Beatrice

Chapter 9

Chapter 94,160 wordsPublic domain

Zij bezichtigden te zamen het bootje, en liepen langzaam naar de pastorie terug, Effie aan de hand van Beatrice. Tegenover de zandbank bleven zij even stilstaan.

"Daar is de Tafelrots, waar wij op geworpen zijn, mijnheer Bingham," zeide Beatrice, "en hier hebben zij ons aan land gebracht. De zee ziet er van avond niet uit alsof ze iemand zou laten verdrinken, niet waar? Zie!"--en zij wierp er een steen in--"het geeft niet meer kabbeling dan in een vijver."

Zij sprak luchtig, en Geoffrey antwoordde haar ook luchtig, want geen van beiden dachten zij aan hun woorden. Veeleer dachten zij aan het zonderling toeval, dat hen in een uur van levensgevaar bij elkander had gebracht, en hen nu in een kalm uur te samen liet. Misschien kwam de vraag bij hen op, waar dit alles op moest uitloopen. Want twijfelaars atheïsten of geloovigen, zijn wij niet allen in ons hart fatalisten?

Hoofdstuk XII.

De letters in het zand.

Geoffrey kon zich in zijn commensaalsleven in de pastorie zeer goed schikken, en Effie vond het er "heel prettig." Beatrice zorgde voor haar, bracht haar 's avonds naar bed, hielp haar 's morgens aankleeden, en beviel haar vrij wat beter dan Anne. Toen Geoffrey dit bemerkte, kwam hij er tegenop, zeggende dat hij volstrekt niet verwacht had dat zij voor kindermeid zou spelen, maar zij gaf daarop ten antwoord, dat het een genoegen voor haar was, en dat was de waarheid. In andere opzichten ook was het er alles wat hij wenschte. Hij hield niet van Elisabeth, maar hij zag haar weinig, en de oude predikant, die eigenlijk meer een boer was dan een geestelijke, was op zijn wijze vermakelijk, met zijn eindeloos gepraat over tienden en oogst en de ongerechtigheden van den onwilligen Jones, tegen wien hij vonnis had.

In de eerste paar dagen sprak Geoffrey Beatrice niet. Den meesten tijd was zij op school, en den Zaterdagnamiddag ging hij naar de Roode Rotsen, om kemphanen te schieten. Eerst dacht hij er over haar te vragen om mede te gaan, maar toen viel het hem in, dat zij misschien liever met Owen Davies zou uitgaan, met wien hij nog meende dat zij geëngageerd was. Het ging hem niet aan, maar toch was hij blijde, toen hij terugkwam, te vernemen dat zij met Effie uit was geweest, en niet met Davies.

Zondagochtend gingen zij allen naar de kerk, Beatrice ook. Het was een zeer eenvoudig kerkje, en de gemeente was klein. Granger leidde de godsdienstoefening volgens de kerkelijke voorschriften in de sleur voort, zoo omtrent als een paard, dat in den molen loopt. Alles ging op denzelfden druiligen toon, zoodat Geoffrey, in plaats van te luisteren, liever naar Beatrice zag. Hij merkte op dat haar gelaat, gewoonlijk ernstig wanneer het in rust was, ditmaal een bizonder ernstige, ja, zelfs verdrietige uitdrukking teekende. Waarom zou dat zijn? Een paar malen zag hij haar een blik op Davies werpen, die alleen in een groote bank tegenover haar zat, en hij meende een zekere onrustigheid in haar blik te bespeuren. Maar Davies beantwoordde dien blik niet. Naar zijn voorkomen te oordeelen, werd zijn gemoedsrust door niets verstoord.

Geoffrey, die hem gadesloeg, vond dat hij nog nooit iemand gezien had, die er zoo osachtig en zoo volkomen rustig uitzag. En toch had hij het totaal mis. De man mocht er koel en stroef uitzien, maar zijn binnenste was in gloed als een vulkaan. Al het tot dusverre sluimerende vuur van zijn hart had zich vereenigd in zijn liefde voor het meisje, dat zoo nabij en toch zoo ver was. Hoe zonderling en ongewoon het moge schijnen, zij was de eerste, wier blik of stem ooit hartstocht in hem gewekt had. Langzamerhand was die liefde van jaar tot jaar toegenomen, sedert hij dat lieve aankomende meisje, met die heldere, grijze oogen, had ontmoet, dat hem naar zijn kasteel had gebracht.

