Beatrice

Chapter 3

Chapter 33,976 wordsPublic domain

De veldwachter ging op zijn treurige boodschap uit, en de stoet zette zich snel in beweging over het strand en het steenen pad, waarlangs de booten naar zee gesleept worden. Het dorp Bryngelly lag rechts op eenigen afstand van de kerk, die gevaarlijk en dicht bij den kant van de rots stond. Aan de eene zijde van de kerk, gedeeltelijk tegen den zeewind beschut door een groep in hun groei belemmerde pijnboomen, was de pastorie, een laag gebouw van één verdieping, langer dan vijf-en-twintig jaar bewoond door Beatrice's vader, den WelEerwaarden Joseph Granger. De beste weg er heen, van den kant van Bryngelly, was over het kerkhof, en dien weg namen de mannen met de draagbaar nu, door de nieuwsgierige menigte gevolgd.

"Wij konden hen hier wel meteen laten," zeide een van de dragers tot een der anderen. "Ik twijfel niet of ze zijn allebei dood."

De toegesprokene beaamde dit, en de dikke man in een zwarten mantel gehuld, die bij de draagbaar liep, zuchtte weder. Eenige oogenblikken later kwamen zij door de groep pijnboomen aan de deur der pastorie. Een groep menschen stond aan de deur. Het schijnsel van een ganglantaarn viel op hen en deed hen scherp tegen de donkere lucht uitkomen. Vooraan, met een lantaarn in de hand, stond een man van ongeveer zestig jaar, met sneeuwwit haar, dat verward over zijn gerimpeld voorhoofd hing. Hij was van middelbare lengte en min of meer gebogen van houding. Hij had kleine, scherpe oogen en een harden trek om den mond. Door zijn korte, grijze bakkebaarden en zijn ruige wenkbrauwen liep nog een gele tint. Zijn gelaat had een roode, gezonde kleur, en alleen aan zijn vuile witte das en zijn kale zwarte jas was het te zien, dat hij niet was waar men hem voor gehouden zou hebben en wat hij ook in zijn hart was, namelijk een ruwe boer. Kortom, hij was Beatrice's vader en geen boer, hoewel hij al de eigenschappen van een boer bezat, maar een predikant.

Naast hem stond Elisabeth, Beatrice's zuster, die vijf jaar ouder was dan zij. Zij was een slechte copie van Beatrice, of, juister gezegd, Beatrice was een prachteditie van Elisabeth. Beiden hadden zij bruin haar, maar dat van Elisabeth was lichter van kleur en had niet dien goudkleurigen glans. Elisabeth's oogen waren ook grijs, maar van een koud, waterachtig grijs, als dat van een Februari-lucht. En zoo was het met elken gelaatstrek en met de uitdrukking ook. De uitdrukking van Beatrice's gelaat was open en edel, soms in haar fierheid uitdagend. Men had haar slechts aan te zien, om te weten dat zij eigenzinnig kon zijn en in haar eigenzinnigheid kon dwalen, maar dat zij tot geen laagheid in staat was. Welk van de tien geboden zij mocht overtreden, het gebod van geen valsche getuigenis te spreken tegen zijn naaste zou het niet zijn. Dat kon ieder in haar oogen lezen. Maar in die van haar zuster was, niettegenstaande zij flauwer waren dan de hare, een zekere geslepenheid te bespeuren. Voor 't overige had Elisabeth een bevallige gestalte, maar zij miste de bekoorlijke rondheid van vormen harer zuster, hoewel die twee zoo op elkaar geleken, dat men op een afstand de een wel voor de andere had kunnen aanzien. Men zou zich bijna kunnen verbeelden, dat de natuur een proef met Elisabeth had genomen alvorens te besluiten Beatrice voort te brengen, ten einde de juiste lijnen en evenredigheden te verkrijgen. De oudere zuster was, in vergelijking met de andere, wat het dof, onvoltooid model van klei is tegenover het glanzig beeld van ivoor en goud.

