Chapter 26
Hij liep terug. Granger en Elisabeth waren nog niet thuisgekomen, maar zij werden elk oogenblik verwacht. Hij ging naar de huiskamer. Die was vol herinneringen aan Beatrice. Daar lag een roman, dien hij haar gegeven had, en daar was het blad van den vorigen dag, dat zij uit Londen had medegebracht, de _Standard_, waarin zijn redevoering stond.
Geoffrey hield de hand voor zijn oogen, en dacht na. Niemand anders dan hij wist dat zij zelfmoord begaan had. Als hij daar bekendheid aan gaf, zou er het een en ander van haar gezegd worden; wat van hem gezegd werd, was hem onverschillig; maar haar goede naam moest niet geschonden worden. Er zou, bij voorbeeld, gezegd kunnen worden dat het geheele verhaal waar was, en dat Beatrice gestorven was, omdat zij niet langer, aan openlijke schande blootgesteld, kon leven. Ja, hij deed beter er van te zwijgen hoe en waarom zij gestorven was. Zij was dood--niets kon haar in het leven terugroepen. Maar hoe dan moest hij zijn aanwezigheid hier verklaren? Gemakkelijk genoeg. Hij zou ronduit verklaren dat hij gekomen was, omdat Beatrice hem geschreven had, welke beschuldigingen tegen haar ingebracht waren, en waarmede hij bedreigd was--en dat hij haar dood gevonden had. En daarover had hij een woord met Owen Davies en Elisabeth te spreken.
Nauwelijks had hij dit besluit genomen, of Elisabeth en haar vader kwamen binnen. Het was hun duidelijk aan te zien, dat zij nog niets gehoord hadden.
Geoffrey stond op, en Elisabeth zag hem staan met fonkelende oogen en een doodsbleek gelaat. Zij deinsde van schrik terug.
"Wat brengt u hier, mijnheer Bingham?" vroeg zij, met haar schelle stem.
"Kunt gij dat niet vermoeden, Miss Granger?" zeide hij, op strengen toon. "Eenige dagen geleden hebt gij zekere beschuldigingen uitgebracht tegen uw zuster en mij, in tegenwoordigheid van uw vader en mijnheer Owen Davies. Die beschuldigingen zijn mij medegedeeld, en ik ben gekomen om er op te antwoorden en er voldoening voor te vragen."
Granger dribbelde zenuwachtig heen en weer, met een gezicht alsof hij wel had willen wegloopen, maar Elisabeth deed, met karakteristieken moed, de deur dicht, en trotseerde den storm.
"Ja, ik heb die beschuldigingen ingebracht, mijnheer Bingham," zeide zij, "en zij zijn waar. Maar, wacht, wij moesten liever eerst Beatrice laten roepen."
"Gij kunt haar laten roepen, maar gij zult haar niet vinden."
"Wat bedoelt gij daarmede--wat wil dat zeggen?" vroeg haar vader ongerust.
"Het wil zeker zeggen, dat hij haar ergens verborgen heeft," zeide Elisabeth, met een hoonenden glimlach.
"Het wil zeggen, mijnheer Granger, dat uw dochter Beatrice _dood_ is."
Ditmaal verloor Elisabeth haar zelfbeheersching en kon een kreet van schrik niet bedwingen, terwijl haar vader tegen den wand achteruit waggelde.
"Dood! dood! Wat bedoelt gij? Hoe is zij gestorven?" vroeg hij.
"Dat is God en haar alleen bekend," antwoordde Geoffrey. "Zij is gisterenavond in haar bootje uitgegaan. Toen ik hier van ochtend aankwam, werd zij voor 't eerst vermist. Ik heb langs het strand geloopen en haar bootje 't onderste boven gevonden," en hij legde den doorweekten schoen op de tafel.
Nu ontstond er een diep stilzwijgen, te midden waarvan Owen Davies met woesten blik en verwarde haren de kamer binnenstormde.
"Is het waar?" riep hij uit; "zeg het mij--het kan niet waar zijn dat Beatrice verdronken is. Zij kan mij niet ontnomen zijn, juist nu zij met mij zou trouwen. Zeg dat het niet waar is!"
