Part 20
Evenzoo zal dit met het loonen plaats hebben, zoo de werking der wet van geschiktmaking alleen het vernietigen van afwijkingen tot doel heeft, en aldus het loonen een bedervenden invloed uitoefent. Heeft daarentegen de werking dier wet tot doel om de menschen, accidenteel beter geworden, aldus te houden, zoo zal zij hen hoogere eischen dan vroeger stellen, en hen in eene hoogere omgeving dan vroeger plaatsen. Deze laatste werking der wet van geschiktmaking niet in aanmerking nemende, zoo zal, bij de vereenigde werking der drie natuurwetten, in het begin het straffen sneller toenemen dan bij het geval op blz. 258 behandeld, het reeds trager dan vroeger toenemen, wanneer het wangedrag op een maximum is, en het reeds weder verminderd zijn, wanneer de gestraft wordende persoon zich weder als gemiddeld de andere menschen gedraagt. Op dit oogenblik geschiedt het straffen aldus minder streng dan in het vorige geval, en zal aldus die persoon, tengevolge der werking der wet der veranderlijkheid, minder in gedrag boven de andere menschen gaan uitsteken. De werking der wet der geschiktwording zal hem leiden om ook, zonder dat hij gestraft of beloond wordt, in zedelijkheid met gemiddeld de andere menschen gelijk te worden, eene reden waardoor de schommelingen bij de afwijkingen van zijn gedrag zwakker zullen worden, hetgeen wederom de schommelingen bij de wijzen, waarop hij behandeld wordt, verzwakt. Het gaat hierbij als bij een slinger, hoe minder deze van den verticaal afwijkt, met hoe minder snelheid hij den verticaal zal voorbijgaan, en met hoe minder snelheid hij dit laatste doet, hoe kleiner die afwijkingen zullen worden.
Bij de veranderlijke veropenbaring der zelfstandigheid door denking en door beweging baren zie blz. 240 bijzondere verschijnsels;, andere verschijnsels, deze weder andere verschijnsels, terwijl tevens verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde, op elkander kunnen werken. In dit laatste geval kan het zijn, dat het eene dier verschijnsels het andere tracht te verzwakken en dit het eerste te versterken, of dat zij beide in aard aan elkander gelijk trachten te worden. In dit geval zal de wet der geschiktmaking trachten hen in het eerste geval quantitatief en in het tweede qualitatief aan elkander gelijk te doen worden, maar de wet der veranderlijkheid hen alsdan gevolgen geven, op dezelfde wijze op hen werkende als de snelheden van een slinger op de afwijkingen van den verticalen stand van dezen, zoodat zij met betrekking tot elkander schommelingen zullen ondergaan. Het verkeer van een arm met een rijk mensch zal bijv. genen meer behoeften geven, en dit behendigheid en vlijt, maar tevens oneerlijkheid bij hem kunnen opwekken, terwijl door dit verkeer de rijke zekere verzadiging zal ondervinden, waardoor hij zorgeloos en lui, maar tevens grootmoedig zal worden. Wanneer nu, tengevolge dier bij hen door dit verkeer opgewekte eigenschappen, beide dier personen even rijk geworden zijn, zullen, zoo van de wet van geschiktmaking de op blz. 259 gemelde werking niet bestond, die eigenschappen op een maximum zijn en de vroeger arme rijker worden, dan den vroeger rijken [76].
Verschijnsels kunnen tot gevolg hebben andere verschijnsels wier grootte zij tengevolge der werking der veranderlijkheid trachten te doen toenemen, terwijl die gevolgen van geen noemenswaardigen invloed zijn op derzelver oorzaak. Door de nabijheid der aarde van de zon zou bijv. gene steeds warmer worden, zoo de op blz. 249 gemelde werking der wet van geschiktmaking, zich in dit geval als warmteuitstraling veropenbarende, er aan geen grens stelde. Die verwarming der aarde zal echter derzelver afstand van de zon niet veranderen; doch op blz. 156 gemelde werking hierbij die der wet van geschiktmaking zijn, in zooverre zij maakt dat snelheden, zie blz. 165 in aantrekkingstrillingen overgaan. In zoo verre die werking warmtetrillingen bij de hemelbollen in gewone snelheden doet overgaan, is zij daarentegen eene werking der wet der veranderlijkheid. Trouwens, zoo zij, door de hemelbollen zeer ver van elkander te brengen, tegengaat dat deze met groote snelheden betrekkelijk elkander bewegen en invloeden op elkander uitoefenen, zooals bijv. de zon op de aarde, belet zij dat die hemelbollen zich blijvend vereenigen tot een eenigen bol, die, door het opnemen der wrijvingswarmte door overgang voor uiterst vele en groote gewone snelheden in warmtetrillingen, voortgebragt, uiterst ijl en uitgezet zou worden, en aldus een zeer algemeen karakter zou verkrijgen.
