Bedenkingen tegen de Leer van Darwin Gevolgd door beschouwingen over eenige philosophische onderwerpen.

Part 10

Chapter 103,599 wordsPublic domain

Ook het nederdalen van Goden op deze aarde om het menschdom in moeijelijke omstandigheden te helpen is een bekrompen denkbeeld, doch dat de waarheid bevat, dat in zulke omstandigheden er werkelijk redding komt, maar van de menschheid zelve die, geprikkeld door het ongeluk, onder inspanning en vergrooting harer geestontwikkeling de vereischte hulpmiddelen vindt en in toepassing brengt. Ook behoort tot de begrippen over het werelddoel die, dat eene opvolging van generatien elk een leven leidende, zoo rijk aan ramp en teleurstelling als het menschelijke leven, niet steeds heeft plaats gehad, noch immer zal voortduren, maar gevolgd is op een zeer gelukkigen primitieven toestand en, na de totale nederlaag van het genie van het kwaad, eindelijk zal opgevolgd worden door een niet minder gelukkigen eindtoestand.

Bij dit begrip heeft men dan het oog gehad op een volk, dat eindelijk de anderen zal overheerschen, dan op eene godsdienst, die eindelijk het gansche menschdom onder hare banier zal brengen, dan op de menschheid, die eindelijk het godsrijk zal binnentreden [40].

Laat ons thans zien in hoeverre die begrippen waarheid bevatten.

Op bl. 64 en 67 hebben wij aangegeven dat de veranderlijkheid, de voorwaarde van allen vooruitgang, wegens de werking der traagheid, de bron is van alle kwaad, dwaling en onvolmaaktheid, terwijl die zelfde traagheid de voorwaarde is van alle bestendigheid. Is er nu in de wereld voor een grootst eindigen tijd eene uiterst kleine verandering ontstaan, zoo kan eerst toen er op het kwaad in eene noemenswaardige mate ontstaan en aldus het rijk van Ahriman geboren zijn. Zoolang echter die veranderingen zeer luttel waren, moest dit kwaad zulks ook zijn, omdat, even als een zeer traag groeijend kind gemiddeld steeds weinig uit zijne kleederen zal gegroeid zijn, de trage verandering van het eene, waarna zich het andere moet schikken, dit laatste veroorlooft om weinig achterna te komen. Toen echter die verandering sneller plaats had moesten onvolmaaktheid en kwaad grooter en aldus Ahriman magtiger worden, doch tegelijk, naar aanleiding van het op bl. 13 gezegde, de organische Natuur in ontwikkeling sneller dan vroeger toenemen. Stelt men echter dat, wanneer deze ontwikkeling eene zeer groote hoogte zal bereikt hebben, de veranderingen weder trager gaan geschieden, zoo zal alsdan het kwaad weder afnemen, om bijna niet meer te bestaan wanneer na een uiterst langen tijd die verandering weder uiterst luttel geworden is.

Na eene eeuwigheid moet dan Ormuzd weder alleen heerschen, doch er dit verschil met den toestand in het eeuwig verleden aanwezig bestaan, dat toen die ontwikkeling nul en nu oneindig groot is. Op deze aarde is echter zoo iets onmogelijk, wegens de gedurige verandering van in geestontwikkeling toenemende individuen, zie bl. 82. Dit systema vindt men bij het Parsisme op eene wel is waar gebrekkige en kinderlijke wijze ontwikkeld, doch het doet dit in zoo verre staan boven het christendom, dat met eeuwige straffen in de hel dreigt, niettegenstaande de oorzaak, het eene voor het andere geschikt trachtende te maken, bij een constanten toestand der hel, onmogelijk de verdoemden gedurende eene eeuwigheid onvoldaan kan laten.

