Chapter 8
"Hoe hebt ge dat gehoord, Honoria?" vroeg haar echtgenoot.
"Och, ik heb een telegram van Garsington ontvangen, en hij maakt er melding van," antwoordde zij onverschillig.
"Een telegram van Garsington! Daarom glimlacht zij zoo vriendelijk" dacht hij, "zij gaat morgen zeker heen."
"Ik heb nog wat nieuws voor u, Miss Granger," ging Lady Honoria voort. "Uw bootje is aan land gespoeld, zeer weinig beschadigd. De oude schipper--Eduard, heet hij, geloof ik--heeft het gevonden; en uw geweer was er ook in, Geoffrey. Het was ergens onder de bank blijven steken. Maar ik geloof dat gij beiden vooreerst wel genoeg van het roeien zult hebben."
"Dat weet ik niet, Lady Honoria," antwoordde Beatrice. "Zoo'n weer als gisterenavond is het niet dikwijls, en het roeien is zoo aangenaam. Ge weet, geen lief zonder leed; of met andere woorden, omslaan kan men altijd."
Op dit oogenblik kwam Betsy, de plompe Welsche dienstmaagd, met een voorarm bijna zoo dik als de achterpoot van een olifant en een onaangename gewoonte van onder het loopen hoorbaar den neus op te halen, met het theegoed binnenschommelen. Achter haar aan kwam Elisabeth, die aan Lady Honoria werd voorgesteld.
Daarna verflauwde het gesprek een weinig, totdat Lady Honoria het weder aan den gang bracht.
"Wat hebt gij hier uit het venster een mooi uitzicht op de zee," zeide zij, met haar welluidende stem. "Ik ben blijde dat ik het gezien heb, want morgen ga ik heen, moet gij weten."
Beatrice zag levendig op.
"Mijn man gaat niet mee," vervolgde zij, als tot antwoord op een onuitgesproken vraag. "Ik speel de rol van een ontrouwe vrouw, en loop voor drie weken van hem weg. Dat is heel slecht van mij, niet waar? Maar ik heb een afspraak, en die moet ik houden. 't Is lastig."
Geoffrey, die zijn thee dronk, grimlachte bitter achter zijn kopje. "Zij doet het bizonder goed," dacht hij.
"Gaat uw dochtertje met u mee, Lady Honoria?" vroeg Elisabeth.
"Neen, ik geloof niet dat ik haar zal meenemen. Het valt mij hard van haar te scheiden--gij kunt begrijpen hoe hard het is als men maar één kind heeft. Maar zij zou zich zoo vervelen waar ik ga logeeren, want daar zijn geen kinderen, en zij houdt ook zooveel van de zee. Dus zal ik haar maar hier aan de teedere zorg van haar vader overlaten, het lieve kind."
"Ik heb wel hoop, dat Effie het overleven zal," zeide Geoffrey lachend.
"Dan blijft mijnheer Bingham zeker bij juffrouw Jones?" zeide de predikant.
"Dat weet ik waarlijk niet. Wat zult ge doen, Geoffrey? De kamers bij juffrouw Jones zijn nogal duur. En zij zal zeker ook niet voor Effie kunnen zorgen. Denk eens, het arme mensch heeft zelve acht kinderen. En ik moet Anne meenemen--dat is Effie's Fransche kindermeid, weet gij, een ware schat. Ik ga in een groot huis logeeren, en mijn ondervinding van groote huizen is dat men niet bediend wordt als men geen eigen kamenier heeft. Ik weet niet hoe ge het met het kind zult maken, Geoffrey; zij vereischt zoo ontzaglijk veel zorg."
"Wees daar niet ongerust over, Honoria," antwoordde hij; "Effie en ik zullen wel goed met elkaar terecht kunnen."