Ook kan het zijn dat twee verschijnsels, noch oorzaak noch gevolg van elkander zijnde, op elkander gaan werken, en dat het eene hierdoor niet noemenswaardig verandert, terwijl het andere versterkt of verzwakt wordt. Het onderwijs, door een schoolmeester gegeven, komt bijv. in aanraking met den geest van een leerling, en tracht diens kennis te vergrooten. Door de werking der wet der veranderlijkheid zou die schoolmeester dien leerling gansche bibliotheken van buiten kunnen doen leeren maar, onder de gedaante van vergeten, beperkt de werking der wet van geschiktmaking de toename der geleerdheid van den leerling. Neemt men den geest opheffende werking der inspanning, welke zich de schoolmeester geeft, niet in aanmerking, zoo zal deze door den directen invloed op hem van dit door hem gegeven onderwijs, niet meer of minder geleerd worden, en de op blz. 255 gemelde werking der wet van geschiktmaking hem niet even kundig als zijn leerling trachten te maken, omdat hij zich niet op eene lijn met dezen stelt, en niet vermeent aan dezelfde voorwaarden als dezen te moeten voldoen.
Ook kan het zijn dat een verschijnsel een ander tot gevolg heeft en de intensiteit hiervan tracht te vergrooten, terwijl dit gevolg iets dergelijks bij deszelfs oorzaak tracht te weeg te brengen, of dat twee verschijnsels zulke invloeden op elkander uitoefenen, dat zij elkander wederkeerig versterken of verzwakken. Op blz. 309 van het Vervolg van ons werk get.: Over de werking der Natuurwetten op zedelijk gebied enz. hebben wij daarvan verscheidene voorbeelden gegeven. De werking der wet van geschiktmaking werkt dan echter de vergrooting van elk dier verschijnsels tegen, zoodat zij eindelijk, na zekeren trap van grootte bereikt te hebben, niet meer noemenswaardig veranderen. Zoo zal wel het vliegen der vogels de vergrooting van derzelver vleugels bevorderen, en het bezit van grootere vleugels die vogels sterker doen vliegen, edoch, zoowel eene bovenmatige grootte hunner vleugels, als het uiterst snel doorklieven der lucht, voor de vogels iets ongeschikt moeten worden.
Zoo versterken moedeloosheid en geledene verliezen elkander wel, doch de werking der wet van geschiktmaking zal den ontmoedigden tot bezinning doen komen, en hem tevens zijn werkkring doen beperken, waardoor deze zie blz. 42 meer in harmonie met de overgeschotene hulpmiddelen komt, en het lijden van nog meer verliezen moeijelijker wordt, ofschoon de moedeloosheid dan nog als gevoel van zwakte kan blijven bestaan.
Op blz. 152 hebben wij gesproken van eene wederkeerige versterking van den aanleg voor iets en den graad waarin men het er in brengt. De werking der wet van geschiktmaking schijnt echter de vergrooting van zulk een aanleg, naarmate deze graad grooter is, sterker te bemoeijelijken, terwijl de werking dier wet, waardoor de verschillende soorten van geestontwikkeling zich bij den mensch op dezelfde hoogte trachten te stellen, voor zooverre de levensomstandigheden dit niet tegengaan, benevens de terugtrekkende werking van het ligchaam en der beperktheid der controlerende zintuigelijke aanschouwing, de vergrooting van eene soort van geestontwikkeling bij den mensch tegengaan. Wanneer echter die wederkeerige versterking van aanleg en graad van geestontwikkeling in iets zwakker is, zal de werking der wet van geschiktmaking eerst later beide beletten verder noemenswaardig in grootte toe te nemen. Die geestontwikkeling zal dan toch meer tijd gehad hebben om zich geschikt voor andere zaken te maken, om de bovengemelde haar alsware achteruittrekkende zaken te ontvlieden, en bijv. met een hooger georganiseerd ligchaam en eene ruimere controlerende aanschouwing in aanraking te komen.
