Part 12
Op blz. 146 hebben wij gezegd, dat bij de anorganische ligchamen er van geene deugd of geschiktheid voor het verkeeren in zekere omstandigheden en van verhooging van organisatie sprake kan zijn. Het is er echter verre van af dat hierbij de uitwerking der Natuurwetten naar geen doel zou streven. Beschouwt men bijv. de anorganische ligchamen niet afzonderlijk, maar tot hemelbollen gemasseerd, zoo kan bij deze zeer wel sprake zijn van deugd in eigen belang, welke bijv. zou bestaan in het vermogen om een afzonderlijk bestaan te perpetueren, om niet steeds in snelheid af te nemen, om korsten en gasvormige omhulsels te bezitten, om bij een en ander verscheidenheid van aard en van temperatuur in stand te houden enz. Ook kan het zijn dat de hemelbollen, door zamenpakking van den ether of algemeene enkelvoudige oerstof, binnen en om hun oppervlak gelegen, er bij chemische verbindingen te weeg brengen, de natuur van hun eigen bestanddeelen aan dien ether geven en aldus in massa toenemen, hetgeen met de vergrooting der geesten te vergelijken zou zijn, terwijl de neiging dier bollen om in massa toe te nemen met den aanleg dier geesten zou overeenkomen.
Hoe grooter afwijkingen er van de geschikste organisatie der planten en dieren ten gevolge van zekere accidentele oorzaak bestaat, hoe sterker de oorzaak, des geschikste organisatie trachtende voort te brengen, de verdere vergrooting dier afwijking tegengaat en deze, wanneer die accidentele oorzaak niet meer bestaat, tracht te vernietigen. Hiervan, kan de algemeene reden zijn, dat, wanneer natuurwerkingen zekere afwijking van een toestand voortbrengen, de verdere vergrooting dier afwijking steeds bezwaarlijker voor hen wordt en andere natuurwerkingen een teruggang sterker trachten voort te brengen. De ongelijkheid in snelheid van naast elkander bewegende ligchamen doet bijv. gewone snelheden door middel der wrijving in warmtebeweegkracht overgaan, doch de ongelijke druk, bij warme ligchamen bestaande, doet weder warmte in gewone snelheden veranderen. Hoe meer er nu van die snelheden en hoe minder warmte er bestaat, hoe sterker die uitwerking der wrijving en hoe zwakker die dezer ongelijkheid in drukking zal zijn. Bij ongelijkheid van temperatuur verspreidt zich de warmte van de warmste naar de koudste plaatsen en wordt de temperatuur overal meer egaal, doch waar er electrische scheiding plaats heeft, wordt er warmte ergens opgenomen en deze bij electrische verbinding in warmte, van hooge temperatuur omgezet, zoodat aldaar de temperatuur veel hooger dan elders wordt en aldus de ongelijkheid er van op de verschillende plaatsen hersteld wordt [45]. Was de aarde van binnen vast, zoo zou het rivier- en beekwater de grondspecie naar zee voeren, de golving der zee deze stoffen op derzelver bodem egaliseren en eindelijk de aardkorst volmaakt vlak en overal met eene even diepe zee overdekt raken. De aarde is echter van binnen met (zie hierboven) in beweging gehouden gesmolten lava gevuld en daar deze specifiek wat ligter dan de aardkorst is, zoo zal, waar die lava deze korst van onderen afschuurt, deze dunner en aldus, ter bewaring van het hydrostatische evenwigt, opgeligt worden. Elders het tegenovergestelde plaats hebbende, zoo zullen hierdoor de ongelijkheden van den bodem hersteld worden [46].
Ook op maatschappelijk gebied ontbreken niet die dit grooter worden der accidentele afwijkingen en, naarmate die afwijkingen zulks zijn, sterker, tegengaande werkingen. Wordt er bijv. wegens het bestaan eener accidentele oorzaak, minder goed en meer kwaad gedaan, zoo lijdt de maatschappij hieronder en tracht zij dit te keer te gaan door meer moeite ter zedelijke verbetering der menschen aan te wenden, benevens door de belooningen en straffen te vergrooten [47].