"O, mijn God! mijn God!" jammerde de oude man; "zie, zij liggen op de draagbaar. Zij zijn beiden dood. O, Beatrice! Beatrice! en van ochtend nog heb ik haar harde woorden toegevoegd."

"Wees zoo gek niet, vader," zeide Elisabeth op scherpen toon. "Zij zijn misschien alleen maar bewusteloos."

"Ja, jou kan het niet schelen," snauwde hij, "jij houdt niet van je zuster. Je bent jaloersch op haar. Maar ik heb haar lief, al verstaan we elkaar ook niet. Daar komen zij aan. Sta daar niet te kijken. Ga zien of de dekens gewarmd zijn en al het noodige in gereedheid is. Dokter, zeg mij, is zij dood?"

"Hoe kan ik dat zeggen, voordat ik haar gezien heb?" scheepte de dokter hem ruw af, terwijl hij naar binnen ging.

De pastorie van Bryngelly was een zeer eenvoudig gebouwd huis. Bij het binnenkomen bevond men zich in een gang met deuren rechts en links. Rechts was de deur van de huiskamer en links die van de eetkamer, en beide waren lang, laag en smal. Aan het einde van de gang kwam men aan een andere, die rechthoekig met den eerste door de breedte van het huis liep, met eenige deuren van slaapkamers aan de zijde het verst van den ingang af. De kamer aan het einde rechts was de slaapkamer van Beatrice en haar zuster; die daarnaast was ledig, de derde was van Granger en de vierde was de logeerkamer. Behalve nog de keuken en een slaapplaats voor de dienstbode, achter de eetkamer, was dit de geheele inrichting van het huis.

In beide de voornaamste kamers was vuur aangelegd. Geoffrey werd naar de eetkamer gebracht en door den assistent van den dokter behandeld, en Beatrice naar de huiskamer waar de dokter zelf zijn zorgen aan haar wijdde. Binnen weinige oogenblikken was de kamer van allen behalve de helpers ontruimd, en begon het werk. De dokter zag naar Beatrice's van koude ineengekrompen gestalte en naar het schuim op haar lippen. Hij lichtte een ooglid op en hield een licht voor den samengetrokken oogappel. Toen schudde hij het hoofd en ging met allen ijver aan het werk. Wij behoeven hem in den loop van die akelige werkzaamheden, waarmede de meeste menschen wel min of meer bekend zijn, niet te volgen. Hoe hopeloos zij ook schenen, ging hij er uur op uur mee voort.

Intusschen bewezen de assistent-geneeskundige en eenigen, die hem hielpen, Geoffrey Bingham denzelfden dienst, en van tijd tot tijd kwam de dokter, een schraal man van een schrander voorkomen, even zijn voorschriften geven en zien hoe de zaken stonden. Hoewel nu Geoffrey het langst in het water was geweest, was hij er verreweg het best aan toe, want toen hij zonk, was hij reeds bewusteloos, en in dien toestand vindt iemand niet zoo licht zijn dood in het water als wie ademt en spartelt en al zijn krachten tot levensbehoud inspant. Zoo kwam het dus, dat na omstreeks twintig minuten wrijven met warme doeken en het aanwenden van de kunstmatige ademhaling, Geoffrey eensklaps een vinger boog. De assistent van den dokter, een levendig jongeling, die pas zijn arts-examen gedaan had, deed een kreet van blijdschap hooren en wreef met verdubbelden ijver. Nu hoestte het voorwerp, dat hij onder zijn behandeling had, en een oogenblik later, toen de benauwdheid van het terugkeerend leven zich deed gevoelen, ontsnapte den patiënt een krachtige vloek.

"'t Is in orde met hem!" kwam de assistent den dokter berichten. "Hij vloekt al mooi!"