Bij die wederkeerige versterking komt het ons voor dat de aanleg zwakker toenemen moet, naarmate hij van meer algemeenen aard en meer met de op blz. 185 gemelde grondslagen van de ligchaamsorganisatie vergelijkbaar is. Vooral voor de vergrooting van deze soort van aanleg (evenals de meer bijzondere soorten er van in eigenschappen van denkbeelden bestaande) zal langere duur der toeneming der geestontwikkeling gunstiger werken dan de sterkte dier toeneming, hetgeen ook doorgaat voor de verandering der algemeene karaktertrekken bij wederkeerige versterking dier verandering en van zekere rigting van denkbeelden. Wederkeerige versterking tusschen een eindigen aanleg en eene geestontwikkeling gelijk nul kan binnen geen eindigen tijd bestaan, ten eerste omdat, zonder geestontwikkeling, dat is zonder denkbeelden, er geen aanleg kan bestaan zie blz. 247, ten andere omdat nul, met alle eindige grootheden vermenigvuldigd, steeds nul tot product geeft. Buitendien zal er eene opheffende werking noodig zijn om de geestontwikkeling te vergrooten. Aanleg is hiervoor niet voldoende, deze maakt slechts de taak dier opheffende werking gemakkelijker. Deze is zelfs ook noodig om de vogels te leiden om te vliegen, want men kan het bezit van vleugels door de vogels eenigzins vergelijken met die van zintuigsorganen door de menschen. De vergelijking van het edelere gebruik dat wij, met het lagere gebruik dat de dieren van die organen maken, toont aan dat voor het waarnemen en opmerken het bezit van zulke organen niet voldoende is.
Deze beide voorbeelden zijn dan ook niet die van eenvoudige wederkeerige versterking van twee verschijnsels, maar van zoo iets gepaard met de versterking van het eene dier verschijnsels door een ander dat er niet door aangedaan wordt (zie later). De werking der wet van geschiktmaking zou de versterking van dit eerste verschijnsel namelijk die van de geestontwikkeling zeer beperken, zoo die werking steeds gevormd werd door de terugtrekkende werking van de ligchamen en de beperktheid der aardsche zintuigelijke indrukken. Verplaatst zich echter het peil, waarnaar de terugtrekking geschiedt, naar hooger, zoo vervalt de beperking der toeneming der geestontwikkeling door de werking der wet van geschiktmaking. De bijzondere verschijnsels met betrekking tot de gemiddelde toestanden, brengen voort bijzondere verschijnsels met betrekking tot iets van een anderen algemeenen aard, of afwijkingen van eene andere soort van gemiddelde, (zooals bijv. de afwijkingen van een gemiddeld gedrag, afwijkingen van eene gemiddelde behandeling). Deze doen op hunne beurt hetzelfde, en zoo ontstaan er eene menigte van bijzondere verschijnsels of afwijkingen van gemiddelden van verschillenden aard, die elkander versterken of verzwakken. Doordat bij dit laatste er echter, zooals blz. 258 gezegd is, eene versterking in tegenovergestelden zin plaats heeft, wanneer het gevolgverschijnsel verzwakt, terwijl wederkeerige verzwakking niet kan plaats hebben, wanneer een der verschijnsels opgewekt wordt, zoo zal het ontstaan van bijzondere verschijnsels en afwijkingen, door andere bijzondere verschijnsels en afwijkingen van iets anders voortgebragt, als ware het totale bedrag der bijzondere verschijnsels en afwijkingen van verschillenden aard vergrooten. Wel zal nu de werking der wet van geschiktmaking de bijzondere verschijnsels en afwijkingen trachten te vernietigen en dit in zekere mate doen, doch daar andere bestaande bijzondere verschijnsels en afwijkingen als gevolgen baren nieuwe bijzondere verschijnsels en afwijkingen van de soort der vroeger, door de werking der wet van geschiktmaking grootendeels vernietigd, de werking dier wet tegengewerkt worden door die der wet der veranderlijkheid en in den ganschen veranderlijken wereld dan de eene en dan de andere werking de overhand bekomen. Ofschoon