Beatrice

Chapter 7

Chapter 74,149 wordsPublic domain

"Zoudt gij dat denken?" hernam zij vragend. "Ik zie niet recht in, hoe gij dat bewijst. Als gij gelooft wat ons geleerd is, zooals gij, meen ik, doet, dan zoudt gij, waar gij u ook bevondt, gezelschap in overvloed vinden, en als gij, zooals ik, aan niets gelooft, welnu, dan zoudt gij geslapen hebben, en in den slaap heeft men aan niets behoefte."

"Geloofdet gij aan niets, toen ge daar op de rots laagt te wachten om te verdrinken, Miss Granger?"

"Aan niets!" antwoordde zij; "het zijn alleen zwakke menschen, die in den uitersten nood openbaring vinden. Als de openbaring ooit komt, dan moet zij uit het hart ontstaan en niet uit vrees. Ik geloofde aan niets, en ik was voor niets bevreesd dan alleen voor de benauwdheid van den doodstrijd. Waarom zou ik bevreesd zijn? Gesteld dat ik dwaal, en dat er hiernamaals iets is, kan ik het dan helpen dat ik niet geloof? Wat heb ik gedaan, om bevreesd te zijn? Zoover ik weet, heb ik nooit opzettelijk iemand leed gedaan, en als ik _kon_ gelooven, zou ik het doen. Ik wenschte dat ik maar gestorven was," ging zij hartstochtelijk voort; "dan was nu alles uit. Ik ben de wereld moede, ik ben het werken en afhankelijkheid en al de kleine kwellingen, die het leven zoo vervelend maken, moede. Ik ben hier niet noodig, ik heb niets waarvoor ik leef, en ik zou maar liever dood willen zijn."

"Eenmaal zult ge er anders over denken, Miss Granger. Er is veel, waar een vrouw zooals gij voor leven kan--in allen gevalle hebt gij uw werk."

Zij lachte bitter. "Mijn werk! Als gij wist hoe dat was, zoudt ge er mij niet over spreken. Elken dag rol ik mijn steen den heuvel op, en elken nacht schijnt hij weer naar beneden te rollen. Maar gij hebt nooit onderwijs gegeven op een dorpsschool. Hoe kunt gij er van weten? Ik werk den geheelen dag, en 's avonds moet ik misschien tafellakens verstellen, of--wat denkt ge wel?--mijn vaders preeken schrijven. Het klinkt zonderling, niet waar, dat ik preeken moet schrijven? Maar het is toch zoo. Nu schrijf ik er weer een voor aanstaanden Zondag. Het maakt voor hem weinig verschil hoe de preek is, als hij ze maar lezen kan, en natuurlijk zeg ik er niets in, wat iemand aanstoot kan geven, en ik geloof ook niet, dat men er veel naar luistert. In Bryngelly gaan weinig menschen naar de kerk."

"Hebt ge dan nooit tijd voor uzelve?"

"O, ja, soms wel, en dan ga ik in mijn bootje varen, of ik lees, en dan gevoel ik mij bijna gelukkig. 't Is eigenlijk zeer verkeerd en ondankbaar van mij dat ik zoo spreek. Ik heb meer voorrechten dan negen tienden van de wereld, en die behoorde ik mij ten nutte te maken. Ik weet niet waarom ik zoo gesproken heb, en dat wel tegen u, dien ik gisteren voor 't eerst gezien heb. Met geen levende ziel heb ik ooit zoo gesproken, dat verzeker ik u. 't Is evenals de geschiedenis van den man met de tooverroede, die hier verleden jaar geweest is. Op de rots staat een huisje--het behoort aan mijnheer Davies, die op het kasteel woont. Er is geen drinkwater in de nabijheid, en een nieuwe huurder maakte er veel beweging over. Dus zette mijnheer Davies mannen aan 't werk, die dag in dag uit aan het graven waren, maar zij konden geen water vinden. Eindelijk haalde de huurder een oud man uit een ver afgelegen kerspel, die zeide dat hij met een tooverroede water kon vinden. Hij was een raar oud man, met een kruk, en hij kwam met zijn tooverroede, en strompelde voort, totdat de roede eindelijk vanzelf in den grond stak, vlak bij de achterdeur van den bewoner--tenminste, zooals de zoogenaamde toovenaar zeide. In allen gevalle gingen zij daar graven, en binnen tien minuten stieten zij op een bron, die zoo sterk opborrelde dat het huis er door overstroomd werd. En wat denkt ge dat het was? Niets anders dan brak water. Gij zijt de man met de tooverroede, mijnheer Bingham; gij hebt mij aan het spreken gebracht, en ik heb veel te veel gezegd, en wat alles behalve aardig was. Gij moet mij wel voor een naar en slecht meisje houden, en dat ben ik ook. Maar 't is zoo'n verlichting zijn hart eens uit te storten. Ik hoop, mijnheer Bingham, dat ge zult inzien--kortom, dat ge mij niet verkeerd begrijpen zult."