Geoffrey's bloed kookte. Hij liep de kamer door, deed de deur op slot, en bleek van woede en met vlammende oogen greep hij Owen Davies bij de schouders als in een schroef.
"Gij, vervloekte schurk--lage hond!" barstte hij los, "gij en die slechte vrouw," en hij schudde zijn vuist tegen Elisabeth, "hebt samengespannen om een smet op Beatrice te werpen. Gij hebt nog meer gedaan; gij hebt gedreigd mij aan te vallen, te beproeven mij in 't verderf te storten, als zij zich niet aan u wilde overgeven. Verfoeilijke huichelaar, gij hebt haar gekweld en haar schrik aangejaagd; nu ben ik hier om _u_ schrik aan te jagen. Gij hebt gezegd dat gij het land van uw lastertaal zoudt doen weergalmen. Maar dit zeg ik u--luistert gij naar mij?--als gij het waagt haar naam in zulk een beteekenis te noemen, of als die vrouw het waagt, zal ik alle beenderen in uw ellendig lichaam stukslaan--bij den Hemel, ik zal u dooden!" En hij stiet Davies van zich, en terwijl hij dit deed, gaf hij hem met den rug van zijn hand een slag in 't aangezicht.
De man nam geen notitie van de woorden, of van de doodelijke beleediging van den slag.
"Is het waar?" schreeuwde hij uit; "is het waar, dat zij dood is?"
"Ja," zeide Geoffrey, hem volgende en zijn rijzige gestalte over hem heen buigende, want Davies was tegen den wand nedergevallen, "ja, 't is waar--zij is dood--en voor altijd buiten uw bereik. Bid God dat gij allen niet eenmaal haar moordenaars genoemd moogt worden--schaamtelooze laaghartigen!"
Owen Davies slaakte een schellen kreet en zonk als een zoutzak op den grond ineen.
"Er is geen God," kermde hij; "God had haar mij beloofd--zij zou de mijne worden--gij hebt haar gedood; gij--gij hebt haar eerst verleid, en toen hebt gij haar gedood. Ik geloof dat gij haar gedood hebt. O, ik zal nog krankzinnig worden!"
"Krankzinnig of niet," zeide Geoffrey, "zeg deze woorden nog eens, en ik trap u het leven uit uw lijf, zooals gij daar ligt. God had haar u beloofd, durft gij zeggen--dat meisje beloofd aan zoo'n hond als gij zijt! Ha, neem u in acht!"
Owen Davies gaf geen antwoord. Daar, op den grond nedergehurkt, wiegde hij zich heen en weder, kermend in den waanzin van teleurgestelde begeerte.
"Die man," hernam Geoffrey, zich tot Elisabeth wendende, die hem uit een hoek van de kamer aangluurde als een wilde kat, "zegt dat er geen God is. Ik zeg dat er een God is, en dat eenmaal, vroeg of laat, Zijn wraak u zal treffen--moordenares, schrijfster van naamlooze brieven; gij, die, om uw eigen booze oogmerken, wat die ook zijn mogen, te bevorderen, u niet geschaamd hebt den naam van uw onschuldige zuster door het slijk te sleuren. Ik heb tot dusverre nooit aan een hel geloofd, maar er moet een hel zijn, Elisabeth Granger, voor dezulken als gij. Ga uws weegs; leef uw tijd uit; maar leef ieder uur in vrees en beving voor de wraak, die u eenmaal zoo zeker treffen zal als gij sterven zult.
"En wat u betreft, mijnheer," ging hij voort, den bevenden vader toesprekende, "u laak ik niet zoo sterk, omdat ik geloof dat die adder uw gemoed vergiftigd heeft. Gij hebt misschien geloofd dat het vertelsel waar was. 't Is niet waar; het was een leugen. Beatrice, die nu dood is, kwam in haar slaap in mijn kamer, en werd er uitgedragen zooals zij er was ingekomen. En gij, haar vader, hebt dien ellendeling en uw dochter van haar verlegenheid gebruik laten maken als een hefboom om haar te dwingen tot een huwelijk, dat zij verfoeide. Ja, wel moogt gij uw gelaat bedekken. Doet allen het ergste wat gij wilt, maar bedenkt dat gij ditmaal te doen hebt met een man, die terug weet te slaan, en niet met een weerloos meisje."
