Chapter 21
"Een geschiedenis, die ik aarzel te gelooven, is mij, door middel van naamlooze brieven ter ooren gekomen, betreffende uw gedrag met mijn echtgenoot. Ik wil daar niet verder op terugkomen, dan alleen om te zeggen dat, als die geschiedenis waar is, de omstandigheden geen twijfel overlaten omtrent het bestaan van betrekkingen tusschen u beiden, zóó intiem, dat het bij schuldig af is. Het moge niet waar zijn of wel, in welk laatste geval ik dit wensch te zeggen: Met uw moraliteit heb ik niets te maken; dat is uw zaak. Ik wil mij ook niet de beleedigde vrouw toonen, of u verwijtingen doen, want er zijn gedragingen, die te erg zijn voor louter verwijtingen. Ik wil alleen maar zeggen: als de geschiedenis waar is, moet ik vooronderstellen dat gij voor den deelgenoot uwer schande eenige liefde gevoelt. Ik stel mijzelve buiten kwestie, en in den naam van die liefde verzoek ik u de zaak niet verder te drijven. Dat zou het ongeluk van het voorwerp uwer liefde zijn. _Als gij veel van hem houdt, breek dan alle betrekkingen met hem voor altijd af._ Anders zal hij u eenmaal vloeken en haten. Als gij dezen raad in den wind slaat, en wat ik vernomen heb ruchtbaar wordt, waarschuw ik u, zooals ik hem ook gewaarschuwd heb, dat ik mij uit eergevoel genoodzaakt zal zien den weg van rechten in te slaan. Bedenk dat zijn loopbaan op het spel staat, en dat hij, als hij mij verliest, zijn kind ook zal verliezen. Bedenk dat het door u is, als het daartoe komt. Antwoord niet op mijn schrijven, het zou niet baten, want ik zou, natuurlijk, aan uw betuigingen geen geloof slaan, maar als gij op eenigerlei wijze of eenigermate aan dien misstap schuldig zijt, zeg ik, mij op u beroepende als de eene vrouw op de andere en om den wille van den man, die ons beiden dierbaar is, tracht het kwaad te herstellen _door alle verdere gemeenschap tusschen u en hem onmogelijk te maken_.
"H. B."
Het was een slim gestelde brief: Lady Honoria had niet krachtiger op het gevoel van zulk een meisje als Beatrice kunnen werken. Met dezelfde post, die haar dezen brief bracht, kwam er ook een van Geoffrey zelven. Die was lang, en behoeft niet in zijn geheel medegedeeld te worden, maar hoewel eenigszins omsluierd, werd daarin de geheele toestand opengelegd, en het slot was: "Een huwelijk kan ik u niet aanbieden, slechts levenslange liefde. In andere omstandigheden zou zulk een aanbod beleedigend zijn, maar als het zoo gaat als ik vrees, is het wel waard in bedenking genomen te worden. Ik zeg niet tot u, _kom_! ik zeg, _kom, als gij het wenscht_. Neen, Beatrice, ik wil u dien zwaren last van te beslissen niet opleggen. Ik zeg _kom_! Ik vorder niet dat gij komt, omdat ik beloofd heb geen invloed op u uit te oefenen. Maar ik smeek u te komen. Laten wij een einde maken aan dezen rampzaligen toestand, en de wereld verloren achten als de prijs onzer liefde. Kom, dierbare Beatrice--om mij niet te verlaten, totdat de dood ons scheidt. Ik stel mijn leven in uw handen; als gij het aanneemt, welk leed gij ook te trotseeren moogt hebben, mijn liefde, mijn achting, zult gij nooit verliezen. Denk niet om mij, denk om uzelve. Gij hebt mij uw liefde geschonken, evenals ik aan u de redding van mijn leven te danken heb. Ik ben u wederkeerig iets verschuldigd; ik kan niet zien dat er schande op u kleeft, zonder u vergoeding aan te bieden. Ja, voor zooverre mij betreft, zal ik alles wat ik verlies als niets beschouwen, vergeleken bij wat ik win door uw bezit. Wilt gij komen? Zoo ja, dan zullen wij dit land verlaten en in een andere wereldstreek een nieuw leven beginnen. Mijn tegenwoordig leven is toch eigenlijk niets anders geweest dan een onrustige droom. Het eenige ware, het eenige geluk, dat ik er in heb gevonden, is uw liefde geweest. Werpen wij dat geluk niet weg, Beatrice."