die der wet der veranderlijkheid verschijnselen in aard hier mede verschillende gevolgen doet voortbrengen, zoo hebben oorzaken steeds er mede gelijkslachtige hetzij hen verzwakkende, hetzij hen versterkende gevolgen. Iets dergelijks ontwaart men ook bij de werking der wet van geschiktmaking. Bij de verschijnsels geschiedt deze op er mede gelijkslachtige wijze, zooals vernietiging van snelheden door omzetting dezer in trillingen, die van het hinderlijke der slavernij door verdierlijking der slaven enz. Dit ontstaat doordat, zooals op blz. 249 gezegd is, vaste, maar alsware meer bijzondere wetten bepalen in welke verhouding de aard der werkingen der beide algemeene wetten staat tot de verschijnsels waarbij zij plaats hebben. Vandaar dat al de wetenschappen, die de oorzaken en het verband der verschijnselen nagaan, zooals de Natuurkunde, de Staathuishoudkunde, de Ethica, de Wijsgeerige geschiedenis, de Volkenkunde enz., ten doel hebben om te vinden, welke bijzondere natuurwetten uitsluitend op ieders gebied heerschen zouden, zoo er geen verband tusschen de verschijnsels, tot het gebied dier verschillende wetenschappen behoorende, bestond [77].
Der menschen handelingen kunnen slechts dan geheel werkingen der wet van geschiktmaking zijn, wanneer zij de directe gevolgen zijn van ongeschikte toestanden van zaken, en dit nu is niet het geval, wanneer die handelingen de gevolgen van redeneringen zijn. Zoo bijv. iemand, met losbollen verkeerende, er ook een wordt, geschiedt dit door de besmettelijke, zie blz. 255, afwijkingen wegnemende werking van zijne omgeving en niet door redenering, evenmin zoo iemand met de oogen knipt, wanneer hierop te sterk licht valt.
Wanneer de menschen op eene beredeneerde wijze ongeschiktheden (bijv. ziekten) trachten te doen verdwijnen, zijn de daarvoor door hen aangewende middelen steeds de zeer indirecte gevolgen dier ongeschiktheden. Was dit anders, wees bijv. maagpijn op eene instinctieve en directe wijze de daartegen aan te wenden middelen aan, zoo zouden deze zeker doelmatig zijn, want het zich aldus genezende wezen zou zich daarvoor niet boven de zintuigelijke ervaring behoeven te verheffen, en geene andere verandering in het ligchaam dan het wegnemen der kwaal zou plaats hebben. Bij de behandeling van zieken door artsen geschiedt dit nu ook wel zoo in zekere mate, doch buitendien worden er, deels door dwalingen, veranderingen bij de ligchamen der patienten te weeg gebragt. Die behandeling bestaat aldus uit de vereenigde werking der wet van geschiktmaking en van die der veranderlijkheid.
In andere gevallen is hetgeen de menschen tengevolge van redenering doen in betrekkelijk sterkere mate ofschoon niet geheel de werking der wet van geschiktmaking. Het kleeden bijv. verkeert in dit geval, want de gewaarwordingen van onze ligchamen duiden ons aan, dat wij bijv. geen lappen laken onder onze voeten moeten bevestigen en geen rok van zoolleer maken, terwijl ook de vorm der kleederen door die van onze ligchamen in zekere mate direct aangegeven wordt.
Bij al ons redeneren hebben wij steeds ten doel bij iets geschiktheid voort te brengen, al zij het dat er door zie blz. 256, te gelijk ongeschiktheid bij andere zaken ontstaat, zoodat dit redeneren evenmin alleen eene werking der wet der veranderlijkheid als, wegens de reden van blz. 260, eene der wet der geschiktmaking is. Omdat het echter deels eene werking van eerstgemelde wet is, zal het slechts in eene veranderlijke wereld, dat is in zulk eene waarin er een drang tot vooruitgang kan bestaan, kunnen plaats hebben. Het verkeer in eene veranderlijke wereld is echter niet voldoende om vooruitgang bij de wezens voort te brengen, hiervoor moet bij deze een drang er toe bestaan, even als zie blz. 263, voor de toeneming der intellectuele ontwikkeling bij wezens in het bezit van zekeren aanleg.
