Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 18

Chapter 183,547 wordsPublic domain

Onder de groote veranderingen der organisatie van dieren gedurende hun leven, ten gevolge van innerlijken drang, behooren de gedaante-verwisselingen van vele der lagere dieren. Veranderingen der levensomstandigheden dier dieren gedurende de achtervolgende tijdperken van hun leven zullen wel primitief de op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking geleid hebben om de organisatie dier dieren met dit vermogen tot gedaante-verwisseling te begiftigen. Wèl kan, wanneer eenige accidentele oorzaak de organisatie van eenig dier veranderd heeft, dit zijne levenswijze hiernaar wat voegen, doch men heeft bij die gedaante-verwisseling met een te algemeen verschijnsel te doen, om aan te nemen, dat het de vrucht is van een toeval. Kinderen kruipen en klauteren meer dan volwassen menschen, en denkt men zich nu het menschelijke ligchaam op ongeveer het vijftiende jaar door innerlijken drang eene verandering te ondergaan, waardoor het voor kruipen en klauteren minder geschikt wordt, zoo heeft men iets dat te vergelijken is met de gedaante-verwisseling der insecten, die, wegens de werking der traagheid, bij latere generatien in verzwakkende mate kan blijven bestaan, wanneer de veranderingen der levensomstandigheden bij die generatien er niet meer de impulsie toegeven. Waarom moeten nu de levensomstandigheden van vele der lagere dieren gedurende derzelver jeugd anders zijn dan op lateren leeftijd? Wegens eene overeenkomstige reden waarom de levensomstandigheden van kinderen, niet slechts om zoo te zeggen quantitatief, maar tevens ook qualitatief anders dan die der volwassenen gehouden worden, en dit niet enkel uit een hygienisch oogpunt, maar tevens, omdat het doelmatig is, om zie blz. 67 eerst lagere en later hoogere soorten van geestontwikkeling te vergrooten. [72] Meestal veranderen de levensomstandigheden der aan gedaante-verwisseling onderworpen dieren in verheffenden en slechts bij uitzondering in verlagenden zin. In dit laatste geval kunnen zulke dieren, even als op blz. 42 gezegd is, naar lagere levensomstandigheden teruggedrongen zijn en de op blz. 7 gemelde oorzaak hebben getracht hen hiervoor geschikt te maken. Het is echter de vraag of die teruggang gedurende het leven van elk individu niet meer schijnbaar dan wezenlijk is.

Ten gevolge van den op blz. 231 gemelden innerlijken drang, groeijen de hersens, onder omzetting in derzelver zelfstandigheid van het door het ligchaam opgenomen voedsel. Was nu het denken eene functie der hersens, zoo zou eten en groeijen hierbij de geestelijke ontwikkeling even goed moeten doen toenemen, als de vorming en afleiding van zekere stoffen bij andere ligchaamsdeelen zie blz. 197. De op blz. 7 gemelde oorzaak van geschiktmaking der organisatie der levende wezens voor de levensomstandigheden dezer laatste, heeft de pasgeboren kinderen veel hulpeloozer dan de jongen der dieren gelaten, omdat de ouderlijke hulp natuurlijke hulpmiddelen, voor die jongen noodzakelijk, voor de kinderen overbodig, en dus in andere opzigten hinderlijk voor deze heeft doen worden. Onze levensomstandigheden vorderen dat ons ligchaam geschikt is voor zekere beweging, zoodat te groote inertie er ongeschikt voor is. Van den anderen kant is eene inspanning, waardoor het ligchaam veranderd wordt en bijv. de spierkracht toeneemt, dit insgelijks, omdat, wegens de werking der traagheid, de bate der voeding betrekkelijk die grooter wordende werkzaamheid ten achteren blijft. Hoe langzaam men nu ook de vermeerdering der werkzaamheid van kinderen maakt, steeds zullen deze aan zekere uitputting lijden, omdat het vermogen voor die werkzaamheid dan ook wel toeneemt, maar steeds wat te klein hiervoor blijft. Kon dit nu geweerd worden, door tegelijk met de werkzaamheid de voeding te vergrooten, zoo zou de verandering van het ligchaam, wegens de werking der traagheid, desniettemin op de eene of andere wijze ongeschiktheid er bij baren. Wordt de voeding versterkt, zoo zal, wegens de werking der traagheid, het profijt er van voor het ligchaam er bij ten achteren blijven en dit door die voeding lijden, en natuurlijk meer, zoo geene vergrooting der werkzaamheid het profijt van het genomen voedsel betrekkelijk grooter doet worden.

