Part 2
Hoe volmaakter de organisatie van een dier is, hoe meer gemiddeld die zijner jongen voor de zijne zal onderdoen, want waar het meeste te bederven valt, zal de blinde werking van het toeval gemiddeld het meeste bederven. Na eenige generatien zal aldus, hetgeen bij sommige individuen der eerste generatie eene deugdzame eigenaardigheid was, van lieverlede verbasteren en eindelijk niet meer deugdzaam zijn. Bij de generatie, waarbij dit laatste het geval is, bezitten de die eigenaardigheid vertoonende individuen aldus niets meer voor boven hunne soort en tevens tijdgenooten en zullen zij aldus gemiddeld niet meer jongen dan deze verkrijgen. Om dit te vergelijken met een voorbeeld op zedelijk gebied, zoo merken wij op, dat iemands zuinigheid, door zijne nakomelingen op eene onberedeneerde wijze nagevolgd, bij hen zal ontaarden in eene soort van gierigheid, in benarde omstandigheden niets voor hebbende boven gemis van zuinigheid.
Gaat eenige diersoort een kouder klimaat bewonen, zoo zullen de individuen er van, met eene dikkere vacht dan de anderen voorzien, met betrekking tot de nieuwe omstandigheden, waarin zij verkeren, volmaakter dan deze zijn, zoo hunne gansche organisatie in harmonie is met die dikkere vacht. Zoo echter bij hunne nakomelingen die harmonie van lieverlede verdwijnt, kan het zijn, dat het nut dier overgeërfde dikkere vacht zulks ook doet.
Wordt bijv. een zwaarder pantser bij een oorlogschip aangebragt, zonder dat de constructie en bevrachting er van met dit zwaardere pantser in harmonie gebragt worden, zoo zal zulk een vaartuig te diep in het water zinken, een tragen gang bezitten, door de geschutpoorten water ontvangen en in het gevecht ten slotte welligt minder goed voldoen dan toen het nog ligter gepantserd was.
Darwin gewaagt van de accumulatie van gelijksoortige wijzigingen gedurende achtereenvolgende generatiën. Zoo echter de deugd dier wijzigingen niet gepaard is met eene constante oorzaak, waardoor die accumulatie plaats heeft, wordt deze toevallig en onwaarschijnlijk. Ziet men bijv. de nakomelingen van twee blonde menschen gedurende achtervolgende generatiën steeds blonder worden? Neen het tegendeel heeft eerder plaats, want, zelfs zoo de voortplanting door hermafroditen geschiedde, zou die toevallige accumulatie, evenmin plaats hebben, als het blindelings achtereen trekken van witte ballen uit eene bus, evenveel ballen van die kleur als zwarte ballen bevattende.
Bloedverwanten zullen dikwijls gelijksoortige eigenaardigheden bij hunne organisatie bezitten, en ware het nu dat uit een de opeenstapeling hiervan bij de latere generatiën voor het menschdom uit een physiologisch oogpunt niet nadeelig ware, zoo zouden huwelijken tusschen bloedverwanten onmogelijk eene ligchamelijke verbastering van het nageslacht kunnen voortbrengen. Dit wordt echter beweerd het geval te zijn en zou gedeeltelijk ontstaan kunnen, doordat alsdan niet, zooals bij huwelijken tusschen geheel vreemden, man en vrouw nog al vaak tegenovergestelde vicieuse afwijkingen van eene goede organisatie bezitten, en bij hunne kinderen die tegenovergestelde gebreken elkander alsware opheffen.
Dit kan ook de reden zijn der deugd der organisatie van kruislingen van twee tamme rassen. Het paren bijv. van langbekkige en kortbekkige duiven kan goedbekkige jongen in het leven roepen.
In den wilden staat zijn het alleen accidentele oorzaken, welke de organisatie der dieren minder geschikt voor de levensomstandigheden dezer maken.
In den tammen staat daarentegen leidt hiertoe eene constante oorzaak, namelijk de kunstkeus. Terwijl aldus in den wilden staat twee rassen van elkander onderscheiden zijn, omdat zij niet in dezelfde omstandigheden verkeeren, zijn in den tammen staat twee door dwang gevormde verscheidenheden aan dezelfde omstandigheden blootgesteld. Deze kunnen nu voor den tammen kruisling nog gunstig zijn, terwijl de wilde kruisling geene voor zijne organisatie geschikte levensomstandigheden kan vinden.