"Bij den Hemel, het was mijn schuld niet, mijnheer Bingham," bracht de oude man stamelend uit. "Ik ben er onschuldig aan. Die vrouwelijke Judas, Elisabeth, heeft haar zuster verraden, omdat zij zelve met hem wilde trouwen;" en hij wees naar de ineengezonken gedaante op den vloer. "Zij dacht dat het hem tegen Beatrice zou bevooroordeelen, en hij--hij meende dat zij aan u gehecht was, en op die gehechtheid wilde hij werken."
"Zoo," zeide Geoffrey, "nu hebben wij het. En gij, mijnheer, stondt er bij en zaagt toe, omdat gij meendet van haar zielsangst voordeel te kunnen trekken. Nu zal ik u zeggen, wat ik voornemens was geweest verzwegen te houden. Ik beminde haar. Ja, ik beminde haar--evenals zij mij beminde. Ik verklaar dat gij te zamen haar den dood te gemoet hebt gedreven. Haar bloed kome over uw hoofd, voor altijd en eeuwig!"
"O, breng mij naar huis!" jammerde de zoutzak op den vloer--"breng mij naar huis, Elisabeth! Ik durf niet alleen gaan. Beatrice's schim zal mij vervolgen. Mijn hoofd draait om en om. Breng mij weg, Elisabeth, en blijf bij mij. Gij zijt niet bang voor haar, gij zijt voor niets bang."
Elisabeth kwam hem te hulp, met een nijdigen blik op Geoffrey. Zij was verschrikt en totaal verslagen, maar toch kon zij nog nijdig zien. Zij nam den jammerenden zoutzak bij de hand, en trok hem de kamer uit. Zij bracht hem naar zijn kasteel en zijn rijkdom. Zes maanden later kwam zij met hem voor den dag, om met hem te trouwen, zoo half krankzinnig als hij was. Een jaar en acht maanden daarna werd hij naar zijn laatste rustplaats gebracht, en was zij de rijkste weduwe in Wales.
Maar in haar borst lag de kiem van een doodelijke ziekte. Nog geen drie maanden nadat zij van hem bevrijd was, stierf Elisabeth ook, en de rijkdom ging in andere handen over.
Geoffrey en Granger bleven alleen. De oude man leunde met het hoofd op de tafel en weende bitterlijk.
"Heb medelijden," zeide hij, "zeg zulke woorden niet tegen mij. Ik had haar werkelijk lief, maar tegen Elisabeth was ik niet bestand, en ik ben zoo arm. O, als gij haar ook liefhadt, heb dan medelijden! Ik maak er u geen verwijt van dat gij haar liefhadt, hoewel gij er het recht niet toe hadt. Als gij geen liefde voor haar hadt opgevat en niet gemaakt hadt dat zij die liefde beantwoordde, zou dit alles niet gebeurd zijn. Waarom zegt gij zulke verschrikkelijke dingen tegen mij, mijnheer Bingham?"
"Ik had haar lief," antwoordde Geoffrey, op zachten toon, nu zijn woede voorbij was, "omdat men een meisje zooals zij was niet kon zien zonder haar lief te hebben. Op de geheele wereld is haars gelijke niet te vinden. Maar wie ben ik, dat ik u zou laken? God vergeve ons allen! Voortaan leef ik in de hoop dat ik haar daar, waarheen zij gegaan is, moge wedervinden."
Beiden bewaarden daarop eenige oogenblikken het stilzwijgen.
"Mijnheer Granger," hernam Geoffrey, "wees nooit bekommerd over geldzaken. Gij waart haar vader; wat gij noodig hebt, en waar ik in voorzien kan, zult gij hebben. Laten wij elkaar de hand geven, en afscheidnemen om elkaar nooit weer te zien. Zooals ik gezegd heb, God vergeve ons allen!"
