Part 13
De overheerschende werking door grootere geesten over kleinere, waarmede zij in contact zijn, uitgeoefend, kan vergeleken worden met die van groote bollen op de banen van kleinere en het verstrooid liggen dezer laatste met het gemis van collectieve werking bij overheerscht wordende wezens. Die hemelbollen oefenen (zie blz. 165) door tusschenkomst van den ether invloed op elkander uit, de geesten, volgens het op blz. 145 gemelde, door tusschenkomst der denkbeelden van den oergeest en, even als gene, wanneer zij elkander naderen (zie blz. 165 door omzetting van ethertrillingen in snelheden bij hunne massa's) beweegkracht uit den ether opnemen, zoo kan men stellen dat de geesten, bij het sterker in contact komen met andere geesten, om hunne latente denkbeelden werkdadig te maken, denkkracht van den oergeest ontleenen.
De door de nadering der bollen ontstane snelheden heeft tot gevolg dat zij zich weder van elkander verwijderen, en die verwijdering dat derzelver snelheden kleiner worden. Bij de geesten moet evenzeer (zie blz. 87) het voortgebragte uitputtende werken op het voortbrengende, en aldus de werkdadigheid van geesten derzelver contact (waarvan de wijzigingen met de veranderingen in rigting der snelheden der bollen vergelijkbaar zijn) verzwakken en die laatste verzwakking wederom leiden om die werkdadigheid te verminderen.
Op blz. 73 en 84 hebben wij dan ook aangegeven, hoe de werkdadigheid der geesten de er annex aan zijnde ligchamen, met wier behulp zij in contact met andere geesten zijn, vernield en op blz. 73 en 78 hoe die vernieling de werkdadigheid dier geesten vermindert.
Een eindelijk volslagen gemis hiervan bij den dood dient echter krachtens bovengemelde wet te leiden tot de vergrooting van het contact met andere wezens en alzoo tot het ontstaan van de hiervoor gevorderde hulpmiddelen. De denking, behoorende bij de levende organische wereld van hemelbollen, zou men tot deze kunnen stellen in dezelfde verhouding te staan, als de ligchamen bij die denking annex, (en zie blz. 143 wel te onderscheiden van de moleculaire beweging deze bepalende) tot die denking zelve. Gedurig verwisselen die ligchamen van deelen, en evenzoo kunnen die organische werelden van denkende wezens verwisselen, terwijl, even als die ligchamen ontstaan, groeijen en vergaan, en dit laatste, zooals op blz. 73 gezegd is, een gevolg is der sterke werkdadigheid van de er aan annex zijnde geesten, die organische werelden kunnen ontstaan, bloeijen en, tengevolge van aanraking der bollen waarop zij aanwezig zijn met andere, (het op blz. 161 gemelde tengevolge hebbende) weder vergaan. Op blz. 7 hebben wij wel is waar gezegd dat organische naturen zich geschikt maken voor de omstandigheden door elken hemelbol opgeleverd en aldus van allerlei aard kunnen zijn, doch, wanneer die omstandigheden snel veranderen, zal, wegens de op blz. 68 gemelde werking der traagheid, er zulk eene ongeschiktheid bij zulke naturen kunnen ontstaan, dat zij er onder te niet moeten gaan. Die vernietigende oorzaak, bestaande in het zeer sterk uitgezet en gasvormig zijn van zulke betrekkelijk zeer digt bij elkander gekomen hemelbollen, op het grootste kort nadat zij op het snelste bewegen, zal (zie blz. 167) vroeger moeten invallen dan het gevolg er van, namelijk het vernietigd zijn der organische naturen, en evenzoo volgt de dood van het ligchaam eenigen tijd na dat de werkdadigheid van den geest een maximum bereikt heeft.