Nu was het Elisabeth aan te zien dat zij op een inval kwam. Zij zat naast haar vader, en fluisterde hem iets toe. Beatrice zag het, en maakte een beweging alsof zij tusschenbeide wilde komen, maar eer zij dat kon doen, sprak Granger:
"Hoor eens, mijnheer Bingham, als gij toch voornemens zijt te verhuizen, zoudt ge dan een kamer hier willen hebben? De voorwaarden zijn zeer billijk, maar voor niemendal zou ik u niet in huis kunnen hebben. Gij zult het voor lief moeten nemen zooals het is; maar er is een kleedkamer naast mijn kamer, waar uw kleine meid zou kunnen slapen, en mijn dochters zullen gaarne gezamelijk zorg voor haar dragen."
Weder opende Beatrice haar lippen, alsof zij iets zeggen wilde, maar sloot ze weder zonder te spreken. Zoo laten wij willens en wetens de gelegenheid voorbijgaan.
Instinctmatig had Geoffrey naar Beatrice gezien. Hij wist niet of dit plan haar aangenaam was. Hij wist dat zij veel werk had, en wilde haar ongaarne nog meer moeite veroorzaken, want hij vermoedde dat de last om voor Effie te zorgen wel op _haar_ zou neerkomen. Maar de uitdrukking van haar gelaat zeide hem niets; het was volkomen lijdelijk, en oogenschijnlijk onverschillig.
"'t Is zeer vriendelijk van u aangeboden, mijnheer Granger," zeide hij aarzelend. "Ik zou Bryngelly nog niet gaarne verlaten, en in sommige opzichten zou het een goed plan zijn, als het maar niet te lastig voor uw dochter is."
"'t Is een uitmuntend plan," viel Lady Honoria in, vreezende dat er misschien zwarigheden tegen geopperd zouden worden dat zij Anne in beslag had genomen; "hoe gelukkig dat ik er toevallig van sprak! Met het opzeggen van de kamers bij juffrouw Jones zullen wij geen moeite hebben, want ik weet dat zij er al iemand voor heeft."
"Goed," zeide Geoffrey, die geen bezwaar wilde maken tegen een zoo openlijk goedgekeurd plan, hoewel hij liever tijd tot beraad had willen hebben. Het was alsof een geheime stem hem waarschuwde dat de pastorie van Bryngelly een noodlottig verblijf voor hem zou zijn. Toen stond Elisabeth op, en vroeg Lady Honoria of zij de kamers, die door haar echtgenoot en Effie betrokken zouden worden, niet eens wilde zien.
Zij antwoordde dat zij dit zeer gaarne wilde, en ging met Elisabeth mede, door Granger gevolgd.
"Denkt gij niet dat gij het hier wel wat vervelend zult vinden, mijnheer Bingham?" vroeg Beatrice.
"Integendeel," antwoordde hij. "Waarom zou ik mij hier vervelen? Het kan zoo vervelend niet zijn dan wanneer ik alleen was."
Beatrice aarzelde, en hernam toen: "Wij zijn een zonderling gezin, mijnheer Bingham, zooals gij van middag wel gezien zult hebben. Zoudt ge er niet liever nog eens over nadenken?"
"Als gij bedoelt dat ge liever niet hebt dat ik kom, zal ik het niet doen," antwoorde hij, min of meer plomp, en terstond gevoelde hij dat hij een flater gemaakt had.
"Ik!" zeide Beatrice, groote oogen opzettende, "'t Is hier de vraag niet wat ik liever heb of niet. Wij zijn arm en verhuren kamers--daar komt het op neer. Als gij meent, dat zij u zullen bevallen, hebt gij gelijk dat gij ze neemt."
Geoffrey kleurde. Hij was een man, die niet dulden kon, dat hij zich de minste berisping van een vrouw op den hals had gehaald, en nu had hij dit gedaan. Beatrice zag het en werd daardoor verzacht.
"Natuurlijk, mijnheer Bingham," hernam zij, "wat mij betreft, ben ik de winnende partij als gij komt. Ik ontmoet te weinig menschen, met wie ik gaarne omga en van wie ik kan leeren, dan dat ik een kans zou willen vergooien."
"Ik geloof dat ge mij een weinig verkeerd begrepen hebt," zeide hij. "Ik bedoelde alleen maar of Effie niet te lastig voor u zou zijn, Miss Granger."