Een wezen kan een lager en gebrekkiger georganiseerd ligchaam dan zijns gelijken bezitten en hierdoor zie blz. 90, aan eene grootere terugtrekkende werking dan dezen blootgesteld zijn. Het kan zich echter ook eene grootere geestinspanning dan de andere wezens geven, ten einde in dit gebrek te voorzien, en die grootere geestinspanning de vergrooting zijner geestelijke ontwikkeling bevorderen. Wanneer dit wezen aan die bevordering groote behoefte gevoeld, zal het in dit laatste geval verkeeren, en dit vergelijkbaar zijn met het op blz. 240, gemelde geval, waarin een volk door kunstmiddelen moet voorzien in hetgeen de natuur elders zelve geeft.
Het is naar ons inzien het duistere besef van die onbepaalde vergrooting der geestontwikkeling der menschen, dat doet zeggen dat hun leven onschatbaar is, niettegenstaande de waarde van het aardsche leven van enkele menschen negatief is, en van de meeste hunner niet boven die eener matige geldsom gaat.
De statistiek leert toch hoe, door het verzuimen van zekere veiligheidsmaatregelen, er gemiddeld jaarlijks een zeker aantal menschen omkomen, en toch kan men die maatregelen niet invoeren wanneer zij te veel geld kosten. Bij al zijn werken en drijven stelt de mensch zijn ligchaam aan meer of minder gevaren bloot. Productie van welken aard ook kost aldus bloed, zelfs wanneer die productie dient tot het verschaffen van middelen ter beveiliging van der menschen leven. Het bewerkte hout en ijzer dat bijv. op de schepen hiervoor dient, kost aan een aantal houthakkers en mijnwerkers het leven. Men zou aldus moeten oplossen het vraagstuk "van welken aard de productie moet zijn om een minimum van menschenlevens te kosten," een vraagstuk dat, wegens de gedurige variatien der omstandigheden, slechts zeer in het ruwe op te lossen is, en waarbij men de productie door te groote voorzigtigheid niet moet verminderen, omdat hierdoor, ten bate der geschiktheid met betrekking tot de veiligheid, de van de productie afhangende beschaving te veel benadeeld zou worden. [78]
Terwijl bij met den onveranderlijken oergeest volmaakt zamengesmolten wezens, wat geschikt is in het eene opzigt ook geschikt moet zijn in een ander opzigt, wat voor den een geschikt is, ook voor den ander geschikt moet zijn, en wat gewenscht is voor het heden ook in de toekomst gewenscht moet zijn, is dit bij veranderlijke wezens geenszins het geval. Deze kunnen dan ook slechts trachten de bij hen bestaande totale ongeschiktheid, waaronder zoowel die voor toekomstige hoogere toestanden, als die voor het heden, zoowel die met betrekking tot hunne zamenwerking met anderen, als die met betrekking tot hun eigen, tot een minimum te maken, iets dat zij, zoo zij aan de eischen van hun maatschappelijken toestand voldeden, gemiddeld zouden trachten te doen, doch welke pogingen door allerlei veranderingen van toestand te weeg brengende accidentele oorzaken aanhoudend tegengewerkt zouden worden. Van zulk een minimum van ongeschiktheid in allerlei opzigten, dus ook voor de toekomst, verwijdert men zich echter wanneer men de geschiktheid voor het een geheel opoffert ten bate van die voor het ander. Die eerste soort van ongeschiktheid wordt alsdan meer vermindert dan de tweede vergroot, omdat, naarmate er geschiktheid bij iets meer vermindert, de verdere vermindering er van bezwaarlijker wordt, omdat zij zich alsware dan bepaalt tot hetgeen waarbij zij moeijelijker uitteroeijen is.