"Miss Granger," antwoordde hij, "er bestaat tusschen ons iets, dat ons altijd aanspraak geeft op wederzijdsche achting en vertrouwen--de band van leven en dood. Zonder u, zou ik hier nu niet zitten om uw vertrouwelijke mededeelingen aan te hooren. Ge moogt mij zeggen, dat een niet meer dan natuurlijke aandrift u bewogen heeft om te doen wat gij gedaan hebt. Ik weet beter. Het was uw wil, die uw natuurlijke aandrift tot zelfbehoud overwon. Maar ik zal er niets meer van zeggen dan alleen dit: Als ooit een man door banden van dankbaarheid en achting aan een vrouw gebonden was, dan ben ik het aan u. Ge behoeft niet te vreezen dat ik uw vertrouwen zal misbruiken of er een verkeerde uitlegging aan zal geven." Dit zeggende, stond hij op, en boog voor haar. "Miss Granger, ik beschouw het als eer, welke mij is aangedaan door iemand, die ik voortaan boven alle vrouwen moet vereeren. Het leven, dat ge mij teruggegeven hebt, en het verstand, waardoor het geleid wordt, ben ik aan u verschuldigd, en die schuld zal ik niet vergeten."

Zij luisterde naar die krachtige en ernstige stem, die later in de rechtzaal en het Parlement zoo bekend werd, en zijn woorden wekten een nieuw gevoel van genoegen in haar. In zijn oogen was zij meer dan een schoon meisje, dat alleen om haar schoonheid bewonderd en vereerd werd, en met fierheid gevoelde zij haar zedelijke zegepraal.

"Weet ge wel," zeide zij, de oogen tot hem opslaande, "dat ge mij trotsch maakt," en zij stak hem de hand toe.

Hij vatte die, bukte zich er overheen en drukte er even zijn lippen op. Het was niet mogelijk daar een verkeerde uitlegging aan te geven, en hoewel zij een weinig kleurde--want geen man had nog ooit de toppen harer vingers gekust--zag zij er dan ook niets anders dan een hulde in.

En zoo bezegelden zij hun verbond van zuivere vriendschap eens en voor altijd.

Nu volgde er een oogenblik stilzwijgen, dat door Geoffrey werd afgebroken.

"Miss Granger," zeide hij, "wilt ge mij vergunnen u een kleine zedepreek te houden?"

"Ga uw gang" antwoordde zij.

"Goed. Als zij u niet bevalt, moet ge het mij niet kwalijk nemen, en houd mij niet voor een wijsneus, als ik u zeg wat uw gebreken zijn, zooals ik die in uw woorden lees. Gij zijt trotsch en eerzuchtig, en de perken, waarbinnen gij u genoodzaakt ziet te leven, zijn u te eng. Gij hebt geleden, en de les van het lijden--nederigheid--nog niet geleerd. Gij hebt u tegen het Lot verzet, en het Lot drijft u voort als het schuim der zee, dat door den storm wordt voortgezweept, maar gij zwicht onwillig. In uw wrevel hebt gij uw toevlucht tot studie genomen, en die heeft u den laatsten stoot gegeven, want die heeft u er toe gebracht alles wat gij niet begrijpen kunt, als niet bestaande te verwerpen. Omdat uw begrensd verstand het oneindige niet kan begrijpen, omdat er op al uw gebeden geen antwoord is gekomen, omdat gij ellende ziet en er het doel niet van kunt doorgronden, omdat gij lijdt en geen rust gevonden hebt, hebt gij gezegd dat er niets anders dan toeval is en zijt ge een atheïst geworden, als zoovele anderen. Is dat niet waar?"