Zoo de hemelbollen, door de werking der wrijving der vloeistoffen dier bollen tegen die van andere bollen waartegen zij botsen (want, voordat zulk eene botsing mogelijk wordt, zullen, wegens derzelver onderlinge aantrekking, hemelbollen zoo sterk uitgezet en dus kouder worden en zooveel warmte uit den omringenden ether opnemen en binden dat derzelver bestanddeelen tot den gasvorm overgaan) veel kleinere banen verkrijgen, zal eene andere werking die banen sterker trachten te vergrooten [48].
Stel bijv. dat eene groep betrekkelijk kleine hemelbollen langs eene elliptischen baan om een anderen bol, in het eene brandpunt van die ellips gelegen, beweegt, zoo zullen de kleine bollen der groep buitendien gedurig naar elkander toe, digt achter elkander heen en, wegens de werking der traagheid, weder van elkander afgaan; zij zullen aldus gemiddeld grootere resulterende snelheden bezitten, dan zoo zij slechts een enkelen bol vormden, waar echter hunne resulterende elliptische baan krom is, zooals bijv. digt bij het perihelium, zullen zij, wegens het bezit dier bijzondere snelheden meest grootere banen erlangen welke echter voor elk dier kleine bollen niet dezelfde als van de andere zal zijn. Verder gekomen zal echter derzelver onderlinge aantrekking hen weder naar elkander toe doen gaan, doch daar zij meest eene grootere baan verkregen hebben, de resulterende baan, waar langs nu die groep van kleine bollen beweegt, grooter dan vroeger geworden zijn. Dit nu zal insgelijks het geval zijn, zoo die groep vervangen wordt door een enkelen vloeibaren bol waarbinnen er stroomen bestaan, zoodat de vloeistofmassa's van dien bol, behalve derzelver snelheid langs eene elliptische baan nog bijzondere snelheden bezitten.
Het uiteenloopen der zooeven gemelde grooter geworden banen zal zulk een vloeibaren bol sterk uitzetten en vervormen, doch de onderlinge aantrekking dier massas (nu in tegenstelling van bij het voorgaande geval door de drukking dier massas tegen elkander wederstaan) die vervorming, wanneer die bol voorbij het perihelium gekomen is, met behulp der wrijving van lieverlede te loor doen gaan, zonder evenwel de baanvergrooting van het zwaartepunt van den bol te kunnen vernietigen.
Stelt men nu dat wanneer die bollen grooter zijn, bij het bestaan van grootere onzuivere en zeer sterk elliptische banen om elkander, de baan vergrootende en verkleinende werkingen tegen elkander opwegen, zoo zal, wanneer van eene groep hemelbollen de leden grooter worden door, zooals op blz. 154 gezegd is, ether tot hunne zelfstandigheid te vervormen, de banen, welke zij om elkander beschrijven, ook grooter worden en aldus de groep in omvang toenemen en de gemiddelde positie dier bollen, bij derzelver aphelium gelegen, verder van het middelpunt der groep komen.
Zelfs zou zoo iets plaats hebben, wanneer die bollen langs eene schil verspreid waren daar, ten gevolge van derzelver onderlinge aantrekking, terwijl sommige dier bollen ver van anderen gelegen, zeer nabij stil zullen staan, andere digter bij elkander gekomen, zekere snelheden en ook ontbondene snelheden rakende aan het oppervlak dier schil zullen bezitten. Elke bol zal nu binnen betrekkelijk korte tijden zulke ontbondene snelheden bezitten, zoodat, zoo de aantrekkingskracht plotseling verdween, de bollen dier schil gemiddeld buitenwaarts zouden bewegen en zich verspreiden. Daarentegen zal de resulterende aantrekking van al de overige bollen, langs het oppervlak dier schil verspreid, de tegen gestelde uitwerking doen. Bij vergrooting dier bollen moet dan alsware de schaal van het geheel grooter worden en aldus slechts bij een grooteren diameter dier schil die centrifugale werking aan die resulterende aantrekking gelijk zijn. Zulke bollen zullen niet met elkander kunnen zamensmelten, wegens de tegengestelde snelheden welke zij bezitten, wanneer zij tegen elkander botsen, en, bij het aphelium gelegen, dan onder de overheerschende aantrekking van deszelfs eenen en dan onder die van deszelfs anderen buur komen en alzoo dan naar den een en dan naar den ander gaan, er achter om heen trekken en, door de werking der traagheid, vertragende ongeveer naar derzelver vorige plaatsen terugkeeren.