Op blz. 16 hebben wij aangegeven, hoe eene gunstige wijziging, gedurende de overerving er van, bij de achtervolgende generatiën door de werking van het toeval hare deugd kan verliezen. Bij de kunstkeus is dit bij eene opeenstapeling van gelijksoortige wijzigingen insgelijks het geval voor de dieren zelf, doch niet voor het gebruik, welke wij van deze wenschen te maken.
Wenscht men bijv. het op blz. 16 gemelde met een zwaarder pantser voorziene oorlogschip als drijvende batterij slechts binnengaats te gebruiken, zoo kan die onberedeneerde verzwaring van het pantser nuttig zijn, doch zij is dit dan slechts, omdat men aan het schip eene bestemming geeft in strijd met zijne primitieve.
Een vleezig en zelfs nog al vet beest kan zeer gezond zijn, terwijl zijne nakomelingen, waarbij die eigenaardigheid voortgeplant is, zulks niet meer zijn, en zelfs zoo deze nog vleeziger en vetter dan hun voorzaat worden, het ware wanstaltigheden worden. Daar echter, zie blz. 7, eene constante oorzaak gedurende het leven der dieren die wanstaltigheden tracht te verminderen, en aldus verwilderde tamme rassen de organisatie hunner wilde voorouders tracht terug te geven, kan de uit ons oogpunt beschouwde veredeling der rassen, door middel der kunstkeus, slechts tot zekere hoogte gedreven worden.
Die grens ligt echter verder zoo men de levenswijze dier dieren geschikt tracht te maken voor de eigenaardige organisatie, welke zij verkregen hebben, of zoo men deze door zeker régime te voorschijn tracht te roepen. De Engelschen noemen dit laatste entrainement en passen dit niet alleen op de tamme dieren, maar ook op menschen toe, die zij tot jockeys, boxers enz. bestemmen.
De kunstkeus alleen is even onmagtig om dieren voor de hen door ons menschen opgelegde levensomstandigheden geschikter te maken, als de natuurkeus om hen geschikter te doen worden voor de omstandigheden van het vrije natuurleven.
De sexuele keus, waardoor de best georganiseerde mannetjes, vaders van meer jongen worden dan de anderen, kan voor de verbetering der organisatie der latere generatiën geen ander gevolg hebben, dan hetgeen eigenlijk (zie de noot dier blz.) op blz. 15 gesteld is, namelijk dat de best georganiseerde hermaphroditen meer nakomelingen dan de anderen bekomen.
Gewis zou dit van elke opvolgende generatie de gemiddelde organisatie der exemplaren iets beter doen worden, dan die der voorgaande en zoo voort, totdat (bij niet verandering der levensvoorwaarden), de volmaaktheid bereikt zou zijn, zoo de jongen (behoudens het onderscheid wegens verschil in leeftijd) volmaakt naauwkeurige copijen hunner ouders waren. Alsdan zou echter bij elke generatie het eene individu geene betere organisatie dan het andere kunnen bezitten dan door omstandigheden na de geboorte er van plaats hebbende en wel door omstandigheden de vrucht van eene constante oorzaak, de organisatie der dieren trachtende te verbeteren, daar, even goed na de geboorte als gedurende het vruchtleven, afwijkingen, door het toeval teweeg gebragt, (zie blz. 15) gemiddeld ten nadeele dier organisatiën zullen strekken.
Het schijnt dat, naarmate dieren jongen kunnen verwekken, beter georganiseerd voor de levensomstandigheden hunner ouders, de vruchtbaarheid dezer laatste gemiddeld wat grooter is. Van daar dat gekruist wordende soorten en bastaarden in het algemeen onvruchtbaar zijn en gekruist wordende tamme rassen en tamme kruislingen in het algemeen in vruchtbaarheid uitmunten (zie blz. 17). Dit zou maken, dat bij de opvolgende generatiën, de op blz. 15 gemelde overheerschende werking der goed georganiseerde individuen, wat grooter werd, doch desniettemin zal de natuurkeus evenzeer onvoldoende blijven, om de organisatie der diersoorten voor hunne levensomstandigheden geschikter te maken, als bij de politieke keus, op blz. 15 gemeld, het bestaan eener wat sterkere meerderheid om de verbastering der wetten te verhinderen.