"Ga voort," antwoordde zij, haar hoofd op haar borst buigende, zoodat haar lang, golvend haar bijna haar gelaat verborg.

"Het schijnt wel wat zonderling," hernam Geoffrey, met een korten lach, "dat ik, met al mijn gebreken, mij verstout u een zedeles te geven, maar gij zult zelve het best weten hoe nabij of hoe ver van de waarheid ik ben. Dit wil ik u zeggen: Ik heb vijf-en-dertig jaar geleefd, en veel gezien, en getracht er veel uit te leeren; en ik weet, dat, als wij niet zelven de kans laten voorbijgaan, de wereld ons mettertijd geeft wat ons toekomt--al is dat meestal ook niet veel. Als gij geschikt zijt om te heerschen, zult gij eenmaal heerschen; zijt gij het niet, dan moet gij uw ongeschiktheid erkennen en tevreden zijn. Zooveel wat de tijdelijke dingen betreft. En wat nu de geestelijke dingen betreft, ben ik zeker--hoewel men, natuurlijk, niet gaarne veel over zulke zaken spreekt--dat als ge er maar lang genoeg in den een of anderen vorm naar zoekt, gij ze zult vinden, al is het ook niet zulk een vorm als meestal door een bizonderen godsdienst erkend wordt. Maar opzettelijk een muur op te richten tusschen onszelven en het ongeziene, en dan te klagen dat de weg versperd is--dat is eenvoudig kinderachtig."

"En als die muur nu al opgericht is, mijnheer Bingham?"

"De meesten onzer hebben dat eenmaal gedaan," antwoordde hij, "en een weg er om heen gevonden."

"En als hij zich uitstrekt van horizon tot horizon, en hooger is dan de wolken, wat dan?"

"Dan moet men vleugels vinden om er overheen te vliegen."

"En waar kan een aardsche vrouw zulke geestelijke vleugels vinden?" vroeg zij, en, zij liet het hoofd nog dieper op haar borst zinken om haar verlegenheid te verbergen. Want zij herinnerde zich wel gehoord te hebben van zwervers op de donkere paden van menschelijken hartstocht, die eensklaps in strijd met hun eigen ziel waren gekomen en dat de wreede paden van aardsche liefde den voet, die ze betreedt, nog naar de poorten des hemels kunnen leiden.

En terwijl zij zich deze schoone fabelen herinnerde, hoewel zij geen ondervinding van liefde had en er weinig van wist, werd Beatrice eensklaps stil. Geoffrey gaf haar ook geen antwoord, ofschoon hij daarvoor niet had behoeven te schromen.

Zij bespraken immers een zuiver abstract vraagstuk!

Hoofdstuk X.

Lady Honoria maakt schikkingen.

Een oogenblik later kwam iemand de kamer binnen; het was Elisabeth. Zij was van haar expeditie om tienden in te zamelen teruggekomen--met de tienden. De deur van de huiskamer stond nog op een kier, en Geoffrey zat met den rug er naar toe. Zoo kwam het dat geen van beiden Elisabeth's min of meer katachtig sluipenden tred gehoord had, en eenige oogenblikken stond zij in de kamer zonder gezien te worden. Zij merkte op dat haar zuster het gelaat voorover had gebogen, en vermoedde dat zij daar een reden voor had--waarschijnlijk omdat zij het wilde verbergen. Zij bespeurde ook de uitdrukking van levendige belangstelling op Geoffrey's gelaat, dat zij in den spiegel met vergulde lijst, die boven den schoorsteenmantel hing, zien kon, en dat beiden iets verlegens over zich hadden, ontsnapte haar scherpen blik ook niet.