Ontstaan er nu bij het midden van bovengemelde groepen nieuwe bollen, door zamenpakking van den omringenden ether van af eene kleinst eindige massa zich verder vergrootende, en gaan de andere bollen dier groep door zamenpakking en omzetting van den omringenden ether in hunne zelfstandigheid voort met in massa toe te nemen, zoo zal zulk eene groep steeds meer omvang verkrijgen en de buitenste bollen er van de oudste, grootste en gemiddeld snelst bewegende zijn. Waren al die bollen regelmatig gegroepeerd en in rust, zoo zou zulk eene groep door de werking der aantrekkingskracht kleiner worden, maar de elkander naderende bollen in snelheid toenemen, digt achter elkander, en nadien door de werking der traagheid weder buitenwaarts gaan; de groep weder grooter worden, terwijl deze bollen in snelheid afnemen en zij weder voor een oogenblik in den primitieven toestand komen. Bij onregelmatige groepering bestaan in zeker opzigt al de toestanden, zooals zooeven gezegd is achtervolgens bij de regelmatige groepering plaats hebbende, tegelijk. Hier komen er bollen ver van elkander en circa in rust, elders zijn zij digt tot elkander genaderd en bezitten zij groote snelheden dan in deze en dan in ongeveer tegengestelde rigting, zoodat het oppervlak der groep wel hier zich naar buiten en elders zich wat naar binnen kan verplaatsen, maar onmogelijk in grootte sterk kan varieren. De vergrooting der snelheden der in massa toegenomen bollen, zal hierbij ontstaan door de vergrooting der aantrekkende massa's, die van derzelver banen, zie blz. 157, door vermindering der snelheden waarmede de vloeibare massas van elk dier bollen zich betrekkelijk derzelver zwaartepunten verplaatsen en die laatste snelheden, zie blz. 155, door ongelijke drukking binnen die vloeibare massas onder omzetting in snelheden van warmte ontstaan door omzetting van ether in de zelfstandigheid dier bollen, daar dit onder scheikundige verbinding plaats heeft. Bij die vergrootende hemelbollen kan er nu een strijd bestaan tusschen twee tegengestelde werkingen, namelijk die der warmte van den er binnen en buiten tegen gecomprimeerden onomgezetten ether, uitzetting dier bollen en onder warmteopneming chemische ontleding van derzelver bestanddeelen trachtende te veroorzaken en die der zamenpersende werking der zwaartekracht en welligt ook der beroering der hemelbollen bestanddeelen deze onder warmteafgeving chemisch zamengestelder pogende te doen worden. Heeft nu laatst gemelde werking eerst de overhand boven die der warmte en moet zij nadien hiervoor onderdoen, zoo zullen de bollen eerst in digtheid toenemen en qualitatief meer van den ether gaan verschillen en nadien, wanneer zij tot op zekere distantie van het middelpunt der groep gekomen zijn, het omgekeerde gaan plaats hebben en dit steeds aanhouden, terwijl zij, meer en meer in massa toenemende, verder van dit middelpunt komen. Die toeneming in massa dier bollen, door omzetting van den ether er binnen en er omheen, zal wel op het sterkste zijn, wanneer derzelver bestanddeelen op het meeste met die van den ether verschillen en derzelver digtheid op een maximum is; doch later, wanneer zij meer etherachtig geworden zijn, niet geheel verdwijnen. Er bestaat aldus geen eindigen grens voor de vergrooting dier bollen, doch zij kunnen geene oneindige grootte bereiken en tevens in natuur hoe weinig ook met den ether verschillen en hiermede niet geheel eenzelvig zijn. Binnen die eene grootere dan elke eindige ruimte beslaande sterrengroep, zal er nu eene bolvormige schil bestaan, waar binnen van de middelpuntszijde er gedurig bollen intreden, aan de andere zijde er bollen uitgaan en waarbinnen de bollen eene grootere digtheid en chemische zamengesteldheid dan ter wederzijde er van bezitten. Alsdan moeten naar ons inzien de electrieke verbindingen gestolde, gecondenseerde of gasvormige stoffen bij die bollen op zulk eene hooge temperatuur brengen, dat zij voor ons waarneembaar licht uitstralen, want toch wanneer die hemelbollen zeer etherachtig zijn moeten zij in temperatuur weinig boven de gemiddelde van den ether verheven zijn en kunnen zij aldus dan kwalijk als vurige nevels voor ons zigtbaar zijn.
