Beatrice

Chapter 6

Chapter 64,116 wordsPublic domain

"Daarna werd mij deze predikantsplaats aangeboden van niet meer dan £ 150, en als een gek nam ik die aan. De oude predikant, mijn voorganger, was door de geringe bezoldiging geruïneerd, evenals zij mij ruïneert, en had een eenige dochter nagelaten. Met die dochter trouwde ik, en zij was een lieve vrouw; zij had veel van mijn Beatrice, maar zij was niet zoo verstandig. Ik weet niet waar Beatrice's verstand van daan komt,--van mij niet, daar geef ik mij niet voor uit. Mijn vrouw was van goede geboorte, van een oude Cornwallsche familie, maar zij had nergens een heenkomen, en ik geloof, dat zij maar met mij trouwde, omdat zij niet wist wat zij anders beginnen moest, en omdat zij aan de oude plaats gehecht was. Zij nam mij, als 't ware, op den koop toe, om er te blijven. Nu, het ging alles vrij goed, tot elf jaar geleden, toen onze zoon geboren werd, hoewel ik niet geloof dat wij elkander ooit recht verstonden. Na dien tijd kreeg zij haar gezondheid niet terug, en zeven jaar geleden is zij gestorven. Ik herinner mij, dat het op een avond was, die bizonder veel overeenkomst had met gisterenavond--eerst mist en toen storm. Het knaapje stierf eenige jaren later. Ik dacht dat het Beatrice's hart gebroken zou hebben, zij is nooit weer hetzelfde meisje geweest, maar altijd vol rare begrippen, waarmee ik mij niet kan vereenigen.

"En wat ik hier voor een leven heb, mijnheer Bingham, als ik u dat vertelde, zoudt gij het niet gelooven. Niet alleen dat de bezoldiging zoo schraal is, maar er zijn hier zooveel _Dissenters_, en tienden zijn er niet te krijgen. Als ik niet zoo wat aan de boerderij deed, wat ook niet veel geeft, en het salaris van Beatrice als onderwijzeres, waarvoor zij een akte heeft, er bij had, zou ik al lang in het armenhuis zijn, en soms denk ik, dat het daar toch wel op zal uitloopen. Ik heb aleens een commensaal moeten nemen om toch maar rond te komen, en dat zal ik wel weer moeten doen.

"En nu moet ik naar mijn boerderij terug: de oude zeug moet jongen, en ik wil eens zien hoe het met haar gaat. God geve dat zij er weer dertien krijgt! Ik zal de vigilante bestellen om hier tegen vijf uur te wezen, ofschoon ik vóór dien tijd terug zal zijn--dat wil zeggen, ik heb Elisabeth gezegd, dat zij het doen zou. Zij is uitgegaan, om eenige bezoeken voor mij af te leggen en te zien of zij niet een paar pond kan innen van de tienden, die mij sinds drie maanden verschuldigd zijn. Als iemand die kan binnenkrijgen, is het Elisabeth. Adieu, als ge met Beatrice wilt spreken, die is opgestaan en daarbinnen. Gij zult elkaar wel bevallen. Zij is een raar meisje, die Beatrice; haar begrippen gaan mijn verstand te boven, en het was kluchtig dat zij u zoo vasthield, maar dat was zeker een beschikking van de Voorzienigheid. Tot weerziens, mijnheer Bingham," en dit zonderling exemplaar van een predikant verdween, na Geoffrey de ooren doof gepraat te hebben.

Het was half drie, en de dokter had gezegd dat hij Miss Granger om drie uur kon spreken. Hij wenschte dat het al drie uur was, want hij was zijn eigen gedachten en gezelschap moede, en natuurlijk verlangend om de kennis met het zonderlinge meisje, dat zulk een diepen indruk op hem had gemaakt en ten slotte zijn leven gered had, te hernieuwen. Het was doodstil in huis; Betty, de dienstmaagd, was in de keuken bezig, de dokters waren beiden weg, en Elisabeth en haar vader waren uit. Het weer had uitgeraasd; er was dien dag geen wind, en de zonnestralen, die door het open venster schoten, deden Geoffrey verlangen in de vrije lucht te zijn. Hij had geen boek om te lezen, en telkens kwam die echtelijke twist hem weder in de gedachten.