Per omgaande ontving hij dit antwoord, met potlood geschreven:
"Neen, lieve Geoffrey. Er is niets aan te veranderen.--B."
Dat was het eenige.
Hoofdstuk XXV.
Elisabeth laat haar tanden zien.
Smartelijke uren had Beatrice doorgebracht sedert dien ochtend der scheiding. Zij moest al de innerlijke bitterheid van haar lot verdragen; zij moest al de stekelige gezegden van Elisabeth's scherpe tong verduren, en Owen Davies op een afstand trachten te houden. Die laatste taak werd hoe langer hoe zwaarder. De man was totaal onhandelbaar; zijn hartstocht, die in de oogen van Beatrice vernederend en hatelijk was, werd het praatje van het dorp. Iedereen wist er van, behalve haar vader, en zelfs hij begon er iets van te bemerken.
Op zekeren avond--het was dezelfde, waarop Geoffrey en Honoria hun brieven aan Beatrice op de post hadden gedaan--zou ieder, die een blik had kunnen slaan in de kleine kamer op Bryngelly Castle, die den eigenaar tot alles, behalve tot slapen, diende, getuige geweest zijn van een zonderling schouwspel. Owen Davies liep heen en weer--met snelle schreden, wilde oogen en verwarde haren. Aan elk einde van de lengte der kamer, hield hij telkens halt, sloeg zijn armen omhoog, en riep uit:
"O, God, verhoor mij, en geef mij mijn wensch! O, God, antwoord mij!"
Twee uren lang had hij zoo geloopen en geroepen, totdat hij eindelijk hijgend en uitgeput op een stoel nederzonk. Eensklaps hief hij het hoofd op, en scheen aandachtig te luisteren.
"De Stem," zeide hij overluid; "daar is de Stem weder. Wat zegt zij? Morgen, morgen moet ik spreken; en zij zal de mijne worden."
Met een kreet sprong hij overeind, en weer begon hij woest heen en weer te stappen. "O, Beatrice!" zeide hij, "morgen zult ge mij beloven met mij te trouwen; de Stem heeft het mij gezegd, en weldra, weldra, misschien binnen een maand, zult gij de mijne zijn--de mijne alleen! Geoffrey Bingham zal dan niet tusschen ons beiden staan, want ik zal dag en nacht over u waken. Gij zult mijn eigen--mijn eigen schoone Beatrice zijn," en hij strekte de armen uit, en maakte het gebaar van een omhelzing in de ijle lucht--een akelig gezicht.
En zoo liep en sprak hij, totdat het grauwe licht van den dageraad zich in het oosten vertoonde. Het was Vrijdagnacht toen dit beschreven tooneel plaats had. Den volgenden ochtend ontving Beatrice, het ongelukkig en onschuldig voorwerp van die verliefde ontboezemingen, de twee brieven. Zij was, op haar weg naar de school, even aan het postkantoor gaan hooren of er ook brieven voor haar waren, in de hoop dat er een van Geoffrey zou zijn. Arm meisje! zijn brieven waren haar eenige troost. Uit voorzichtigheid waren zij in den gewonen half officieelen stijl geschreven, maar zij kon tusschen de regels lezen, en bovendien, zij waren van zijn geliefde hand.
Ja, er was een brief, en nog een van een vrouwenhand. Zij herkende de hand van Lady Honoria, die zij dikwijls op enveloppen, aan Geoffrey geadresseerd, had gezien, en een angstig gevoel beknelde haar hart. Zij nam de brieven, liep er zoo snel als zij kon mede naar de school, sloot zich in haar kamertje op, want het was nog geen negen uur, en beschouwde ze met toenemende beangstheid. Wat zou er in staan? Wat kon Lady Honoria haar te schrijven hebben? Welken brief zou zij het eerst lezen? In een oogenblik had Beatrice haar besluit genomen. Het ergste wilde zij maar het eerst doorstaan. Met een strak gelaat opende zij Honoria's brief en las. Wij weten den inhoud reeds. Onder het lezen werden haar lippen aschkleurig, en toen zij de foltering had doorgestaan, was zij een bezwijming nabij.