Slechts de sterren binnen die schil gelegen en dan nog slechts een deel er van, omdat vele geen voor ons waarneembaar licht uitstralen, of door andere voor ons donkere bollen gemasqueerd zijn, moeten zich voor ons als zonnen vertoonen. Al de sterren in dit geval zijnde moeten, zoo deze hypothese juist is, wegens de kromte van bovengemelde schil, alsmede omdat men slechts het licht der sterren binnen een segment dier schil kan zien, ons op geen grooten cirkel omspannenden en aldus den hemel in twee wat in grootte verschillende deelen splitsenden onregelmatigen ring (den Melkweg) op het digtste gegroepeerd voorkomen. De bewoners van elk dier bollen binnen die schil gelegen, zullen aldus hun eigen melkweg aanschouwen, even als iemand, op eenige plaats staande, zijn eigen horizon bezit, en, evenmin als voor menschen, op verschillende plaatsen staande, langs den horizon dezelfde voorwerpen zich verheffen, evenmin de melkwegen der bewoners der verschillende bollen dier schil dezelfde zonnen bevatten. Met den blik naar het middelpunt van het kleinste cirkelvlak, door hun Melkweg gevormd, gerigt, zullen echter allen naar het middelpunt van de sterrenwereld zien, en voor ons dit middelpunt in de rigting van het sterrenbeeld, het Hoofdhaar van Berenice zijn.
Evenmin als de hemelbollen, wegens de tegengestelde snelheden, welke zij, tegen elkander botsende, bezitten, die (bij het alsdan zijn dampvormig van minstens den kleinsten dier beide bollen) wegens het bestaan van veerkracht niet zullen verdwijnen, kunnen zamensmelten, evenmin kunnen zij zich naar ons inzien in verschillende hemelbollen splitsen [49].
Het planetenstelsel is naar ons inzien het gevolg eener accidentele wenteling der zon om derzelver as, en deszelfs toevallig bestaan heeft naar ons inzien den volgenden oorsprong gehad. Zoo eene groep van hemelbollen (bijv. ontstaan, door dat bij die bollen de baanverkleinende werking de baanvergrootende werking tijdelijk heeft overtroffen) door een er buiten gelegen hemelbol a wordt aangetrokken en dat in die groep zich een hemelbol b bevindt zooals zon, veel grooter zijnde dan de andere bollen c van die groep, later de planeten, zoo zal de bol b bij a gekomen, (even als de kometen bij derzelver perihelium) gasvormig en uiterst sterk uitgezet zijn. Botsen nu die beide bollen a en b scheef tegen elkander, zoo zullen zij aswentelingen verkrijgen, in stand blijvende, nadat zij zich weder van elkander verwijderd hebben. De bollen c zullen dan betrekkelijk den bol b zeer komeetachtige banen bezitten, en tegen b botsende door de aswenteling van dien bol snelheden ongeveer loodregt op die banen kunnen erlangen. Tegelijk door de werking der wrijving in lengte afnemende, zullen die banen, door de impulsie der aswenteling van b aan de bollen c gegeven, breeder worden, en krimpt nu die bol b in, doordat hij zich van den bol a verwijdert, nadat de bollen c er aldus herhaaldelijk tegen gebotst zijn, zoo kan eene anders onvermijdelijk nieuwe botsing der bollen b en c vermeden worden. Wel is waar zal, wanneer de aswentelingssnelheid bij den evenaar van den bol b kleiner is dan de snelheden der bollen c bij hun perihelium digt bij het oppervlak van den uitgezetten bol b, de banen dezer nog vrij sterk uitmiddelpuntig moeten zijn, doch die uitmiddelpuntigheid, terwijl die banen en tegelijk de bol b kleiner worden, kunnen verminderen.