Op blz. 159 hebben wij gezegd, dat de hemelbollen, onder vergrooting van derzelver massas, door vervorming tot derzelver bestanddeelen van den omringenden ether (iets dat misschien door het bezit van snelheden door die bollen bevorderd wordt) eerst tot zekeren grens minder etherachtig worden en in massa versnellende toenemen, en, nadat zij dien grens bereikt hebben, weder meer etherachtig worden en vertragende in massa toenemen, zonder echter weder volmaakt etherachtig te zijn, voor dat derzelver massa oneindig groot geworden en hunne zijde gekeerd naar het op blz. 161 gemelde middelpunt van het Heelal, oneindig ver hiervan afgelegen is. Hoe minder etherachtig die bollen zijn, hoe grooter betrekkelijk hunne massas hunne snelheden gemiddeld zullen zijn, doch tevens hoe minder latente warmte beweegkracht die massas zullen bevatten.
Zou men nu bij de in geestontwikkeling, of anders gezegd in grootte toenemende geesten ook niet kunnen stellen, dat hunne denkvormen eerst tot zekeren grens van die van den oergeest gaan verschillen en die toeneming alsdan versnellende is, terwijl later het tegenovergestelde plaats heeft. Die toeneming zou aldus voorgesteld kunnen worden door het onbepaald hoog oploopen van eene ojiefvormige kromme lijn, wier buigpunt oneindig ver van het punt waar die kromme de abcissen as raakt, maar op zekere distantie boven die as gelegen is. [51]
Bij dien grens, waarbij zij qualitatief het meeste van den oergeest verschillen, zullen die geesten het veranderlijkste en aldus zie blz. 64 het betrekkelijk onvolmaaktste zijn, hunne invidualiteit (wel van zelfbewustheid te onderscheiden) op een maximum zijn, en zij betrekkelijk hunne grootte op het meeste op eene wijze, vergelijkbaar met het bezit van snelheden, doch daarentegen op het minste op eene wijze, vergelijkbaar met het bezit van warmtebeweegkracht, werkdadig zijn. Het bezit dier laatste soort van werkdadigheid, achten wij te zijn de mogelijkheid om denkbeelden, door aanschouwing verkregen, voor den geest te houden, en het bezit der eerste om, zooals bij ons menschen, denkbeelden onder inspanning en met verstandswerking voor den geest te houden, en aldus te oordeelen, te zoeken, te kiezen enz.
Van de oneindige massa van den ether is slechts een deel, gelijk aan de grootst eindige grootheid en betrekkelijk volstrekt nietig, onder den invloed der uit van den ether onderscheiden stof gevormde, hemelbollen. Slechts bij dit laatste deel van den ether, oneindig maal overtroffen wordende door deszelfs gansche massa, verkeert aldus die oerstof in geen onveranderlijken toestand en is aldus de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging niet steeds onveranderlijk dezelfde. Des te minder zal dit het geval zijn bij de massas van gemeld deel van den ether, naarmate zij digter liggen bij hemelbollen en vooral bij die minder etherachtig van aard zijnde. In overeenstemming hiermede moet het oneindig aantal denkbeelden van den oergeest op een grootst eindig en aldus betrekkelijk volstrekt nietig deel na onveranderlijk dezelfde en zie blz. 64 derhalve volmaakt zijn, terwijl van dit uiterst groote, maar nog eindig aantal veranderlijke denkbeelden deze het sterkste veranderlijk moeten zijn, welke het meeste met de denkbeelden der afgescheiden geesten (en voornamelijk met die qualitatief het meeste met den oergeest verschillende) in contact zijn.
Op blz. 143 hebben wij daarvan reeds gewag gemaakt en tevens gemeld dat de beweging der zelfstandigheid de denking moet bepalen en omgekeerd. Slechts bij de hemelbollen en, zooals hierboven gezegd is, bij een grootst eindig deel van den ether bestaan er nu veranderlijke bewegingen (ofschoon te zamen met onveranderlijke) en daar slechts zij veranderlijke denking kunnen bepalen en hierdoor bepaald worden, zoo volgt ook hieruit, dat slechts een grootst eindig maar betrekkelijk volstrekt nietig deel der denkbeelden van den oergeest veranderlijk en aan den op blz. 64 gemelden invloed der traagheid onderworpen kan zijn.