Toen zij de kamer binnenkwam, dacht Elisabeth aan Owen Davies en wat er had kunnen gebeuren als zij den levensstroom niet weder door de aderen harer zuster had zien vloeien. Zij had er den geheelen nacht van gedroomd en den geheelen dag over gedacht; en zelfs onder de inspanning om een onwilligen en vrij ruwen boer zijn tiende af te persen, was zij het niet vergeten. De boer was een pachter van Owen Davies, en toen hij haar, met kiesche toespeling op haar talent van afpersen, een "bloedzuiger" had genoemd en meer dergelijke liefelijke uitdrukkingen gebezigd had, dacht zij misschien niet onnatuurlijk, dat als zeker iets--wat toch niet bepaald tot de onmogelijkheden behoorde--mocht gebeuren, zij het dien pachter wel zou inpeperen. Want Elisabeth had een sterk geheugen, zooals sommige menschen te hunnen koste ondervonden hadden, en doorgaans betaalde zij vroeg of laat kapitaal en interest als zij een oude schuld had af te rekenen. En terwijl zij nu ongezien in de kamer stond en dit een en ander opmerkte, kwam er iets bij haar op, in verband met het heerschend denkbeeld, dat evenals alle denkbeelden van meer dan één zijde te beschouwen was. Althans was er voor een oogenblik een opgeklaarde uitdrukking in haar fletse oogen, als een flauwe zonnestraal in een Decembernevel; daarop trad zij vooruit, en toen zij dicht achter Geoffrey was, sprak zij opeens.

"Waar denkt gij beiden aan?" zeide zij, met haar schelle stem; "ge schijnt wel uitgepraat te zijn."

Met een uitroep sprong Geoffrey van zijn stoel op, wat hem in zijn gekneusden toestand niet weinig pijn deed. Beatrice onthutste ook; maar zij herstelde zich bijna oogenblikkelijk.

"Wat loop je stil, Elisabeth!" zeide zij.

"Niet stiller dan jij _zit_. Ik heb gewacht of een van beiden ook iets zeggen zou, en dacht dat ge allebei in slaap waart gevallen."

Beatrice dacht er over, hoelang haar zuster wel in de kamer geweest zou zijn. Hun gesprek was onschuldig genoeg geweest, maar toch niet van dien aard om er juist op gesteld te zijn dat Elisabeth het had afgeluisterd. En Elisabeth had er den slag van om iets af te luisteren.

"Ziet ge, Miss Granger," redde Geoffrey haar uit de verlegenheid, "onze hoofden zijn nog wat onklaar, en dan willen de woorden zoo niet vloeien."

"Juist," zeide Elisabeth. "Lieve Beatrice, waarom bind je je haar niet op? Ik weet niet wat je wel lijkt. Niet dat je geen mooi haar hebt," liet zij er critisch op volgen. "Zijt ge een bewonderaar van mooi haar, mijnheer Bingham?"

"Natuurlijk," antwoordde hij galant, "maar zulk haar is zeldzaam."

Beatrice beet verlegen op haar lip. "Ik had mijn haar bijna vergeten," zeide zij; "ik moet mijn verontschuldigingen maken dat ik mij zóó vertoond heb. Ik had het willen opmaken, maar ik was te stijf, en terwijl ik op Betsy wachtte, viel ik in slaap."

"Ik geloof dat er in de lade een lint ligt. Ik zag het je gisteren er in leggen," sprak hierop de oplettende Elisabeth. "Ja, daar is het. Als je wilt, en als mijnheer Bingham het niet kwalijk neemt, zal ik het voor je opbinden," en zonder antwoord af te wachten, liep zij achter Beatrice om, en bond de dikke vlechten op zulk een wijze dat zij niet voorover konden vallen, hoewel zij nog langs haar rug bleven golven.