Naamlooze brieven! O, wie kon zoo iets wreeds gedaan hebben? Elisabeth, het moest Elisabeth zijn, die alles gezien had, en haar aldus een dolksteek in den rug toebracht. Was het mogelijk, dat haar eigen zuster haar zoo kon behandelen? Zij wist wel dat Elisabeth niet van haar hield; zij had er nooit de reden van kunnen begrijpen, maar toch wist zij dat het zoo was. Maar als zij _dit_ gedaan had, dan moest zij haar haten, haar bitter haten: en wat had zij gedaan om zulk een haat te verdienen? En nu liep Geoffrey gevaar dat zijn geheele loopbaan bedorven zou worden, en dat kwam door _haar_--hoe kon zij dat voorkomen? Dat was haar eerste denkbeeld. De meeste andere meisjes in haar geval zouden aan zichzelven gedacht hebben, en het aan haar minnaar hebben overgelaten maar te zien hoe hij zich er uitredde. Doch Beatrice dacht weinig aan zichzelve. Hij was in gevaar, en hoe kon zij hem beschermen? Wel, daar in dien brief was het antwoord! "Als ge veel van hem houdt, breek dan alle betrekking met hem voor altijd af. Anders zal hij u vloeken en u haten." Neen, neen! dat zou Geoffrey nooit doen. Maar Lady Honoria had gelijk; in zijn belang, om zijnentwil, moest zij alle betrekking met hem afbreken--voor altijd. Maar hoe--hoe?
Zij stak den brief in de borst van haar kleed--een adder had geen onwelkomer gast kunnen zijn--en opende dien van Geoffrey.
Daar stond hetzelfde in, maar er werd een andere oplossing in voorgeslagen. De tranen sprongen haar in de oogen, toen zij zijn aanbod las om haar voor goed en voor altijd tot zich te nemen en een nieuw leven met haar te beginnen. Het kwam Beatrice verwonderlijk voor, dat hij bereid was zooveel aan haar op te offeren--even verwonderlijk als edelmoedig. Maar geen oogenblik dacht zij er aan voor deze zware verzoeking te bezwijken. Hij smeekte haar te komen, maar dat zou zij niet doen zoolang haar wil haar nog overbleef. Hoe, _zij_ zou Geoffrey in het ongeluk storten? Neen, liever zou zij van gebrek omkomen of door langzame martelingen sterven. Hoe kon hij denken dat zij in zulk een plan zou toestemmen? Neen, dat nooit; zij had hem reeds genoeg verdriet berokkend. Maar, o, zij zegende hem voor dien brief. Hoe innig moest hij haar liefhebben, dat hij aanbood dit om harentwil te doen!
Luister! De kinderen wachtten; zij moest onderwijs geven. De brief, Geoffrey's dierbare brief kon na afloop van de school beantwoord worden. Zij stak dien dus in de borst van haar kleed, bij haar hart, en ging naar het schoolvertrek.
Dien namiddag, toen Granger in een opgeruimde gemoedsstemming--want zijn schulden waren betaald en geldverlegenheid had hij vooreerst niet te vreezen--over het hek van zijn kleine boerderij met welgevallen naar zijn varkens stond te kijken, was hij verbaasd eensklaps Owen Davies naast zich te zien.
"Hoe gaat het u, mijnheer Davies?" zeide hij. "Wat moet gij stil gekomen zijn!"
"Ja," antwoordde Owen afgetrokken. "Ik ben u eigenlijk nageloopen, omdat ik u wilde spreken--geheel alleen."
"Zoo, mijnheer Davies--welnu, ik ben tot uw dienst. Scheelt er wat aan? Gij ziet er niet goed uit."
"O, ik ben heel wel, dank u. Nooit ben ik beter geweest; en er scheelt me ook niets, hoegenaamd niets. Alles komt nu in orde, dat weet ik zeker."
