Beatrice

Chapter 25

Chapter 254,083 wordsPublic domain

"Geoffrey! hoor mij, Geoffrey!--ik sterf--ik sterf voor u! Ik zal u wachten op den bodem der zee--waar ook in het onbekend Hiernamaals zal ik op u wachten!"

De boot zinkt--is gezonken--zij is alleen met God en het onmeedoogende water. Hoor het bruisen van die ziedende golf, die haar verzwelgt!

"Geoffrey, mijn geliefde--ik zal wachten--"

Vaarwel Beatrice! Het licht verdween van den hemel, duisternis daalde op de woelende zee. Vaarwel, Beatrice, en al haar liefde en al haar zonde!

Hoofdstuk XXIX.

De laatste woorden eener vrouw.

Op den ochtend van dien dag, waarvan hij de eerste uren aan het Euston-station had doorgebracht, kwam Geoffrey tegen elf uur aan het ontbijt. Toen hij Effie niet zag, vroeg hij Lady Honoria waar zij was, en vernam dat Anne, de Fransche _bonne_, gezegd had dat het kind niet wel was en haar in bed had gehouden.

"Ge wilt toch niet zeggen dat ge niet naar boven zijt gegaan om te zien wat haar scheelt?" vroeg Geoffrey.

"Neen, nog niet," antwoordde zijn vrouw. "Ik heb de modiste bij mij gehad, met mijn nieuwe kleed voor het bal van morgenavond bij de hertogin; 't is keurig, maar ik geloof dat er wat te veel van die _Crême_ kant aan is."

Met een uitroep van wrevel, stond Geoffrey op, en ging naar boven. Hij vond Effie in haar bed heen en weer woelen, met een, rood gezichtje, wijdgeopende oogen en gloeiende handjes.

"Laat dadelijk den dokter halen," zeide hij.

De dokter kwam, onderzocht het kind, en vroeg haar of zij ook onlangs natte voeten had gehad.

"Ja, twee dagen geleden. Toen heb ik in een plas op straat mijn voeten nat gemaakt," antwoordde Effie. "Maar Anne zei dat ze wel gauw weer droog zouden worden, als ik ze maar bij het vuur hield, omdat mijn andere laarzen niet schoon waren. O, paatje, wat heb ik een hoofdpijn!"

"Ah, zoo," zeide de dokter, en na het kind toegedekt te hebben, nam hij Geoffrey ter zijde, en zeide hem dat zij een lichten aanval van longontsteking had. Er was geen reden tot ongerustheid, maar zij moest goed verzorgd en vooral tegen tocht vatten beschut worden.

Geoffrey vroeg of hij een ziekenverpleegster zou moeten aannemen.

"O, neen," antwoordde de dokter. "Dat is, geloof ik, niet noodig, in allen gevalle nu niet. Ik zal de kindermeid zeggen wat zij te doen heeft, en ongetwijfeld zal uw vrouw wel een oog op haar houden."

Dus werd Anne geroepen, die beloofde het lieve kind als haar oogappel te verzorgen. Neen, haar schoenen waren niet nat geweest--er was alleen maar een weinig, heel weinig, modder op geweest, anders niet.

"Praat er zooveel niet over, maar pas haar zorgvuldig op," zeide Geoffrey, die Anne niet recht vertrouwde. Hij nam zich echter voor, zelf toe te zien dat er niets verzuimd werd. Toen Lady Honoria hoorde wat het kind scheelde, werd zij wrevelig.

"Wat zijn kinderen toch een groote last," zeide zij. "Dat zij daar nu zoo opeens longontsteking moet krijgen! Het zal er nog op uitloopen dat ik morgenavond niet naar het bal van de hertogin zal kunnen gaan. En zij was er zoo vriendelijk op gesteld dat ik komen zou! Bovendien heb ik dat nieuwe kleed er opzettelijk voor gekocht. Voor niets anders zou ik ooit zooveel kosten gemaakt hebben."