Haar vader kwam nu ook van de boerderij terug. Hij was in een zeer goede luim. De zeug had zichzelve overtroffen en het ditmaal tot het verrassend getal van vijftien gebracht. Daarop haalde Elisabeth de twee pond en eenige shillings, die zij den onwilligen boer had afgeperst, voor den dag, en het gezicht van dat geld maakte den WelEerwaarden heer nog vergenoegder.

"Wilt ge wel gelooven, mijnheer Bingham," zeide hij, "dat ik in dit ellendig bezoldigde kerspel bijna honderd pond aan uitstaande schuld heb, honderd pond aan tienden? Daar hebt ge den ouden Jones, die bij de _Bell Rock_ woont; die is mij drie jaar tienden schuldig--vier-en-dertig pond, elf shilling en vier _pence_. Hij kan wel betalen, maar hij _wil_ niet betalen,--hij zegt dat hij Baptist is, en geen kerklasten wil betalen--maar eigenlijk is die oude bierton niets anders dan een heiden."

"Waarom doet gij hem geen proces aan, mijnheer Granger?"

"Dat heb ik gedaan. Ik heb vonnis tegen hem, en ik ben voornemens het binnen eenige dagen ten uitvoer te laten leggen. Ik wil het niet langer dulden," ging hij voort, zichzelf hoe langer hoe meer opwindende, en met het hoofd schuddende, dat zijn dun wit haar voor zijn oogen viel. "Ik zal hem gerechtelijk vervolgen, hem en de anderen ook. Gij zijt een rechtsgeleerde en kunt mij helpen. Ik zeg u, hier heerscht een geest, die hierop neerkomt: betaal al uw schulden, behalve den predikant en den landheer. Maar er is nog recht, eer zij hier bij ons dat Iersche spelletje beginnen te spelen!" En hij sloeg hard met zijn vuist op de tafel.

Geoffrey hoorde dit inwendig lachend aan. Dat was dus het gevoelige punt van den ouden man--het geld. Daar was hij blijkbaar zeer vurig op--even vurig als Lady Honoria, maar met meer reden. Elisabeth luisterde met merkbare goedkeuring, maar Beatrice zag verdrietig.

"Wees niet boos, vader," zeide zij, "misschien betaalt hij nog wel. 't Is niet goed gerechtelijk te vervolgen als gij het in der minne kunt schikken--dat zet maar kwaad bloed."

"Gekheid, Beatrice," viel haar zuster scherp in. "Vader heeft groot gelijk. Beslag leggen is het eenige wat met hem te beginnen is. Ik geloof dat je op het punt van eigendom al evenzoo een socialist bent als op al het andere. Je zoudt wel alles 't onderste boven willen keeren, van de Koningin af tot de wet op het huwelijk, alles tot welzijn van het menschdom, en ik zeg je dat die begrippen je ongeluk zullen zijn. Trotseer het gebruik, en het zal u verpletteren. Je loopt met je hoofd tegen een steenen muur aan, en eenmaal zul je ondervinden wie het hardst is."

Beatrice bloosde, maar antwoordde op den uitval harer zuster, die des te scherper was, omdat er wel een zweem van waarheid doorliep:

"Zulke begrippen heb ik nooit te kennen gegeven, Elisabeth, dus zie ik niet in waarom je mij die toeschrijft. Ik heb alleen gezegd, dat gerechtelijke vervolging kwaad bloed in het kerspel zet, en dat is ook zoo."

"Ik heb ook niet gezegd dat je ze te kennen hebt gegeven," hernam Elisabeth, die zich niet licht van haar stuk liet brengen, "maar je geeft er bewijzen van, ze zijn uit al je woorden op te maken. Iedereen weet, dat je een radicaal en een vrijgeest bent, en zoo al meer, dat slecht en dwaas is, en in strijd met den levensstand, waarin het God behaagd heeft je te plaatsen. Het zal er nog op uitloopen dat je als onderwijzeres op de school je ontslag krijgt--en ik geloof dat het voor vader en mij heel hard is dat je door je rare manieren en onzedelijke begrippen schande over ons brengt, en nu kun je het opvatten zooals je verkiest."