Zij lachte. "Wel, ik houd veel van kinderen. Het zal een genoegen voor mij zijn voor haar te zorgen, in zooverre als ik tijd heb."
Nu kwamen de anderen terug, en hun gesprek was uit.
"Het zijn alleraardigste ouderwetsche kamers, Geoffrey," zeide Lady Honoria. "Ik benijd u werkelijk." (Niets was er wat Lady Honoria zoo leelijk vond als een ouderwetsche kamer.) "En nu moeten wij heengaan. O, arm schepsel, ik vergat dat ge zoo bont en blauw gestooten zijt. Mijnheer Granger zal u zijn arm wel willen geven."
Granger strompelde vooruit, en nadat Geoffrey afscheid genomen en een hoed van den predikant geleend had, werd hij naar de vigilante gebracht.
En zoo eindigde Geoffrey's eerste dag in de pastorie van Bryngelly.
Hoofdstuk XI.
Beatrice maakt een afspraak.
Lady Honoria leunde in de vigilante achterover en slaakte een zucht van verlichting.
"Dat is een uitmuntend plan," zeide zij. "Ik dacht er al over welke schikkingen ik voor de eerste drie weken zou moeten maken. 't Is belachelijk alleen voor u en Effie drie guinjes in de week te betalen. De oude heer verlangt dat voor kost en inwoning samen, want ik heb het hem gevraagd."
"Dat zal dan zeker ook wel genoeg zijn," zeide Geoffrey. "Wanneer verhuizen wij?"
"Morgen, in tijds voor het middagmaal, of liever het avondeten; dat onbeschaafde volk eet 's avonds ook, zooals ge weet. Ik vertrek met den ochtendtrein, ziet ge, dan kom ik tegen het theedrinken bij Garsington aan. Ge zult het hier wel wat stil vinden, maar ge houdt veel van stilte. De oude predikant is een man van een lagen stempel, en vervelend, en de oudste dochter, Elisabeth, is al te vinnig--zij doet mij aan een rat denken. Maar Beatrice is een mooi meisje, hoewel ik haar naar vind. Ge zult u met haar moeten vergenoegen, en ik geloof dat ge elkaar wel zult bevallen."
"Waarom vindt ge haar naar, Honoria?"
"Och, dat weet ik niet; ze is knap en zonderling, en ik houd niet van zonderlinge vrouwen. Waarom kan zij niet zijn zooals anderen? Denk eens dat zij sterk genoeg was om uw leven te redden. Ze moet de spieren van een Amazone hebben--dat is bepaald onvrouwelijk. Maar haar schoonheid is boven allen twijfel. Ik heb zelden zoo'n mooi meisje gezien, hoewel zij wel wat over zich heeft, dat al te vrij is. Als ik zoo'n dochter als zij had, kreeg niemand haar onder de twintig duizend pond. Zij is veel te goed voor den Welschen _Squire_, met wien zij geëngageerd is--dien man, die op het kasteel woont--hoewel men zegt dat hij heel rijk is."
"Geëngageerd," zeide Geoffrey, "hoe weet ge dat zij geëngageerd is?"
"O, ik weet het niet, maar ik vooronderstel het. Als zij het niet is, zal zij het wel spoedig wezen, want een meisje in haar positie zal zoo'n kans niet licht vergooien. In allen gevalle is hij smoorlijk op haar verliefd. Dat heb ik gisterenavond gezien. Hij stond uren lang in den regen buiten de deur te wachten, met een gezicht als een geest, totdat hij wist of zij dood of levend was, en hij is er van ochtend al tweemaal geweest om naar haar te vragen. Dat heeft mijnheer Granger mij gezegd. Maar zij zou wel beter partij kunnen doen, als zij er maar in de gelegenheid toe werd gesteld."