"Dank u--dank u," zeide de oude man, door het witte haar heen, dat over zijn oogen viel, opziende. "Het is een zonderlinge wereld, en wij zijn allen ellendige zondaars. Ik hoop dat er ergens een betere wereld is. Deze ben ik bijna moede, vooral nu Beatrice er niet meer is. Arm meisje, zij was een goede, lieve dochter! Vaarwel! Vaarwel!"
Toen ging Geoffrey heen.
Hoofdstuk XXXI.
Het bal van de hertogin.
Een weinig vóór elven, kwam Geoffrey dien avond in stad--als een man, wien zijn leven lang een visioen bijbleef van dat bekoorlijk gelaat, dat nu in een onpeilbaar graf was gezonken. Wel mocht zulk een visioen den man bijblijven, die de eenige was, wien die nu koude lippen gekust hadden, en voor wien die verschrikkelijke daad bedreven was.
Hij nam een _cab_ en beval den voerman hem naar Bolton Street te rijden en in 't voorbijgaan aan zijn club stil te houden. Er waren misschien brieven gekomen, dacht hij--iets, dat zijn geest een weinig afleiding kon geven. Er was dan ook een brief, gemerkt "privé," en een telegram; beiden waren dien avond bezorgd, zeide de portier; de eerste was, ongeveer een uur geleden, door een livreiknecht gebracht.
Hij zag het telegram in--het was van zijn zaakwaarnemers en luidde: "Uw neef, het kind van George Bingham, is, naar wij zooeven vernomen hebben, overleden. Wees zoo goed morgenochtend bij ons te komen."
Dat telegram was voor Geoffrey van nogal eenige beteekenis. Het beteekende een baronetschap en een inkomen van ongeveer acht duizend pond 's jaars. Wat zou Honoria verheugd zijn, dacht hij met een droevigen glimlach; het gemis van dat inkomen was altijd een bittere pil geweest, die zij hem telkens deed slikken. Welnu, daar was het. De arme jongen was altijd ziekelijk geweest--het kind van een oud man.
Hij stak het telegram in zijn zak, en stapte de _cab_ weer in. Bij het licht van het lampje, dat er in brandde, las hij den brief. Die was van den Eersten Minister, en luidde aldus:
"Waarde Bingham.--Ik heb u sedert Maandag niet gezien, om u dank te zeggen voor de uitmuntende redevoering, welke gij dien avond gehouden hebt. Vergun mij mijn gelukwenschingen bij die van ieder ander te voegen. Zooals gij weet, is de post van Onder-Secretaris bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken open. Ten behoeve van mijn ambtgenooten en van mijzelven, schrijf ik u dezen, om u te verzoeken of gij er in wilt toestemmen dien post tijdelijk waar te nemen. Ik zeg, tijdelijk, want wij achten dien niet geëvenredigd naar uw bekwaamheden. Hij zal echter dienstig zijn om u praktische ondervinding van administratie te geven, en wij zullen zelfs nog in ruimere mate dan nu het voordeel van uw groote talenten hebben. De toekomst kunnen wij, natuurlijk, niet vooruitloopen; maar, zooals gij weet, laat de gezondheid van Sir * * * veel te wenschen over, en onlangs zeide hij mij dat het twijfelachtig was of hij de werkzaamheden van Procureur Generaal nog wel veel langer zou kunnen waarnemen. Met het oog op die mogelijke gebeurtenis, heb ik er met den Lord Kanselier over gesproken, en hij zegt dat er geen zwarigheid zal zijn, omdat, hoewel gij nog slechts kort in de praktijk zijt geweest, gij toch reeds vele jaren als advocaat bekend staat. Of als dit vooruitzicht u niet naar den zin is, zal er mettertijd nog wel een andere Gouvernementspost te vinden zijn. In ons eigen belang, kunnen wij u niet lang voorbijgaan."
