Part 16
Wel zal hij, naar ons inzien, een oneindig, onveranderlijk en dus volmaakt, maar hem geheel vreemde denkvormen en denkbeelden bezittend en aldus hem onbegrijpelijk wezen, in waarde onvergelijkbaar hooger schatten dan de menschen, die hij liefheeft, maar toch, wegens de onmogelijkheid om het te kunnen begrijpen, dit wezen niet kunnen beminnen op de wijze als hij menschen bemint. Hiervoor zou hij dit Oerwezen moeten vermenschelijken en aldus een karakter moeten geven, dat zijne rede en wetenschap hem zegt, dat het niet bezitten kan. Die voor hem onbegrijpelijke aard van het Oerwezen zal die wijsgeer achten volmaakt geschikt te zijn voor het Heelal en zelfs voor zijn eigen geestelijken loopbaan, gedurende de eeuwigheid als een geheel beschouwt, maar voor zijn gemoedsgevoel, zooals dit thans is en zelfs, zoolang zijn geest binnen de palen der eindigheid besloten is, zijn zal, moet die onbegrijpelijke aard als iets ongeschikt voorkomen [63].
Slechts wanneer de wezens, na eene oneindige groote geestontwikkeling bereikt te hebben, geheel met den Oergeest vereenigd zijn, moeten zij, naar ons inzien, zijne natuur door deze volkomen te deelen, volkomen begrijpen, en dan ook eene volmaakte wetenschap van hunne eigene bestemming en van het werelddoel bezitten. Voor dien tijd, terwijl die geestontwikkeling uiterst groot, maar nog eindig is en, ofschoon uiterst weinig, nog toeneemt zie blz. 200, kan dit begrijpen wel reeds uiterst goed, maar nog niet volkomen goed zijn, evenmin als eene kromme lijn ac (zie onderstaande fig.), een assymptoot lg bezittende, deze op uiterst groote eindige distantiën volkomen kan raken. Zoo nu, na het bereiken van zekere eindige grootte, de geestontwikkeling, na steeds verzwakkende vergrooting er van, niet meer toenam, zou na een uiterst langen tijd er (zie blz. 178) geene noemenswaardige dwaling en disharmonie bij onze denkbeelden meer moeten bestaan. Daar dan echter het begrijpen van het oneindige zeer onvolkomen zou zijn, zou het stellen er van in 's menschen geest niet meer moeten plaats hebben, want anders zou de disharmonie zelfs niet zeer nabij weggenomen zijn. Van den anderen kant kan een niet in grootte van ontwikkeling afnemende geest, het stellen van het oneindige niet verleeren, en dit toont dunkt ons aan, dat dit stellen (door de wijsgeeren slechts bepaalder en naauwkeuriger dan door andere menschen geschiedende, en waarvan bij alle metaphysische godsdienstbegrippen zelfs de laagste, er reeds eene kiem bestaat) bewijst, dat de natuur van onzen geest zoodanig is, dat bij geen trap van eindige ontwikkeling er tusschen zijne denkbeelden eene volmaakte harmonie kan bestaan, en dat aldus binnen geen eindigen tijd hij in een volmaakt bevredigenden toestand kan geraken.
Het zich bevinden der stelling van het eeuwige, onveranderlijke en oneindige binnen de hierdoor nimmer derzelver aanhangers geheel bevredigende godsdienstbegrippen, heeft gemaakt, dat de vermogensvergelijking der goden slechts tot zekeren graad mogelijk werd. Bij den Oergod, tijdens het begin der tijden begonnen zijnde den chaos te ontwarren, ging dit het minste goed, bij de ondergoden en middelaars beter, en uit zucht, om voor zich zooveel mogelijk geschikte godsdienstbegrippen te verkrijgen, hebben de menschen dan ook niet verzuimd om zulke middelaars, wier bijna menschelijke natuur hen goed begrijpelijk, en ten gevolge van dien vrij beminnenswaardig en geschikt om gebeden te verhooren maakte, te scheppen. Somtijds geen, somtijds eenigen, maar steeds een grootendeels toevalligen historische oorsprong bezittende, zoo waren die middelaars vaak zinnebeelden van zaken op geestelijk of stoffelijk gebied binnen de bewuste aanschouwing vervat, en verhevener was hunne natuur, naarmate hunne voorstelling deel uitmaakte van hooger staande godsdienstbegrippen.