Dat hij zulke scènes te verduren had, viel Geoffrey hard. Hij kon voor zichzelven niet langer de waarheid verhelen--hij had op zijn huwelijksdag zijn geluk begraven. Als hij op vroegere jaren terugzag, herinnerde hij zich welk een geheel ander leven hij zich had voorgesteld. In die dagen was hij de kromme sprongen der jeugd moede; zelfs de gunst, die een knap, geestig en aangenaam jonkman, met groote verwachtingen, gewoonlijk bij de dames vindt, had op zes-en-twintigjarigen leeftijd niets aantrekkelijks meer voor hem. Dus had hij er wel ooren naar, toen zijn oom, Sir Robert Bingham, die naar de zeventig liep, een wenk gaf dat het voor Geoffrey wel goed zou zijn zich te vestigen, en hem aan Lady Honoria voorstelde.

Lady Honoria was toen achttien jaar en een schoonheid van het wel wat strakke, beeldachtige type, dat mannen tot op vijf- of zes-en-twintigjarigen leeftijd aantrekt, en dan begint te vervelen, zoo niet tegen te staan. Daarbij was zij schrander en belezen, en maakte aanspraak op poëtisch talent, zooals dames, die niet bizonder door Apollo begunstigd zijn, soms doen--vóórdat zij getrouwd zijn. Koel en afgemeten was zij altijd; niemand kon zeggen dat Lady Honoria ooit de perken der striktste welvoeglijkheid overschreed; maar Geoffrey schreef dit toe aan een zachte en gepaste zedigheid, die mettertijd wel zou veranderen. Zij veinsde ook een onschuldige onbekendheid met zoo iets prozaïsch als geldzaken, die hem zoowel misleidde als bekoorde. Slechts eenmaal vóór hun trouwen, sprak zij over hun middelen om huis van te houden, en dat was om te zeggen dat zij blijde was dat zij zoo arm zouden zijn, totdat die lieve oom Sir Robert stierf (hij had hun een jaargeld van vijftienhonderd pond beloofd, en zij hadden te zamen nog zeven honderd) omdat zij daardoor des te meer alles voor elkander zouden zijn.

Eindelijk was de gelukkige dag aangebroken, en die reine maagdelijke ziel kwam in Geoffrey's bezit. Een week, of iets langer misschien, ging het vrij goed, en toen begon de teleurstelling. Van lieverlede, maar zeker, bespeurde hij dat zijn vrouw ijdel, zelfzuchtig en verkwistend was, en, wat het ergste van alles was, dat zij zich zeer weinig aan hem gelegen liet zijn. De eerste schok was toen hij, vier of vijf dagen na hun trouwdag, toevallig ontdekte dat Honoria nauwkeurig bekend was met elke bizonderheid van Sir Robert Bingham's bezitting, en hoe jong zij ook was, reeds een plan had gemaakt om er na den dood van den ouden man meer voordeel van te trekken.

Zij gingen in Londen wonen, en daar bleek het hem, dat Lady Honoria, hoewel veel te koel en te voorzichtig om iets te doen waardoor zij in 't allerminst in opspraak kon komen, toch niet weinig op bewondering gesteld was. Altijd was er een troep jongelieden om haar heen. Daar waren er onder, die hij zeer gaarne mocht lijden; maar over 't geheel zou hij toch liever ongetrouwd gebleven zijn en in zijn club met hen omgegaan hebben. Dat leven in de gezelschapswereld ging ook met zwaarder uitgaven gepaard dan hij bekostigen kon. En zoo vervloog Geoffrey's droom van huwelijksgeluk allengs in rook. Maar gelukkig voor hem bezat hij een zekere mate van beredeneerdheid en billijkheid. Hij zag bijtijds in, dat de schuld niet geheel en al aan zijn vrouw lag, die in haar soort niet slecht was. Maar haar soort was _zijn_ soort niet. Zij was getrouwd om in een ruimer sfeer te leven, waar zij, vrij kon voldoen aan de neigingen, die in haar aard lagen en door opvoeding aangekweekt waren; en van haar kant meende zij dat hij haar alleen ten huwelijk had gevraagd omdat zij de dochter van een pair was.