Ook op zedelijk en maatschappelijk gebied tracht eene constante oorzaak het een voor het ander geschikt te maken.
Verarmde menschen trachten bijv. hunne behoeften te verminderen, plotseling rijk gewordene, om zich de beschaving der vermogenden te geven, handwerkslieden om hun ambacht beter uit te oefenen, gehuwden, wier huisgezin vergroot, om ruimer te wonen, volken, betrekkelijk hunne regering in beschaving gestegen, om eene vertegenwoordiging te verkrijgen enz.
Gebrek aan goeden wil en traagheid kunnen de neiging der menschen, om alles ten beste voor zich te schikken, om zich naar de omstandigheden te voegen en voordeelige omstandigheden op te zoeken, gering maken, doch, zoolang de menschen zich niet geheel blindelings aan hunne hartstogten overgeven, bestaat die neiging bij hen. Zou deze nu, zelfs bij zeer groot gebrek aan doorzigt der menschen, ten gevolge hebben, dat deze zich werkelijk voor hunner levensomstandigheden geschikt maken? Naar ons inzien wel, zoo de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden vroeger opgedane ondervinding niet somtijds grootendeels nutteloos maakten en aanleiding tot dwalingen gaven. Bleven die omstandigheden steeds dezelfde, zoo zou zelfs de domste mensch, hoe langzaam ook, juist te weten komen, wat voor hem nuttig en wat voor hem schadelijk is, en het begrijpen hiervan, kort na verandering dier omstandigheden, stelt dan ook daar, hetgeen men doorzigt noemt.
Zelfs tracht in het maatschappelijke het eene voor het andere geschikt te worden door de collectieve werking der menschen, en zonder dat deze zulk een doel voor oogen hebben. Dit is bijv. het geval met het verdwijnen van primitief onregtvaardige toestanden, zoo de omstandigheden niet zoodanig veranderen, dat, bij het niet bestaan dier neiging tot geschiktwording, die onregtvaardigheden sterker worden. Wordt bijv. een volk in slavernij gedompeld en verdierlijkt het hierdoor zoodanig, dat zelfs de minste vrijheid tot ledigheid en losbandigheid aanleiding geeft, zoo is die toestand van slavernij niet langer iets onregtvaardig.
Neemt echter daarna de graad van beschaving tegelijk bij de meesters en slaven toe, zoo wordt die slavernij weder een kwaad, omdat willekeurige behandeling dit bij een hoogeren graad van beschaving is. De heerschappij, door de meer geestelijk ontwikkelden over de betrekkelijk hen minder beschaafde menschen uitgeoefend, dient alsdan niet in sterkte, maar wel in karakter te veranderen.
Zoo thans eene patentbelasting ingevoerd werd, zouden de winkeliers en industriëlen onregtvaardig behandeld worden, doch later de tijd die onregtvaardigheid van lieverlede doen verdwijnen, daar alsdan het aantal winkeliers en industriëlen zoo lang zou verminderen, totdat elk derzelve, betrekkelijk den bloei van het gansche land, evenveel zou verdienen als voor den invoer dier belasting. Wij zeggen betrekkelijk den bloei van het gansche land, omdat die patentbelasting handel en industrie zou doen inkrimpen en aldus dien bloei tot zekeren grens zou doen verminderen. Dit echter niet in aanmerking nemende, zoo zou alsdan, bij overname eener zaak, de kooper er zooveel minder voor betalen, dan voor den invoer dier patentbelasting, als ten bedrage dezer belasting gekapitaliseerd, en het oprigten eener nieuwe zaak, slechts dan plaats hebben wanneer, bij gelijke kosten van oprigting, de winsten, na aftrek der patentbelasting, even groot als de winsten voor den invoer dier belasting zouden worden.
Wanneer eene partij, hoe zwak ook, gegronde grieven bezit, zal zij trachten deze te doen verdwijnen, en er hiervoor aldus eene constante oorzaak bestaan. De veroordeelen der meerderheid, waardoor deze de schade aan het publiek belang door het bestaan dier grieven teweeggebragt, over het hoofd ziet, worden daarentegen door den tijd verminderd.