De disharmonie van hetgeen wij op het buitenzinnelijk gebied stellen met wat wij hiervan begrijpen, is, naar ons inzien, de oorzaak waardoor de arbeid der eigenlijke wijsgeeren voor de verhooging der godsdienstbegrippen der massas zoo weinig vruchtbaar geweest is en waarom men aan de juistheid, van hetgeen men op buitenzinnelijk gebied gelooft met de waarheid ongeveer over een te komen, te kort moet doen bij het mededeelen van godsdienstbegrippen aan kinderen en onbeschaafde menschen. Terwijl de wiskundige kennis bij de achtervolgende generatiën door juxtaposa aangroeit, zoodat het nieuwe zich naast het oude vleit, zonder aan de waarheid hiervan te kort te doen, groeit de kennis van het buitenzinnelijke door interposa, namelijk elk deel ontwikkelt zich en nadert gemiddeld meer tot de waarheid. Tracht men aldus bij het onderwijs der jeugd die deelen in hun vorigen verachterden toestand alleen te verbeteren en te zuiveren, zonder hen tegelijk te verhoogen, zoo zal men gebrekkig werk leveren. Zie blz. 130.
Zelfs menschen, welke zich boven de voorstelling van middelaars verheven hebben, zijn niet vrij van het toeschrijven van menschelijke denkvormen aan het Opperwezen.
Zij zeggen, wij zijn geene loondienaars, doch de hartekenner volgt onze schakel van denkbeelden en, naarmate deze goed of slecht zijn, keurt hij die goed of af, en daarvoor is het dat wij gevoelig zijn. Men zou nu aan zulke menschen kunnen vragen, of die opvatting der denking van God niet insluit, dat zij voor een deel even als Godsvoorwetenschap van al het toekomstige bijzondere (en derhalve ook van hetgeen door al de menschen in de toekomst gedacht zal worden) eene overbodige duplicata is van het geestelijke leven der menschen, en tevens dezelfde vorm als de denkbeelden dezer laatste bezit, zie blz. 175. Die goed of afkeuring kan ook kwalijk zonder het bezit der menschelijke denkvormen geschieden, en zou buitendien niets beteekenen, zoo zij aan God geene vreugde of verdriet verschafte, hetgeen de toekenning van menschelijke hartstogten aan hem noodzakelijk maakt [64].
Wijsgeeriger is het naar ons inzien te zeggen, dat, door goed te doen, men zijne zedelijke ontwikkeling, en wel te meer hoe verhevener door onbaatzuchtigheid de gehalte van die goede daden is bevordert, en zich hierdoor een blijvenden schat verwerft, zoo het geestelijke leven niet met vernietiging bedreigd wordt, en men zorgt die verkregen vergrooting van zedelijke ontwikkeling in stand te houden. Zie blz. 153. Even als toch eene nietige oorzaak, gedurende zeer langen tijd werkzaam, groote kwalen kan doen verdwijnen en eene groote ommekeer van zaken te weeg kan brengen (reden waarom ongelukkige en door de omstandigheden magteloos gemaakte, maar met wijsheid en wilskracht begiftigde menschen vertrouwen in de toekomst kunnen stellen), zoo moet een verworven goed, niet onderhouden wordende gedurende een lang tijdsverloop tot op een niet noemenswaardig deel wegslijten.
Op blz. 122 hebben wij aangegeven wat ons noopt om onze geestontwikkeling naar de hoogte te werken, en op blz. 207 wat het einddoel dier vergrooting is. Die vergrooting onzer geestontwikkeling is aldus onafscheidelijk van de denking van den Oergeest, en zonder deze zou ons bestaan zelfs onmogelijk zijn, zoodat de gedachte aan hem onafscheidelijk is van die dat de vergrooting onzer geestontwikkeling onze roeping is.