Een slecht mensch is iemand sterk ten achteren zijnde betrekkelijk de zedelijke eischen van zijn bestaan, (zoodat slechtheid niet de tegenstelling van deugdzaamheid in het algemeen, maar slechts van die met offers gepaard gaande, is). Deze eischen trekken hem opwaarts en, ofschoon zoo iemand gedrongen wordt naar wijzen van bestaan waarbij die eischen lager zijn, zoo gaan gemiddeld toch die lagere eischen ook opwaarts. Zoo zal b.v. een verspilziek beschaafd man wel matroos of soldaat kunnen worden, betrekkingen waarin men met weinig zorg voor de toekomst kan volstaan, doch ook de matrozen en soldaten moeten, naarmate de beschaving klimt, aan hoogere maatschappelijke eischen voldoen. Stijgen nu deze eischen zeer weinig, zoo moet klaarblijkelijk een slecht mensch minder betrekkelijk die eischen ten achteren geraken en aldus betrekkelijk minder slecht worden, en, wanneer die eischen gedurende uiterst langen tijd bijna niet vooruitgegaan zijn, niet meer noemenswaardig slecht zijn. Hiertegen zal men aanvoeren dat zijne finale trap van oneindige ontwikkeling dan kleiner moet zijn dan bijv. die van een steeds braaf mensch, doch een ieder, in de hoogere wiskunde ervaren, weet dat oneindige grootheden zelfs oneindig veel met elkander kunnen verschillen, en dat eene kromme lijn steeds minder en minder boven de abcissen as kan stijgen en niettemin bij oneindig groote abcissen er oneindig hoog boven verheven kan zijn.

Naarmate de beschaving stijgt, hechten de menschen meer aan hunne godsdienstbegrippen, doch begrijpen zij tevens beter dat die begrippen hen niet direct op goddelijke wijze geopenbaard zijn. Heeft nu, gedurende de toeneming in ontwikkeling dier begrippen, eerst het eerste en later het tweede de overhand, zoo zal bij zekere graad van ontwikkeling dier begrippen, (evenwel nog al veel uiteen loopende, naarmate van den aard dezer) het toekennen van goddelijk gezag aan de godsdienstbegrippen op een maximum van sterkte zijn.

Bij elk volk vindt men individuen, zoo wegens opvoeding als wegens ouderdom, op zeer verschillende trappen van geestontwikkeling staande. Ofschoon nu hierin de lage klassen en de kinderen bij beschaafde volken op gelijke hoogte als de volwassenen onder de hooge standen bij minder beschaafde volken kunnen gerekend worden te staan, is dit niet het geval voor elk deel dier geestontwikkeling. Bij sommige deelen hiervan zullen die hooge standen bij minder beschaafde volken, omdat zij de andere standen moeten overheerschen, hooger dan bij ons de lage standen en bij andere deelen dier geestontwikkeling, omdat zij het onderrigt van meer beschaafde menschen dan zij missen, lager dan deze staan. Men kan echter niet zeggen dat hierdoor, zoo bij de hooge standen der minder beschaafde als bij de lage standen der meer beschaafde volken, het harmonische verband tusschen de deelen hunner geestontwikkeling verbroken is. Zij verkeeren toch in verschillende omstandigheden, even als bijv. de groote gras en kruidenetende en de kleine vleeschetende zoogdieren, die insgelijks niet quantitatief maar wel qualitatief met elkander in geestontwikkeling verschillen. Zie blz. 38.

Desniettemin moet bijv. de volksklasse lagere en meer kinderlijke godsdienstige begrippen dan de meer beschaafde klasse bezitten, zonder dat zij daarom bij gene meer dan bij deze, met die, zooals op blz. 104 gezegd is, door het toeval ontstane begrippen vermengd zijn. De geschiedenis leert dan ook dat bij sommige volken hiervoor welligt (in tegenoverstelling van bij ons) zelfs in te sterke mate gezorgd werd, doch men moet niet hieruit besluiten dat het oningewijd blijven der volksklassen in de mysteriën der godsdienst niet voornamelijk tot oorzaak had de onvatbaarheid dier volksklassen om die mysteriën te begrijpen.

Wanneer menschen betrekkelijk anderen in kennis van iets toenemen, oefenen zij te weinig gezag uit en willen zij anderen te veel van hunne verkregen kennis mededeelen, en, wanneer hunne superioriteit vermindert, heeft het omgekeerde plaats.