Het was niet een van die vluchtige neigingen, die even spoedig weer verdwijnen als zij opgekomen zijn. Daartoe had Owen te weinig verbeeldingskracht--dien bodem, waaruit liefde ontspruit als een welige tropische plant, om bij de eerste koude stormvlaag te verwelken. Zijn liefde was een onveranderlijk feit. Zij was in zijn hart vastgeworteld en geheel zijn wezen was er mede vereenzelvigd.

Sedert jaren had hij nu aan weinig anders gedacht dan aan Beatrice. Om haar te verwerven, zou hij al zijn rijkdom, ja, driemaal zooveel, als dat mogelijk was, gegeven hebben. Haar te bezitten, te weten, dat zij rechtens de zijne, de zijne alleen was, ach, dat zou een hemel op aarde zijn! Zijn bloed tintelde en zijn hoofd duizelde, als hij er aan dacht. Wat zou dat niet voor hem zijn, haar zoo te zien, als hij haar nu zag, en te weten dat zij zijn vrouw was!

In de hevigheid van zulk een vorm van hartstocht als de zijne, is iets vreeselijks.

De godsdienstoefening ging voort. De tekst van Granger's preek was: "Maar de meeste van deze drie is de liefde." Geoffrey merkte op, dat hij bij sommige woorden haperde, maar eensklaps herinnerde hij zich, dat Beatrice hem gezegd had, dat zij de preek geschreven had, en nu was hij geheel aandacht. Hij was ook niet teleurgesteld. Niettegenstaande Granger slecht las, en de gewoonte had bij het slot van elken volzin zijn stem te laten dalen, kwam de schoonheid van gedachten en voorstelling toch uit. Het was eigenlijk een redevoering, die even goed in een Mahomedaansche of Buddhistische plaats van Godsvereering gehouden had kunnen worden; er was niets bepaald Christelijks in, het was alleen een opwekking van het goede in de menschelijke natuur. Maar noch de prediker noch zijn toehoorders schenen dit er uit te begrijpen; trouwens, bijna niemand luisterde er naar. De preek was kort en eindigde met een schoone, kernachtige spreuk--of liever, daar was zij niet mee geëindigd, want toen Granger het manuscript had dichtgeslagen, volgde er nog een kleine improvisatie van hemzelven op.

"En nu, broederen," zeide hij, "heb ik u over de Christelijke liefde gepreekt, maar daar wil ik nog een enkel woord bijvoegen, om de liefde tot den naaste toe te passen op de liefde tot zichzelf. Ik heb wel honderd pond aan achterstallige tienden in te vorderen, en daar zijn er bij, die al over meer dan twee jaar loopen. Als die tienden mij niet betaald worden, zal ik bij eenigen uwer beslag moeten leggen, en ik heb gemeend beter te doen de gelegenheid waar te nemen om het u te zeggen." Toen sprak hij den zegen uit.

Het contrast tusschen dit praktisch slot en de schoone taal, die het was voorafgegaan, was zóó bespottelijk, dat Geoffrey bijna in lachen uitbarstte en Beatrice er om moest glimlachen. Dat deden de andere toehoorders ook, behalve een paar, die tienden schuldig waren, en Owen Davies, die aan heel wat anders dacht.

Toen zij over het kerkhof gingen, merkte Geoffrey iets op. Beatrice was eenige schreden vooruit, met Effie aan de hand. Daar liep Davies hem voorbij, zonder dat hij hem scheen te zien, en groette Beatrice, die met een lichte buiging zijn groet beantwoordde. Hij liep een eind voort zonder te spreken, maar aan het hek van het kerkhof hoorde Geoffrey hem zeggen: "Dus van middag om vier uur." Weder boog zij, en hij keerde zich om en ging heen. Geoffrey wist niet wat dit alles beteekende: was zij met hem geëngageerd of niet?