Geoffrey's levendige belangstelling in Beatrice verflauwde aanmerkelijk toen hij dit vernam. Het ging hem, natuurlijk, niet aan; hij was zelfs blijde te hooren dat zij in de gelegenheid was zulk een goede partij te doen, maar ongelukkig is het een waarheid dat men niet zooveel belang kan stellen in een bekoorlijke, jonge dame, die een "suffigen Welschen landheer" toebehoort, als wanneer zij nog geheel vrij is.
De oude Adam leeft nog in de meeste mannen, hoe rechtschapen zij ook zijn mogen, en dit is een van de wijzen, waarop hij zich laat gelden.
"Welnu," zeide hij, "het verheugt mij, dat zij zulk een goed vooruitzicht heeft; dat verdient zij. De Welsche landheer mag van geluk spreken; Miss Granger is een bizonder lief meisje."
"Veel te bizonder," zeide Lady Honoria droog. "Hier zijn wij er, en daar komt Effie met allerlei malle bokkesprongen aanhuppelen, Dat kind lijkt wel gek."
Den volgenden ochtend--het was Vrijdag--vertrok Lady Honoria in de beste luim, van Anne vergezeld. In de eerste drie weken zou zij in allen gevalle bevrijd zijn van de ergernissen, die met bekrompen middelen gepaard gaan--vrij om de weelde en de verfijnde genoegens, waaraan zij gewoon was, te genieten, en waarnaar haar ziel gehaakt had met een verlangen, dat voor een eenvoudiger gemoed onbegrijpelijk geweest zou zijn. Iedereen heeft zijn ideaal van geluk, als men het maar altijd kon begrijpen. Sommigen zouden een verheven geestelijk genot verkiezen, en gelukkig zijn door al de beste boeken over de planeten te lezen; anderen, een modelstaat, met zichzelf als president, waarin (door hun weldadig streven) de laatste radicale begrippen tot ieders tevredenheid van toepassing werden gebracht; weer anderen, een gunstig jachtterrein, waar het wild evenveel pret had als zijzelven; en zoo voort, tot in het oneindige.
Lady Honoria was bescheidener. Als zij maar een, in alle opzichten, welingericht huis in de stad en een dito landhuis had, eenige lakeien, rijtuigen naar keus en andere noodzakelijkheden, met inbegrip, natuurlijk, van toegang tot de voornaamste gezelschapskringen, zou zij niets meer verlangen. Hopen wij, dat zij het eenmaal krijgen zal. Het zou niemand kwaad doen, en in deze wereld zou zij naar alle waarschijnlijkheid menigeen vinden, die van dezelfde denkwijze was als zij.
Zij omhelsde Effie met veel vertoon van hartelijkheid, en haar echtgenoot met kuische warmte, en ging heen met een vrome bede op haar lippen dat zij Bryngelly nooit mocht wederzien.
Wij behoeven Lady Honoria niet op haar reis te volgen. Dien namiddag hadden Effie en haar vader groote pret. Zij waren aan het inpakken. Geoffrey die spoedig van zijn stijfheid bekomen was, stopte alles in de koffers, en Effie danste er op. Wat er niet in kon ging in een pak los in de vigilante, totdat het rijtuig er uitzag als een oude-kleerenwinkel. Toen, omdat er voor hen geen ruimte meer in was, gingen zij te voet langs het strand naar de pastorie, een afstand van omstreeks drie kwartmijl, en hielden onderweg stil, om het fraaie kasteel te bewonderen, waar Owen Davies als een kluizenaar woonde.
"O, paatje," zeide het kind, "ik wou dat u zoo'n huis kocht om in te wonen. Waarom doet u dat niet, paatje?"
"Daar heb ik geen geld genoeg voor, lieve," antwoordde hij.
"Zult u er nooit geld genoeg voor hebben, paatje?"
"Dat weet ik niet--eenmaal misschien wel--als ik te oud ben om er genot van te hebben," liet hij er bij zichzelven op volgen.
"Het zal zeker wel veel kosten zoo'n huis te koopen, nietwaar, paatje?" merkte Effie wijs aan.
"Ja, lieve, meer dan jij kunt tellen," antwoordde hij, en daar was het gesprek mee uit.