"Wees waar niet ongerust," zeide Geoffrey. "Het Lagerhuis houdt morgen geen zitting; ik zal haar wel oppassen. Tenzij Effie in dien tusschentijd sterft, zult ge zeker wel naar het bal kunnen gaan."

"Sterven--wat een zottepraat! De dokter zegt immers, dat het een heel lichte aanval is. Waarom zou zij sterven?"

"Ik hoop dat er geen vrees voor is, Honoria. Maar zij moet goed verzorgd worden. Ik vertrouw die Anne niet. Ik zou toch wel een ziekenverpleegster willen nemen."

"Als ge dat doet, zal zij buitenshuis moeten slapen. Amelia (Lady Garsington) komt van avond hier, en ik moet haar kamenier ergens bergen; en er is in Effie's kamer geen plaats voor nog een ledekant."

"Nu ja, dat is alles goed en wel," hernam Geoffrey, "en het zal, hoop ik, ook niet noodig zijn, maar als Effie erger wordt, zult ge er voor moeten zorgen dat er plaats gemaakt wordt."

Doch Effie werd niet erger. Zij bleef zoo al hetzelfde. Geoffrey zat den geheelen dag tehuis, en hield zich bezig met akten te lezen; gelukkig behoefde hij niet naar het Gerechtshof te gaan. Omstreeks zes uur ging hij naar het Lagerhuis, en hoorde een vervelende bespreking aan over het aannemen van de Welsche taal in de gerechtshoven van Wales.

Eensklaps gevoelde hij een allerzonderlingste beklemdheid. Een onbeschrijfelijke angst greep hem aan, zijn ziel was vervuld van akelige voorgevoelens. Hij scheen te gevoelen dat er iets verschrikkelijks gebeurde. Zijn geest was verward, maar allengs werd het hem helderder en begon hij te begrijpen, dat een groot gevaar Beatrice bedreigde. Ja, daar was hij zeker van. De kreten, die zij in haar doodstrijd slaakte, bereikten hem waar hij was, hoewel in geen vorm, dien hij kon begrijpen; nog éénmaal, en voor de laatste maal, sprak haar ziel tot de zijne.

Toen scheen plotseling een koude wind hem in 't gelaat te blazen en door zijn haar te spelen, en alles was voorbij. Zijn geest was weder zooals even te voren; weder hoorde hij den vervelenden redenaar, en zag hij de leden heengaan, om te dineeren. Wat zijn geest geschokt had, was niet meer, alles was zooals het geweest was. Dat was ook niet vreemd, want de band was verbroken. Beatrice was _dood_. Zij was in het rijk van ondoorgrondelijk stilzwijgen overgegaan.

Met een diepen zucht richtte Geoffrey zich op, en terwijl hij dit deed, werd hem een brief overhandigd. Het adres was van Beatrice's hand, en met het postmerk van Chester. Een huivering overviel hem. Wat zou die brief behelzen? Hij spoedde zich er mede naar een afzonderlijke kamer en brak de enveloppe open. De brief was uit Bryngelly op den vorigen Zondag gedateerd, en nog een paar andere brieven waren er bij ingesloten.

"Geliefde Geoffrey," begon hij, "ik heb u nooit te voren aldus op het papier toegesproken, en zou het ook nu niet doen, wetende in welk gevaar zulke geschreven woorden u zouden kunnen brengen, ware het niet dat er omstandigheden kunnen voorkomen (zooals in dit geval) die er toe schijnen te rechtigen. Want als alles uit is tusschen een man en een vrouw, die voor elkander zijn wat wij geweest zijn, dan is het goed dat degene, die heengaat, duidelijk spreekt, voordat spreken onmogelijk is, opdat degene, die overblijft, niet verkeerd zal begrijpen wat gedaan is.

"Geoffrey, 't is waarschijnlijk--'t is bijna zeker--dat eer deze woorden u onder de oogen komen, ik naar het lichaam zijn zal, waar zij mij nimmer weder kunnen zien. Ik schrijf u op den rand des grafs: als gij dit leest, zal het over mij gesloten zijn.