Lady Honoria was, evenals menige andere vrouw van haar stempel, de vrucht der opvoeding van een overbeschaafde eeuw. Die oorspronkelijke deugden en dat aangeboren gevoel, waarop haar echtgenoot vertrouwd had het geluk van hun huwelijksleven te kunnen bouwen, bestonden eenvoudig niet in haar. Gevoeligheid was door opvoeding in haar hart onderdrukt; sedert vele geslachten, had men dit een lastige en verontrustende eigenschap in een vrouw gevonden. Wat die oude deugden betrof, zooals liefde voor kinderen en gewone huiselijke plichten, die vond zij slechts vervelend. Over 't geheel, hoewel scherp van tong, werd zij zelden driftig, want haar ondeugden waren, evenals haar deugden, van negatieven aard; maar de toorn, waarin zij ontstak, toen zij de zekerheid had dat zij moeder zou worden, was iets, dat haar echtgenoot nimmer vergat en ook nimmer weder zou willen zien. Eindelijk werd het kind geboren, waarvoor Geoffrey ten minste zeer dankbaar was.

"Neem het weg. Ik wil het niet zien," zeide Lady Honoria tot de geërgerde baker, toen het kleine schepseltje haar gebracht werd.

"Geef het mij maar, baker--ik wil het wel zien," zeide haar echtgenoot.

Van dat oogenblik af schonk Geoffrey al de liefde van zijn gekrenkt hart aan zijn dochtertje, en met het verloopen der jaren werden zij elkander zeer dierbaar. Maar een kind kan niet het eenige gezelschap van een naar geest en lichaam krachtig man zijn. Waarschijnlijk zou dit Geoffrey mettertijd gebleken zijn, en zou hij misschien een andere, minder wenschelijke leefwijze aangenomen hebben, als een onverwachte gebeurtenis dit niet voorkomen had. Op zijn ouden dag werd Geoffrey's oom, Sir Robert Bingham, het slachtoffer van de listen eener gelukzoekster en trouwde met haar. Kort daarna stierf hij, en acht maanden later werd er een zoon na het overlijden van den vader geboren.

Daardoor was Geoffrey geruïneerd.

Zijn jaargeld hield op, en weg waren zijn vooruitzichten. Hij hield echter het hoofd omhoog, zooals een moedig man onder zulk een slag doet, gaf zijn vrouw te verstaan, dat hij nu moest werken om den kost te verdienen, en verzocht haar den slagboom, die tusschen hen was, op te heffen en hem haar hulp en sympathie te schenken. Zij beantwoordde dit met tranen en verwijtingen. Het eenige, wat haar diep trof, het eenige, wat zij vreesde en haatte, was de armoede, en alles wat armoede voor vrouwen van haar rang en haar aard beteekende. Maar er was niet aan te verhelpen; het fraaie huis in Bolton Street moest verwisseld worden met een bovenverdieping bij Edgware Rood. Lady Honoria gevoelde zich ongelukkig; ja, als zij niet veel meer of minder voorname familie had bezeten, waar zij soms weken of maanden achtereen uit logeeren kon gaan, zou haar veranderd leven bijna niet om uit te houden voor haar geweest zijn.