Nu kwamen zij aan een schuitenhuis. Hier was een man--de oude Eduard--bezig een bootje te kalfateren.
Geoffrey zag er naar, en herkende het bootje van Beatrice.
"Kijk, Effie," zeide hij, "dat is de boot, waaruit ik in het water ben gevallen." Effie zette groote oogen op en staarde op het broze vaartuigje.
"'t Is een leelijk schuitje," zeide zij, "ik wil er niet naar zien."
"U hebt wel gelijk, jongejuffrouw," sprak de oude Eduard, zijn pet aanrakende. "'t Is niet veilig, en eenmaal zal er iemand nog mee verdrinken. Ik wou dat het maar naar den kelder was gegaan, maar Miss Beatrice is zoo eigenzinnig, dat er niets met haar te beginnen is."
"Mij dunkt, dat zij nu wel een les gehad zal hebben," zeide Geoffrey.
"Dat kan wel wezen, en misschien ook niet," bromde de oude man; "'t is zoo moeilijk vrouwen iets aan 't verstand te brengen; ze leeren niets voordat het te laat is, en als er niets meer aan te doen is, dan is het aan tranen geen gebrek; maar wat helpt dat?"
Intusschen werd, op niet verder dan een mijl afstands, een ander gesprek gevoerd. Op de kruin van de rots stond het dorp Bryngelly, en achter het dorp was een school, een eenvoudig gebouw met gepleisterde muren, dat, hoewel voldoende voor de behoeften van de plaats, een ergernis was in de oogen der schoolopzieners, die van tijd tot tijd zich verwaardigden te Bryngelly te komen om te vitten. Zij verlangden er een gebouw van rood baksteen te zien, met al de laatste verbeteringen, opgericht ten koste van de belastingbetalenden, maar tot dusverre verlangden zij te vergeefs. De school werd door vrijwillige bijdragen onderhouden, en dank zij Beatrice's ijver en goed onderricht, was zij niet in handen gevallen van de gevreesde schoolcommissie, met haar vitterijen en op onkosten jagen.
Beatrice had dien namiddag haar werkzaamheden weer opgevat, want de nachtrust had haar sterk, jeugdig gestel al zijn veerkracht teruggegeven. Zij was met gejuich door de kinderen ontvangen, die allen veel van haar hielden, en dat mochten zij ook wel, want zij ging zeer zacht en lief met hen om, hoewel weinigen haar ongehoorzaam durfden zijn. Bovendien, maakte haar schoonheid indruk op hen, al wisten zij dat zelven ook niet. Schoonheid van een zekere soort maakt misschien het meest indruk op kinderen, hoe onachtzaam en zelfzuchtig zij dikwijls ook schijnen te zijn. Zij gevoelen haar macht; zij is een zichtbare uitdrukking van de droomen en gedachten, die in hun onwetende harten opkomen, en in zekeren zin vermengd met hun begrippen van God en den Hemel.
Zoo was er in Bryngelly een meisje van tien jaar, een schrander en prikkelbaar kind, Jane Llewellyn genaamd, wier ouders streng Calvinistische begrippen hadden. Nu wilde het geval, dat eenige maanden vóór het begin van dit verhaal, een als redenaar vermaard prediker van den ouden Puriteinschen stempel het dorp had bezocht en zijn toehoorders op een levendige voorstelling van de verschrikkingen der hel onthaald had.
In de voorste rij, zat, met groote, angstig starende oogen, dat arme kind tusschen haar ouders, die met genot naar den predikant luisterden, en een weinig achteraan zat Beatrice, die uit nieuwsgierigheid gekomen was.
Na genoeg over ontzettende algemeenheden uitgeweid te hebben, ging de prediker over tot ophelderende voorbeelden, voor de hand gegrepen, want zijn preek was geheel improvisatie. "Aanschouwt dat kind," zeide hij, op het kleine meisje wijzende; "zij ziet er onschuldig uit, niet waar? Maar ik zeg u, mijn broederen, als zij geen verlossing vindt, is zij verdoemd. Als zij dezen nacht sterft zonder verlossing gevonden te hebben, gaat zij naar de _Hel_. Haar teer lichaampje zal van eeuwigheid tot eeuwigheid gefolterd worden."