Aan het middagmaal was geen van allen spraakzaam. Granger dacht over zijn tienden en ook over een zieke koe. Elisabeth's gedachten dwaalden in een juist niet aangename richting, naar de uitdrukking van haar gelaat te oordeelen. Beatrice zag bleek en verdrietig; zelfs Effie's aardig gekeuvel deed haar niet meer dan glimlachen. Wat Geoffrey betrof, die was nieuwsgierig wat er om vier uur gebeuren zou.

"Wat is iedereen stil!" zeide Effie eindelijk.

"Op Zondag behoort men stil te zijn, Effie," antwoordde Beatrice. "Dat geloof ik, ten minste."

Elisabeth, die streng godsdienstig was, fronste bij dit gezegde het voorhoofd. Zij wist dat haar zuster het niet meende.

"Wat ga je van middag doen, Beatrice?" vroeg zij. Zij had gezien dat Owen Davies met haar zuster gesproken had, en hoewel zij niet dichtbij genoeg was geweest om de woorden te verstaan, vermoedde zij er de beteekenis wel van.

Beatrice kleurde even, iets wat zoomin de opmerkzaamheid van haar zuster als van Geoffrey ontsnapte.

"Ik ga Jane Llewellyn bezoeken," antwoordde zij. Jane Llewellyn was het krankzinnige kleine meisje, waarvan melding gemaakt is. Tot op dit oogenblik had Beatrice er niet aan gedacht haar te bezoeken, maar zij wist, dat haar zuster haar daarheen niet zou volgen, omdat het kind Elisabeth niet kon uitstaan.

"O, ik dacht, dat je misschien uit wandelen ging."

"Later ga ik misschien wandelen," antwoordde Beatrice kortaf.

"Dat beteekent wat," dacht Elisabeth, en haar koele oogen teekenden een vluchtige uitdrukking, alsof er een licht voor haar opging.

Kort na het middagmaal, zette Beatrice haar hoed op en ging uit.

Tien minuten later deed Elisabeth hetzelfde. Toen kondigde Granger aan, dat hij naar de boerderij ging (vóór zes uur was er geen dienst) om naar de zieke koe te zien, en vroeg Geoffrey of hij hem wilde vergezellen. Hij zeide dat hij dit wel doen kon, als Effie mee mocht, en na zijn pijp opgestoken te hebben, gingen zij heen.

Intusschen was Beatrice naar het krankzinnige kind gegaan. Dat was dien dag niet heftig, en kende haar nauwelijks. Voordat zij tien minuten in huis was geweest, werd de sluier, die over den stand van zaken hing, opgeheven.

De woning stond op twee derden van den weg in een onregelmatige straat, die geheel ledig was, want Zondags na het eten sliep Bryngelly. Aan het eene einde van die straat vertoonde zich Elisabeth, met een Bijbel in de hand, alsof zij op district-bezoek uitging. Zij zag de straat langs, maar toen zij niemand bespeurde, ging zij een wandelingetje doen, en toen zij terugkwam, zag zij weer de straat langs. Nu zag zij de deur van de woning der Llewellyns opengaan en Beatrice er uit komen. Oogenblikkelijk week Elisabeth terug naar een plaats, waar zij kon zien zonder gezien te worden, en wachtte besluiteloos af wat er gebeuren zou. Beatrice sloeg den weg naar het strand in.

Nu was Elisabeth niet langer besluiteloos. Zij sloeg den weg naar de rots in en liep zeer snel. Voorbij de pastorie kwam zij aan een punt, waar het strand niet breeder dan vijftig meter was, en daar ging zij zitten. Weldra zag zij langs het strand beneden haar een man met snelle schreden aankomen. Het was Owen Davies. Zij wachtte en zat op de loer. Zeven of acht minuten verliepen, en een vrouw in een witte kleeding kwam voorbij. Het was Beatrice, die zeer langzaam liep.