Men dient hierbij wel te onderscheiden de wederkeerige bepaling der beweging en denking der zelfstandigheid van de overeenkomst tusschen hetgeen op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en door denking bestaat. Een zich als iets onderscheiden veropenbarende op dit laatste gebied, is vergelijkbaar met een evenzoo onderscheiden iets op het andere gebied, maar wordt niet door zulk een onderscheiden iets hierop bepaald. De denking van eenig wezen wordt bijv. niet door iets onderscheiden op het gebied der veropenbaring door beweging bepaald, maar kan vergeleken worden met de bewegingen (de moleculaire ingesloten) van een hemelbol, terwijl omgekeerd de bewegingen hiervan niet door een onderscheiden iets op het gebied der denking bepaald worden. Zoo hebben wij bijv. het oerwezen met den ether vergeleken, terwijl ook bewegingen bij de massas der hemelbollen bijdragen om de veranderlijke denkbeelden van den oergeest te bepalen, en daarentegen veranderlijke bewegingen bij den ether voor een deel de denking der afgescheiden geesten kunnen bepalen.
De enkelvoudige etheratomen zullen misschien oneindig klein zijn, oneindig digt bij elkander zijn gelegen, en in een oneindig kleine tijden trillingen maken, voor zooverre deze niet ontstaan door den invloed van hetgeen op de hemelbollen plaats heeft, zooals bijv. wel het geval is bij de ethertrillingen der stralende warmte. Zulke binnen een oneindig kleinen tijd zich herhalende bewegingen kunnen nu in zekeren zin als een onveranderlijke bewegingstoestand beschouwd worden en onveranderlijke denkbeelden bepalen. Elk der moleculen der ligchamen, een oneindig aantal etherdeelen bevattende, zal voorts op een eindige distantie van andere moleculen gelegen zijn.
De op blz. 159 gemelde bollen, zullen, naarmate zij trager gemiddeld naar buiten dringen, in grooter aantal op concentrieke boloppervlakken, het middelpunt, van blz. 161 tot middelpunt bezittende, gelegen zijn, en bij al die boloppervlakken de naar buiten dringende massa gemiddeld even groot moetende zijn, zoo zullen aldus de uiterst groote bijna etherachtige bollen met zeer kleine gemiddeld buitenwaarts gerigte snelheden kunnen volstaan. Voorts zal de ether, ter vergrooting der massa dier bollen strekkende, naar binnen stroomen en met de landwaarts zich verplaatsende dampen te vergelijken zijn, zoo men die zich vergrootende bollen met de rivieren, en de ether met den Oceaan en het dampkringswater vergelijkt.
Elk verschijnsel ondervindt den invloed van eene reeks van verledene en oefent invloed uit op eene reeks van toekomstige verschijnsels, doch doet zulks minder, naarmate deze verschijnsels verder in het verleden en in de toekomst gelegen zijn. Zoo nu een bestanddeel van een zamengesteld verschijnsel in het heden min of meer verflaauwd bevat is in zamengestelde verledene of toekomstige verschijnsels, kan men zeggen dat wat van het verleden nog en wat van de toekomst reeds in het heden bevat is, en dit zal in sterkere mate het geval zijn, naarmate zulke bestanddeelen van verschijnselen in het heden minder veranderlijk en tevens meer algemeen zijn. Zoo bijv. een volk eene ingewortelde liefde voor een vorstenhuis bezit, moet die liefde, ofschoon in flaauwere mate, zoo zij door de daden dier vorsten later niet opgewekt wordt, in de toekomst nog bestaan en alsdan op den toestand van dit volk, waaraan inmiddels eene andere dynastie opgedrongen kan zijn, van invloed zijn. Van de toekomstige omstandigheden van dit volk is aldus reeds een deel in het heden bevat. De aard van zulk een volk, een minder veranderlijk en meer algemeen verschijnsel als de populariteit van eene dynastie, zal aldus in de toekomst minder verzwakken dan die populariteit en veel langer dan deze van noemenswaardigen invloed zijn op de lotgevallen van zulk een volk. Als zulk een verschijnsel kan ook beschouwd worden de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel, waardoor die stad, terwijl de beschaving toeneemt, zulks in rijkdom en uitgestrektheid moet doen. De verheffing van zulk eene stad in de toekomst, zoo accidentele oorzaken dit niet tegengaan en in dit geval zekeren wederstand aan accidentele oorzaken van verval, is aldus een feit reeds in het heden begrepen, doch, evenmin als het karakter eener natie, is de gunstige ligging eener stad voor den zeehandel iets dat door eene volstrekt constante oorzaak steeds in stand gehouden wordt.