"Ei," zeide Granger, hem weder met een verlegen gezicht aanziende, "en wat is er dan, waarover ge mij zoo volstrekt moet spreken? Niet dat ik niet altijd tot uw dienst ben, dat weet gij wel," liet hij er verontschuldigend op volgen.
"Dit," antwoordde Davies, den predikant bij zijn jas grijpende, op een manier, die hem deed schrikken.
"Wat--bedoelt gij mijn jas?"
"Wees zoo dwaas niet, mijnheer Granger. Neen, over Beatrice."
"Zoo waarlijk, mijnheer Davies? Er is toch, hoop ik, op school niets onaangenaams gebeurd? Ik geloof dat zij haar taak vervult tot tevredenheid van de commissie, hoewel ik beken dat zij in het rekenen--"
"Neen, neen, neen! 't Is niet over de school. Ik wil juist dat zij niet meer naar de school zal behoeven te gaan. Ik heb haar lief, mijnheer Granger, innig lief, en ik wil met haar trouwen."
De oude man kreeg een kleur van genoegen. Was 't mogelijk? Hoorde hij wel goed? Owen Davies, de rijkste man in dit gedeelte van Wales, wilde met zijn dochter trouwen, die niets anders bezat dan haar schoonheid! Dat was haast te mooi om waar te wezen!
"Ik gevoel me er zeer vereerd door," zeide hij. "'t Is meer dan zij kon verwachten--niet dat Beatrice er niet goed uitziet en heel knap is," liet hij er snel op volgen, vreezende dat hij op de marktwaarde van zijn dochter afdong.
"Zij ziet er niet alleen goed uit--zij is niet alleen knap--zij is een engel," mompelde Owen.
"O, ja, zeker, zeker, dat is zij," hernam haar vader, "dat wil zeggen, als ooit een vrouw--ja, natuurlijk--en wat meer is, ik geloof dat zij heel veel van u houdt. Ik geloof dat zij van liefde voor u kwijnt. Dat heb ik al lang gedacht."
"Dan moet ik zeggen," merkte Owen aan, "dat zij al een heel rare manier heeft om het te toonen. Zij heeft geen woord voor mij over; zij scheept mij bij elke gelegenheid af. Maar dat zal alles nu wel in orde komen--alles in orde."
"Och, mijnheer Davies, meisjes zijn meisjes, totdat zij vrouwen zijn. Daar weten wij alles van," zeide Granger, geruststellend.
Zijn candidaat-schoonzoon zette een gezicht alsof hij daar zeer weinig van wist, hoewel de gevolgtrekking duidelijk genoeg was.
"Mijnheer Granger," hernam hij, zijn hand grijpende. "Ik wil Beatrice tot mijn vrouw maken--ja, dat wil ik werkelijk!"
"Wel, ik heb ook niet anders voorondersteld, mijnheer Davies."
"Als ge mij daarin helpt, zal ik in geldzaken en dergelijke alles doen wat ge maar wilt. Zij zal een zoo mooie lijfrente hebben als een vrouw maar hebben kan. Ik weet dat een vader daar nogal op gesteld is, en ik wil alle zwarigheden wegruimen."
"Dat is alles goed en wel, en zeker ook wel zooals 't behoort," zeide Granger, een hooger toon aannemende, nu hij het voordeel van zijn positie zag. "Maar natuurlijk zal ik over zulke zaken het advies van een rechtsgeleerde vragen. Ik geloof dat mijnheer Bingham mij daarin wel zal willen raden," ging hij voort, "als een vriend van de familie, weet gij. Hij is een zeer knap rechtsgeleerde, en hij zal er ook wel niet voor rekenen."
"O, neen, mijnheer Bingham niet!" riep Owen met schrik uit. "Ik wil alles doen wat gij maar verlangt, of als gij een rechtsgeleerde wilt hebben, zal ik zelf de kosten wel betalen. Maar laten we daar nu niet over spreken. Laten we het eerst met Beatrice in orde brengen. Ga dadelijk mee."
"Zoudt gij dat niet liever met haar alleen afhandelen?"
"Neen, neen. Zij scheept mij altijd af, als ik met haar alleen wil spreken. 't Is beter dat gij er bij zijt, en Miss Elisabeth ook, als zij wil. Ik wil haar niet weer alleen spreken. Ik zal met haar spreken in het aangezicht van God en de menschen, zooals God mij ingeeft te doen, en dan zal alles in orde zijn--dat weet ik."