"Geoffrey, dan zal ik dood zijn.

"Ik heb uw dierbaren brief (die is nu vernietigd), waarin gij den wensch te kennen geeft dat ik met u naar een ander land zal gaan, ontvangen, en er met een paar woorden op geantwoord. Ik durfde mijzelve niet vertrouwen om meer te schrijven, en ik had er ook den tijd niet toe. Hoe kondet gij denken dat ik ooit zulk een aanbod om mijnentwil zou aannemen, daar het uw loopbaan bedorven zou hebben? Maar eerst zal ik u alles mededeelen wat hier gebeurd is." (Nu volgde een lange en nauwkeurige beschrijving van het voorgevallene, waarmede wij reeds bekend zijn: hoe Beatrice door haar zuster beschuldigd was, welke bedreigingen Owen Davies tegen hem geuit had, en welke maatregelen zij genomen had om tijd te winnen.)

"Hierbij," luidde de brief verder, "sluit ik den brief van uw vrouw aan mij in. En ik wil er de verklaring bijvoegen, dat ik geen woord tegen Lady Honoria of haar brief heb aan te voeren. Ik geloof dat zij volkomen gerechtigd was om zoo te schrijven als zij gedaan heeft, want gij zijt toch, in allen gevalle, haar echtgenoot, en door elkaar te beminnen hebben wij tegen haar gezondigd. Terecht zegt zij mij, dat het mijn plicht is alle verdere gemeenschap tusschen ons onmogelijk te maken. Er is slechts één middel om dat te doen, en dat middel neem ik te baat.

"En nu heb ik genoeg over mijzelve gesproken en ik wil niet in bizonderheden treden, die u slechts verdriet zouden kunnen doen.

"Ik heb tegen alle lasterlijke praatjes voorzien door den tweeden brief, dien ik hierbij heb ingesloten, ingeval er een woord ten uwen nadeele gezegd mocht worden wanneer ik niet meer ben. Gij kunt die des noods laten drukken; hij is een voldoend antwoord op allen laster. Na dien brief gelezen te hebben, zal niemand kunnen gelooven dat gij met het ongeluk, dat gebeuren zal, in eenig verband hebt gestaan. Nog één woord maar--alweer over mijzelve! Meen niet dat gij er eenige schuld aan hebt, want gij zijt vrij van alle blaam; ik heb het uit vrijen wil gedaan, omdat ik het, door de omstandigheden tot het uiterste gedreven, beter achtte dat de een uit den weg geruimd en de ander gered werd, dan dat beiden in 't verderf gestort werden.

"Herinnert gij u nog wel dat zonderling visioen, dat ik had, toen ik droomde dat ge mijn borst aanraaktet en mij licht aanweest? Zoo is het ook gebeurd, want gij hebt mij liefde geschonken--dat is licht; en nu zal ik in den dood wijsheid zoeken. En dewijl ik u niet mag bezitten en alles in alles voor u zijn, ga ik met vreugde heen. Want hier op de wereld is rust noch geluk; evenals in mijn droom, schijnt de Hoop maar al te dikwijls haar sterrengewaad te verscheuren.

"Ja, met vreugde verlaat ik zulk een wereld, waar ik slechts één geluk heb gevonden--de zegening van uw liefde. Ik ben afgemat van het strijden, en nu ik u heb verloren, verlang ik naar rust. Ik weet niet of het zonde is wat ik doe; zoo ja, moge het mij dan vergeven worden. Als vergiffenis onmogelijk is, zoo zij het dan! Gij zult mij vergeven, Geoffrey, en gij zult mij altijd liefhebben, hoe slecht ik ook zijn moge; zelfs wanneer gij ten laatste komt waar ik _niet_ ben, zult gij de dwalende vrouw, voor wie gij alles in alles waart, gedenken en haar liefhebben. Wij zijn niet gehuwd, Geoffrey, volgens de gebruiken der wereld, maar over twee dagen zal de Dood de priester zijn, die ons plechtig voor eeuwig verbindt. Wie kan voorspellen wat niemand met zekerheid weet? En toch geloof ik, dat er voor zoo innig verwante zielen als de onze een wederzien in zalige vereeniging moet zijn. Als dat zoo is, dan is het waard er voor geleefd te hebben en gestorven te zijn; zoo niet, dan, Geoffrey, vaarwel!