Hier viel het ongelukkige kind met een gil voorover.
"Ge moest u schamen, mijnheer," zeide Beatrice overluid.
Zij had met toenemende verontwaardiging naar dien bombast geluisterd, en nu vergat zij in haar opgewondenheid geheel, dat zij in een plaats van godsvereering was. Toen snelde zij vooruit naar het kind, dat bewusteloos was. De arme kleine kwam haar schrik nooit weer te boven. Toen zij uit haar bezwijming de oogen weer opsloeg, bleek het dat haar gevoelige hersens niet tegen den schok bestand waren geweest, en zij verviel tot een staat van onnoozelheid. Maar zij was niet altijd een lijdende idioot. Zij had soms vlagen van hevigen angst. Dan riep zij, dat de duivelen haar kwamen halen om gefolterd te worden, en wierp zich akelig gillend tegen den muur. In zulke oogenblikken was er maar één middel om haar tot bedaren te brengen: en dat was, Beatrice te laten roepen. En dan kwam Beatrice, nam die arme twee handjes in de hare en zag met haar kalme, doordringende oogen in dat vermagerd, van angst verwrongen gezichtje, totdat het kind weer stil werd, huiverde, en zich aan haar borst in slaap snikte.
En zoo was het met al de kinderen; zij had een bijna onbeperkte nacht over hen. Zij hadden haar lief, evenals zij hen.
De lessen waren voor dien dag afgeloopen. Het was Beatrice's gewoonte de kinderen vóór het uitgaan der school een eenvoudig lied te laten zingen. Zij stond voor hen, en gaf de maat aan, terwijl zij zongen, en het was aardig haar daar zoo te zien staan. Op dezen namiddag werd, juist toen het eerste vers uit was, de deur van het schoolvertrek geopend, en Owen Davies trad binnen, Beatrice zag hem en trapte de maat in een min of meer versneld tempo.
De kinderen zongen er helder op los. Owen Davies kwam al nader en nader, totdat hij eindelijk vlak bij Beatrice stond, met half geopende lippen en de oogen op haar bevallige gestalte gevestigd, als iemand, die droomt, terwijl zijn geesteloos gelaat flauw verhelderd was door den glans van sterke aandoening.
Toen het lied uit was, defileerden de kinderen op een woord van hun meesteres haar voorbij, door de kweekelingen geleid, en daarna grepen zij met gejuich hun hoeden en petten, en stormden naar buiten in de vrije lucht, waar zij zich in alle richtingen verstrooiden. Toen zij allen weg waren, en ook eerst toen, zag Beatrice eensklaps om.
"Hoe vaart gij, mijnheer Davies?" zeide zij.
Hij onthutste zichtbaar. "Ik wist niet, dat ge mij gezien hadt," antwoordde hij.
"O, ja, ik heb u wel gezien, mijnheer Davies, maar ik kon het zingen niet laten ophouden om u toe te spreken. Ik moet u nog bedanken, dat ge naar mij zijt komen vragen."
"Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet, het was een verschrikkelijk ongeluk. Ik kan u niet zeggen hoe dankbaar ik ben--ik weet er geen woorden voor te vinden."
"Gij zijt wel goed, dat gij zooveel belang in mij stelt," hernam Beatrice.
"Volstrekt niet, Miss Beatrice, volstrekt niet. Wie zou in u geen belang stellen? Ik heb een boek voor u meegebracht--het leven van Darwin--twee deelen. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat Darwin u interesseert?"
"Ja, ik dank u zeer. Hebt gij het gelezen?"
"Neen, maar ik heb het opengesneden. Ik heb met Darwin niet veel op, zooals ge weet. Zijn richting houd ik niet voor de juiste. Mag ik de boeken voor u naar huis dragen?"