Maar, wat zonderling was, Geoffrey gevoelde zich gelukkiger dan hij sedert zijn huwelijk geweest was. Hij ging moedig aan 't werk, en voor ieder man, die geestkracht bezit, is werken een bron van geluk. 't Is wel geen bizonder aangename bezigheid, den geheelen dag in gerechtshoven door te brengen, en menigen nacht met bijna vergeten rechtsgeleerde studiën en het uitpluizen van de ingewikkeldheden der rechtspleging. Maar zijn vader, een jongere broeder van Sir Robert, was zaakwaarnemer geweest, en hoewel hij dood was en alle rechtstreeksche betrekking met de firma had opgehouden, was er nog een andere oom in, en de compagnons vergaten Geoffrey niet in zijn moeilijkheden.

Zij zonden hem zooveel werk als zij konden, zonder hun vasten advocaat voor 't hoofd te stooten, en hij deed het goed. Toen kreeg hij allengs een algemeene geoefendheid door het opstellen van akten voor advocaten, die een zaak in handen hadden. Dat gaf wel geen voordeel, maar elke zaak gaf vermeerdering van kennis, en, wat meer is, bekendheid, en zoo kwam het dat binnen twee jaar na zijn finantieelen tegenslag Geoffrey Bingham in de gerechtshoven een niet onopgemerkt persoon was.

"Wie is dat toch, dien wij hier zoo dikwijls zien?" vroeg een voornaam lid van de rechtbank aan een ander, toen hij, op den laatsten dag der zitting, die het begin van deze geschiedenis voorafging, Geoffrey door de gang zag loopen.

"Bingham heet hij," was het antwoord. "Hij is pas sedert kort in de praktijk, maar hij zal het ver brengen. Hij heeft een goed huwelijk gedaan, met de dochter van den ouden Garsington, weet gij, een knappe vrouw."

"Dat hij het ver zal brengen, is hem wel aan te zien," beaamde de ander, en van nu af aan was dat het algemeen gevoelen.

Want, zooals Beatrice gezegd had, Geoffrey was een man, wien het op zijn voorhoofd te lezen stond, dat hij naam zou maken. Het kon bijna niet missen of hij moest slagen in alles wat hij ondernam.

Hoofdstuk IX.

Wat Beatrice gedroomd had.

Geoffrey lag op de sofa en zag naar den zonneschijn, en luisterde naar het getik van de pendule, terwijl hij zich al die gebeurtenissen voor den geest riep, totdat zij op het tooneel van dien ochtend uitliepen.

"'t Is niet langer te dulden," zeide hij eindelijk. "Zij maakt mijn leven ellendig. Als het niet om Effie was, op mijn woord, ik zou--Drommels, 't is drie uur; ik ga naar Miss Granger. Zij is in allen gevalle een vrouw met een hart, hoewel een vrijgeest--wat zeer dwaas van haar is," liet hij er op volgen, terwijl hij langzaam van de sofa opstond.

Met moeite, want hij was stijf en pijnlijk, strompelde hij de lange, smalle kamer door en de deur uit, die op een kier stond. De deur aan de overzijde was ook open. Hij klopte zacht aan, en toen hij geen antwoord kreeg, stiet hij die verder open en zag naar binnen, meenende dat hij zich misschien in de kamer vergist had. Op een sofa, die omstreeks twee derden van het vertrek in de lengte besloeg, lag Beatrice te slapen.

Zij was in een soort van _peignoir_ van een eenvoudige blauwe stof gewikkeld, en haar krullend haar golfde langs haar borst en schouders. Haar lief gelaat, waarvan de bleekheid nog des te meer uitkwam door de schaduw van de lange, donkere wimpers, en tegen de frissche roode kleur der lippen, was naar hem toegekeerd. Een der blanke handen hing bijna tot op den grond neder, en onder den sluier van het goudkleurig haar bewoog haar boezem zacht in haar slaap. Zóó schoon was zij in haar rust, dat hij bijna met ontzag staan bleef, met een gevoel alsof een aanwezige macht zijn hart in bedwang hield. 't Is gevaarlijk zulk een stille schoonheid te aanschouwen en dat in bedwang houden van het hart te gevoelen. Een waarlijk verstandig man, die het gevoelt, zou gevlucht zijn, wetende dat het zaad, in zulke oogenblikken gezaaid, kan ontkiemen om eenmaal bittere vruchten voort te brengen. Maar Geoffrey was niet verstandig--wie zou het ook geweest zijn? Hij bleef op die slapende schoonheid staren totdat haar beeld zich zoo vast in zijn hart prentte, dat het door alle latere jaren, met al hun verschillende gemoedsbewegingen, niet was uit te wisschen.