Bij het harmonisch zijn der verschillende takken van het weten, gelooft men met betrekking tot het godsdienstige aan hetgeen men, krachtens de ervaring (die op zielkundig gebied er onder begrijpende) krachtens op die ervaring gebouwde redeneringen en krachten historische gronden en inspiratie, zeker vermeent te weten. Wanneer echter de harmonie tusschen de verschillends takken van het weten verbroken is, ontdekt men bij het licht der verst gevorderde wetenschap, dat de juistheid der minder gevorderde geen onderzoek meer kan verdragen, en wordt niettemin het geloof aan die juistheid als iets noodzakelijk voor den mensch beschouwd, zoo wordt er een anderen grondslag dan eene vermeende indirect op ervaring gegronde overtuiging aan gegeven. Dit gebrek aan harmonie tusschen de verschillende takken van wetenschap, wegens derzelver ongelijken vooruitgang zie blz. 133, benadeelt den phylosophischen geest, leidende om die verschillende wetenschappen in verband met elkander te beschouwen en maakt thans dat velen in hun geest eene scheiding maken tusschen wetenschap en godsdienstig geloof en dezelfde scheiding bij het onderwijs der jeugd verlangen.

De primaire verbetering van zulk een vicieusen toestand, kan slechts geschieden door het achterhalen, of althans door het meer nabij achtervolgen der meest gevorderde takken van weten door de minder gevorderde, doch als secundaire verbetering is het welligt het beste, zoo men teregt het onderwijs der jeugd de wereld en levensbeschouwing niet verbannen wil, er zeer bescheiden mede te zijn en de zaak zoo te middelen, dat de gematigden, namelijk het gros, wanneer zij die levens en wereldbeschouwing der school niet te veel op den keper beschouwen, er mede kunnen instemmen. Van de uiterste partijen, namelijk de sterkste, maar in scheve rigting geavanceerde, die der materialistische pantheisten en de achterlijkste, die der stijf orthodoxen, moeten de godsdienstige overtuigingen dan maar ongeëerbiedigd blijven. Trouwens zij, welke tot de uiterste politieke partijen behooren, moeten bij gemeenschappelijke handeling van een gemengd publiek zich evenzeer gekwetst gevoelen. Dit gebrek is (zie bl. 73) het gevolg der sterkte der toeneming der maatschappelijke ontwikkeling en zal even goed verminderen als deze toeneming geringer wordt, als dat een troep soldaten bij vertraagden gang beter opgesloten zal raken.

Zoolang de voorste verwisseld wordende manschappen van den troep sneller loopen dan het gros, zullen zij meer verspreid en verder van dit gros verwijderd zijn dan de achterste manschappen, doch het omgekeerde plaats hebben, wanneer zij naderhand trager dan deze loopen. Evenzoo zullen, zoolang van de beschaafde klasse, zij die geavanceerde begrippen koesteren, sneller vooruitgaan dan het gros dier klasse zij slechts, enkelen zijn betrekkelijk ver van dit gros verwijderd (zooals bijv. de wijsgeeren) doch kunnen zij eenmaal hier op aarde weinig verder voorwaarts gaan, het gros bij hen komen en de achterblijvende uit enkele verspreide personen bestaan. Het voorwaarts gaan bij nevenst. fig. van a naar d gerekend wordende te geschieden, zoo zal de digtheid van groepering bij de gelijktijdig bestaande trappen van vooruitgang in het eerste geval door de ordinaten der kromme abd en in het laatste geval door de ordinaten der kromme acd aangegeven worden. Onderdrukking der uiting van denkbeelden, van die van het gros verschillende, ter bevordering van eenheid en aldus ter daarstelling van geschiktheid in zekeren zin, zal (behoudens de vertraging van den vooruitgang door het onderdrukken van den intellectuelen strijd) in het eerste geval bij gemiddeld al de individuen van bovengemelde beschaafde klasse tot trageren en in het tweede (zooals bijv. bij het opdringen van het christendom aan verschillende heidensche stammen door Karel den Grooten) tot snelleren vooruitgang leiden.

Het gros kleeft de het meeste prestige bezittende denkbeelden aan. Dit prestige van iets is gemiddeld het gevolg van deszelfs voortreffelijkheid met betrekking tot de behoeften der menschen gedurende zeker tijdvak, doch, wegens de werking der traagheid, is het op het grootste wanneer die voortreffelijkheid reeds aan het verminderen is. Het belemmert aldus den vooruitgang, maar bevorderd de geschiktheid, daar het wel eenigzins verouderde, maar niettemin nog veel goeds bezittende zaken sterker in de maatschappij doet wortelen en deze als ware, zie blz. 72 op een beteren weg trager voorwaarts doet schrijden.