Uitputting moet van teruggang van spiersterkte onderscheiden worden, het gelijkt hier evenmin op, als breken op wegsmelten, en als het ligchaam van een grijsaard op dat van een nog zwak kind.

Uniformiteit van omstandigheden leidt tot geschiktheid bij de in die omstandigheden verkeerende wezens, omdat de op blz. 64 gemelde ongeschiktheid barende werking der traagheid, dan weer weggenomen wordt. Verscheidenheid van omstandigheden leidt daarentegen bij zulke wezens tot ongeschiktheid, maar tevens tot vooruitgang. Het is toch klaar dat wezens, dan in deze en dan in andere omstandigheden verkeerende, al zijn deze van even verheven aard, door zich gedurig voor een nieuwen toestand van zaken geschikt te willen maken en hierin te willen dringen, tot grootere geestinspanning en aldus tot eene grootere toeneming in geestontwikeling geleid zullen worden, dan wezens, wie een veel meer beperkt veld van leering ten dienste staat, door dat zij steeds in dezelfde omstandigheden verkeeren. Iemand die reist, al zij het zelfs bij minder beschaafde natien, dan die waartoe hij behoort, zal bijv. meer leeren dan een ander die te huis blijft, mits beide zich met even gewigtige zaken bezighouden. Volken, op denzelfden trap van beschaving staande, maar in aard, zeden en behoeften verschillende, zullen zich sneller ontwikkelen zoo zij met elkander verkeeren, dan zoo zij dit niet doen. Bewoners van een hemelbol, waarbij de onderscheidene deelen in lucht- en grondgesteldheid verschillen, en elk dier deelen slechts geschikt is om eenige der voor die bewoners noodzakelijke producten voort te brengen, zullen sneller in ontwikkeling toenemen dan de bewoners van een hemelbol, waarbij elk plekje alles oplevert waaraan deszelfs bewoners behoefte hebben, zoodat er geene aanleiding tot handel en vervoer bestaat. Wie zullen echter de gelukkigste zijn, zoo althans de drang tot vooruitgang een eentoonig leven niet vervelend maakte? Gewis zij die in elk dier gevallen het minste kunnen leeren. Geschiktheid verzwakt den drang tot vooruitgang, want men zal toch moeijelijker zekeren toestand verlaten, om in een hoogeren te komen, naargelang men zich in eerstgemelden toestand beter bevindt. Vandaar dat de toevallige afwijkingen der jongen van hunne ouders, zooals op blz. 15 gezegd is, gene in organisatie gemiddeld ongeschikter dan die ouders makende de verhooging der organisatien bij de achtervolgende generatien zullen bevorderen.

De toestand onzer aarde is zeer verscheiden en wel voornamelijk wegens hare nabijheid van de zon, zie blz. 26. Hierdoor ontstaan er toch bij de afwisseling van licht en duisternis, van koude en warmte, sterke verandering van luchtstroomen en welligt ook eene sterke werking van de gesmolten kern op de schors. Hieruit volgt dat de toestand onzer aarde zeer geschikt is voor den vooruitgang der er oplevende wezens, maar niet voor derzelver geschiktheid voor de omstandigheden waarin zij verkeeren, en dat die wezens er op snel in geestontwikkeling zullen toenemen, maar kort zullen leven en aan allerlei oorzaken van vernietiging zullen blootstaan. Dit nu moet in het algemeen het geval zijn bij hemelbollen in de nabijheid van anderen zijnde, en alzoo zich snel verplaatsende en een sterken en wederkeerigen invloed op elkander uitoefenende. Wegens eene constante oorzaak zullen bij het op blz. 160 gemelde wereldsterrenstelsel er steeds een zeker aantal bollen in zulk een geval verkeeren, doch dat onze aarde er thans in verkeert en eene weinig elliptische baan om de zon beschrijft, moet zie blz. 69 als een toevallig gevolg der uiterst zamengestelde werking der natuurwetten bij het wereldsterrenstelsel beschouwd worden. Het is aldus verkeerd te zeggen, dat de zon onze planeet bewoonbaar maakt. Maakt de zon eene komeet meer bewoonbaar, wanneer deze, er digt bij gekomen, aanzienlijk vervormd en uitgezet wordt? Men zal dit ontkennen, en waarom zou de zon op de aarde, met betrekking tot de hier op bestaande organische natuur, eene tegenovergestelde uitwerking uitoefenen als op eene komeet?