De zooveel mogelijk regtvaardige vergelding der daden, of anders gezegd het beloonen en straffen, dit is de taak der met elkander verkeerende eindige wezens. Dit moet dunkt ons niet alleen hier op aarde, maar ook op de hemelbollen, waar er hooger ontwikkelde levende wezens met elkander in contact komen, het geval zijn. Wegens de gelijkslachtigheid tusschen oorzaken en gevolgen (zie blz. 70) moet de behandeling van andere wezens door deze laatste, of, wanneer op hoogeren trap van geestesontwikkeling zij met andere wezens zamenwerken, door die welke hunne partij opnemen, beantwoord worden. Slechts omdat dit het geval is, kunnen wij onderzoeken hoe die beantwoording moet zijn om tot heil van de geheele maatschappij te strekken, of anders gezegd om onregt te weren. Dit onderzoek, die pogingen vereischen geestinspanning en leiden aldus tot de vergrooting zoo van eigen geestontwikkeling, als tot de verheffing der maatschappij. Zoo er eene supranaturalistische vergelding bestond, zouden wij de handen in den schoot kunnen leggen, zoo zulk eene vergelding kort na het begaan der daden op een goed merkbare wijze plaats had. Het is waar, dat, wegens het bestaan van allerlei accidentele omstandigheden en wegens de kortheid van het aardsche leven, het voor de menschen zelfs met den besten wil onmogelijk is om elk hunner voor zijn dood zijn geregeld deel te geven; doch beide die oorzaken, en aldus ook het er door teweeggebragte kwaad, zijn zie blz. 84 onafscheidelijk verbonden aan levenstoestanden waarin toename der geestontwikkeling mogelijk is.
Het voorschrift, dat men andere menschen even sterk als zich zelf moet beminnen, en aldus in de wederwaardigheden van vreemdelingen evenveel belang stellen als in zijn eigen lot, kan, naar ons inzien, eerst een vereischte worden voor wezens, na eene oneindige vergrooting hunner geestontwikkeling, zie blz. 169 volmaakt met elkander samengesmolten zijnde. Uit het feit, dat wij thans individueel bestaan, volgt direct, dat wij voor ons zelf moeten zorgen en een levensdoel met betrekking tot ons eigen persoon moeten bezitten, terwijl uit het feit, dat wij met andere wezens behooren zamen te werken, volgt, dat wij ons het lot dier anderen behooren aan te trekken. Wij behooren hen te helpen voor zooverre zij onze strijdmakkers zijn, en wel niet slechts in den strijd van partijen van het menschdom tegen elkander, maar zie blz. 55 tevens in de hoogere soort van strijd door het gansche menschdom vereenigd gevoerd. Slechts in zooverre de menschen aldus behooren zamen te werken, moet elk hunner voor de maatschappij leven, en dit kan nu hun levensdoel met betrekking hun eigen persoon hooger en edeler doen worden.
Wanneer begrippen over levens- en wereldbeschouwing te laag staan met betrekking tot de wetenschap en de behoeften der maatschappij, zijn zij voor deze laatste wel in het algemeen, maar niet in allen deele ongeschikt geworden, en zijn dien ten gevolge de hoogere begrippen over wereld- en levensbeschouwing ongeschikt voor bijzonderheden der maatschappelijke behoeften. Om dit op te helderen stellen wij bijv. dat iemand te klein gehuisd is. Vooreerst zal hij, wegens de werking der traagheid, later verhuizen dan op het oogenblik, dat hij ondervindt te eng gehuisd te zijn, al kon dit verhuizen zonder de minste zwarigheid geschieden, maar buitendien wordt hij terug gehouden, omdat zijne vloerkleederen en gordijnen zoo goed in het oude huis passen, omdat hij geen meubels genoeg bezit voor eene ruimere woning enz. [65].
