Chapter 27
Tien minuten later had Lady Honoria deze wereld en al haar vermaken overgelaten aan hen, die nog leefden om er genot van te hebben.
Een uur verliep. Geoffrey zat nog, in diep gepeins verzonken, in zijn studeerkamer zijn pijp te rooken en op Honoria te wachten, toen er aan de deur werd geklopt. De dienstboden waren naar bed gegaan, alleen de ziekenverpleegster nog waakte. Hij stond op en deed zelf open. Een roodharig bleek man trad waggelend binnen.
"Hoe, Garsington, zijt gij het? Wat komt gij op dit uur doen?"
"Houd u goed, Bingham, ik heb u iets te zeggen," antwoordde hij, met een dikke tong.
"Wat is het? Een nieuwe ramp zeker! Is er nog iemand dood?
"Ja, zoo is 't! Honoria is dood. Op het bal verbrand."
"Groote God! Honoria verbrand. Dan moet ik dadelijk--"
"Ik raad u dat niet te doen, Bingham. Als ik u was, zou ik niet naar het hospitaal gaan. Houd u goed, en als gij kunt, geef mij wat te drinken--ik ben totaal van streek--ik moet iets hebben om mij wat op te wekken."
En hier zullen wij den begaafden en door de fortuin begunstigden man laten.
Vaarwel, Geoffrey Bingham!
Naschrift.
Zoo bewerkten dan die menschelijke atomen hun lot--die korrels bezield stof, ginds en herwaarts geblazen door een wind, niemand weet van waar hij komt.
Indien er onder de Machten om ons heen een boos Beginsel is, dat vermaak schept in de nietige grillen der menschen, mocht het wel lachen om de gevolgen van dit plannen smeden, van al die begeerten, al die liefde en haat; en als er een meedoogend Beginsel is, mocht het wel zuchten om het treffende van menschelijke hulpeloosheid. Owen Davies, in zijn eigen hartstocht verloren gegaan; Geoffrey, met voorspoed naar de wereld bekroond, en met altijddurende droefheid bezocht; Honoria, ellendig omgekomen op het oogenblik van bevredigde eerzucht; Elisabeth, haar doel bereikende om het in het graf te verliezen; Beatrice, zichzelve uit liefde en verblindheid opofferende, en daardoor haar vreugde van zich werpende. O, indien zij zich vergenoegd had met nederig op de Voorzienigheid te vertrouwen; als zij die wanhopige daad slechts één week ongedaan had gelaten!
Maar Geoffrey leefde nog, en zijn kind herstelde, na een poos tusschen leven en dood gezweefd te hebben, en werd hem tot zijn vertroosting gelaten. Moge zij in leven blijven, om een gelukkige vrouw en moeder te worden, om onder gunstiger omstandigheden tot haar welzijn te leven dan die dat dwalende meisje, de ongelukkige, edele Beatrice, in den dood joegen en het hart van haar vader braken.
Wat zijn wij? Wij zijn slechts door onrust gevleugelde pijlen, die van duisternis in duisternis geschoten worden; wij zijn blinde leiders van de blinden, doellooze schermers in de lucht, verdwaalde reizigers langs steenen paden, die alle op hetzelfde einde uitloopen. En zij, die het gewone treurspel hebben uitgespeeld en door de enge poort zijn gegaan, kunnen zij ons zeggen wat daarachter ligt? Zij zwijgen, of wij kunnen hen niet hooren spreken.
Maar Beatrice kan het nu weten!
Einde.
Aanteekeningen
[1] Ik heb je altijd wel gezegd, dat kleed past mij niet goed.
[2] Het gebouw van de rechtsgeleerde Colleges te Londen.
[3] Een afgodsbeeld der Hindoes, dat op een jaarlijks terugkeerend feest op een wagen wordt rondgereden, onder welks raderen dweepzieke Hindoes zich, in godsdienstige opgewondenheid, laten verpletteren. Vert.