De sporen van het ontstaan der organische natuur op onze aarde zijn nog niet uitgewischt, een bewijs dat dit ontstaan betrekkelijk kort geleden heeft plaats gehad, en dat de tijd, dat eene zelfde organische natuur zich op deze aarde heeft kunnen staande houden, omdat de toestand dezer, met betrekking tot andere hemelligchamen zie blz. 168, niet snel sterk veranderd is, betrekkelijk kort is.

De op blz. 200 gemelde zeer etherachtige hemelbollen binnen- en buitenwaarts van de bolvormige schil den Melkweg gelegen, deze zijn het, naar ons inzien, die aan derzelver bewoners bijna onveranderlijke levensomstandigheden kunnen aanbieden, en daardoor die bewoners veroorloven om zeer geschikt voor die omstandigheden te worden, en om een zeer geringen drang tot vooruitgang te bezitten.

Het niet beseffen, dat de veranderlijkheid, voor den vooruitgang noodig, de geschiktheid vermindert, heeft tot de meest bekrompene en scheve opvattingen van het werelddoel bij sommigen, en tot ontkenning van eenig werelddoel bij anderen aanleiding gegeven. De eerste hebben overal geschiktheid gezocht, zonder deze steeds te kunnen vinden, en de tweede hebben geschiktheid ontkend, waar zij in zekere mate bestaat. Dat bijv. het zeewater zout is, kan als een gevolg van het toeval beschouwd worden, doch de op blz. 7 gemelde oorzaak heeft de organisatie der zeevisschen voor het leven in dit zoute water geschikt gemaakt, omdat die schepselen, niet ten gevolge hunner eigen denking, de zee zijn gaan bewonen. Wij menschen verkeeren daarentegen in een ander geval. Ten gevolge onzer eigen denking hebben wij schepen gebouwd en ons op den Oceaan begeven; onze eigen denking moet aldus de hulpmiddelen voortbrengen om het zout zijn van het zeewater voor de zeevaarders niet hinderlijk te maken, hetgeen tot geestinspanning en aldus tot vooruitgang aanleiding geeft. Dit is eveneens het geval met andere zaken. De kunstwarmte is bijv. voor de menschen noodig geworden, ten gevolge van hun kunstmatigen toestand, een gevolg hunner eigen denking. Deze moet aldus ook de hulpmiddelen weten te vinden om die kunstwarmte daar te stellen, en dat de menschen daarvoor nog gedurende eenige eeuwen van de fossile brandstoffen gebruik zullen kunnen maken, moet slechts als een gelukkig toeval beschouwd worden, even als bijv. het bezit van natuurlijke havens. Zulke toevallen maken de toeneming in beschaving gemakkelijker, doch is deze, ondanks hen, op de hoogte gekomen, dat men hetzelfde als met hun hulp wil bekomen, zoo maakt hun gemis, dat men zich dan sterker inspant om dit gemis te vergoeden, en die grootere inspanning leidt dan tot sterkere toeneming der geestontwikkeling zie Noot blz. 89.

Het toeval is het product van eene reeks van oorzaken en gevolgen die wij niet kunnen naoogen, en bestaat aldus bij zeer samengestelde verschijnsels noodzakelijk voor de verscheidenheid, op hare beurt weder noodzakelijk voor den vooruitgang der wezens. Waarom spreken wij van het blinde toeval? Omdat het gemiddeld niet leidt tot geschiktheid voor ons menschen, en omdat het grillige der toevallige accidentele verschijnselen het ons menschen moeijelijk maakt, om ze onschadelijk of voordeelig voor ons te maken, wegens de werking der traagheid zie blz. 64, doch, zooals op blz. 236 gezegd is, strekt juist dit veranderlijke, mits op blz. 68 gemelde wijze beschouwd, ter bevordering van den vooruitgang der levende wezens.