Even als dwang gaat het prestige den intellectuelen strijd tegen en maakt, door dien dwang aan zich dienstbaar te doen worden, dat deze gemiddeld meer de uiting der geavanceerde dan die der verachterde denkbeelden onderdrukt. Zelfs in het geval dat (zie bl. 83) de maatschappij bij de achtervolgende generatien niet meer in beschaving toeneemt, zal bij de individuen er verschil in opinie bestaan en den hierdoor verwekten intellectuelen strijd den vooruitgang dier individuen gedurende hun leven bevorderen. Deze zal daarentegen, ten bate der geschiktheid, door geen leed teweeg brengende dwang tegen gegaan worden, want alle soort van dwang schept evenmin geschiktere levensomstandigheden voor de individuen, als (zie bl. 56) alle soort van strijd ten beste van hun vooruitgang strekt.

Bestaat er eene oorzaak, waardoor in een staat eene meerderheid en eene minderheid tegenstrijdige belangen hebben, zoo zal, wanneer elk hunner toegeeft in omgekeerde reden van derzelver sterkte, de drang van beide zijden even sterk zijn, er als ware een evenwigtstoestand ontstaan en de oorzaak, het een voor het ander geschikt makende, zoowel de grieven der minderheid als die der meerderheid van lieverlede doen verdwijnen. Veranderingen van omstandigheden, waardoor er nieuwen strijd tusschen de belangen ontstaat en de trage werking dier oorzaak van geschiktmaking zijn hierbij de oorzaken van grieven en tweespalt.

De oorzaak, waardoor gemiddeld de godsdienstbegrippen der volken eenigzins ten achteren zijn betrekkelijk hunne andere wetenschappelijke kennis, ontstaat doordat het verstand moeijelijk in het gebied van het buitenzinnelijke kan dringen, en de godsdienstbegrippen voor een grooter deel op buitenzinnelijke zaken betrekking hebben dan bijv. de begrippen over de scheikunde, geologie enz.

Dit is echter het gevolg der toeneming onzer geestelijke ontwikkeling en is vergelijkbaar met de afstanden tusschen de op bl. 131 gemelde soldaten ontstaande, zoo sommige hunner op moeijelijker paden dan de andere loopen. Hoe harder zulk een troep dan gemiddeld loopt, hoe verder die soldaten uiteen zullen geraken, niettegenstaande het bevel tot opsluiting, dat te vergelijken is met de neiging der verschillende takken van weten om zich op dezelfde hoogte te stellen en aldus voor elkander geschikt te worden.

Zoo echter de voorste manschappen van lieverlede langzamer gaan loopen, zullen de achterblijvende hen steeds meer naderen en eindelijk, wanneer alles stilstaan, de troep volmaakt opgesloten zijn. Evenzoo zou dit met der menschen verschillende takken van weten moeten gaan bij wezens slechts voor eene eindige ontwikkeling vatbaar. Hunne meest gevorderde tak van weten zou zich eindelijk niet verder ontwikkelen en de andere van lieverlede zich op eene zelfde lijn er mede stellen, omdat, waar de vooruitgang opgehouden is, de disharmonie eindelijk ook verdwijnen moet.

Zoo echter het pad voor de achterblijvende manschappen voorbij zekere plaats van den weg wat gemakkelijker wordt, ofschoon nog steeds moeijelijker blijvende dan voor de voorste manschappen, zal hunne distantie verminderen en dit eveneens het geval kunnen zijn met der geesten verschillende takken van weten gedurende toekomstige wijze van bestaan.

De practische hulpmiddelen der wetenschap zijn bij de eischen van het in ontwikkeling toenemende maatschappelijke leven gemiddeld ten achteren. Toen bijv. Columbus naar de West-Indië toog, liet zijne kennis van het aardmagnetismus hem in den steek, de mijnwerkers zouden wel wat meer van den geologischen toestand der aardkorst en de schippers van de meteorologie wenschen te weten. Trouwens de vooruitgang van het practische deel der wetenschappen ontstaat gemiddeld ten gevolge der behoefte hieraan en slechts bij uitzondering zullen practische hulpmiddelen der wetenschap te verheven voor de maatschappelijke behoefte zijn, want het tijdelijk verzuimen van kortelings verkregen hulpmiddelen der wetenschap, wegens de ongewoonte hieraan, mag niet als het werkelijk er voor te laag zijn dier behoeften aangemerkt worden. Zulke verkregen hulpmiddelen komen overeen met die te laat voor de maatschappelijke behoeften ingevoerde instellingen, waaraan men zich moet gewennen, zoodat in een opzigt men hierbij eene zaak reeds vroeger noodig zou gehad hebben en in een ander opzigt nog niet op hare hoogte gekomen is.