Granger zag hem verbaasd aan. Hij was een predikant van de praktische soort, en zag niet recht in wat de Hoogere Macht met de huwelijksplannen van Owen Davies te maken had.
"O, zoo!" zeide hij, "ik begrijp u; huwelijken worden in den hemel gesloten, bedoelt gij; ja, ja, natuurlijk. Welnu, als ge met de zaak voortgang wilt maken, geloof ik wel, dat wij Beatrice thuis zullen vinden."
Dus gingen zij naar de pastorie, Granger verheugd en toch een weinig verlegen, want er was in de geheele manier van doen iets, dat hem wel wat vreemd voorkwam, en Owen Davies stilzwijgend of nu en dan bij zichzelven iets mompelende.
In de huiskamer vonden zij Elisabeth.
"Waar is Beatrice?" vroeg haar vader.
"Dat weet ik niet," antwoordde zij, en op dat oogenblik kwam Beatrice, bleek en bedrukt, de kamer binnen, als een lam, dat ter slachtbank werd geleid.
"Ha, Beatrice," sprak haar vader, "wij vroegen juist naar u."
Zij zag rond, en bespeurde dadelijk dat een nieuw gevaar haar bedreigde.
"Zoo?" zeide zij, op een stoel nederzinkende, met een gevoel van zwakte, uit vrees ontstaan. "Wat is het dan, vader?"
Granger zag naar Owen Davies, en deed een stap naar de deur. Hij was sterk van meening dat dit tooneel tusschen de betrokken personen zelven onder vier oogen afgespeeld moest worden.
"Ga niet heen," zeide Owen Davies opgewonden, "gaat geen van beiden heen. Wat ik te zeggen heb, wil ik liever in uw bijzijn zeggen. Ik zou het wel ten aanhooren van de heele wereld willen zeggen; ik zou het wel van de bergtoppen willen uitroepen."
Elisabeth wierp een woedenden blik op hem--eerst op hem, en toen op de onschuldige Beatrice. Kon het dan zijn dat hij haar een huwelijksaanzoek ging doen? O, waarom had zij geaarzeld? Waarom had zij niet vroeger de geheele waarheid gezegd?
Maar Beatrice, die ieder oogenblik verwachtte openlijk beschuldigd te worden, gevoelde haar hart hoe langer hoe meer bekneld.
Granger ging zitten en drukte zich in de zitting van zijn stoel, als om daardoor meer vastheid van houding te hebben. Elisabeth drukte haar tanden op elkaar en leunde met haar elleboog op de tafel, haar hand zoo houdende dat haar gelaat er door beschaduwd was. Beatrice zat op haar stoel als een geknakte lelie, of als een gevangene op de bank der beschuldigden. De anderen zaten tegenover haar, en Owen Davies stond op, met een van woeste geestdrift stralend gelaat en sprak hen allen toe als een Procureur Generaal.
"In den herfst van het vorige jaar," begon hij, het woord richtende tot Granger, die daar zat als een rechter van instructie, "heb ik uw dochter Beatrice ten huwelijk gevraagd."
Beatrice zuchtte, en raapte haar geestkracht bijeen. De storm was eindelijk losgebarsten, en zij moest dien het hoofd bieden.
"Ik heb haar ten huwelijk gevraagd, en zij heeft mij gezegd dat ik een jaar moest wachten. Ik heb zoolang gewacht als ik kon, maar het heele jaar kon ik niet wachten. Ik heb veel gebeden, en het is mij gegeven te spreken."
Elisabeth kon een wrevelig gebaar niet bedwingen. Het ontbrak haar niet aan gezond verstand, en die mengeling van godsdienstigheid en verliefdheid walgde haar. Zij wist ook dat de storm was losgebarsten en dat _zij_ die moest trotseeren.
"Dus kom ik u zeggen dat ik uw dochter Beatrice bemin en haar tot mijn vrouw wil maken. Ik heb nooit iemand anders liefgehad, maar haar heb ik sinds jaren bemind; en ik vraag uw toestemming."