Hoe sneller de hemelbol b, waartegen die botsingen van c geschieden, om deszelfs as wentelt, hoe geringer de uitmiddelpuntigheid dier banen van c zal worden en zij is nu bij de binnenkometen kleiner dan bij de buitenkometen, bij de coplaneten weder kleiner dan bij eerstgemelden kometen, en bij de planeten Venus en Neptunus weder merkelijk kleiner dan bij de coplaneten. De kometen en planeten voor geheel verschillende hemelligchamen te houden, komt ons even ongegrond voor als het stellen dat de inwoners van twee steden op verschillende wijzen gekleed gaan, zoo men de eene stad slechts over dag en de tweede slechts des nachts bezoekt. Wij zien toch de kometen slechts wanneer zij betrekkelijk digt bij de zon gekomen, zoo als op bl. 155 gezegd is, uitgerekt, misvormd en tot den dampvorm overgegaan zijn. Het bewegen der meeste kometen in dezelfde rigting als die waarin de zon om derzelver as wentelt, maakt buitendien waarschijnlijk dat vele er van, even als de planeten, tegen het wentelende zonsoppervlak gebotst hebben.
Op blz. 158 hebben wij gezegd dat, naarmate hemelbollen grooter zijn, bij grootere banen de deze verkleinende en vergrootende werkingen aan elkander gelijk zijn. Van daar welligt, dat de grootste planeten gemiddeld het verste van de zon gelegen zijn. Bij groepen van betrekkelijk kleine bollen, om eene ster zooals de zon primitief een sterk uitmiddelpuntige baan beschrijvende en later, wanneer die baan meer cirkelvormig en kleiner geworden is, langs de gansche lengte derzelve verspreid rakende, moet bij deze stelling de totale massa der bollen dier groep in rekening gebragt worden.
De coplaneten, de ligchamen van het zodiakaallicht en de ringen van Saturnus hebben welligt primitief zulke groepen van betrekkelijk kleine bollen gevormd. Wanneer bij zulke langs eene weinig uitmiddelpuntige baan verspreide bollen van zulk eene zich dan niet meer bij het aphelium weder vormende groep, een derzelver de andere in massa ver overtreft en eene snelle aswenteling bezit, moeten de kleinere bollen dier voormalige groep er tegen botsende evenzoo weinig uitmiddelpuntige banen er om verkrijgen als op blz. 161 voor de planeten aangegeven is. Van daar den oorsprong der satelliten.
Waarschijnlijk zijn echter, tijdens de vorming van het planeten-stelsel, de baanverkortende werkingen slechts wegens accidentele omstandigheden grooter dan de baanverlengende geweest, zoodat nu die oorzaak met meer bestaande, evenmin als eene oorzaak van instandhouding der aswenteling der zon en planeten, bij deze laatste, alsmede bij de manen de baanverlengende werkingen de overhand boven de tegenovergestelde kunnen bezitten en in de uiterst verre toekomst het gansche planeten-stelsel uit elkander rukken, zoodat derzelver, alsdan uiterst lange komeetachtige banen verkrijgende leden niet meer, of althans niet meer uitsluitend om de zon zullen wentelen, maar elk hunner op zich zelf zal staan.
Eene afscheiding van ringvormige massa's langs den evenaar der om derzelver as wentelende zon, komt ons onmogelijk voor, daar bij dien evenaar de snelheid van omwenteling nimmer zoo groot kan geweest zijn, dat de zonsaantrekking niet in sterke mate de overhand boven de centrifugale kracht bezat. Wanneer men eene zeer vervormbare massa met zekere snelheid duwt over een wrijvend vlak, zullen derzelver hier langs verschuivende deelen eene kleinere snelheid verkrijgen, dan die hooger boven dit vlak bewegende, doch, wegens de gemakkelijke vervormbaarheid dier massa, deze, door de ongelijke verplaatsing van derzelver deelen, sterk uitgerekt worden en niet gaan kantelen. Dit laatste zal daarentegen wel geschieden, zoo die massa door zekere inwendige, kracht bolvormig poogt te blijven en aldus die uitrekking er van tegengegaan wordt. Bij de op blz. 161 gemelde scheve botsing der sterk uitgezette en geheel dampvormig geworden zon, bestaat nu zoodanig een geval, daar de eigen aantrekking der zon die onbepaalde vervorming hiervan bij derzelver oppervlak tegengaat. De roterende, beweging der zon b, tengevolge van derzelver scheve botsing tegen een ander hemelligchaam a, is aldus slechts mogelijk, wanneer de