Geoffrey glimlachte weemoedig, toen hij dien brief las. Wie had een jaar geleden kunnen gelooven dat hij nu op een standpunt zou staan om zulk een schrijven van den Eersten Minister van Engeland te ontvangen? Ach, dat was het geluk, dat de Schoen van een Drenkeling aanbracht, zooals de oude Eduard voorspeld had! En wat was voor hem dit alles nu waard?
Hij stak den brief en het telegram in zijn zak, en zag uit het portierraam. De _cab_ reed Bolton Street in. Hoe zou het met Effie gaan? dacht hij. Het kind was nu het eenige wat hem was overgebleven om voor te zorgen. Als er met haar eens iets gebeurde--daar kon hij niet aan denken!
Nu was hij er. "Hoe is 't met Effie?" vroeg hij den knecht, die hem de deur opendeed. Op dit oogenblik werd zijn opmerkzaamheid getrokken door een mannelijke en een vrouwelijke gedaante, die op den hoek van de straat stonden, de man met zijn arm om het middel van de vrouw geslagen. De vrouw kreeg de _cab_ in 't oog en verdween dadelijk om den hoek. Het kwam hem voor dat haar gestalte veel overeenkomst had met die van Anne, de Fransche _bonne_.
"Ik heb gehoord dat het met de jongejuffrouw heel goed gaat," antwoordde de knecht.
Geoffrey haalde ruimer adem. "Waar is mevrouw?" vroeg hij. "In de kamer van de jongejuffrouw Effie?"
"Neen, mijnheer," was het antwoord, "mevrouw is naar een bal gegaan. Zij heeft een briefje achtergelaten, in geval gij thuis mocht komen."
Hij nam het briefje van de tafel in de vestibule, en brak het open.
"Waarde Geoffrey," luidde het, "Effie is zooveel beter, dat ik besloten heb toch maar naar het bal van de hertogin te gaan. Zij zou zoo teleurgesteld zijn, als ik niet kwam, en mijn balkleed is zoo allerkeurigst! Had uw geheimzinnige zaak iets met _Bryngelly_ te maken?--"
"De uwe,
Honoria."
"Zij zou regelrecht van haar moeders begrafenis naar een bal gaan," zeide Geoffrey bij zichzelven, terwijl hij naar Effie's kamer ging. "Dat ligt zoo in haar aard--dat is nu eenmaal niet anders."
Toen hij Effie's kamer binnenkwam, was er niemand in. Ja, toch!--op den vloer lag, in haar hemdje, zijn dochtertje, naar allen schijn dood.
Met iets, dat veel overeenkomst had met een vloek, sprong hij naar haar toe, en tilde haar op. Haar gezichtje was bleek, en haar handjes waren koud, maar haar borst was nog koortsachtig gloeiend, en haar hart klopte. Met een enkelen blik zag hij wat er gebeurd was. Het kind was alleen gelaten, had dorst gehad, en was uit haar bed gekomen en naar de tafel geloopen, waar een karaf met water stond--de karaf lag nu naast haar op den vloer. Toen had de zwakte haar overmand en was zij flauw gevallen.
Op dit oogenblik kwam Anne snel de kamer binnen, vriendelijk zeggende: _"Ça va bien, chérie?"_
"Help mij het kind te bed leggen," zeide Geoffrey, op strengen toon. "Schel nu--schel nog eens.
"En nu op staanden voet mijn huis uit. Hoor je me niet? Neen, geen woord tegen. Dit zeg ik je, als het kind komt te sterven, zal ik je wegens manslag vervolgen; ja, ik heb je wel in de straat gezien," en hij deed een schrede naar haar toe. Toen nam Anne de vlucht, en haar gezicht werd niet meer in Bolton Street gezien.
"James," zeide Geoffrey tot den knecht, die op het schellen gekomen was, "zend de keukenmeid boven--zij is een bedaarde vrouw; en neem een _cab_, rijd naar den dokter, en verzoek hem dadelijk te komen, en als je hem niet thuis vindt, haal dan een anderen dokter. Ga ook naar het ziekenverplegingsgesticht, bij het St. James'-Station, en zeg dat er oogenblikkelijk een verpleegster noodig is."