Eigen vooruitgang bij de practische hulpmiddelen der wetenschap noopt de eischen van het maatschappelijke leven, voor zoo verre zij met die hulpmiddelen in verband staan, hooger te worden. Zoo bijv. heeft de uitvinding van het kompas gemaakt dat men wat eerder verre zeereizen is gaan ondernemen, en zal bijv. de vergrooting der vleugels van vogels deze hooger doen vliegen. Dit maakt echter slechts dat hetgeen men, om aan de eischen van iets te voldoen noodig heeft, hierbij minder ten achteren blijft, terwijl beide evensnel en wat sneller, dan bij het gemis van den eigen vooruitgang, van het eerstgemelde, voorwaarts gaan. Dit bijv. voorstellende door eene schuit, zoo zal die eigen voortgang vergelijkbaar zijn met roeijen, waardoor die schuit, bij wat snelleren gang dan anders, minder ver achter het jaagpaard zal liggen, zoo het hiermede verbonden is door eene elastieke treklijn. Dit jaagpaard komt dan in de plaats van dit iets aan wiens eischen behoort voldaan te worden en de zamentrekkende werking bij de elastieke treklijn met den drang tot geschiktwording van het een voor het ander.

In dezelfde verhouding als zulke hulpmiddelen, betrekkelijk de eischen van het een of ander bedrijf, staan de godsdiensten betrekkelijk de eischen van het geestelijke leven van den mensch. Deze vorderen verklaringen betreffende het werelddoel, de bestemming van den mensch en het Opperwezen, verklaringen bij elke hoogte dier eischen met betrekking tot deze in geene voldoende mate te geven.

Nu kan het wel zijn dat, evenmin als een schipper inziet, dat bijv. de bemesting der akkers niet aan de eischen van den landbouw voldoet, menschen van geringe geestontwikkeling met betrekking tot de maatschappij waarin zij verkeeren, dit onvoldoende der godsdienstbegrippen dier maatschappij niet bemerken. Dit echter bewijst slechts dat zij een oppervlakkigen blik in het leven slaan, of wel met sterke veroordeelen behebt zijn, en van hen is dan ook geene bevordering van den vooruitgang dier begrippen te verwachten.

Zoo eenmaal de eischen der beschaving niet meer toenemen moeten de hulpmiddelen der wetenschap op de hoogte der behoefte er aan komen, doch ook dan zullen zij er slechts gebrekkig aan voldoen. Veel komt het toch aan op de aanwending dier hulpmiddelen, en deze zal door de, wegens hun kortstondig en veranderlijk leven, slechts gebrekkig iets leerende menschen nimmer volmaakt goed geschieden.

Welke hulpmiddelen men bijv. verzint om schipbreuken bij de zeevaart te beletten, de niet volkomene ervarenheid der bemanningen zal maken, dat er steeds op zee ongelukken zullen plaats hebben.

De groote verschillen bij en den accidentelen aard der omstandigheden, waarin er behoefte aan het aanwenden van zulke hulpmiddelen bestaat, verhindert ook het steeds voldoen hiervan. Dit gaat ook door voor menschen, zoodat, om deze in zekeren werkkring beter te doen voldoen, men hen in zoo min mogelijk variërende omstandigheden moet plaatsen, iets dat bijv. gedaan wordt bij de verdeeling van den arbeid. Ten bate der geschiktheid wordt door die verdeeling den vooruitgang der individuen geschaad, want hoe nadeelig hiervoor is het veroordeelen van menschen tot steeds denzelfden arbeid is gemakkelijk na te gaan.

Hoe hooger de graad van beschaving is, hoe meer, naar aanleiding van het op bl. 83 gemelde, het individu in kennis in den algemeensten zin en dus ook in die van ambachten ten achteren zal staan betrekkelijk de gansche Maatschappij en zulk een toenemende euvel zal slechts door versterking der werkverdeeling kunnen getemperd worden.