aantrekking der zon bij het oppervlak hiervan meester blijft. Wel is waar zal de dampvormige zon, zich verwijderende van den hemelbol a, weder kleiner worden, en hierdoor de kromming en dientengevolge ook de centrifugale kracht bij derzelver evenaar toenemen, doch men houde in het oog dat dit verkleinen en krommer worden van den zonsevenaar door de er bij bestaande centrifugale kracht tegengewerkt wordt en, wanneer die kracht zeer nabij gelijk wordt aan de zonsaantrekking, bijna geheel verhindert wordt, zoodat alsdan de verkleining van het zonneligchaam onder warmte afgeving meer door toeneming der afplatting zal geschieden. Buitendien zal de aswenteling der zon stroomen binnen de gasvormige massa dier zon doen ontstaan, en de hierbij onstaande wrijving die aswenteling zoodanig verkleinen, dat de centrifugale kracht, tijdens het krommer worden van dien evenaar, hierbij wel niet belangrijk zal toenemen. [50]
Naar ons inzien bezit de ether zekere aantrekkingstrillingen, welke om lichamen, grooter specifiek dan dien ether bezittende, zonder dat de er bij bestaande, beweegkracht verandert, zulk eene wijziging ondergaan, dat zij op concentrieke boloppervlakken aantrekkingen naar die ligchamen voortbrengen. Gaat er nu hier naar toe eenig ander ligchaam, zoo kan het zijn dat dit op zijn weg die aantrekkingstrillingen in gewone snelheden bij deszelfs massa omzet, en wel in sterkere mate, naar gelang het digter bij het aantrekkende ligchaam komt. Volgens deze hypothese zou de beweegkracht of levendige kracht steeds eene snelheid, of liever het quadraat hiervan zijn, zoodat, wanneer men zegt snelheden gaan verloren door overwinning van afstooting over zekeren weg, zij werkelijk in andere niet direct waarneembare snelheden omgezet worden.
Elk der atomen van een homogeen ligchaam (bij hetzelfde ligchaam niet dezelfde behoevende te blijven en die men, wanneer men ze oneindig digt bij elkander stelt te zijn, oneindig klein moet veronderstellen), draagt bij tot vorming van al deszelfs eigenschappen bij de veropenbaring van deszelfs zelfstandigheid door beweging, en in overeenkomst hiermede moet bij de veropenbaring der zelfstandigheid door denking, die van elken atoom tot elk denkbeeld van een geest bijdragen, en dus een deel der denking van elk dier atomen tot het eene denkbeeld, een ander deel tot eenig ander denkbeeld enz. De eigenschappen der veropenbaring der zelfstandigheid door beweging zijn in vele opzigten met die der veropenbaring dier zelfstandigheid door denking te vergelijken, zoo men de hemelbollen met de eindige geesten en de eene oneindigmaal grootere massa dan al die bollen te zamen bezittende ether met het oerwezen vergelijkt. Op blz. 145 hebben bijv. gezegd, dat de denkbeelden van den oergeest invloed uitoefenen en geinfluenceerd worden door de denkbeelden der afgescheidene geesten en bij den ether heeft, met betrekking tot de hemelbollen, iets dergelijks plaats. Het digt bijeen liggen dier bollen kan men bijv. vergelijken met het met elkander in contact zijn van geesten (iets dat in het algemeen niet het digtbij elkander zijn der er aan annex zijnde levende ligchamen vordert), derzelver onderlinge aantrekking wordt bij de geesten vervangen door de neiging dezer om met elkander in contact te komen, derzelver snelheid en in het algemeen de er bij bestaande beweegkracht met de werkdadige denking van geesten en, terwijl bij de bollen die snelheden op het grootste zijn, wanneer zij elkander op het meeste genaderd zijn, zoo is de werkdadigheid van geesten op het grootste, wanneer zij met andere geesten op het sterkste in contact zijn.
Even als twee hemelbollen van ongelijke massa evenveel beweegkracht kunnen bezitten, zoo kunnen geesten van ongelijke grootte, of anders gezegd in het bezit van een ongelijk aantal denkbeelden (de sterkte en diepte dezer hierbij in acht nemende) in even sterke mate werkdadig zijn, en bij die geesten wordt die werkdadigheid grooter of kleiner, naar mate zij met grootere of kleinere geesten in contact zijn, even als de hemelbollen trager of sneller bewegen, naarmate zij door kleinere of grootere andere bollen aangetrokken worden.