"Ha!" zeide Elisabeth bij zichzelve, haar tanden op elkaar drukkende, "zooals ik dacht!"

Zij stond op, vervolgde het pad over de rots, en bleef een paar honderd meter vooruit, wat zij gemakkelijk doen kon door den korten weg te nemen. Het was een verre wandeling, en Elisabeth, die niet van loopen hield, werd er zeer vermoeid van. Maar als zij zich eenmaal iets in 't hoofd had gezet was zij er niet licht af te brengen. Dus stapte zij, bijna een uur lang, moedig voort, totdat zij eindelijk aan een plek kwam, als het Amphitheater bekend. Dit Amphitheater, bijna vlak over de Roode Rotsen, was een halve cirkel van rotswanden, in 't midden waarvan een groote, platte steen was, bij hoog getij onder den waterrand, waar men, op zekere gedeelten van de rots, van bovenaf het gezicht op had, hoewel hij, van het strand af, door de vooruitstekende rotswanden verborgen was. Elisabeth klom een eind ver langs de helling van de rots af, en toen zag zij, met zijn rug naar haar toe, Owen Davies zitten. Nog iets lager afdalende, naderde Elisabeth langzaam, totdat zij eindelijk binnen vijftig passen van hem af was. Hier verschanste zij zich achter een rotskloof en ging ook zitten; dichterbij te komen was niet veilig; maar voor het geval dat zij misschien van bovenaf werd opgemerkt, sloeg zij haar Bijbel op haar knie open, alsof zij deze stille plek had uitgekozen om te lezen.

Eenige minuten verliepen, en nu kwam Beatrice om den vooruitstekenden hoek van het Amphitheater te voorschijn, en liep langzaam naar de plek waar Owen Davies zat. Hij stond op en stak de hand uit om haar te begroeten, maar zij nam die niet aan; zij boog slechts en nam ook op den grooten platten steen plaats, maar wel drie of vier voet van Owen Davies af. Elisabeth boog haar bleek gelaat vooruit, en spande haar ooren in om te luisteren, maar zij kon, helaas, geen enkel woord verstaan.

"Ge hebt mij verzocht hier te komen, mijnheer Davies," zeide Beatrice, het pijnlijk stilzwijgen afbrekende. "Daar ben ik."

"Ja," antwoordde hij; "ik heb u verzocht te komen, omdat ik u wilde spreken."

"Ja?" zeide Beatrice, vragend opziende van haar bezigheid om met de punt van haar parasol kuiltjes in het zand te graven. Haar gelaat was kalm, maar haar hart klopte snel.

"Ik wilde u vragen," hernam hij, langzaam sprekende, "of ge mijn vrouw wilt worden".

Beatrice opende haar lippen om te spreken, maar bespeurende dat hij slechts had opgehouden omdat de woorden hem van aandoening in de keel bleven steken, zweeg zij en ging weer voort met kuiltjes te graven. Zij wilde niet antwoorden voordat zij de geheele toedracht van de zaak wist, zooals een advocaat zou zeggen.

"Ik wilde u vragen," herhaalde hij, "of ge mijn vrouw wilt worden: dat heb ik al eenige jaren geleden willen doen, maar ik heb er nog maar niet toe kunnen komen. 't Is een groote stap, en mijn geluk hangt er van af. Antwoord mij nog niet," ging hij voort, en zijn woorden wonnen in kracht onder het spreken, "luister naar wat ik u te zeggen heb. Ik ben mijn leven lang een eenzaam man geweest. Op zee was ik eenzaam, en sedert ik in het bezit van dat vermogen ben gekomen, ben ik nog eenzamer. Ik heb nooit iemand of iets liefgehad voordat ik u begon lief te hebben. En toen kreeg ik u hoe langer hoe meer lief; zoodat ik nu nog maar één gedachte heb, en dat is de gedachte aan u. Ik denk aan u als ik waak, en als ik slaap, droom ik van u. Luister, Beatrice, luister!--nooit heb ik een andere vrouw bemind, nauwelijks heb ik met een gesproken--gij zijt de eenige, Beatrice. Ik kan u veel geven; en alles zal het uwe zijn, maar ik zou zeer jaloersch op u wezen--ja, zeer jaloersch!"