"Zeer vriendelijk van u, maar ik ga niet rechtstreeks naar huis; ik ga naar het schuitenhuis van den ouden Eduard, om naar mijn bootje te zien."
Feitelijk was dit wel zoo, maar het was haar op dit oogenblik eerst ingevallen. Beatrice had naar huis willen gaan, om te zien of alles voor Geoffrey en zijn dochtertje in gereedheid was gebracht. Maar om aan de pastorie te komen, moest zij langs de rots gaan, waar weinig menschen waren, en dat wilde zij nu liever niet. Ronduit gezegd, was zij bang dat Davies van de gelegenheid gebruik zou maken om haar zijn hart en zijn hand aan te bieden, wat haar nachtmerrie was. De weg naar Eduard's schuitenhuis liep door het dorp, en zij wist wel, dat hij daar zijn aanzoek niet zou doen.
Het was voorzeker zeer dwaas van haar dat zij aldus den kwaden dag zocht te verschuiven; maar de verstandigste vrouwen hebben haar zwakke punten, en dit was er een van Beatrice. Zij hield niet van scènes, en zij wist dat als het er toe kwam, het een scène zou geven. Niet dat zij een oogenblik wankelde in haar besluit om den man af te wijzen; maar het zou toch onaangenaam zijn, en eindelijk moest het haar vader en Elisabeth ter oore komen, dat zij Owen Davies een blauwtje had laten loopen, en wat zou zij dan voor een leven hebben?
Nooit had zij vermoed, het zou nooit bij haar opgekomen zijn te vermoeden, dat, hoewel haar vader het haar ten hoogste kwalijk zou nemen, niets ter wereld het hart van Elisabeth zoo had kunnen verblijden.
Na haar hoed opgezet te hebben, verliet Beatrice het schoolgebouw, vergezeld door haar bewonderaar, die het Leven van Darwin onder zijn arm droeg. Zij liepen zwijgend voort, Beatrice een weinig vooruit. Zij maakte eenige aanmerkingen over het weer, maar Owen gaf geen antwoord; hij was in gepeins; hij wilde iets zeggen, maar wist niet hoe. Zij waren nu aan de rots, en als hij wilde spreken, moest hij het spoedig doen.
"Miss Beatrice," begon hij, op een eenigszins gedwongen toon.
"Ja, mijnheer Davies--o, zie die zeemeeuw eens; zij sloeg bijna mijn hoed af."
Maar hij was niet met de zeemeeuw af te schepen. "Miss Beatrice," zeide hij weder, "gaat gij Zondagnamiddag wandelen?"
"Hoe weet ik dat vooraf, mijnheer Davies? Het kan wel regenen."
"Maar als het niet regent--zeg het mij, als 't u belieft. Gewoonlijk gaat ge Zondags op het strand wandelen. Miss Beatrice, ik moet u spreken. Ik hoop dat ge 't mij wel zult vergunnen."
Toen nam zij plotseling een besluit. Zoo was het onverdragelijk; het was maar beter er einde aan te maken. Zich zoo snel om wendende dat Owen er van schrikte, zeide zij:
"Als ge mij dan volstrekt spreken wilt, mijnheer Davies, zal ik Zondagnamiddag om vier uur op het Amphitheater, die hoogte tegenover de Roode Rotsen, zijn, maar ik had veel liever dat ge niet kwaamt. Meer kan ik niet zeggen."
"Ik zal komen," antwoordde hij op stroeven toon, en nu waren zij bij het schuitenhuis.
"O, kijk, paatje," zeide Effie, "daar komt die dame aan, die met u verdronken is; zij heeft een heer bij zich," en tot Beatrice's groote verlichting, snelde het kind haar te gemoet.
"O, dat is de man, met wien Honoria zegt dat zij geëngageerd is," dacht Geoffrey. "Ik moet zeggen, dat ik geen hoogen dunk van haar smaak heb."
Een oogenblik later waren zij bij hem. Geoffrey gaf Beatrice de hand en werd aan Owen Davies voorgesteld, die daarop iets mompelde en spoedig heenging.