Precies in dezelfde verhouding staan nu de massas iets bezittende, dat in het algemeen te laag voor hen staat tegenover novateurs, welke zulk eene zaak op een hooger standpunt willen brengen, al is het dat hierdoor aan eene werkelijke behoefte voldaan wordt, en aldus nog zooveel te meer zoo die behoefte nog maar flaauw is, en het nieuwe, dat wordt aanbevolen, voor die massas nog te verheven is. De geschiktheid van het oude voor bijzonderheden van den bestaanden toestand en de ongeschiktheid van het nieuwe hiervoor, verklaren de inertie dier massas, en ten gevolge hiervan worden die hervormers, meestal bekwame personen, maar die weinig te verliezen hebben, gehouden voor lastige menschen en onpraktische warhoofden, goed om te worden verwaarloosd. Komen deze nu in aanraking met magthebbende personen, wier positie aan den ouden stand van zaken verbonden is, zoo wordt de zaak erger voor hen, althans zoo men vervolging erger kan noemen dan voor anderen vruchteloos te arbeiden. Al komen zulke magthebbenden niet tegen beter weten in veel te kort in de vervulling der eischen van hunne positie, al zijn het dus geen slechte menschen, zoo zullen zij, door overdrijving der bezwaren der verandering, door gehechtheid aan hunne wijze van zien, door gekwetste ijdelheid, al ligt er toe komen om die hervormers voor monsters en vijanden van het heil der maatschappij te houden, en hen, wanneer de stand van beschaving en de wetten dit veroorloven, naar het schavot zenden. Dit in aanmerking nemende, zoo is het gemakkelijk te verklaren hoe de Atheners, zonder te meenen onregt te plegen, Socrates konden ter dood veroordeelen, omdat hij beticht werd de jeugd tot ongeloof en zedeloosheid te verleiden. [66] Wat nu is de oorzaak dier verkeerde oordeelvellingen en van het verwonderlijke verschil in appreciatie der waarde van zaken door de menschen? Niets anders dan de verandering der wereldsche zaken, waardoor, wegens de werking der traagheid, bij verandering van eene zaak, niet al de andere direct eene overeenkomstige verandering ondergaan en zich er naar schikken, maar op verschillende hoogten staan, zie Noot blz. 69, en voorts het verschil in werking der traagheid niet alleen bij onderscheidene menschen, naar gelang van hun karakter, beelding, antecedenten en positie, maar ook bij denzelfden mensch bij de verschillende zaken, waarmede hij zich bezig houdt.
Zoo zal bijv. een geleerde, de vader der nieuwste ontdekkingen op het gebied van eenige wetenschap, in zijne kleeding de mode van voor twintig jaren volgen, ofschoon hij volstrekt niet overtuigd is, dat deze doelmatiger dan de thans bestaande is, en eenig ander mensch hevig liberaal, maar tevens voorstander zijn van classieke studiën voor regtsgeleerden en sterrekundigen zijn, omdat het toeval hem rector gemaakt heeft.
Eene constante oorzaak (bij het voorbeeld van blz. 132 de doorloopende orde tot opsluiting zijnde) tracht echter, wanneer bij iemand, of bij eenige maatschappij verschillende zaken op ongelijke hoogte staan, deze in hoogtestand naar elkander te trekken. Zoo is het bijv. niet aan het toeval te wijten, dat thans de geestelijken eene ouderwetsche kleeding dragen en gehecht zijn aan de klassieke studiën.
Bij zwakke verandering der maatschappelijke toestanden, meeningen en behoeften zal men daarentegen bij instellingen geene groote ongeschiktheid van het een voor het ander en evenmin groote verschillen in opinie bij de menschen, ten gevolge van bovengemelde werking der traagheid, waardoor zie blz. 119 de kritiek met betrekking tot de vorming van nieuwe opiniën ten achteren blijft, bespeuren.
Tusschen den mensch van genie van heden en den gewonen mensch van lateren hoogeren trap van beschaving, wiens toename in geestontwikkeling door uitgebreider onderwijs en zelfs zie blz. 199 door den ligchamelijken invloed zijner ouders meer begunstigd is dan die zijner voorzaten, bestaat het verschil, dat gene betrekkelijk zijne tijdgenooten in eene soort van geestontwikkeling kan uitmunten, waarvan later weinig werk wordt gemaakt zie blz. 67, en waarin dus zijne niet geniale nakomelingen hem niet evenaren, ofschoon deze in andere soorten van geestontwikkeling hem zullen overtreffen. Desniettemin kan men zeggen, dat in zeker opzigt, vooral de in het algemeen geniale mensch van heden, vertoont wat de gewone mensch in de verre toekomst zal zijn, en dat hetgeen hij voor zich (niet voor zijne tijdgenooten) op maatschappelijk en religieus gebied geschikt acht, in de toekomst bij hoogeren trap van beschaving eenmaal zal bestaan. Beide zullen zie blz. 84 gebrekkiger dan den gewonen mensch van heden aan de door hen gestelde levenseischen voldoen, sneller dan dezen voorwaarts schrijden op de baan der geestontwikkeling, en beter dan dezen begrijpen hoeveel er voor den individuelen mensch te leeren valt, en welke kennis hunne nakomelingschap zal kunnen opdoen. Van den in kennis boven zijne tijdgenooten verheven mensch, wordt vaak de leering, van den hen zedelijk overtreffenden mensch, de beweegredenen zijner handelingen gebrekkig begrepen. Beide nu moeten binnen zekere grenzen trachten zich geschikt te maken voor hunne omgeving, de eerste door zich door deze te doen begrijpen, de tweede door de verdediging zijner regten minder aan de hoede der maatschappij over te laten en haar meer op zich te nemen.