Dokter Chambers, die in de andere kamer met zijn treurige en weinig belovende taak bezig was, glimlachte droevig, en riep den assistent toe, dat hij maar met zijn behandeling moest voortgaan, wat hij dan ook uit al zijn macht deed.

Allengs werden de levensgeesten weder in Geoffrey opgewekt, maar hij leed nog zware benauwdheid. Het eerste, wat hij gewaar werd, was de gedaante van een rijzige en elegante vrouw, die zich over hem heen boog en er half verlegen, half verschrikt, uitzag. Hij had nog geen besef wie dat zijn kon. Die rijzige gestalte en dat schoon, maar koel gelaat kwamen hem zoo bekend voor, en toch kon hij zich den naam niet herinneren. Niet voordat zij sprak, begreep zijn verdoofd brein dat hij zijn vrouw zag.

"Wat ben ik blij dat ge weer beter zijt. Ge hebt me doodelijk verschrikt. Ik dacht dat ge verdronken waart."

"Dank u, Honoria," zeide hij, met een flauwe stem, en meteen kermde hij, door een nieuwe vlaag van hevige benauwdheid aangetast.

"Ik hoop dat niemand Effie er iets van gezegd heeft," zeide Geoffrey een poos daarna.

"Ja, het kind wilde niet naar bed gaan, omdat ge niet terug waart gekomen, en toen de veldwachter kwam, hoorde zij hem juffrouw Jones vertellen, dat ge verdronken waart, en zij kreeg het bijna op haar zenuwen. Zij moest tegengehouden worden, anders zou zij hierheen geloopen zijn."

Geoffrey's bleek gelaat nam een uitdrukking van diepe treurigheid aan, "Hoe hebt ge het kind zulk een schrik kunnen aanjagen?" zeide hij. "Ga haar dadelijk zeggen dat ik wel ben."

"'t Was mijn schuld niet," hernam Lady Honoria, haar welgevormde schouders ophalende, "Bovendien is er met Effie niets te beginnen. Zij gaat aan als een razende over u."

"Ga het haar, als 't u belieft, zeggen, Honoria," herhaalde haar echtgenoot.

"O, ja, ik zal gaan," antwoordde zij. "Het zal mij eigenlijk ook niet spijten hier van daan te zijn; ik begin een gevoel te krijgen alsof ik zelve verdronken was," en zij zag naar de dampende doeken, en huiverde. "Adieu Geoffrey. 't Is een ontzaglijke verlichting voor mij te weten dat ge er goed afgekomen zijt. Ik werd raar om mijn hart van de boodschap, die de veldwachter mij bracht. Ik kan u, zoo laag als ge daar ligt, geen kus geven, anders zou ik het doen. Tot weerziens, mijn lieve."

"Adieu, Honoria," zeide haar echtgenoot, met een flauwen glimlach.

De assistent-geneeskundige zag een weinig verbaasd. Hij was, wel is waar, nooit tegenwoordig geweest bij een ontmoeting tusschen man en vrouw, als een van het paar ter nauwernood aan een plotselingen dood ontkomen was; maar het kwam hem toch voor dat er iets was, wat zoo niet behoorde. De dame scheen hem toe niet in haar rol te zijn van een echtgenoote, die den Hemel dankte. Het was hem een raadsel. Misschien liet zijn gelaat daarvan iets blijken. In allen gevalle meende Lady Honoria, wie het niet aan scherpzinnigheid ontbrak, er zoo iets op te lezen.

"Hij is nu behouden, niet waar?" vroeg zij. "Het zal er niet op aankomen of ik heenga?"

"Neen, mevrouw," antwoordde de assistent, "hij is, geloof ik, buiten gevaar. Gij kunt gerust heengaan."

Lady Honoria aarzelde een weinig: zij bleef in de gang staan. Toen wierp zij een blik door de deur in de kamer aan de overzijde en zag daar Beatrice's strakke gedaante en den dokter, die zich over haar heen boog. Haar hoofd lag achterover, en haar glanzig, bruin haar, dat nu bijna droog was, hing in weelderige vlechten over den grond, terwijl haar gelaat den akeligen stempel des doods vertoonde.