Die van Amsterdam is bijv., door het ondieper worden der Zuiderzee en het vergrooten van het charter der schepen, na gedurende de opkomst der zeevaart tijdens de middeleeuwen in waarde gestegen te zijn, na de zestiende eeuw van lieverlede vermindert, en evenzoo zal het toenemende verkeer tusschen de volken de eigenaardigheden van den Nederlandschen volksaard van lieverlede uitwisschen. Kenden wij uitmuntend den aard onzer ziel, zoo zouden wij welligt door aanschouwing er bij gewaar worden eene constante oorzaak, haar in ontwikkeling trachtende te doen toenemen. Die oorzaak zou aldus een verschijnsel zijn van een onveranderlijk en algemeen karakter, en het gemiddeld minder ontwikkeld zijn eener ziel, naarmate men hoever ook in derzelver verleden teruggaat en het gemiddeld meer ontwikkeld zijn er van, aan hoe verder afgelegen toekomstige tijden men denkt, iets zijn in den huidigen toestand dier ziel bevat.
Het is aldus klaar dat, naarmate verschijnsels in het heden, door meer onveranderlijk en algemeen te zijn, de verledene en toekomstige toestanden meer bepalen, zij absoluut belangrijker worden en eene ruimere plaats in de denking van eenig wezen zouden innemen, zoo diens inzigt in den tijd niet beperkt ware. Bij den oergeest dit laatste het geval niet zijnde, zoo moet bij dit wezen het denken aan de volstrekt algemeene en onveranderlijke verschijnsels oneindig maal sterker zijn, dan dat over de veranderlijke en niet volstrekt algemeene, welke slechts bij en door den invloed van eindige wezens en eindige hemelbollen ontstaan. Het denken betreft steeds min of meer direct de veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, doch, naarmate de geestontwikkeling grooter is, is de kennis dier veropenbaring der zelfstandigheid door beweging rijker en van meer beteekenis en wordt zij algemeener en dieper opgevat (zooals bijv. bij sterker onderzoek der oorzaken der verschijnselen en der werking der Natuurwetten). In den allerhoogsten graad behoort men zoo iets te veronderstellen bij de denking van het oerwezen, doch men hierbij geene kennis ontstaan door het afleiden van het onbekende uit het bekende door oordeelen en raden, maar slechts eene, door directe aanschouwing van het tegenwoordige verkregen, moeten veronderstellen. De ether niet onder den invloed der er van onderscheiden hemelbollen zijnde, maar waarmede deze, na het bereiken eener oneindige grootte zamensmelten, vormt eene oneindige massa en deszelfs bewegingen moeten aldus bepalen de oneindige en onveranderlijke denkbeelden van den oergeest (de geesten, nadat deze eene oneindige grootte bereikt hebben en er mede qualitatief gelijk geworden zijn in zich bevattende). Daar nu die denkbeelden moeten betreffen dienzelfden ether, beschouwd als eene oneindig rijke en diepe veropenbaring der zelfstandigheid door beweging en oneindige en onveranderlijke verschijnsels te weeg brengende, zoo moet het gezegde, dat het oerwezen verzonken is in de contemplatie van zich zelf en er voor al het algemeenste van het verledene en toekomende door het huidige bepaald is, waar zijn.