Eene accidentele oorzaak is een beloop van zaken, deel uitmakende van een zeer zamengesteld verschijnsel, en die tot een waargenomen wordenden toestand van zaken aanleiding geeft, die, zoo hij gedurende voor ons menschen lange tijdvakken onveranderd blijft, eene constante oorzaak van secundaire verschijnselen is.

De helling der aardas is bijv. het gevolg van zulk eene accidentele oorzaak, en is tevens de constante oorzaak der regelmatige afwisseling der saizoenen. Deze is aldus evenzeer het gevolg van het toeval als het blindelings trekken van een hoogen prijs uit eene loterij, doch daar die regelmatige afwisseling der jaargetijden gedurende voor de menschheid zeer langen tijd onveranderd aanhoudt, zoo heeft deze in zekere mate er zich naar geschikt, terwijl de trekker van het goede nummer geen tijd gehad heeft om zich te schikken naar het bezit van zijne zoo plotseling ontvangen geldsom. Behoudt hij echter deze, zoo zal hij zijne behoeften zoo vergrooten, dat, al was dit primitief hoegenaamd niet het geval, het bezit dier som zie blz. 50 van lieverlede noodzakelijker voor hem zal worden.

Het is niet denkbaar dat, bij het bestaan van slechts eenvoudige verschijnsels, witte en zwarte ballen binnen eene bus onregelmatig gegroepeerd kunnen raken, en hierdoor wordt aangetoond dat toevallige groepering dier ballen onafscheidelijk is van een zeer zamengesteld verschijnsel.