Lady Honoria huiverde. Dat was voor haar niet om aan te zien. "Zou het noodig zijn, dat ik van avond nog terugkwam?" vroeg zij den assistent.

"Ik geloof het niet," antwoordde hij, "tenzij gij mocht willen hooren of Miss Granger bijkomt?"

"Dat hoor ik morgenochtend wel," zeide zij, "Arm meisje! Ik kan haar toch niet helpen."

"Neen, Lady Honoria, gij kunt haar niet helpen. Zij heeft uw echtgenoot het leven gered, zegt men."

"Zij moet een moedig meisje zijn. Zou zij weer bijkomen?"

De assistent schudde het hoofd.

"Misschien wel. Het heeft er nu nog niet veel van."

"Arm schepsel! Zoo jong en zoo schoon! Wat heeft ze een lief gezichtje, en wat een arm!" En Lady Honoria huiverde weder en ging heen.

Buiten de deur stond nog een deelnemende groep, niettegenstaande het vergevorderde uur en het slechte weer.

"Dat is zijn vrouw," zeide er een, en men maakte ruimte om haar door te laten.

"Waarom blijft zij niet bij hem?" vroeg een vrouw, op hoorbaren toon. "Als het _mijn_ man was, zou ik een uur lang bij hem gebleven zijn om hem te omhelzen."

"Ja, je zoudt hem met je omhelzingen gesmoord hebben." gaf iemand haar ten antwoord.

Lady Honoria liep door. Opeens kwam een dik man uit de schaduw van de pijnboomen te voorschijn. Zij kon zijn gelaat niet zien, maar hij was in een wijden mantel gehuld.

"Neem mij niet kwalijk," zeide hij met de heesche stem van iemand, die met aandoeningen kampt, welke hij niet kan bedwingen, "maar gij kunt het mij zeker wel zeggen. Leeft zij nog?"

"Bedoelt gij Miss Granger?" vroeg zij.

"Ja, natuurlijk. Beatrice--Miss Granger."

"Zij weten het nog niet, maar zij denken--"

"Ja, ja--zij denken--"

"Dat zij dood is."

De man zeide geen woord meer. Hij liet het hoofd op de borst zinken, keerde zich, om en verdween weder in de schaduw van de pijnboomen.

"Hoe zonderling!" dacht Lady Honoria, terwijl zij zich naar haar woning spoedde. "Die man is zeker verliefd op haar. Nu, dat verwondert mij ook niet. Ik heb nooit zulk een lief gezichtje en zoo'n arm gezien. Wat zou er van dat tooneel een schilderij te maken zijn. Zij redde Geoffrey het leven en nu is zij dood. Als hij _haar_ het leven had gered, zou het mij niet verwonderd hebben. 't Is iets uit een roman."

Men ziet hieruit dat Lady Honoria niet van zekere romaneske begrippen en kunstgevoel ontbloot was.

Hoofdstuk V.

Elisabeth is dankbaar.

Geoffrey, die voor het vuur lag, pas aan den dood ontsnapt, had iets van het gesprek tusschen zijn vrouw en den assistent, die hem in het leven had teruggeroepen, opgevangen. Zij was dus dood, dat moedige, schoone, atheïstische meisje--zij was daarheen gegaan, waar de waarheid aan het licht zou komen. En zij had zijn leven gered!

De assistent had zich eenige minuten verwijderd. Hij hielp in de andere kamer. Eindelijk kwam hij weer binnen.

"Wat hebt gij tegen Lady Honoria gezegd?" vroeg Geoffrey, met een zwakke stem. "Hebt gij gezegd, dat Miss Granger mij gered heeft?"