Die verdeeling van den arbeid is, naarmate de staten grooter werden, ook bij de legers en regeringen meer ingevoerd. Zij baart verschil in rangen, autoriteit en discipline en strekt ter verhooging der maatschappelijke beschaving, voor zooverre deze door de zamenwerking der individuen bevorderd wordt, doch belemmert daarentegen die verhooging, voor zooverre deze de vrucht der vrije en veelzijdige werking der individuen is. Vandaar dat bij toeneming der beschaving wel de willekeur vermindert, maar, noch de vrijheid, noch de gelijkheid der individuen grooter worden.

Leeren veronderstelt iets nieuws doen op eene gebrekkige wijze, terwijl men op de beste wijze iets zal doen en aldus op het meeste practisch nuttig zijn, wanneer men iets, waarmede men bekend is, verrigt. Vandaar dat de menschen het meeste practisch nuttig zouden zijn, zoo zij steeds op deze aarde voortleefden en niet door leeren in geestontwikkeling toenamen, zoodat zij zonder vermoeijende inspanning werkzaam en, voor de eischen van hun bestaan en de omstandigheden waarin zij verkeerden, volmaakt geschikt waren.

Op bl. 134 hebben wij gezegd, dat der menschen kennis niet op de hoogte is der behoeften der maatschappij en toch zullen de menschen meer kennis moeten trachten te bekomen dan die, waarvan zij in de praktijk voordeel kunnen trekken. Dit nu is het geval, omdat de wetenschap, zoo lang zij in ontwikkeling toeneemt, bij elken graad hiervan slechts gedeeltelijk voor practische toepassing vatbaar is, en alzoo hiertusschen en de ontwikkeling der wetenschap dezelfde verhouding en wederkeerige neiging tot gelijkwording bestaat als op bl. 64 voor den geest en het ligchaam is aangegeven.

Evenzoo is het gelegen met de intellectuele ontwikkeling der menschen in het algemeen, benevens met hunne zedelijke ontwikkeling. Bij het gebruik dat zij hiervan in de praktijk maken, vervullen zij slechts gebrekkig de eischen van het maatschappelijke leven, en desniettemin kunnen zij, noch hunne intellectuele, noch hunne zedelijke ontwikkeling hier op aarde geheel ten nutte van anderen als van zich zelf benuttigen. Men treft hierbij aldus tegelijk aan gebrek en overvloed, even als bij de kinderen, welke niet genoeg weten voor de eischen van het leven als kind en desniettemin met zaken bekend zijn, waarvan zij als kind nog geen partij kunnen trekken.

Bleven dezelfde menschen steeds op aarde voortleven, zoo zouden zij, door in geestelijke ontwikkeling niet meer toe te nemen, die ontwikkeling door de practisch nuttige aanwending er van doen inhalen (iets dat gedurende hun beperkt leven in geestontwikkeling veranderende wezens daarentegen niet kunnen doen) en de stilstand dier ontwikkeling bij een hoogeren graad er van invallen, naarmate zij later besloten enkel voor het practisch nuttige te leven.

Dit zou eveneens het geval zijn bij elke generatie, zoo deze geen onderwijs van de vorige generatie verkreeg en niet in geestontwikkeling toenam en aldus zoo elk harer van de geboorte af enkel voor het practisch nuttige geleefd had, er op deze aarde geen hoogere wezens dan infusiediertjes bestaan, zie blz. 30.

Bij het wel bestaan van zulk een onderwijs, zou de stelregel, om zich tot het practisch nuttige te bepalen, de opvolgende generatien in geestontwikkeling trapsgewijze doen dalen. Zoo toch een dezer het onderwijs der volgende enkel tot het practisch nuttige bepaalde, zou deze in geestontwikkeling en beschaving voor hare voorgangster wat onder doen en hierdoor het veld van het practisch nuttige bij haar wat kleiner dan bij gene zijn.

Men zal toch toegeven, dat de grootte van het veld van het practisch nuttige afhangt van den graad van geestontwikkeling en beschaving, zoodat bijv. een wilde onze industriële kennis, onzen eerbied voor wetten en voorschriften even gevoegelijk kan missen als de zonderling Diogenes een nap om uit te drinken.

Die volgende generatie zou nu, door zich, bij het onderwijs van het op haar volgende geslacht, tot het voor haar zelf practisch nuttig geoordeelde te willen bepalen, deze minder leeren dan zij zelf geleerd zou hebben en dit bij elke nieuwe generatie zoo voortgaan.