En terwijl hij daar in diepe stilte stond te staren, maakte een angstig voorgevoel zich van hem meester.

De zonnestraal, die in de kamer viel, week voor de schaduw van een voorbijtrekkende wolk. Een oogenblik trilde het zonlicht op zijn borst, scheen terug op de hare, en verdween, en toen het wegstierf, was het hem alsof hij wist dat voortaan, voor leven en dood, zijn lot en dat van dat slapende meisje één waren. Het was slechts een oogenblikkelijke aandoening, reeds verdwenen bijna voordat hij er de dwaasheid van begrepen had. Maar in later dagen herinnerde hij zich wat hij toen gevoeld had.

Juist op dat oogenblik opende Beatrice de oogen. Haar droomerige blik viel op hem, meer alsof zij door hem heen en voorbij hem, dan naar hem zag. Toen richtte zij zich een weinig op, en strekte beide armen naar hem uit.

"Zoo zijt gij dan eindelijk bij mij gekomen," sprak zij. "Ik wist wel dat gij komen zoudt en heb op u gewacht."

Hij gaf geen antwoord; hij wist niet wat hij zeggen zou; hij dacht eigenlijk dat zij droomde. Een poos staarde Beatrice hem nog even afgetrokken aan, totdat zij eensklaps schrikte en het bloed haar naar het voorhoofd stroomde.

"Wel, mijnheer Bingham," zeide zij, "zijt gij het werkelijk? Wat heb ik gezegd? O, vergeef het mij, wat het ook was. Ik heb geslapen, en zoo'n zonderlingen droom gehad, en in mijn slaap gesproken."

"Maak u niet ongerust, Miss Granger," antwoordde hij, zich eensklaps herstellende; "gij hebt niets verschrikkelijks gezegd, alleen dat gij blij waart mij te zien. Waar hebt ge van gedroomd?" Zij zag hem twijfelachtig aan; misschien klonken zijn woorden niet volkomen waar.

"Het zal, geloof ik, beter zijn dat ik het u vertel, nu ik u reeds zooveel gezegd heb," hernam zij. "Bovendien was het een zeer zonderlinge droom, en als ik aan droomen geloofde, zou hij mij bang gemaakt hebben, maar dat doe ik gelukkig niet. Ga zitten, dan zal ik 't u vertellen, eer ik het vergeten ben. 't Is geen lang verhaal."

Hij nam den stoel, dien zij hem aanwees, en zij begon op den toon van iemand, nog geheel onder den indruk der herinnering van wat hij gedroomd heeft.