"Ja, mijnheer Bingham; dat heeft men mij ten minste verteld. In allen gevalle, toen men haar uit het water ophaalde, heeft men u tegelijk met haar opgehaald. Zij had u bij het haar vast."

"Groote Hemel!" kermde hij, "en mijn zwaarte moet haar naar beneden getrokken hebben. Is zij dan dood?"

"Dat kunnen wij nog niet met zekerheid zeggen. Wij gelooven het wel."

"De Hemel geve, dat zij niet dood is," zeide hij, meer bij zich zelf dan tot den ander. En overluid liet hij er op volgen: "Verlaat mij, ik ben nu weer in orde. Ga haar helpen. Maar wacht, kom mij nu en dan zeggen hoe het met haar gaat."

"Goed. Ik zal een vrouw bij u zenden, om u verder op te passen," en hij ging heen.

Inmiddels ging in de andere kamer de behandeling van de drenkeling langzaam voort. Twee uren waren verloopen, en nog gaf Beatrice geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Het hart klopte niet, er was volstrekt geen polsslag, maar, zooals de dokter wist, er was misschien nog leven in de weefsels. Langzaam, zeer langzaam, werd het lichaam heen en weer gekeerd, zoodat het hoofd zwaaide en het lange haar nu aan deze, dan aan gene zijde viel, maar nog was er geen spoor van leven. Elk hulpmiddel van de geneeskunde, warme lucht, wrijving, kunstmatige ademhaling, electriciteit, alles werd aangewend, maar te vergeefs.

Elisabeth, die er met een strak en bleek gelaat bij stond, gaf alles aan wat er noodig was. Zij hield niet veel van haar zuster; haar belangen waren met elkander in strijd, of ten minste zoo dacht zij, maar die plotselinge dood was akelig. In een hoek zat, erbarmelijk om te zien, jammerend en biddend, de oude predikant, en zijn wit haar hing over zijn oogen. Hij was een zwak, knorrig man, maar op zijn manier had hij zijn schoone en knappe dochter lief, en haar zoo te zien, was een foltering voor zijn ziel, zooals hij in geen jaren gekend had.

"Zij is dood," zei hij gestadig, "zij is dood; de wil des Heeren geschiede. Nu moet er een andere meesteres op de school zijn. Zeventig pond 's jaars zal zij kosten--Zeventig pond 's jaars!"

"Wees bedaard, vader," zeide Elisabeth scherp.

"Ja, jij hebt goed praten dat ik bedaard moet zijn. Je bent bedaard, omdat het je niet kan schelen. Je hebt nooit veel van je zuster gehouden. Maar _ik_ heb haar liefgehad sedert zij een klein blondkopje was, en je goede moeder ook. 'Beatrice,' was het laatste woord, dat zij sprak."

"Wees bedaard, vader," hernam Elisabeth op nog scherper toon. De oude man gaf geen antwoord, verzonk in een halve verdooving en wiegde zich op zijn stoel heen en weer.

Intusschen werd het werk zonder tusschenpoozing voortgezet.

"Het baat niet," zeide de assistent eindelijk, terwijl hij zijn vermoeid lichaam uitrekte en het zweet van zijn voorhoofd wischte. "Zij moet dood zijn; wij zijn nu drie uur met haar bezig geweest."

"Geduld," antwoordde de dokter. "Als het noodig is, zal ik het vier uur volhouden--of totdat ik er bij neerval," liet hij er op volgen.

Nog tien minuten verliepen. Iedereen wist, dat het een hopelooze taak was, maar toch hoopte men.

"Groote Hemel!" riep de assistent opeens uit, terugdeinzende en op Beatrice's gelaat wijzende. "Zaagt gij dat?"

Elisabeth en Granger sprongen overeind, roepende: "Wat? Wat?"

"Blijft zitten," zeide de dokter, hen terug wenkende. En zich tot zijn assistent wendende, sprak hij met gedempte stem: "Ge bedoelt dat ge het rechterooglid hebt zien bewegen, Williams? Dat heb ik ook gezien. Leg de batterij aan."