Ook bij de dieren, ofschoon minder dan bij ons menschen, en minder bij de laag dan bij de hoog ontwikkelde dieren, maakt de werking der accidentele omstandigheden en de verandering der omstandigheden, dat de op blz. 7 gemelde poging tot geschiktwording hunner organisatiën gedurig tegengewerkt wordt, en aldus slechts tot zekeren grens haar doel kan bereiken. Hoe digter toch bij de volmaaktheid de organisatie van een dier is, hoe zwakker zooeven gemelde poging tot verdere volmaking er van zal zijn, (even als bijv. iemand, die bijna het noodige bezit, minder ijverig zal zijn om het alsdan nog ontbrekende te bekomen), en hoe meer die variatien der omstandigheden die organisatien onvolmaakter zullen trachten te doen worden.
Er zal aldus zekere nadering tot den volmaakten toestand zijn, waarbij die twee tegengesteld werkende oorzaken even krachtig zullen werken.
Bij dien toestand van evenwigt zal de nadering tot de volmaaktheid der organisatie der dieren minder zijn, wegens het niet steeds op aarde voortleven derzelfde individuen. Op blz. 15 hebben wij toch gezegd, dat de jongen slechts gedeeltelijk de deugdzame eigenschappen der organisatie hunner ouders erven, hetgeen beschouwd kan worden te ontstaan door de werking van accidentele omstandigheden gedurende het vruchtleven.
De organisatien der dieren en planten trachten ook voor periodiek veranderende omstandigheden geschikt te worden. De dieren hebben bijv. hun slaaptijd geregeld naar de lengte der nachten en de op hooge breedten groeijende planten, kunnen de winterrust niet ontberen.
De geschiktwording dier organisatie geschiedt echter traag, zoodat eerst langen tijd, nadat de nieuwe levensomstandigheden ontstaan zijn, zij den hierboven gemelden niet te overtreffen graad van geschiktheid kan voortbrengen. De planten bijv. zijn ontstaan, terwijl op alle breedten er eene vochtige en eene hooge temperatuur bezittende lucht, ofschoon welligt weinig of geen zonneschijn bestond, en welligt is de sedert verloopen tijd nog te kort geweest om die planten in koude klimaten weelderig te doen groeijen.
Accidentele oorzaken kunnen iets kenmerkend bij de organisatie van vele individuen eener diersoort voortbrengen en door overerving zullen zulke meestal vicieuse eigenaardigheden zich bij de opvolgende generatiën voortplanten. De op blz. 7 gemelde geschiktmakende oorzaak zal dan wel is waar zulke toevallige eigenaardigheden van lieverlede doen verdwijnen; doch tevens sneller hen voor die dieren nuttiger maken en alsware eene primaire en tegelijk eener snellere secundaire verbetering van de organisatie dezer dieren voortbrengen.
De wapens der dieren bestaan bijv. in klaauwen, hoeven, horens, schilden enz. en voor de gemiddelde levensomstandigheden van elke diersoort kan eene zekere verhouding tusschen den graad van ontwikkeling van elk dier wapens de voordeeligste voor haar zijn. De verschillen der levensomstandigheden der diersoorten wettigen echter niet zulke verschillen in bewapening en in het algemeen in uitzigt, als men bij die soorten opmerkt. Die groote verschillen moeten aldus de vruchten van accidentele omstandigheden zijn, doch terwijl de oorzaak, waardoor de organisatien dier soorten voor derzelver levensomstandigheden geschikt worden, bovengemelde verhoudingen tracht daar te stellen, verbetert zij tevens elk dier wapens en plooit zij er na de levenswijze van derzelver dragers.
Op maatschappelijk gebied is dit eveneens het geval. Thans en bij toekomstige hoogere trappen van beschaving nog meer, zal bijv. gelijkheid van munt in alle beschaafde staten iets zeer wenschelijk zijn. In sommige Europesche staten is men dan ook reeds begonnen hier werk van te maken, doch, waar men nog ter naauwernood aan zoo iets denkt, tracht men de munt tiendeelig te maken en aldus eene secundaire verbetering daar te stellen.
Als zulk eene secundaire verbetering kan thans gelden, het oprigten van goede bewaarscholen en als primaire verbetering het onderwijs der kleine kinderen door hunne moeders.