Zij zag hem aan. Zijn gelaat was uitwendig kalm, maar doodsbleek, en in zijn blauwe oogen, doorgaans zoo dof, blonk een vuur, dat door het contrast bijna akelig was.

"Mij dunkt dat gij genoeg gezegd hebt, mijnheer Davies," antwoordde Beatrice. "Ik ben u zeer verplicht. Ik gevoel mij zelfs vereerd, want in sommige opzichten ben ik uws gelijke niet, maar ik kan u niet liefhebben, en ik kan niet met u trouwen, en ik geloof dat het maar het best is u dit ronduit, eens en voor altijd, te zeggen," en werktuigelijk ging zij voort met kuiltjes te graven.

"O, zeg dat niet," riep hij bijna kermend uit. "Om Godswil, zeg dat niet! Het zal mijn dood zijn, als ik u moet missen. Ik geloof dat ik krankzinnig zou worden. Trouw met mij, en ge zult mij wel leeren liefhebben."

Beatrice zag hem weder aan en gevoelde diep medelijden. Zij wist niet, dat het zóó erg met hem gesteld was. Zij zag in dat zij, uit een wereldsch oogpunt beschouwd, zeer dwaas deed. De man beminde haar en was een aannemelijke partij. Hij vroeg haar niets anders dan wat de meeste vrouwen, onder zulke gunstige omstandigheden voor haar welzijn, bereid genoeg zijn te geven--haarzelve. Maar zij had nooit van hem gehouden, hij had haar altijd tegengestaan, en zij was er het meisje niet naar om met een man te trouwen van wien zij niet hield. In de laatste week was die tegenzin nog sterker geworden. Waarom wist zij zelve niet, en terwijl zij zich daarover verwonderde, viel haar oog op de figuren, die zij werktuigelijk in het zand prikte. Zij hadden den vorm van letters aangenomen, en die letters waren _GEOFFRE_--Groote Hemel! Kon dat het antwoord zijn? Het bloed stroomde haar van schaamte naar het gelaat en met haar voeten veegde zij de verklappende letters, zooals zij meende, uit.

Owen zag de verzachte uitdrukking van haar oogen, en haar blos zag hij ook, en aan beiden gaf hij een verkeerde uitlegging. Meenende dat zij geneigd was toe te geven, wilde hij haar hand vatten. Met een ruk van haar arm, zoo snel, dat zelfs Elisabeth, die zoo scherp tuurde, de beweging niet zag, trok zij haar hand los.

"Raak mij niet aan," zeide zij op bitsen toon, "ge hebt het recht niet mij aan te raken. Ik heb u geantwoord, mijnheer Davies."

Beschaamd, met het hoofd op de borst gezonken, zat Owen een oogenblik stil, als het beeld der wanhoop. Niets kon de strakke kalmte van zijn gelaat verstoren, maar de hevigheid zijner aandoening was te zien aan het beven van zijn beenen en zijn korte, snelle ademhaling.

"Kunt ge mij geen hoop geven?" zeide hij eindelijk, met een doffe stem. "Om Godswil, denk na voordat gij antwoordt--gij weet niet wat het voor mij te beteekenen heeft. Voor u is het niets--gij hebt er geen gevoel van. Ik gevoel, en uw woorden snijden als een mes. Ik weet wel dat ik dom en vervelend ben, maar ik heb een gevoel alsof ge mij een doodsteek hadt gegeven. Gij hebt een hart van steen."

Weder werd Beatrice een weinig verzacht. Zij was getroffen en gevleid. Welke vrouw zou dat niet geweest zijn?

"Wat kan ik u zeggen, mijnheer Davies?" zeide zij, op vriendelijken toon. "Ik kan niet met u trouwen. Hoe kan ik dat, als ik geen liefde voor u gevoel?"

"Er trouwen zooveel vrouwen met mannen, voor wie zij geen liefde gevoelen."