Williams deed het.

"Nu met volle kracht," hernam de dokter, "'t Is nu dood of leven."

De electrische schok werd eenige seconden zonder gevolg aangebracht. Maar plotseling ging er een huivering door de leden en een hand bewoog. Het volgend oogenblik gingen de oogen open, en met een benauwde ademhaling keerde het leven in Beatrice terug. Nog tien minuten, en zij was door de poorten des doods tot de levende wereld wedergekeerd.

"Laat mij sterven," bracht zij hijgend, met een zwakke stem uit. "Ik kan het niet verdragen. O, laat mij sterven!"

"Stil," zeide de dokter; "aanstonds zijt ge beter."

Nog tien minuten verliepen, en toen zag de dokter aan haar oogen, dat Beatrice iets wilde zeggen. Hij boog zijn hoofd naar haar toe, totdat het bijna haar lippen aanraakte.

"Dokter Chambers," fluisterde zij, "is hij verdronken?"

"Neen, hij is behouden; wij hebben hem bijgebracht."

Zij zuchtte. Het was een diepe zucht, half van smart, half van verlichting, Toen sprak zij weder:

"Is hij aan land gespoeld?"

"Neen. Gij hebt zijn leven gered. Gij hadt hem vast, toen men u uit het water haalde. Drink dit nu, en ga slapen."

Een zachte glimlach speelde over Beatrice's gelaat, maar zij zeide niets. Toen dronk zij van den drank zooveel als zij kon, en kort daarna volgde zij ook den laatsten wenk op, en viel in slaap.

Intusschen had het gerucht van die wonderbare herstelling zich buiten het huis verspreid, totdat het eindelijk ook den eenzamen man in de schaduw van de pijnboomen ter oore kwam.

Niet zoodra hoorde hij het, of in de hevigste ontroering liep hij met snelle schreden naar de deur van de pastorie. Hier scheen zijn moed hem te begeven, want hij aarzelde.

"Klop aan, _Squire_, klop aan, en vraag of het waar is," zeide een vrouw, dezelfde, die verklaard had, dat zij haar man door haar omhelzingen in het leven teruggeroepen zou hebben.

Dit gezegde scheen hem aan te moedigen, althans hij klopte aan. De deur werd geopend door Elisabeth.

"Ga heen," beet zij hem toe: "er moet stilte in huis zijn."

"Ik vraag u verschooning, Miss Granger," zeide de bezoeker, op een allernederigsten toon. "Ik wilde alleen maar weten of het waar is dat Miss Beatrice leeft."

"Wel, zijt gij het, mijnheer Davies?" hernam Elisabeth, met schrik. "Dat kon ik niet denken. Kom binnen, en ik zal de deur dichtdoen. Zoo! Hoe lang hebt gij buiten gestaan?"

"O, sedert zij hier gebracht zijn. Maar is het waar?"

"Ja, ja, 't is waar. Zij zal nu wel herstellen. En al dien tijd hebt gij in dat weer buiten gestaan. Beatrice mag zich wel gevleid gevoelen."

"Volstrekt niet. Ik vond het zoo akelig, en--ik stel zooveel belang--" en eensklaps brak hij af.

"Zooveel belang in Beatrice," zeide Elisabeth, den volzin aanvullende. "Ja, dat schijnt wel zoo," en eensklaps, als toevallig, hield zij den blaker, dien zij in de hand hand, zoo, dat het volle schijnsel van het licht op Owen Davies' gelaat viel. Het was een vrij dom gezicht, maar anders niet leelijk. De kleur was frisch als die van een kind, de oogen waren groot, blauw en zacht, en het golvende bruine haar was voor menige vrouw om te benijden. Ja, als niet een korte, maar volle baard daarmede in tegenspraak was geweest, zou men het eer voor het gelaat van een negentienjarig jongeling dan van een man over de dertig gehouden hebben. Tijd noch zorg had er een enkelen trek op gegrift; het getuigde van volkomen en sterke gezondheid en had nog al den bloei der eerste jeugd. 't Was het gelaat van een man, die wel honderd jaar kon worden en er dan nog jong zou uitzien, en de gestalte was er mede in overeenkomst.

