en plaagt, dat zij uit wrok nog slechter worden, goed, wanneer men dit zoo doet, dat hunne zedelijkheid digter bij die van het gros der menschen komt.