Men moet voorts wel onderscheid maken tusschen langer of korter durende en een meer uitgestrekt, of meer beperkt veld van werking bezittende standvastige oorzaken, zelve verschijnsels zijnde en andere verschijnsels tot gevolg bezittende, en de wetten der Natuur, eigenlijk wel absoluut constante oorzaken, die alle verschijnsels regelen, maar zelf geen objectief bestaan bezittende. Deze zijn in zeker opzigt te vergelijken met de Staatswetten, zoo deze noch te verwaarlozen, noch te overtreden, noch te ontduiken, noch te veranderen waren, en al de verschijnsels op maatschappelijk gebied bepaalden. De doodstraf bijv. is geen verschijnsel, maar zij bepaalt het verschijnsel der executien en dit is eene verschijnsel-oorzaak tot gevolg afschrikking voor het moorden hebbende. Er bestaan absoluut constante verschijnsels, zooals bijv. de gemiddelde vergrooting der hemelbollen, die weder andere verschijnsels tot gevolg hebben, en aldus, ofschoon volgens het gewone spraakgebruik, absoluut constante oorzaken, desniettemin geene natuurregels zijn, maar, even als derzelver gevolgen, door die natuurwetten bepaald worden. Het komt ons nu verkieselijk voor om onder oorzaken steeds te verstaan verschijnseloorzaken, bepaalt door de vereenigde en in elkander grijpende werking der natuurregels, en waarbij de werking van sommige dier regels meer kunnen predomineren en die van anderen nietiger zijn. Geheel ontbreken zullen die laatste werkingen nimmer doen, want toch wordt zie blz. 144 alle denking bepaald door beweging, zoodat bijv. op onze denkingsverschijnselen de deze hoegenaamd niet bepalende bewegingen middelijk van invloed zijn, daar toch deze influenceren op de onze denking bepalende niet zintuigelijk waarneembare atomistische bewegingen. Van elk der natuurwetten heeft de werking steeds dezelfde strekking, maar vertoont zich gedurig onder andere gedaanten, en, met betrekking tot die gedaanten, verkeeren zij in hetzelfde geval als de accidentele en betrekkelijk constante oorzaken, zij zijn namelijk even als deze de vruchten van accidentele omstandigheden, en min of meer beperkt van duur. Zulk een natuurregel is bijv. de geschiktwording van levende wezens voor de omstandigheden waarin zij verkeeren. Waar de werking van dien regel zich nu vertoont als geschiktwording der organisatie der zeevisschen voor het zoute water van een Meer, is deze bijzondere gedaante dier werking een gevolg van het toevallig zout zijn van zulk een Meer, en zal zij ophouden, wanneer, door het verkrijgen van afvoer langs den bodem, dit meerwater deszelfs zoutheid verliest. Iemand wandelt op straat, eene wolk bedekt toevallig de zon, en die wandelaar knoopt zijne jas digt, ten einde zich te hoeden tegen koude. Die gedaante der werking der wet van geschiktwording duurt in dit geval al zeer kortstondig, en is het gevolg van een zeer vlugtig en toevallig verschijnsel. De reeksen van achtervolgende verschijnsels, hoe zamengesteld ook, ontstaan door de vereenigde in elkander grijpende werking van al de Natuurregels, doch onnaspeurlijk is het voor ons hoe dit geschiedt, welk aandeel elk dier regels in die vereenigde werking heeft, en hoe deze de achtervolgende verschijnsels uit elkander doen voortvloeijen. Tot voorbeeld hiervan strekken de uiterst zamengestelde banen door verschillende bollen, onder de vereenigde werking der zwaartekracht en der traagheid beschreven. Die banen zullen ons meest als toevallig voorkomen, doch wanneer zij hoofdzakelijk ontstaan door de aantrekking van slechts een bol op een anderen, men kunnen nagaan hoe of de vereenigde werking dier beide natuurwetten plaats heeft. Evenzoo op het gebied der geschiedenis. De vereenigde werking der natuurwetten brengt op dit gebied zulke zamengestelde verschijnsels te weeg, dat van deelen er van het ondoenlijk is om na te gaan, hoe die vereenigde werking heeft plaats gehad bij de achtervolgende uit elkander voortspruitende accidentele oorzaken, waarvan de laatste tot dit feit aanleiding gegeven heeft. Dit bijv. is niet te doen voor het feit dat de Zwitsers eene zelfstandige natie vormen. [73] Wel weten wij dat hierbij in het spel is de werking der wet van geschiktwording, die gescheiden tracht te houden wat niet bij andere zaken past, doch die wetenschap staat gelijk met die, dat de zwaartekracht in het spel is bij de meest onregelmatige bewegingen der hemelbollen. Even als echter, zooals bijv. bij ons zonnenstelsel, die zeer zamengestelde bewegingen weinig, ofschoon op zeer zamengestelde wijze gestoorde meer eenvoudige bewegingen worden, waarbij wel nagegaan kan worden hoe deze door de werking der zwaartekracht en der traagheid ontstaan, zoo ontmoet men in de geschiedenis dikwerf eene toedragt van gebeurtenissen, wel is waar, op eene zeer zamengestelde wijze gestoord wordende, maar niettemin in hoofdzaak genoegzaam eenvoudig, om er bij de werking der natuurwetten op maatschappelijk gebied na te gaan. Men moet voorts niet denken wanneer, wegens de zeer samengestelde wijze waarop zij ontstaan zijn, zaken ons toevallig voorkomen, zij daarom steeds minder geschikt zijn. Bij eene eenvoudige toedragt van zaken kan dit ook het geval zijn. Onder de standvastige oorzaken behoort bijv. de werking der inertie, waardoor bijv. menschen, wanneer zij vrees of afkeer voor iets gevoelen, dit wegens de werking der traagheid blijven doen, nadat de aanleidende oorzaak er voor verdwenen is, zooals bijv. volken doen, wanneer deze, uit een anarchistischen toestand gerakende, onder een despotisch juk vallen, om later, nadat zij hunne despoten verjaagd hebben, weder tot anarchie te vervallen. Ons geheel toevallig voorkomende storingen kunnen nu zulke eenvoudige schommelingen van den politieken toestand van een volk vernietigen, even als een toevallige stoot de verflaauwende schommelingen van een slinger, en zulk een volk hierdoor in een meer geschikten toestand geraken. Nu zal men zeggen, wanneer de toedragt van zaken op geschiedkundig gebied eenvoudiger is, kan men beter nagaan wat er gebeuren zal, en, door de oorzaak der geschiktwording te doen werken, tot een meer bevredigenden toestand geraken. Dit is zoo, doch daartegenover staat, dat die zeer zamengestelde toedragt van zaken, waarbij ons zoo dikwerf het toeval overvalt, zoo als op blz. 240 gezegd is, den vooruitgang der individuen bevordert, en met betrekking tot den geestelijken vooruitgang dier op- en aftredende individuen moet de geschiedenis beschouwd worden. Om na te gaan, hetgeen eene school bewerkt heeft, moet men niet vragen, wat is er van die school geworden, maar wat heeft zij van de haar bezocht hebbende leerlingen gemaakt.