De zelfstandigheid, wier veropenbaring door beweging al de veranderlijke verschijnselen bij de eindige hemelbollen en die bij den ether, voor zoo verre deze den invloed van die bollen ondervindt, vormt, kan kwalijk zich door denking veropenbarende, bij het oerwezen anders dan eindige en veranderlijke denkbeelden te weeg brengen. Zoo deze echter slechts de kennis van het thans bestaande bevatten, voor zoo verre dit voor volmaakte aanschouwing vatbaar is, en die van het verledene en toekomstige, voor zooverre deze in het tegenwoordige vervat zijn, zal die kennis volmaakt juist zijn. Van eene kennis zooals wij menschen bezitten, waarbij uit de beschouwing van verschijnselen afgeleid is het bestaan van zekere natuurwetten en, door het bestaan zulke wetten te stellen, tot het aanwezig zijn van andere verschijnsels besloten wordt, moet zij aldus onderscheiden zijn. De wetenschap van wetten dient bij de kennis van het oerwezen bevat te zijn in de aanschouwing van al de er door te weeggebragte verschijnsels, want slechts dan kan zij geheel zeker zijn. Die veranderlijke denkbeelden van den oergeest (door zijne onveranderlijke denkbeelden oneindig maal in sterkte overtroffen wordende) moeten niet als deze laatste slechts betreffen de bewegingsveropenbaring van het geheel van bewegingen m welke die denkbeelden bepalen en er door bepaald worden, evenmin als zulks bij ons menschen het geval is. Het geheel van beweging, onze denking bepalende, vormt toch geen verschijnsel op het gebied der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging, waarmede onze denking zich alleen bezig houdt, ja zij is zelfs onnaspeurlijk voor onze zintuigen. Die bewegingen m moeten echter van invloed zijn op andere bewegingen, bijv. die waardoor de organisatie der planten en dieren gevormd wordt en deze omhoog drijven en voor de levensomstandigheden waarin zij verkeeren geschikt maken. Minder naauwkeurig, aangezien denking slechts op denking en niet direct op bewegingen van invloed is, zou men kunnen zeggen, dat door de denkbeelden van den oergeest door de bewegingen m bepaald, die organisatien op eene wijze, direct uit de bestaande gebreken voortvloeijende, voor derzelver levensomstandigheden geschikt gemaakt worden. Wegens de kracht waarmede het bestaande, of dit al of niet moge voldoen, onveranderd tracht te blijven, of anders gezegd wegens de werking der traagheid, zullen die verbeteringen te laat plaats hebben, doch zij kunnen niet ten gevolge van zulk eene onzekere en indirecte aanschouwing der gebreken en niet in zulk een indirect verband hiermede aangebragt worden als de verbeteringen van ons menschen voortspruitende. Het oordeelen of deze of gene verbetering te verkiezen is, zal er aldus niet bij kunnen plaats hebben. Het aannemen van die bewegingen zonder er door bepaalde denking heeft sommige menschen geleid tot het ontkennen van doel in de natuur, terwijl het niet aannemen van zulke bewegingen, maar wel van die denking, andere menschen geleid heeft tot de miskenning van het noodwendig uit elkander voortvloeijen der stoffelijke verschijnsels.
Elk verschijnsel bevat iets bijzonder, tot alleen eigen, voorts iets meer algemeen en minder veranderlijk, dat het met meer soortgelijke verschijnsels gemeen heeft, iets nog meer algemeen en nog minder veranderlijk, dat het met eene grootere verscheidenheid van verschijnsels gemeen heeft enz.
Een verschijnsel is het bijv. dat een dier des winters eene zwaardere vacht verkrijgt. Het meest bijzondere hiervan bestaat in de eigenaardigheden dier vachtverzwaring bij dit eene dier verscheiden van die in het algemeen bij de dieren dierzelfde soort bestaande, het minder bijzondere, in het eigenaardige der verzwaring der vacht bij de gansche soort, het meer algemeene, in het eigenaardige der natuurlijke beschutting van al de diersoorten tegen koude, het nog meer algemeene, in dat van derzelver beschutting tegen schadelijke invloeden in het algemeen en het meest algemeene, in dat der beschutting der levende organisme op al de wereldbollen tegen schadelijke invloeden in het algemeen. Bij elk verschijnsel, bij elk in vachtverzwaard dier kan het meer bijzondere niet bestaan, zonder het meer algemeene, doch wel omgekeerd, en kan de zorg voor het meer bijzondere niet bestaan zonder die voor het meer algemeene en is dit laatste iets van meer gewigt dan het eerste. Men kan die geschiktmaking der organisatiƫn der dieren voor derzelver levensomstandigheden vergelijken met het in goeden gang houden van machines van verschillend maaksel, tot verschillende einden dienende en aan allerlei storende oorzaken blootgesteld. De hiervoor te nemen maatregelen zullen dan, deels voor elk dier machines verschillende, doch deels ook voor alle dezelfde worden.