"Dan zijn het slechte vrouwen," antwoordde Beatrice, met vuur.

"Zoo denkt de wereld er niet over," hernam hij; "de wereld noemt zulke vrouwen slecht, die liefde gevoelen voor mannen, met wie zij niet kunnen trouwen, en de wereld heeft altijd gelijk. Het huwelijk wettigt alles."

Beatrice lachte bitter. "Denkt gij er zoo over?" zeide zij. "Ik niet. Ik vind, dat trouwen zonder liefde de schandelijkste van onze instellingen is, en dat is veel gezegd. Gesteld dat ik op uw aanzoek 'ja' zeide, gesteld dat ik met u trouwde, zonder liefde voor u te gevoelen, waar zou het dan om zijn? Om uw geld en uw stand, en om een getrouwde vrouw genoemd te kunnen worden; en wat zoudt gij denken, dat ik dan in mijn hart van mijzelve dacht? Neen, neen, ik ben misschien slecht, maar zóó laag ben ik niet gezonken. Zoek een andere vrouw, mijnheer Davies; de wereld is groot, en er zijn vrouwen genoeg, die u om uzelven zullen liefhebben, of het in allen gevalle zoo nauw niet zullen nemen. Vergeet mij, en laat mij mijn eigen weg gaan--dat is _uw_ weg niet."

"U uw eigen weg laten gaan," antwoordde hij, op hartstochtelijken toon--"dat wil zeggen, u aan een anderen man overlaten. O, daar kan ik niet aan denken. Ik ben jaloersch op elken man, die in uw nabijheid komt. Weet gij wel hoe schoon gij zijt? Gij zijt al te schoon--elke man moet verliefd op u worden zooals ik het ben. O, als gij een ander naamt, ik geloof dat ik hem zou dooden."

"Spreek zoo niet, mijnheer Davies, of ik ga heen."

Eensklaps hield hij op. "Ga niet heen," zeide hij smeekend. "Luister. Ge zeidet dat ge niet met mij wilt trouwen omdat gij geen liefde voor mij gevoelt. Gesteld dat ge mij leerdet liefhebben, zeggen wij over een jaar. Beatrice, zoudt ge dan met met mij willen trouwen?"

"Ik zou met ieder man willen trouwen, als ik hem liefhad," antwoordde zij.

"Dus, als ge mij leert liefhebben, wilt ge met mij trouwen?"

"O, dat is belachelijk," zeide zij. "'t Is niet waarschijnlijk, het is nauwelijks mogelijk, dat zoo iets zou kunnen gebeuren. Als het had kunnen gebeuren, zou het al vroeger geweest zijn."

"Het kan nog komen," hernam hij; "uw hart kan nog jegens mij verteederd worden. O, zeg daar ja op. Het is een klein verzoek, het kost u niets, en het geeft mij hoop, zonder welke ik niet kan leven. Zeg dat ik u nog eens vragen mag, en dat gij dan, als ge mij liefhebt, met mij wilt trouwen."

Beatrice dacht een oogenblik na. Zulk een belofte kon geen kwaad, en in den loop van zes maanden of een jaar zou hij misschien gewend zijn aan het denkbeeld van zonder haar te leven. Ook zou het een scène voorkomen. Het was zwak van haar, maar zij was bevreesd voor de uitbarsting, als het haar vader ter oore kwam dat zij Owen Davies had afgewezen.

"Als ge dat wenscht, mijnheer Davies," zeide zij, "zoo zij het dan. Maar ik verzoek u wel te begrijpen, dat dit mij tot niets verbindt. Ik geef u volstrekt geen hoop dat, als gij over een jaar of zoo uw aanzoek hernieuwt, mijn antwoord anders zal zijn dan nu. Ik geloof niet dat daarvoor de minste waarschijnlijkheid is. Ook moet gij wel weten, dat ge er mijn vader niets van moogt zeggen, of mij op eenigerlei wijze lastig vallen. Stemt gij daarin toe?"