Hiervoor behoeft men echter zijne toeneming in intellectuele en zedelijke ontwikkeling slechts te wijzigen, zonder haar te verzwakken. Zoo men toch minder tijd wijdt aan het opdoen van kennis, ten einde pligten jegens anderen te vervullen, zal men zijne zedelijke ontwikkeling bevorderen, en zoo men zich sterk tracht te maken, ten einde zijne belangen beter te verdedigen en geene vergevingsgezindheid en onbaatzuchtigheid betoont waar misbruik van gemaakt zou worden, zijne intellectuele ontwikkeling begunstigen.
Verder mag men evenwel naar ons inzien niet gaan, en aldus niet zeggen, ik zal die kennis niet opdoen, omdat ik haar niet ten volle aan anderen kan mededeelen, ik zal mij niet meer zedelijk veredelen, omdat anderen hierdoor slechts weinig gebaat zouden worden. Zulk eene nuttigheidsleer zou slechts kunnen opgaan zoo de menschen uiterst innig met elkander verbonden en alsware geestelijk zamengesmolten waren, zoo er een geestelijk communisme bestond.
Even als de door de regtbanken opgelegde en tot afschrikking dienende straffen, zooveel mogelijk aan de zedelijke verheffing der veroordeelden dienstbaar gemaakt worden, zoo moet een ieder, zooals hierboven gezegd is, de verhooging zijner geestelijke ontwikkeling zooveel mogelijk dienstbaar trachten te maken aan het heil zijner medemenschen. Dit nu wordt door hen, welke zich aan het zoogenaamde comtemplatieve leven wijden, verzuimd, doch dit leven kan voor die personen zelve even heilzaam zijn als eene de veroordeelden niet zedelijk opheffende straf voor de maatschappij.
Het verzuimen van lagere soorten van geestontwikkeling, ten einde zijn leven toe te wijden aan vergrooting van meer verhevene soorten er van, was primitief het doel van het kloosterleven, en zoo iets kan niet ten allen tijde geschieden, zonder zich van de maatschappij af te zonderen. De vergrooting der geestelijke ontwikkeling dier maatschappij, zijn eigen persoon hier in begrepen, zooveel mogelijk bevorderen, behoort een ieders streven te zijn, doch om (zooals op blz. 85 gezegd is) de geschiktheid dier maatschappij voor het aardsche te paren aan haren geestelijken vooruitgang, dient die vergrooting niet alleen bij de hoogste ons bekende soort, maar ook bij lagere soorten van geestontwikkeling (waarvan op blz. 67 gesproken is) plaats te hebben. Alles komt toch neder op gedachten.
Onjuist komt ons voor Göthes epicuristische stelling, dat men gedurende zijn leven de som der aangename en verstandige gedachten zoo groot mogelijk moet trachten te maken. Deze stelling zou passen voor wezens, individueel in geen phase van vooruitgang zijnde. De eischen hiervan maken (zie blz. 84) dat men zich dikwijls onaangename en bezwarende gedachten moet opleggen.