"Als gij den nachtwind hoort suizen, hoor er dan mijn stem in; als gij naar de sterren opziet, zie er mijn oogen in; en mijn liefde zal de lucht zijn, die gij inademt. O, wat heb ik u nog veel te zeggen, dat ik niet onder woorden kan brengen! Maar als gij ooit iets hoort of leest, dat schoon en teeder is, denk dan: 'Dit is het, wat Beatrice mij had willen zeggen en het niet kon.'

"Gij zult een groot man worden, de grootste of een der grootsten van uw tijd. Gij hebt mij reeds beloofd daarin te volharden tot het einde; ik vraag u niet het opnieuw te beloven. Vergenoeg u niet de wereld te nemen zooals zij is. Een vrouw moet dat wel; maar groote mannen hervormen de wereld. En als gij het tot grootheid gebracht hebt, Geoffrey, zult gij, dat weet ik, uw macht en invloed gebruiken, niet tot uw eigen belang, maar tot edele en grootsche doeleinden; het zal uw streven zijn de armen te helpen, de verdrukten van hun juk te bevrijden, en de eer van uw land te bevorderen. Dat alles zult gij doen uit uw eigen hart, niet omdat ik het van u verlang, maar bedenk dat uw roem mijn beste gedenkteeken zal zijn.

"Vaarwel, vaarwel! O, Geoffrey, geliefde, vergeet mij niet in de lange jaren, die komen zullen. Vergeet mij niet, als anderen u vleien en uw liefde trachten te winnen, want nimmer kan iemand voor u zijn wat ik voor u geweest ben--niemand kan u ooit zoo liefhebben als uw verloren Beatrice, die u deze afscheidswoorden schrijft en u met haar laatsten ademtocht zegent."

Nu volgde er een postscriptum in potlood, van het Paddington-station op dienzelfden ochtend gedateerd.

"Ik ben naar Londen gereisd om u te zien, Geoffrey. Ik kon niet sterven zonder uw gelaat nog eenmaal aanschouwd te hebben. Ik was in de galerij van het Lagerhuis, en heb uw schoone redevoering gehoord. Uw vriend heeft mij een plaats bezorgd. Later zijt gij mij strijkelings langs den pilaar bij den uitgang voorbijgegaan. Toen liep ik weg, omdat ik bespeurde dat uw vriend omzag en naar mij keek. Ik zal dezen brief kussen--hier, aan het slot--druk er daar ook een kus op--dat is onze laatste, koude omhelzing. Voordat ik een einde aan mijn leven maak, zal ik den ring, dien ge mij gegeven hebt, aan mijn vinger steken. Ik heb hem altijd op mijn hart gedragen. Toen ge mij aan den uitgang zoo dicht voorbijkwaamt dat ik uw jas aanraakte, dacht ik dat ik neergezegen zou zijn, en kon ik mij nauwelijks weerhouden u toe te roepen--maar ik vond de kracht om het niet te doen. Mijn hart breekt, en mijn oogen zijn door tranen verblind; ik kan niet meer schrijven; ik heb niets meer te zeggen. Nogmaals, vaarwel! _Ave atque vale!_--B."

De tweede brief was bestemd om te figureeren als een, zooals ieder jong meisje aan een heer, die een vriend van haar was, geschreven zou hebben. Hij begon: "Waarde mijnheer Bingham," en eindigde: "Uw dienstwillige Beatrice Granger"; hij behelsde niets anders dan beuzelachtigheden, en gaf de hoop te kennen dat hij later in den zomer nog eens te Bryngelly zou komen, om samen een roeitochtje te doen.