"Ja," was zijn antwoord. "Ik stem toe. Ik heb mij op genade of ongenade aan u overgegeven."

"Goed. En nu, mijnheer Davies, adieu. Gij moet niet met mij terug wandelen. Ik wil liever alleen gaan. Maar dit wil ik u nog zeggen: Het spijt mij dat het hiertoe gekomen is. Ik had wel gewenscht dat het niet gebeurd was. Ik heb het niet aangemoedigd, en wasch mijn handen in onschuld. Maar het spijt mij bovenmate, en ik herhaal wat ik gezegd heb--zoek een andere vrouw en trouw met haar."

"Dat is nog het wreedste van alles wat ge mij gezegd hebt," antwoordde hij.

"Het was mijn bedoeling niet wreed te zijn, mijnheer Davies, maar ik geloof dat de waarheid dikwijls hard klinkt. En nu, adieu," en Beatrice stak hem haar hand toe.

Hij raakte die even aan, en zij wendde zich van hem af en ging heen. Maar Owen ging niet heen. Hij bleef, met gebogen hoofd, diep neerslachtig op den steen zitten. Al zijn hoop had hij op dit meisje gevestigd. Zij was voor hem het eenige begeerlijke, de eenige ster in zijn eenigszins grauwe lucht, en nu was die ster verduisterd. Haar woorden waren vrij ondubbelzinnig, zij gaven hem weinig hoop. Integendeel, zij had een vastheid over zich, die hem vrees aanjoeg. Wat kon daar de reden van zijn? Hoe kwam het dat zij hem, en alles wat hij haar had aan te bieden, zoo beslist afwees? Zij was toch een meisje van geen hoogen stand. Zij kon haar oogen niet tot een betere partij opslaan. Er moest een reden voor zijn. Misschien een medeminnaar. De een of andere vijand was er de oorzaak van. Maar wie?

Op dit oogenblik ging de schaduw van een vrouwengedaante langs hem.

"O, zijt ge teruggekomen?" riep hij uit, overeind springende.

"Als gij Beatrice bedoelt," antwoordde een stem--het was de stem van Elisabeth--"die liep tien minuten geleden langs het strand. Ik was toevallig op de rots, en ik zag haar."

"O, ik vraag u verschooning, Miss Granger," zeide hij. "Ik zag niet wie het was."

Elisabeth zette zich op den platten steen neder, op dezelfde plaats, waar haar zuster gezeten had, en de gaatjes in het strand ziende, begon zij onwillekeurig met haar voet het zand, dat Beatrice er overheen had gestreken, er af te schuiven, zoodat de vrij diep ingeprikte letters weer bijna geheel te voorschijn kwamen.

"Ge hebt een gesprek met Beatrice gehad, mijnheer Davies?"

"Ja," antwoordde hij kortaf.

Elisabeth bewaarde een oogenblik het stilzwijgen. Toen vatte zij de koe bij de horens.

"Gaat ge met Beatrice trouwen, mijnheer Davies?" vroeg zij.

"Dat weet ik niet," gaf hij langzaam ten antwoord, en zonder dat deze vraag hem verraste. Het scheen hem zoo natuurlijk toe dat zij dezelfde gedachte had, waarvan zijn geest geheel vervuld was. "Ik zou niets liever wenschen dan met haar te trouwen, want ik heb haar innig lief."

"Heeft zij u dan afgewezen?"

"Ja."

Elisabeth haalde ruimer adem.

"Maar ik kan haar weer vragen."

Elisabeth fronste het voorhoofd. Wat kon dat beteekenen? Het was geen bepaalde afwijzing. Daar moest Beatrice iets mee voor hebben.

"Waarom heeft zij u uitgesteld, mijnheer Davies? Meen niet dat ik het uit nieuwsgierigheid vraag. Ik vraag het alleen omdat ik u misschien zal kunnen helpen."

"Dat weet ik; gij zijt zeer goed. Help mij, en ik zal u altijd dankbaar zijn. Ik weet het niet--ik zou het er haast voor houden, dat er iemand anders moest zijn, maar ik weet niet wie het wezen kan."