"Ik droomde dat ik in een ruimte stond. Ver rechts van mij af, was een groote lichtbol, en links was een andere bol, en ik wist dat die bollen Leven en Dood waren. Van den bol rechts, naar den bol links, heen en terug, werd gestadig een gouden schietspoel geschoten, waarin twee oogen gezet waren, en ik wist dat dit de schietspoel was, waarmede het Noodlot het lot der menschen weeft. Daar vloog de schietspoel weer, en liet een langen zilveren draad na, en de oogen in de spoel waren uw oogen. Weer vloog de schietspoel door de ruimte, en ditmaal waren haar oogen als mijn oogen en de draad, dien zij achterliet, was van vrouwenhaar gevlochten. Halverwege tusschen de bollen van Leven en Dood brak mijn levensdraad af, maar de schietspoel vloog door en verdween. Een oogenblik hing de draad in de lucht, en toen stak er een wind op en blies hem weg, zoodat hij als de draad van een spinneweb zweefde, totdat hij op uw zilveren levensdraad stiet en, zich er omheen begon te winden. Onder dat omwinden werd hij grooter en zwaarder, en eindelijk was hij zoo dik als een groote haarvlecht, en begon de zilveren draad onder zijn zwaarte te buigen, zoodat ik zag dat die spoedig moest breken. Terwijl ik in verbazing afwachtte wat er gebeuren zou, gleed een witte hand, die een mes hield, langzaam langs den zilveren draad neder en sneed de omwindsels van vrouwenhaar af, die langzaam wegzweefden als, een door het zonlicht bestraald wolkje, totdat zij zich in het duister verloren. Maar de zilveren draad, die uw levensdraad was, sprong trillend op, en maakte een zuchtend geluid.

"Nu scheen ik te slapen, en toen ik wakker werd, dreef ik op zulk een mistige zee als wij gisterenavond gezien hebben. Ik had het land geheel uit het gezicht verloren, en ik kon mij niet herinneren hoe de sterren er uitzagen, of hoe ik had leeren sturen, of begrijpen waar ik heen moest. Ik riep de zee aan en vroeg haar naar de sterren, en de zee antwoordde:

"'De hoop heeft haar gewaad verscheurd, en er zijn geen sterren meer.'

"Ik riep weder, en vroeg het land waarheen ik gaan moest, en het land gaf geen antwoord, maar de zee antwoordde ten tweede male:

"'Kind van den nevel, zwerf in den nevel om, en zoek in duisternis licht.'

"Toen weende ik, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd had en ik in duisternis licht moest zoeken. En terwijl ik nog weende, zag ik _u_ uit de zee oprijzen, en gij kwaamt naast mij in de boot zitten. Ik had u vroeger nooit gezien, en toch gevoelde ik dat ik u altijd gekend had. Gij spraakt niet, en ik sprak ook niet, maar ge zaagt in mijn hart, en daar zaagt ge mijn droefheid. Toen zag ik in _uw_ hart, en las wat daarin geschreven stond. Het was dit:

"'Vrouw, die ik gekend heb voordat het verleden begon, en die ik zal kennen, wanneer de toekomst geëindigd is, waarom weent gij?'

"En ik antwoordde: 'Ik ween omdat ik op de wateren der aarde verdwaald ben, omdat de hoop haar sterrenkleed verscheurd heeft, en ik in eeuwigdurende duisternis moet zoeken naar licht, dat er niet is.' Toen zeide uw hart: '_Ik_ zal u het licht laten zien,' en gij boogt u voorover en raaktet mijn borst aan.

"En eensklaps gevoelde ik een doodsbenauwdheid, en daarop was de lucht vol engelen met groote vleugels, die den mist oprolden als een laken en den sluier van den nacht wegtrokken, en daar, met haar voeten op den bol en haar met sterren omringd hoofd in het firmament, stond de hoop en ademde vrede en schoonheid. Zij zag naar het noorden en het zuiden en het oosten en het westen, en zij zag naar omhoog door het hemelgewelf, en waar zij haar oogen wendde, verdween de duisternis, hield de droefheid op en uit het verdorvene ontstond het reine. Terwijl ik aanbiddend op dit heerlijk schouwspel staarde, sprak de zee weer, ditmaal ongevraagd:

"'in duisternis hebt gij licht gevonden, zoek wijsheid in den dood.'

"Toen verscheurde de hoop weder haar sterrenkleed, en de engelen trokken den sluier over de oogen van den nacht neder, en de zee verzwolg mij, en ik zonk tot in den diepsten afgrond van den lichamelijken dood. En daar, in de gewelven des doods, bleef ik, eeuw op eeuw, totdat ik eindelijk u zag komen, en op uw lippen was het woord van wijsheid, dat alle dingen helder maakt, maar wat het was, kan ik mij niet herinneren. Toen strekte ik mijn hand naar u uit, om u te begroeten, en ontwaakte, en dat is nu mijn geheele droom."