Het sprak vanzelf, dacht Beatrice, dat wanneer Geoffrey door Owen Davies of een ander beschuldigd mocht worden van iets met haar geheimzinnig uiteinde te maken te hebben, zulk een epistel, twee dagen te voren geschreven, de ongerijmdheid van zulk een denkbeeld zou bewijzen. Die arme Beatrice, zij was vol voorzorgen!

De indruk, dien deze verbazende en hartverscheurende brief op Geoffrey maakte, laat zich niet beschrijven. Als Beatrice zijn gelaat had kunnen zien, nadat hij hem gelezen had, zou zij geen zelfmoord begaan hebben. In een oogenblik was het als dat van een oud man geworden. Toen de geheele waarheid hem voor den geest stond, was hij aan zulk een foltering van ontzetting, wroeging en wanhoop ter prooi, dat hij een gevoel had alsof zijn levenskrachten er onder bezwijken zouden, en hij op dit oogenblik zou sterven, wat hem het wenschelijkst geweest zou zijn. O, welk een verschrikkelijk denkbeeld dat dit geliefde meisje zich voor hem, een sterk man, den dood in de armen had geworpen! Hoe zielsfolterend was het, zich haar voor te stellen achter dien pilaar verscholen, toen hij haar strijkelings voorbijkwam, terwijl hij, driewerf vervloekte dwaas, er niets van wist voordat het te laat was; te weten dat hij haar ontmoet zou hebben, als hij, in plaats van naar Euston, naar Paddington was gegaan! Die liefde, zoo verheven in haar kracht, was dan nu voor altijd voor hem verloren--dat dierbaar gelaat zou hij nooit weer zien! O, zijn hart zou breken! Dat was niet te verduren!

En die laaghartigen, die haar er toe gedreven hadden om den dood te zoeken! O, hij zou dien Owen Davies dooden--en Elisabeth ook, als zij geen vrouw was, en wat Honoria betrof, met haar had hij afgedaan. Schandaal--wat gaf hij om schandaal? Als hij zijn zin had, zou er juist schandaal zijn, want hij zou dien Owen Davies verslaan, dat ondier, dat zich niet ontzien had een vrouw angst aan te jagen om het bevredigen van zijn wellust te bevorderen--ja, hij zou hem naar het vasteland sleepen en hem daar dooden. Wraak was het eenige, wat hem overbleef!

Halt! hij moest niet aan die eerste indrukken toegeven--misschien was zij niet dood--misschien was dat akelig voorgevoel, dat hem nog vóór de ontvangst van den brief bestormd had, niet anders dan een droom geweest. Kon hij telegrafeeren? Neen, het was te laat; het bureau te Bryngelly zou gesloten zijn--het was nu over achten. Maar hij kon er heen gaan. Even over negenen ging er een trein--hij kon er den volgenden ochtend te half zeven zijn. Maar Effie was ziek--welnu, voor vier-en-twintig uur zou zij wel oppassing hebben; zij was in geen gevaar, en hij moest gaan--die folterende spanning kon hij niet uithouden. O, als zij het werkelijk gedaan had!

Geoffrey nam een vel papier en beproefde te schrijven. Hij kon het niet, zijn hand beefde te zeer. Met een kermenden zucht stond hij op, ging naar de ververschingkamer en dronk twee glazen _brandy_ achter elkaar leeg. Het geestrijk vocht had uitwerking op hem; nu kon hij schrijven. Snel krabbelde hij op een vel papier:

"Ik ben wegens een zaak van gewicht uit de stad geroepen, en zal waarschijnlijk niet vóór Donderdagochtend terugkomen. Zorg dat Effie goed wordt opgepast. Als ik niet terug ben, moet gij niet naar het bal van de hertogin gaan.

"Geoffrey Bingham."

Toen adresseerde hij den brief aan Lady Honoria, en liet hem door een bode bezorgen. Daarna riep hij een _cab_ aan, en beval den voerman zoo snel als zijn paard loopen kon naar Euston te rijden.

Hoofdstuk XXX.

Ave atque vale.