"Ja, mijnheer. En moet ik maar meteen bij de hertogin haar Ladyschap gaan halen?"
"Neen," antwoordde hij, het voorhoofd fronsende, "stoor haar Ladyschap niet. Ga nu."
"Dat geeft den doorslag," zeide Geoffrey, toen de man weg was. "Honoria en ik moeten scheiden. Ik heb met haar afgedaan."
Dat had hij ook, ofschoon niet zooals hij het bedoelde. Het ware voor Honoria te wenschen geweest dat haar echtgenoot haar niet te zeer veracht had om haar van haar vermaak af te roepen.
De keukenmeid kwam boven, en met haar hulp bracht Geoffrey het kind weder tot haar bewustzijn.
Zij sloeg de oogen op en glimlachte. "Is u dat, paatje," fluisterde zij, "of droom ik?"
"Ja, lieve, ik ben het."
"Waar is u geweest, paatje--bij tante Beatrice?"
"Ja, lieve," zeide hij, met een gesmoorde stem.
"O, paatje, ik heb zoo'n raar gevoel in mijn hoofd; maar dat zal wel overgaan nu ik u weer bij me heb. U zult niet weer heengaan, niet waar, paatje?"
"Neen, lieve, ik ga niet weer heen."
Daarna begon zij een weinig te ijlen, en eindelijk viel zij in een onrustigen slaap.
Binnen een half uur kwamen de dokter en de verpleegster. De eerstgenoemde luisterde naar Geoffrey's mededeeling, en onderzocht de kleine patiënt.
"Zij zal het er wel doorhalen," zeide hij; "zij heeft een gezond gestel; maar als zij een minuut langer in dien tocht had gelegen, zou het met haar gedaan zijn geweest. Gij kwaamt nog juist bij tijds. En nu zou ik, als ik u was, naar bed gaan. Gij kunt hier geen goed doen, en gij ziet er zelf slecht uit."
Maar Geoffrey schudde het hoofd. Hij zeide dat hij naar beneden zou gaan, om een pijp te rooken. Hij wilde nog niet naar bed gaan; hij was te vermoeid.
Op het bal ging het intusschen vroolijk toe. Nooit in haar leven had Lady Honoria zich meer vermaakt dan nu. Zij genoot in de weelderige pret om haar heen als een vlinder in den zonneschijn. Wat was dat alles verrukkelijk--dat flonkeren van juweelen, die geur van kostbare bloemen, die hulde van welgemanierde mannen, die afgunst van andere vrouwen! O, het was toch een heerlijke wereld, als men maar niet op een eerste verdieping bij Edgware Road behoefde te wonen. Maar met eerste verdiepingen en bekrimpen was het, dank zij Geoffrey's talenten, gedaan. En wat zijn gril voor dat Welsche meisje betrof, och, als er maar geen openlijk schandaal van kwam, gaf zij daar eigenlijk niets om.
"Het doet mij genoegen dat ge mijn toilet bewondert. Ik geloof ook zelve dat het wel gezien mag worden, maar ik zeg altijd, er is in geheel Londen geen modiste, die Madame Jules in het maken van een kleed evenaart. O, neen, Geoffrey heeft het niet gekozen; die heeft wel over andere dingen te denken."
"Gij moet wel trotsch op hem zijn, Lady Honoria," zeide de knappe officier van de Lijfwacht, met wien zij sprak; "men zegt dat hij een van de knapste mannen in Engeland is. Ik wenschte dat ik een vijftigste deel van zijn verstand had."
"O, word, als 't u belieft, niet knap, Lord Atleigh, och neen, of ik wil niets meer met u te doen hebben. Knapheid is goed en wel, maar 't is niet alles. Ja, ik wil wel met u dansen, maar bedaard, en, ronduit gezegd, ben ik bang in die volte mijn kanten garneersel te scheuren. Ei zie, daar is Garsington, mijn broeder," en zij wees naar een klein man, met rood haar, die zich door de volle zaal een weg naar haar toe baande. "Wat zou die hier komen doen? Bals vallen anders volstrekt niet in zijn smaak. Ge kent hem zeker, niet waar? Hij is altijd bij de wedrennen, evenals gij."