Er bestaat een groot onderscheid tusschen de zeer zamengestelde werking van een klein getal natuurwetten, en die van uiterst zamengestelde natuurwetten. Bijv. op eene hoe gecompliceerde wijze hemelbollen ook betrekkelijk elkander bewegen, zoo slechts de zwaartekracht en de traagheid hierbij in het spel zijn, zal een sterrekundige direct zeggen, dat een dier bollen, versnellende in zekere rigting bewegende, niet plotseling eene andere rigting, een niet afgeronden regten hoek met eerstgemelde vormende, kan gaan volgen. Drie of meer van die bollen digt bij elkander zijnde, zoo kan een astronoom vrij wel aangeven, hoe zij althans, voor eerst zullen bewegen, hetgeen onmogelijk voor hem zou zijn, zoo de verplaatsing dier bollen geschiedde door de vereenigde werking van een onnoemelijk aantal natuurwetten. Ware dit het geval, zoo zou naar ons inzien de meest volkomene controlerende aanschouwing, zie bl. 178, den zamenhang en de oorzaken van al de verschijnselen aan geen wezen, welk ook, kunnen aangeven.

Evenzoo in andere zaken. Tusschen twee plaatsen bestaat er bijv. een groot verschil in luchtdrukking, zonder dat men weet door welke aaneenschakeling van oorzaken dit ontstaan is. Het ontstaan van harden wind in zekere rigting is echter alsdan te voorspellen, omdat in zulk een geval de beweging der luchtdeelen niet van de vereenigde werking van een uiterst groot aantal oorzaken, maar slechts van drie afhankelijk is, namelijk het verschil in drukking, de traagheid der luchtdeelen, waardoor zij, op hoogere breedten komende, den aardbodem van west naar oost vooruitloopen en ten derde de wrijving. Een sterke wind blaast tegen een beschot, zonder dat men de aaneenschakeling van oorzaken kent, waardoor die wind ontstaan is en dit beschot aldaar staat. Zoo een onnoemelijk aantal vereenigt werkende en in elkander grijpende oorzaken in zulk een geval van invloed waren op de drukking van den wind met betrekking tot het beschot, zou men niet kunnen weten, dat men dit aan de benedenwindzijde moet stutten, om het voor vallen te behoeden. Weet men echter, dat men hierbij slechts te doen heeft met de werking der wet der botsing eener bewegende veerkrachtige vloeistof, en dat deze het beschot wil medeslepen zoo, dit al de hierop uitgeoefende drukking niet op den bodem kan overbrengen, zoo verkrijgt men de wetenschap van hetgeen er te doen valt, om het beschot staande te houden. Onwetende menschen weten dit uit ervaring, doch, zoo een uiterst groot aantal oorzaken bij zulk een geval in het spel waren, zou die ervaring niet dezelfde zijn, en zou zij zelfs in het geheel niet bestaan, voor zulke onwetende menschen zou hetgeen dan gebeurt een warboel zijn. Iemand voelt zich kleinmoedig en bevreesd, zonder dat hij weet hoe dit ontstaan is. Wat hiertegen te doen? De oorzaak van geschiktmaking laten werken, door zich voor den geest te brengen de geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen, waarover men beschikt, door hiermede den aard der bezwaren te vergelijken, door in zijn geest het denkbeeld van krachtige en doelmatige handeling en van vertrouwen overheerschende te maken. Verkiest men nu zulks te doen in den vorm van een gebed, het is wel, doch men zal dit doen, door de oorzaak van geschiktmaking niet onder dezelfde gedaante als in het vorige geval te doen werken, omdat men weet dat nu niet in het spel is de wet van botsing van bewegende vloeistoffen. Door de beenen wijd van een op den bodem te plaatsen zal men aldus geen gevoel van kleinmoedigheid weren, evenmin als men, door zich aan te moedigen zonder meer, zich zal behoeden tegen omverwaaijing. Zeer eenvoudige opmerkingen en waarvan desniettemin de supra-naturalisten geen helder begrip hebben.