Zij hield op, met wijdgeopende oogen, alsof zij dit geestelijk visioen nog op de aarde zocht; haar borst zwoegde en haar lippen waren half geopend.

"Groote Hemel!" riep hij uit, "wat moet gij een verbeelding hebben, om zoo iets te droomen!"

"Verbeelding;" zeide zij, op haar natuurlijken toon, "heb ik niet, mijnheer Bingham. Die placht ik te hebben, maar ik heb ze verloren, toen ik--alles verloor. Kunt gij mijn droom uitleggen? Dat kunt ge, natuurlijk niet; 't is niets anders dan onzin--zooals alle droomen zijn."

"Het moge onzin wezen, en dat is het ook wel, maar 't is schoone onzin," antwoordde hij.

"Nu ja, droomend is men misschien verstandiger dan wakend, en onzin is mogelijk beter dan geleerde gesprekken, voor zooverre wij weten. Maar genoeg daarvan. Ik weet niet waarom ik u eigenlijk dien droom verteld heb; maar hij kwam mij zóó als werkelijk voor, dat ik er door ontroerd was. Dat komt er van als men uit zijn gewone sleur gaat door drie kwart verdronken te zijn. Op den bodem der zee vindt men rare dingen, zooals gij weet. Intusschen hoop ik, dat gij spoedig geheel hersteld zult zijn. Ik geloof niet dat ge lust zult hebben weer met mij uit varen te gaan, mijnheer Bingham."

Dit gaf hem, als 't ware, in den mond haar iets galants te zeggen, maar Geoffrey gevoelde dat, als hij het deed, het te ernstig zou zijn, dus weerstond hij de verzoeking.

"Wat zal ik u daarop antwoorden, Miss Granger?" zeide hij. "Hoe kan een man woorden vinden, om een dame, die den vorigen avond zijn leven heeft gered, bijna ten koste van het hare, te zeggen wat er in hem omgaat?"

"Het was niets," hernam zij kleurende, "ik hield u vast, anders niet, meer uit instinct dan om eenige beweegreden. Ik dacht, geloof ik, dat ge zoudt blijven drijven en ik op u een steunpunt zou hebben."

"De zaak is te ernstig, Miss Granger, voor beleefde jokkernij. Ik weet, dat gij mijn leven gered hebt. Ik weet niet hoe ik u daarvoor genoeg kan danken."

"Bedank mij dan in 't geheel maar niet, mijnheer Bingham. Waarom zoudt ge mij bedanken? Ik deed niets anders dan wat ik wel verplicht was te doen. Ik zou veel liever sterven dan een makker in den nood te verlaten; sterven moeten wij allen, maar beschaamd te sterven zou verschrikkelijk zijn. Gij weet, het spreekwoord zegt, dat, als men iemand uit het water haalt, men hem later kwaad doet; men zegt het ook wel andersom. Maar ik zal u niet licht kwaad doen, dus maak ik mij daar niet ongerust over. Het was een akelige gewaarwording; gij waart bewusteloos, dus kunt gij niet weten welk een zonderling gevoel het was op die glibberige rots te liggen en die groote witte golven in de duisternis op ons af te zien bruisen, met niets anders dan de zwarte lucht boven ons en de zee om ons heen, en daartusschen de dood. Ik ben vele jaren eenzaam geweest, maar ik geloof dat ik vroeger nooit begrepen heb wat eenzaamheid eigenlijk was. Ziet gij," liet zij er op volgen, "ik dacht dat ge dood waart, en aan een lijk heeft men niet veel gezelschap."

"Het zou toch nog akeliger eenzaam geweest zijn, als wij verdronken waren," zeide hij.