Behalve die gedurige verbetering van zulke machines kan men eene beschouwing van derzelver goede werking aannemen. Wij menschen zouden, niet alleen wegens den aard onzer zintuigelijke waarneming, maar tevens ook wegens die onzer denkvormen, zulke machines achtervolgens bezigtigen, en, van de eene naar eene andere gaande, de denkbeelden betreffende de eerste latent maken. Men kan zich echter ook voorstellen dat, even als men het bespelen van al de instrumenten van een orkest tegelijk en niet achtereenvolgens hoort, al zulke machines te gelijk bezigtigd worden. Geschiedt zulks en verandert de werking van elk dier machines, zoo is de denking van den toeschouwer niet veranderlijker dan de taferelen die hij aanschouwt; terwijl dit daarentegen wel het geval is, zoo hij die veranderlijke werking dan bij de eene en dan bij de andere machine beschouwt. Dit kan met op blz. 182 gemelde in verband gebragt worden.
De bewuste aanschouwing der verschijnselen leidt niet alleen, zooals op blz. 119 gezegd is, tot onderzoek en verklaring er van, maar ook tot verificatie der waarde onzer begrippen over die verschijnselen. De eerste soort van bewuste aanschouwing betreft meer verschijnselen dan die waarvan den aard verklaard wordt, terwijl de tweede soort van aanschouwing der dingen (dieper en grondiger dan de eerste zijnde en waaronder bijv. behoort die van de telescopische planeet Neptunus), slechts van eenige dier verklaringen de waarde aantoont. Zoo nu die eerste soort van aanschouwing niet grooter werd, zou de kennis der verschijnselen en de controle hiervan door de tweede soort van aanschouwing zich van lieverlede, op derzelver hoogte stellen, die kennis aldus eindelijk volmaakt juist worden, en die tweede soort van aanschouwing alsdan direct den aard en het verband der verschijnselen aantoonen, zoodat men naar geene verklaringen er van zou te zoeken hebben. Zulk een eind toestand kan bij in geestontwikkeling toenemende en deze aarde tot standplaats bezittende wezens niet bestaan; doch, naarmate bij aardsche wezens de geestelijke ontwikkeling en eerstgemelde soort van bewuste aanschouwing minder toenemen, zal de controlerende aanschouwing minder ten achteren blijven, en de afwijkingen van dien eindtoestand geringer zijn. Dit bijv. kan bij de dieren het geval zijn, niettegenstaande bij hen de eerste soort van bewuste aanschouwing geringer dan bij ons menschen is. De werking der traagheid, waardoor bij ons menschen de sterkte der controlerende aanschouwing der verschijnselen ten achteren is betrekkelijk onze denkbeelden over den aard en de toedragt dier verschijnselen, maakt dat vele verschijnselen ons toevallig voorkomen. Kon men bijv. uiterst goed waarnemen op welk eene wijze een witte of zwarte bal blindelings uit eene bus (evenveel witte als zwarte ballen bevattende) getrokken wordt, zoo zou het trekken van een witten bal ons niet meer toevallig voorkomen.
Dat ons ligchaam en onze zintuigen van dien aard zijn, dat zij bij de verst verwijderde generatiƫn nimmer zoodanig kunnen worden, dat de controlerende aanschouwing van elk verschijnsel der aard hiervan zoo sterk aantoont, dat geene onzekere veronderstellingen daaromtrent kunnen gevormd worden, is slechts een bewijs dat op deze aarde de harmonie tusschen die aanschouwing en de redeneering bij der menschen geest onmogelijk kan ontstaan en dat deze aldus geen product dezer aarde is.