De verschrikkelijke reis--geen nachtmerrie was ooit zoo akelig--was eindelijk afgeloopen; daar was het station van Bryngelly. Geoffrey sprong den trein uit en gaf zijn kaartje af, daarbij den spoorwegbeambte, die het aannam, in het gelaat ziende. Als er een treurig voorval had plaats gehad, zou de man het geweten hebben, en er op zijn gelaat wel iets van die half verblijde uitdrukking dat er een akelig geheimzinnig nieuwtje te vertellen was, te lezen zijn geweest. Maar geen teeken was daarvan te bespeuren, en dit wekte weer een schemering van hoop in Geoffrey's gefolterd hart.

Hij verliet het station, en liep snel naar de pastorie, in een gemoedstoestand, zooals alleen zij kunnen beseffen, die de spanning van onzekerheid in de hoogste mate harer verschrikkelijkheid kennen. Maar spoedig kwam er een einde aan. Toen hij aan het hek van de pastorie was, kwam de dikke Welsche dienstmaagd Betty hem haastig te gemoet. Nu verloor Geoffrey alle hoop.

De dienstmaagd herkende hem, en in haar verwarring scheen zij in 't minst niet verwonderd te zijn hem daar op een zomerochtend, kwartier vóór zevenen, te zien. Zelfs bracht zij Geoffrey eenigszins met Beatrice in verband, want dadelijk zeide zij:

"O, mijnheer, weet gij ook waar Miss Beatrice is?"

"Neen," riep hij, zich tot steun aan het hek vastgrijpende. "Waarom vraag je dat? Ik heb haar in geen weken gezien."

Nu deed Betty een lang verhaal. Mijnheer Granger en Miss Elisabeth waren van huis, en zouden eerst over twee uren terugkomen. Miss Beatrice was gisterennamiddag uitgegaan en niet thuisgekomen om thee te drinken. Daar was Betty niet ongerust over geweest, meenende dat zij ergens den avond doorbracht, en omdat zij zeer vermoeid was, had zij niet op haar gewacht, maar was om acht uur naar bed gegaan en had de deur niet op slot gedaan. Toen zij dien ochtend opstond, zag zij dat Miss Beatrice dien nacht niet thuis geslapen had, en nu ging zij haar zoeken.

"Waar ging zij heen, toen zij uitging?" vroeg Geoffrey.

Dat wist Betty niet, maar zij dacht dat Miss Beatrice was gaan roeien. Zij had, ten minste, haar _tennis_-schoenen aangedaan, wat zij altijd deed als zij uit roeien ging.

Nu begreep Geoffrey het maar al te wel. "Ga mee naar het schuitenhuis," zeide hij.

Zij gingen naar het strand, waar op dit uur nog niemand was, behalve eenige werklieden. Bij het schuitenhuis ontmoetten zij den ouden Eduard, die daar met een sleutel in de hand liep.

"Mijn Hemel, mijnheer!" zeide hij. "Gij hier! Wat komt gij hier zoo vroeg doen?"

"Is Miss Beatrice gisterenavond met haar bootje uit geweest?" vroeg Geoffrey, met een heesche stem.

"Neen, mijnheer, zoover ik weet, niet. Mijn zoon heeft gisterenavond het schuitenhuis gesloten, en hij zal er wel eerst in gekeken hebben. Wat! Gij bedoelt toch niet--Wacht, we zullen het dadelijk weten. O, God! het bootje is weg!"

Een akelig stilzwijgen volgde hierop. De oude Eduard brak het af.

"Zij is verdronken, mijnheer,--ja, zoo is 't,--ik heb wel gezegd dat het daar eenmaal toe komen zou! Verdronken--zij, het mooiste en liefste meisje in heel Wales! En dat alleen door dat vervloekte, wrakke ding. God helpe haar! Verdronken is zij, zeg ik--"

Op die woorden barstte Betty in een luid geween uit.

"Stil, meisje," zeide Geoffrey, zijn bleek gelaat naar haar toe wendende. "Ga naar de pastorie terug, en als mijnheer Granger thuiskomt, zeg hem dan wat wij vreezen. Eduard, laat eenige mannen langs de kust tusschen hier en Coed zoeken en eenige anderen in een zeilboot. Ik zal naar de Bel-Rots loopen--gij kunt mij volgen."