"Het ware te wenschen dat alle radicalen zoo waren als Miss Beatrice," zeide Geoffrey, die kriegel werd, met een zwakke poging om te schertsen. Doch niemand scheen hem te hooren. In woede ontstoken, stond Elisabeth tegenover haar schoone zuster; een blos van toorn had haar bleeke wangen gekleurd, haar lichtgrijze oogen fonkelden en haar magere vingers waren samengeklemd. Maar Geoffrey, die haar gadesloeg, kon gemakkelijk zien dat het niet de begrippen van haar zuster waren, die zij aanviel, maar dat het haar zuster zelve was. Het was die zachte bekoorlijkheid van dat gelaat; het was die grootheid van ziel, die juist door haar kracht dwaalde, en dat helder verstand, dat dien krachtigen geest verlichtte; het was die kennis en die macht, die, als zij vrij spel hadden, een wereld in vuur en vlam zouden zetten, evenals zij het hart van dien eenzaam levenden _Squire_, dien Elisabeth voor zich begeerde, ontgloeid hadden--dat was het wat Elisabeth haatte en wat zij met bitterheid aanviel.

Geoffrey, die gewoon was op te merken, bespeurde dit dadelijk en toen zag hij naar den vader. De oude man was blijkbaar bang voor Elisabeth en vreesde dat er een scène zou komen. Hij schoof met zijn voeten gedurig heen en weer, en zocht iets om te zeggen, terwijl hij ongerust naar zijn oudste dochter keek.

Nu zag Geoffrey naar Beatrice, die waarlijk wel waard was dat men naar haar zag. Haar gelaat was doodsbleek, en haar heldere grijze oogen glinsterden onder haar donkere wimpers uit. Zij was opgestaan, richtte zich in haar volle lengte op, wat haar welgeëvenredigde gestalte nog des te meer deed uitkomen, en zag haar zuster aan. Zij sprak slecht één woord, maar dat was genoeg:

"Elisabeth!"

Haar zuster opende de lippen, om nog iets te zeggen, maar zij bedacht zich. In Beatrice's toon en houding was iets, dat haar in bedwang hield.

"Je moest me ook niet zoo ergeren, Beatrice," zeide zij eindelijk.

Beatrice gaf hierop geen antwoord. Zij wendde zich slechts tot Geoffrey, en zeide op vriendelijken toon: "Mijnheer Bingham zal ons deze scène wel willen vergeven. Wij hebben van nacht allen slecht geslapen, en daar zijn onze humeuren niet beter op geworden."

Nu volgde er een poos stilte, waarvan Granger snel en vrij onwaardig gebruik maakte.

"Ehem!" zeide hij. "A propos, Beatrice, wat wilde ik ook weer zeggen? O ja, ik weet het--heb je die preek voor aanstaanden Zondag geschreven, ik bedoel voor mij afgeschreven? Mijn dochter," legde hij Geoffrey uit, "schrijft mijn preeken voor mij over. Zij schrijft een zeer goede hand--"

Geoffrey, die zich herinnerde hoe Beatrice hem in vertrouwen had medegedeeld dat het preeken maken tot haar functiën behoorde, vond de naïeve wijze, waarop haar vader dit beschreef, vermakelijk, en Beatrice glimlachte ook even, terwijl zij antwoordde dat de preek klaar was. Op dit oogenblik hoorde men het geratel van wielen, en de eenige vigilante, waarop Bryngelly kon roemen, hield voor de deur stil.

"Daar is de vigilante voor u, mijnheer Bingham," zeide Granger--"en zoo waar ik leef, haar Ladyschap is meegekomen. Elisabeth, zet spoedig thee," en de oude heer, die al de traditioneele voorliefde van den Engelschman uit de middelklasse voor een titel bezat, haastte zich om "haar Ladyschap" te begroeten.