Wanneer bij eenig wezen de zedelijke ontwikkeling hooger staat dan de intellectuele, zal gene verlagen door onwetendheid en gebrek aan kracht, terwijl in het omgekeerde geval, de intellectuele ontwikkeling door toegeving aan hartstogten zal verlaagd worden. Op den langen duur kunnen beide soorten van geestontwikkeling niet op verschillende hoogten blijven staan, en van daar dat de genius van het kwaad, bestendig eene hooge intellectuele aan eene zeer lage morele ontwikkeling parende, niet slechts een niet bestaand, maar zelfs een onbestaanbaar wezen is. Het kwaad bezit steeds het karakter van dierlijkheid, zwakheid of bekrompenheid. Hij die bijv. zelfs ter bereiking van een goed en groot doel (zooals bijv. het daarstellen van een deels meer geschikten, deels meer geavanceerden maatschappelijken toestand) slechte middelen aanwendt, handelt bekrompen, daar hij weinig vertrouwen in zijn talent schijnt te stellen en een gebouw op zwakke grondslagen sticht. Even als het afbreken veel gemakkelijker dan het opbouwen is, zoo is het benadeelen en bedriegen van een ander veel gemakkelijker dan het met hem zamenwerken ter bevordering van zijn heil. Hiervoor wordt meer menschenkennis en overleg gevorderd dan voor het bedriegen, waarbij men met eene lage soort van geestontwikkeling, ook bij de roofdieren bestaande, kan volstaan. Deze kunnen toch goed onderscheiden welk dier zij aan en welk zij niet aan kunnen, zich in hinderlagen leggen en hunne prooi onverwachts bespringen, doch wat zij slechts op eene zeer beperkte schaal kunnen doen is met elkander zamenwerken. Zoo iemand door kwaad te doen, zijne zedelijke ontwikkeling betrekkelijk die der andere menschen verlaagt, trachten de door deze opgelegde straffen hem te verlagen, en omgekeerd, na het plegen van goede daden, de ontvangen loonen hem in eene hoogere positie te plaatsen. De menschelijke vergelding strekt dus niet alleen, om door afschrikking en aanmoediging de zedelijke ontwikkeling der menschen te verhoogen, maar tevens om deze in voor hen geschiktere toestanden te brengen, door een ieder digter bij de plaats te brengen, waarop de hoogte zijner geestelijke ontwikkeling hem aanspraak geeft.
Overigens loonen en straffen de menschen slechts voor zoo verre hen door iemand goed of kwaad gedaan wordt. De verhooging of verlaging der zedelijke ontwikkeling van een persoon, gevolgen zijner daden, bestaan naast die loonen en straffen, zijner niet steeds mede evenredig, worden er meer of minder door geinfluenceerd en zijn sterker en duurzamer, naarmate de zelfbewustheid der menschen grooter is. Tegelijk hiermede moet het bewustzijn der morele verhooging of verlaging, bij de menschen sterker wordende, deze meer wéérhouden om anderen kwaad of te kort en meer dringen om anderen goed te doen. Werden de eischen van het maatschappelijke en zedelijke bestaan der menschen alsdan niet hooger, zoo zouden de menschen zeldzamer door anderen te kort gedaan en menigvuldiger goed bejegend worden, dit kwaad en dit goed minder geteld en menschelijke straf en loon zwakker worden [67]. Men ziet aldus hoe wenschelijk het is, dat de menschen hunne zedelijke verlaging of verhooging ten gevolge hunner slechte of goede daden, groot en duurzaam voorstellen, en hoe is dit nu mogelijk, zoo zij haar bij het einde van hun aardsche leven stellen op te houden? De voorstelling der zedelijke verhooging of verlaging van den mensch na den dood is thans bij de massas nog kinderlijk, daar zij is die van opgelegd menschelijk loon of straf, doch verdween zij bij die massas, zoo zouden deze betrekkelijk wat slechter worden, hierdoor de eischen van hun maatschappelijk en zedelijk bestaan verlagen, en dit successivelijk voort gaan, tot dat het menschdom zou dalen tot op het standpunt dier wilde volken wier zelfbewustheid zoo gering en wier zinnelijkheid zoo groot is, dat zij zich nog hoegenaamd geene voorstelling van een toekomstig leven kunnen vormen. De atheïsten door redenering zouden aldus van lieverlede atheïsten uit onwetendheid zijn geworden, of is het niet waar, dat bij den mensch alles zich op dezelfde hoogte tracht te stellen, en dat, zoo aldus iets bij hem op een zeer laag standpunt te houden was, al het ander van lieverlede op een even laag standpunt zou komen? Hij die zoo iets ontkent, kent de natuurwet der geschiktwording van het een voor het ander niet. Of zou men denken, dat, zoo het mogelijk ware dat de menschen steeds naakt gingen loopen, en hunne dierlijke lusten in het publiek dan met deze en dan met gene gingen voldoen, kunsten en wetenschappen nog lang zonden bloeijen? Apen zouden zulke menschen worden, apen in ligchaamsvorm, in intellectuele en zedelijke ontwikkeling, in levenswijze.
Dit onverzettelijk zeer laag houden van een factor der ontwikkeling van eenig wezen, betrekkelijk de andere factoren, is echter op den duur onmogelijk, daar niet slechts alles in hoogte elkander tracht te naderen, maar bij dit alles een drang tot vooruitgang bestaat.
Door dien vooruitgang worden de wezens magtiger, en streven zij sterker dan hunne gelijken voorwaarts, zoo worden zij magtiger dan deze.