Dit kan vergeleken worden met de uitwerking der geregtelijke straffen. Deze gaan in zekere mate de misdaden tegen, maar straft men zelfs de ligtste diefstallen met den marteldood, zoo zouden er nog in voor de dieven zeer aanlokkende gevallen er nu en dan diefstallen gepleegd worden, en de maatschappij minder winnen door de vermindering der diefstallen, dan verliezen door de pijnlijke uitwerking dier verschrikkelijke straffen.
Wij menschen trachten wel in zekere mate de ongeschiktheid bij ons genoegen in het heden, die bij ons toekomstig bestaan, die bij andere menschen en die bij het toekomstige bestaan van andere menschen weg te nemen, doch doen dit niet bij elk dier soorten van ongeschiktheid in zulk eene verhouding als behoort, om bij allen te zamen de ongeschiktheid tot een minimum te maken, en wel, omdat de toestand daaromtrent niet alleen bij de in beschaving gestegene menschheid veranderd is, maar tevens bij elk individu gedurende zijn leven verandert. Bij de dieren toch lijdt de geschiktheid voor de toekomst en die van andere individuen veel minder dan bij ons menschen door de verwaarlozing er van ten bate der geschiktheid van het individu in het heden, en daar, sedert dat wij maatschappelijke pligten te vervullen hebben, onze verheffing boven den staat der dieren niet sedert zeer langen tijd uiterst langzaam heeft plaats gegrepen, handelen wij, tengevolge der werking der traagheid en van de in de Noot van blz. 139 gemelde terugtrekkende werking, met betrekking tot het te keer gaan der ongeschiktheid bij elk dier zaken, te veel als dieren, dat is wij voldoen niet aan de eischen van ons maatschappelijk bestaan. Desniettemin verzuimen wij niet geheel om bij elk dier zaken de ongeschiktheid tegen te gaan, en zelfs niet bij ons en anderen toekomstig buiten aardsch bestaan. Dit wordt bewezen, doordat der menschen ideaal hooger reikt dan om de hen bewuste kwalen der menschheid weg te nemen, en om deze in den geschiktsten toestand met betrekking tot het aardsche leven in de tot den thans bestaanden stand van beschaving gestegene maatschappij te stellen. Om dit laatste in voldoende mate te doen, hiervoor zijn de menschen, wegens bovengemelde oorzaak, te zinnelijk, te egoïstisch en te zorgeloos, kunnen zij gedurende hun kortstondig aardsch bestaan te weinig de behoeften hunner medemenschen leeren kennen, en mangelt het hen aldus zoowel aan intellectuele als aan morele ontwikkeling, doch dit neemt niet weg, dat de (zie blz. 78), zoo onharmonische mensch somtijds zorgt om geschiktheid te vergrooten voor iets hooger dan het genoegen der aardsche maatschappij in het heden, en dat hij hiervoor dit genoegen vermindert, en zich zelf lijden oplegt. Dit is bijv. het geval zoo iemand zooals Beijling, om zijn gegeven woord niet te breken, niet slechts zijn eigen leven opoffert, maar tevens zijne vrienden in droefheid dompelt. Dit is het geval zoo iemand, overstelpt door rampen of behebt met ongeneeselijke en smartelijke kwalen, zich liever in de harde maar leerrijke school van den tegenspoed laat, dan zich van den last van het leven te bevrijden, en vooral is dit het geval bij uitingen van het godsdienstig gevoel, en maakt dat zij, die zich offers opleggen om anderen in het heden genoegen te doen, ons niet voorkomen aan de roeping van den mensch ten volle te voldoen. Dergelijke daden maken het de menschheid evenmin in het heden genoegelijker als de bekende raad van Aristides in het belang van Athene was, en toch kan het doel hierbij niet slechts zijn om goede voorbeelden te geven, daar dit geheel van de middelen der publiciteit afhangt, en buitendien verzinsels daar even goed als werkelijk bedreven daden voor kunnen dienen.
Die vergrooting der zedelijke ontwikkeling kan somtijds geschieden door het bedrijven van daden, de maatschappij geen voordeel verschaffende, zooals bijv. bij het bedwingen van de neiging voor genot in het heden door het nakomen van een verbod van iets dat werkelijk schadeloos is. De waarde van zulk eene daad, met betrekking tot den bedrijver er van, zal dan echter verminderen, zoo deze geen ijver genoeg betoont om de doelmatigheid er van te onderzoeken.