Lady Honoria trad de kamer binnen, met een vriendelijken, zij het dan ook een gekunstelden glimlach op haar schoon gelaat, en met een bevalligheid van houding en manieren, die uitstekend bij haar rijzige gestalte paste. Want om Lady Honoria recht te doen wedervaren, moet gezegd worden dat zij, wat persoonlijk voorkomen betrof, een echte dame was, een waardig type van de klasse, waartoe zij behoorde.

Geoffrey bespeurde dat de kwade bui klaarblijkelijk voorbij was, en daar was hij blijde om. Dat was ook niet te verwonderen, want hoe aristocratischer een dame in haar manieren is, des te onaangenamer is zij, wanneer zij in een slechte luim is.

"Ge ziet, Geoffrey," zeide zij, "dat ik u kom halen. Ik had besloten er voor te zorgen, dat ge niet voor de tweede maal op uw terugweg naar huis zoudt verdrinken. Hoe gaat het u nu?--maar dat behoef ik niet te vragen, ge ziet er weer goed uit."

"Dat is zeer vriendelijk van u, Honoria," was het eenige wat haar echtgenoot hierop zeide, maar het valt te betwijfelen of zij hem hoorde, want op dat oogenblik was zij bezig met Beatrice vorschend aan te zien, met een zoo doorborenden blik als waarmede die jonge dame nooit vereerd was geworden. Er was niets lomps in dien blik, daartoe was hij te snel, maar Beatrice gevoelde, dat die enkele blik haar van top tot teen had opgenomen. Dat had zij ook niet mis.

"Het lijdt geen twijfel," dacht Lady Honoria, "zij is bekoorlijk, recht bekoorlijk. 't Was slim bedacht dat zij het haar niet heeft opgemaakt en het maar zoo los heeft laten hangen; dat doet den vorm van haar hoofd des te beter uitkomen. De blauwe _peignoir_ staat haar ook goed. Weinige vrouwen kunnen op zulk een gestalte als de hare roemen. Zij bevalt mij niet; zij is anders dan de meeste andere vrouwen; juist zoo'n meisje voor mannen om mee te dwepen, en voor vrouwen om te haten."

Dit alles ging in haar geest om, terwijl haar oogen die van Beatrice ontmoetten; en in die heldere oogen, te oprecht dan dat opkomende gedachten zich er niet in afspiegelden, las zij dat zij Beatrice evenmin beviel als Beatrice haar.

"Valsch, koel en onverschillig," dacht Beatrice. "Hoe kan een man als hij met haar getrouwd zijn; zou hij veel van haar houden?"

Zoo hadden die twee vrouwen elkander met een enkelen blik gemeten, en elk van beiden vond dat de andere niet naar haar smaak was. En van dat haastig gevormd oordeel kwamen zij ook nooit terug.

Dit nam echter niet weg dat Lady Honoria, na dat ééne oogenblik, met uitgestoken hand en haar vriendelijksten glimlach naar Beatrice toe trad.

"Miss Granger," zeide zij, "wat ik u verschuldigd ben, kan ik u nooit vergelden--het leven van mijn geliefden echtgenoot. Ik heb er alles van gehoord hoe ge hem gered hebt. Ik weet niet hoe ge het hebt kunnen doen. Ik wenschte dat ik half zoo moedig en sterk was."

"Och, spreek er niet van, Lady Honoria," zeide Beatrice. "Ik ben er al meer dan genoeg voor bedankt dat ik niets anders gedaan heb dan wat mijn plicht was te doen. Als ik mijnheer Bingham had losgelaten, zoolang ik nog de kracht had om hem vast te houden, zou ik vandaag een gevoel gehad hebben alsof ik een moordenares was. Zeg er, wat ik u bidden mag, niets meer van."

"Men vindt niet dikwijls zooveel bescheidenheid met zooveel moed gepaard, en als ge 't mij vergunt te zeggen, met zooveel schoonheid," hernam Lady Honoria vriendelijk. "Welnu, ik zal doen zooals gij wenscht, maar ik waarschuw u dat de Faam u wel vinden zal. Ik heb gehoord dat er in de nieuwsbladen van vandaag een verslag van het heele avontuur komt, getiteld: 'Een Welsche Heldin.'"