Davies bloosde tot over zijn ooren onder Elisabeth's vorschenden blik.

"Natuurlijk stel ik belang in het lot van een mijner buren," zeide hij, op zijn langzamen bedaarden toon. "Zij is dus buiten alle gevaar?"

"Ik geloof het wel," antwoordde Elisabeth.

"Goddank!" zeide hij, of liever, dat scheen hem in een zucht van verlichting te ontsnappen. "Hoe kwam het dat die heer, mijnheer Bingham, bij haar werd gevonden?"

"Hoe zou ik dat weten?" gaf zij schouderophalend ten antwoord. "Beatrice heeft zijn leven gered, zij hield hem nog vast nadat zij bewusteloos was."

"'t Is verwonderlijk. Ik heb nooit zoo iets gehoord. Wat is hij voor iemand?"

"Hij is een van de knapste mannen, die ik ooit gezien heb," antwoordde Elisabeth, hem nog steeds vorschend gadeslaande.

"Zoo! Maar hij is, meen ik, getrouwd, Miss Granger?"

"O, ja, hij is getrouwd met de dochter van een pair--hij weet maar al te goed dat hij getrouwd is, geloof ik."

"Ik begrijp u niet, Miss Granger."

"Niet, mijnheer Davies? Gebruik dan uw oogen, als gij hen bij elkander ziet."

"Ik zou niets zien. Ik ben zoo slim niet als gij."

"Hoe zult gij van avond naar het kasteel teruggaan, mijnheer Davies? In dien wind kunt gij niet roeien, en de zee zal den straatweg overstroomd hebben."

"O, ik zal er wel komen. Ik ben toch al nat; wat meer of minder zal mij niet hinderen, en ik heb een ketting laten spannen, om te voorkomen dat iemand weggespoeld wordt. En nu moet ik weg. Goeden avond."

"Goeden avond, mijnheer Davies." Hij aarzelde een oogenblik en zeide toen: "Zoudt gij--zoudt gij zoo goed willen zijn uw zuster te zeggen--ik bedoel, natuurlijk, als zij sterker is--dat ik naar haar ben komen vragen?"

"Mij dunkt, dat gij dat zelf wel kunt doen, mijnheer Davies," zeide Elisabeth bijna lomp. "Ik bedoel, dan zal het meer gewaardeerd worden," en zij keerde zich om.

Owen Davies waagde het niet iets meer te zeggen. Hij gevoelde, dat Elisabeth's toon wel wat scherp was, en hij was een weinig bang voor haar. "Zij vindt zeker, dat ik niet goed genoeg ben om haar zuster oplettendheden te bewijzen," dacht hij, terwijl hij in de duisternis en den regen heenliep. "Zij heeft gelijk--ik ben niet goed genoeg om haar schoenen te poetsen. O, God, ik dank U dat Gij haar leven gered hebt! Ik dank U!--ik dank U!" gaf hij zijn hart lucht. "Als zij gestorven was, geloof ik dat ik ook gestorven zou zijn. O, God, ik dank U!'"

Het denkbeeld dat Owen Davies, Esq. van Bryngelly Castle, eigenaar van die kleine badplaats in haar opkomst en van een der grootste lei-mijnen in Wales, en een jaarlijksch inkomen van tusschen de zeven en tien duizend pond bezittende, niet goed genoeg was om de laarsjes van haar schoone zuster te poetsen, was nooit bij Elisabeth Granger opgekomen. En als het ooit bij haar opgekomen was, zou zij er om gelachen hebben, want Elisabeth had een praktisch verstand.