Hoe grooter de gemeenschap tusschen de volken zal worden en hoe hooger de wetenschap zal staan, hoe meer de behoefte aan eene universele wetenschappelijke taal gevoeld zal worden. Die primaire verbetering zal, hoe langzaam ook ontstaande, niet uitblijven, doch als eene secundaire verbetering kan de beschaving der verschillende volkstalen en het geschikt maken dezer voor de uitdrukking van abstracte en wetenschappelijke denkbeelden aangemerkt worden. Dit toch is bij den thans bestaanden toestand het eenige middel om de wetenschap en de bellettri in elk rijk binnen een uitgestrekten kring te verbreiden.
Gedurende de middeleeuwen diende het Latijn als wetenschappelijke taal, omdat de moderne talen toen nog in staat van kindschheid verkeerden. Thans zou het eerste door zoo even gemelde secundaire verbetering tegengewerkt worden, terwijl zulk eene aanwending van het Latijn, voor het voortbrengen der primaire verbetering van gering nut zou zijn, omdat het nationale gevoel der volken nog te sterk is, om hen die laatste verbetering sterk te doen wenschen en om hen de volkstalen tot ondergeschikte rollen te doen bestemmen [3].
Dat toevallig de Europesche volken gedurende de middeleeuwen het Latijn konden aanwenden om wetenschappelijke denkbeelden uit te drukken, heeft echter het hier voor geschiktmaken der moderne talen vertraagd. Hiermede kan nu vergeleken worden de hulp door den wind en de insecten aan de planten, ter overbrenging van het stuifmeel van de meeldraden der mannelijke bloemen naar de stampers, verleend. Deze hulp maakt dat de oorzaak, de organisatie der planten verbeterende, slechts weinig tracht om de onderlinge plaatsing der meeldraden en stampers doelmatiger te doen worden.
Voor het eten van elk der onderscheidene soorten van organische stof, zooals bladeren, vruchten, dood en levend vleesch enz. zijn er diersoorten geschikt geworden. Bestonden er alleen plantetende dieren, zoo zou het totale aantal dieren veel geringer dan thans zijn, evenals bijv. Engeland minder bevolkt zou zijn, zoo van deszelfs rijkdom aan delfstoffen geen gebruik gemaakt werd. Onwaar is het echter dat, bij gemis van carnivoren, de plantetende dieren steeds menigvuldiger zouden worden.
Hoe hooger de stand van beschaving der menschen zal worden, hoe minder het klimaat op hunne organisatie van invloed zal zijn en dus hoe meer zij in alle landen op elkander zullen gaan gelijken. Wanneer in de verre toekomst dit in hooge mate het geval zal zijn, zal welligt gelijkheid in geestontwikkeling grootendeels de keuze bij huwelijken bepalen.
Het kan zijn dat de neiging, om voor de bestaande omstandigheden eene geschikte organisatie te verkrijgen, ook bestaat bij organische wezens andere hemelbollen bewonende, hoe of de natuur dier bollen ook zijn moge, en dus welke omstandigheden die wezens er ook mogen aantreffen. Naarmate die omstandigheden op zulk een bol meer verscheiden en veranderlijk zijn, zullen de er op wonende wezens, naar aanleiding van hetgeen op blz. 20 en 22 gezegd is, minder geschikt voor die omstandigheden zijn en aldus meer lijden, maar tevens (zooals later verklaard zal worden), meer in geestontwikkeling toenemen.
Onze aarde kan nu misschien, wegens de ongelijkheid in verhitting welke zij, wegens hare betrekkelijke nabijheid van de zon ondervindt en, wegens de verschillen in aantrekking door zon en maan op de onderscheidene deelen van hare gesmolten kern uitgeoefend, betrekkelijk andere hemelbollen eene sterke verscheidenheid en veranderlijkheid van omstandigheden voortbrengen. Dat de zon bestemd is, om haar licht en warmte mede te deelen is evenmin juist, alsdat de menschen voor het hun bloed opzuigend ongedierte bestemd zijn, en het is zelfs de vraag, of het bezit der planeten van zwak elliptische banen en van eene betrekkelijk digte groepering om de zon, van geen accidentelen en tijdelijken aard is, en, of die planeten zich niet eenmaal zullen verspreiden en in derzelver normalen toestand zeer lange en zeer sterk elliptische banen om elkander, of om andere hemelligchamen bezitten. Alsdan dienen, derzelver bewoners zich naar geheel andere omstandigheden, dan de thans er bij-bestaande (waaronder behoort de gemiddelde uitwerking van de gesmolten aardkern op de aardkorst) te schikken.