Met snelle schreden liep hij langs het strand, vorschend op de zee starende. In somber stilzwijgen schreed hij voort--wanhopig trachtende tegen alle hoop in nog te hopen--de _Dog-Rocks_ voorbij, de lange bocht van het strand om, totdat hij aan het Amphitheater kwam. De vloed was nog hoog; hij kon het vooruitstekende punt nauwelijks voorbij. Toen hij daar omheen was, bleef hij verstijfd van ontzetting staan. Want daar, met den bodem naar boven gekeerd, en door de golven heen en weer gewiegd, lag het bootje van Beatrice.

Verslagen, hopeloos, waadde Geoffrey tot aan de knieën door het water, greep den boeg van het bootje, en sleepte het op het strand. Er scheen niets in te zijn; natuurlijk kon hij ook niets anders verwachten. Zij, die er in had gezeten, was gezonken en door de eb meegevoerd, terwijl het bootje met den ochtendvloed was meegedreven.

Hij zette het overeind, om het water er uit te laten loopen, en uit de holte van den boeg rolde iets blinkends, door een bruin voorwerp gevolgd. Snel liet hij het bootje zakken en raapte het blinkende kleine voorwerp op. Het was zijn eigen ring--den Romeinschen ring, dien hij Beatrice had gegeven, en dien zij hem in den brief gezegd had in haar doodsuur te zullen dragen. Hij raakte den ring met zijn lippen aan en stak dien aan zijn vinger, zwerende dat hij dit aandenken van de geliefde doode in zijn leven niet zou afleggen en dat het na zijn dood met hem begraven zou worden.

_Ave atque vale_--dat waren de woorden, die er ruw in gegraveerd stonden. Gegroet en vaarwel--haar laatste woorden aan hem! O, Beatrice! aan u ook _ave atque vale_. Gij hadt geen gepaster boodschap kunnen zenden. Gegroet en vaarwel! Was daarin niet alles opgesomd? In den cirkel van dien kleinen ring was geheel het menschelijk leven samengevat: hier was het begin en het einde van Liefde en Haat, van Hoop en Vrees, van Vreugde en Droefheid.

En wat was dat andere overblijfsel? Hij nam het op--het was haar _tennis_-schoen, die van haar voet was gespoeld.

Door aandoening overstelpt, wierp Geoffrey zich snikkend op de rots neder--die rots, waar hij met haar had gezeten, toen de Hemel voor hun oogen geopend was. Maar zulk betoon van aandoening ligt niet in den aard van een man, en gelukkig duurde die vlaag van hartstochtelijkheid niet lang. Dat had hij ook niet kunnen uithouden.

Hij stond op en liep het strand weder langs. Juist kwam de oude Eduard met zijn zoon aan. Geoffrey wees naar de boot, en hield het schoentje omhoog.

"Ach," zeide de oude man, "zooals ik wel dacht! Zij is verdronken; zij ligt nu twintig mijlen ver, en de zeemeeuwen krijschen boven haar. Dat komt door dat ellendige bootje. Ik wou dat ik het maar lang geleden had stukgeslagen. Ik had wel voor niet een nieuw bootje voor haar willen maken. Dat vervloekte wrakke ding!" riep de oude man, het hoofd afwendende, om de tranen, die langs zijn verweerd gelaat vloeiden, te verbergen. "Daar, verwenschte notedop!" En hij nam een rotsblok op, en wierp het met al zijn kracht door den bodem van het bootje. "Je zult niemand meer verdrinken. Maar u heeft het geluk aangebracht, mijnheer; gij zult uw leven lang fortuin hebben. Het heeft u _den schoen van een drenkeling_ gebracht."

"Breek het niet verder," zeide Geoffrey. "Zij hechtte er waarde aan. Brengt het liever tusschen u beiden weg--het kan misschien noodig zijn. Ik ga naar de pastorie."