Maar de officier van de Lijfwacht was verdwenen. Hij had er zijn redenen voor, om Garsington niet gaarne te ontmoeten. Misschien was hij ook lid van zekere club geweest.
"O, zijt ge daar, Honoria," zeide haar broeder, "ik dacht wel dat ik u hier in dit gedrang zou vinden. Ik heb u wat te zeggen."
"Goed of slecht nieuws?"' vroeg Lady Honoria, met haar waaier spelende. "Als het slecht nieuws is, houd het dan maar voor u, want ik vermaak mij veel te goed dan dat ik mijn avond bedorven wil hebben."
"Dat vertrouw ik ook wel van u, Honoria; maar 't is verduiveld goed nieuws, bijna zulk goed nieuws als iets voor uw wijsneus van een man maar wezen kan. Wat denkt ge wel?--die jongen, de zoon van den ouden Sir Robert Bingham en de keukenmeid van dezen of genen, je weet wel, is--"
"Toch niet dood, niet dood?" riep Honoria in hevige opgewondenheid uit.
"Ja, zoo dood als een pier," antwoordde zijn Lordschap. "Ik hoorde het in de club. Daar dineert een zaakwaarnemer, en die sprak met een ander over Bingham, en toen zeide de zaakwaarnemer: 'O, hij is nu Sir Geoffrey Bingham. De erfgenaam van den ouden Sir Robert is dood. Ik heb zelf het telegram gezien.'"
"O, dat is bijna te goed om waar te zijn," zeide Honoria. "Dat is een inkomen van acht duizend pond 's jaars."
"Ik heb u immers gezegd, dat het goed nieuws was," hernam haar broeder. "Ge moogt mij wel van dat geld een aanstelling koopen. Laten we in allen gevalle op het heuglijk nieuws gaan drinken. Kom, 't is tijd voor het souper, en ik ben doodmoe. Ik moet me wat verkwikken."
Lady Honoria nam zijn arm. Terwijl zij de breede, met bloemen behangen trap afliepen, ontmoetten zij een voornaam personage.
"Ha, Lady Honoria," zeide die groote man, "ik heb u iets te zeggen, dat u zeker genoegen zal doen," en hij boog zich naar haar toe en sprak zeer zacht, waarna hij met een buiging voortliep.
"Wat had die oude jongen u te vertellen?" vroeg haar broeder.
"Wat denkt ge wel? 't Is een geluksavond voor ons. Hij zegt dat de post van Onder-Secretaris aan het Ministerie van Binnenlandsche zaken Geoffrey aangeboden is."
"Dan zal hij opgeblazener dan ooit worden," bromde Lord Garsington. "Ja, dat is wel veel geluk opeens. Laten we hopen dat het maar geen keer neemt."
Zij gingen soupeeren, en Lord Garsington, die reeds gedineerd had, bediende zich rijkelijk van champagne. Een zilveren candelabre stond voor hem, en over elk van de kaarsen was een geschilderd papieren kap. Een daarvan stond scheef, en een lakei beproefde ze terecht te zetten, door over Lord Garsington's hoofd heen te reiken.
"_Ik_ zal het wel doen," zeide hij.
"Neen, neen, laat dien man begaan," sprak Lady Honoria. "Zie, de kap zal in brand geraken."
"Gekheid," antwoordde hij, opstaande en zijn arm naar de kap uitstrekkende. Door zijn aanraking had de kap werkelijk vlam gevat. Hij greep ze, en deed een poging om de vlam uit te blusschen, maar brandde daarbij zijn vingers.
"Vervloekt ding!" riep hij, en wierp de kap van zich af. Zij viel vlammend op het kleed van zijn zuster, in het dikst van het kanten garneersel; de vlam deelde zich dadelijk daaraan mede, en twee kronkelende slangen van vuur schoten langs haar omhoog. Zij sprong van haar stoel op, en vloog gillend door de kamer, als een akelige vlammende massa.