Tegelijk met de oorzaak, de organisatie der dieren, voor de levensomstandigheden, waarin deze verkeeren (hetzij daardoor die organisatie hoog of laag, ingewikkeld of eenvoudig wordt) geschikt, of anders gezegd die dieren betrekkelijk volmaakter trachtende te doen worden, poogt eene tweede constante oorzaak die organisatiën hooger op te voeren, dat is hen passende voor de stijgende geestontwikkeling der hen bezittende wezens te doen worden. Die tweede oorzaak vermindert meer de betrekkelijke volmaaktheid dier organisatiën, naarmate zij sterker gedrongen wordt, te werken, evenals bijv. het sterker groeijen van jongelieden deze teringachtiger doet worden.
Zoo bijv. een dier hoogere levenstoestanden opzoekt verheft zich zijn geest en dien ten gevolge ook zijn ligchaam, maar, wegens de werking der traagheid, kan die verheffing (evenmin als de geschiktwording voor veranderde omstandigheden) in korten tijd in genoegzame mate geschieden. Vrij geschikt zijnde voor zijne vroegere levensomstandigheden, wordt het dier aldus ongeschikter voor de nieuwe omstandigheden en aldus betrekkelijk onvolmaakter. Gaat het even snel voort met naar hoogere levensomstandigheden te zoeken, zoo zal zijne organisatie zich eindelijk wel even sterk als die omstandigheden verhoogen, maar steeds evenveel hierbij ten achteren blijven en dit in sterkere mate doen, naarmate die zucht naar hoogere levensomstandigheden sterker is. Die achterblijving kan bijv. vergeleken worden met de spanning der lijn, waarmede een paard eene schuit voorttrekt, hoe harder het paard loopt, hoe grooter de spanning dier lijn wordt. Vandaar dat, van de op deze aarde levende wezens, die het traagste opwaarts zijn gestegen, zooals de infusiediertjes en dergelijken, de volmaaktste en wij menschen de betrekkelijk onvolmaaktste zijn.
De verhooging der organisatie der dieren geschiedt naar ons inzien, evenals, (zie blz. 7), de geschiktwording er van voor de bestaande omstandigheden, deels door den wil (of anders gezegd door zekere soort van eigen denking der dieren) deels zonder, maar wel op aansporing hiervan, eene wijze van verhooging dier organisatie door den schrijver der Natuurlijke geschiedenis der Schepping de geheimzinnige inwendige aandrift genaamd [4]. Een paard alleen kan geen spoortrein voorttrekken, hierin moet het door de stoomkracht geholpen worden, doch geschiedt dit laatste slechts in zulk eene mate, dat de trein iets trager zou bewegen dan het paard zulks verlangt, zoo zal dit niet alleen tot die beweging bijdragen, maar zelfs de impulsie er toe geven. De beweegkracht, alsdan door het paard uitgeoefent, kan vergeleken worden met de verhooging der organisatie der dieren, ten gevolge van de werking van hun wil, alsmede met de genezing van patiënten ten gevolge der geneeskundige behandeling. De beweegkracht, in zulk een geval door den locomotief geleverd, is daarentegen vergelijkbaar met de verhooging der organisatie der dieren en met de genezing der patiënten buiten hun toedoen door de Natuur.
Hoe lager, bij gelijkheid van geestelijken aanleg, de geestontwikkeling en dus gemiddeld ook de ligchamelijke organisatie van eenig dier is, hoe geringer de invloed van zijn wil betrekkelijk die der Natuur op de veranderingen zijner organisatie zal zijn; terwijl bij de planten uitsluitend de Natuur, zoo voor derzelver geschiktwording, als voor de verhooging van derzelver organisatie zorgt.
De zucht naar het hoogere werkt bij de menschen als een harstogt, de leiding der rede behoevende, omdat de vooruitgang anders niet steeds in de goede rigting, of wel te snel geschiedt, zoodat de geschiktwording voor meer nederige levensomstandigheden er te veel aan opgeofferd wordt. Hoe menigmalen wordt toch aan de menschen niet gezegd, dat aanzien, magt, rijkdom en zelfs kennis hen niet gelukkiger kunnen maken, dat zij met een bescheiden lot tevreden moeten zijn, en toch trachten zij opwaarts te gaan, en hebben zij in zooverre gelijk, dat zij betrekkelijke volmaaktheid en geluk niet met volstrekten stilstand willen koopen.