"Zeer vleiend, zeer vleiend voorzeker, vooral in dezen slechten tijd," zeide Granger, verontschuldigend, zijn grijze haren over zijn voorhoofd schuddende en ze toen weer opstrijkende. "Maar ziet ge, mijnheer Davies, gij wilt niet met _mij_ trouwen," (hier glimlachte Beatrice even)--"gij wilt met mijn dochter trouwen, dus moest gij het liever rechtstreeks _haar_ vragen--ten minste, dat zou ik denken."
Elisabeth maakte een beweging alsof zij wilde spreken, maar veranderde van besluit en luisterde.
"Beatrice," zeide Owen Davies, "gij hoort het. Ik vraag u ten huwelijk."
Hierop volgde een poos stilte. Beatrice, die er zwijgend bij had gezeten, verzamelde haar kracht om te spreken. Elisabeth, die haar van onder haar hand gadesloeg, meende op haar gelaat besluiteloosheid te lezen, die tot toestemming verzachtte. Wat zij werkelijk zag, was twijfel hoe zij op de geschiktste en zekerste manier zou weigeren. Als een bliksemstraal schoot het Elisabeth voor den geest dat zij nu of nooit haar slag moest slaan. Als Beatrice dat noodlottig "Ja" eenmaal had uitgesproken, zouden al haar ontdekkingen niet baten. En Beatrice zou het uitspreken, daar hield zij zich verzekerd van. Het was een gulden weg om uit haar moeilijkheden te geraken.
"Wacht!" zeide Elisabeth, met een schelle, barsche stem. "Wacht! Ik moet spreken; dat is mijn plicht als Christin. Ik moet de waarheid zeggen. Ik kan niet toelaten, dat een braaf man bedrogen wordt."
Allen zaten als verstomd. Beatrice brak het stilzwijgen af. Nu zag zij de volle waarheid, nu wist zij wat zij te wachten had. Zij legde de hand op haar hart, om het kloppen tot bedaren te brengen.
"O, Elisabeth," zeide zij, "in den naam onzer overleden moeder"--en zij hield op.
"Ja," antwoordde haar zuster, "in den naam onzer overleden moeder, dien gij geschandvlekt hebt, zal ik het doen. Luister, Owen Davies, en gij vader. Beatrice, die daar zit"--en zij wees met haar magere hand naar haar--"_Beatrice is een hoereerster!_"
"Ik begrijp u waarlijk niet," zeide Granger, op een doffen toon, naar adem hijgend van verbazing, terwijl Owen woest rondzag, en Beatrice haar hoofd op haar borst liet zinken.
"Dan zal ik het u uitleggen," hernam Elisabeth, nog naar haar zuster wijzende. "Zij is de _minnares_ van Geoffrey Bingham. In den nacht vóór Pinksteren is zij uit haar bed opgestaan en naar zijn kamer gegaan. Ik heb het met eigen oogen gezien. Naderhand werd zij in zijn armen naar haar bed gebracht--dat heb ik ook met eigen oogen gezien, en ik heb gehoord dat hij haar kuste." (Dit was er door Elisabeth bij geborduurd). "Hij is haar minnaar, en maanden lang is zij verliefd op hem geweest. Ik zeg u dit, Owen Davies, hoe zwaar het mij ook valt schande over onzen naam te brengen en mijn lippen met zulk een mededeeling te bezoedelen, maar evenmin kan ik dulden dat gij met een meisje zoudt trouwen, meenende dat zij braaf is, terwijl zij is wat Beatrice is."
"Dan hadt je ook maar liever je mond moeten houden," zeide Granger toornig.
"Neen, vader, ik heb een plicht te volbrengen, en dat zal ik doen, het koste wat het wil, en hoe smartelijk het ook voor mij is. Gij hebt het gerucht in den nacht vóór Pinkster gehoord, en zijt opgestaan, om te zien wat het was. Gij hebt de witte gedaante in de gang gezien--dat was Geoffrey Bingham, met Beatrice in zijn armen. Ja, wel mag zij het hoofd laten hangen. Laat zij het ontkennen als zij kan. Laat zij het ontkennen, dat zij tot haar schande verliefd op hem is, en dien nacht alleen in zijn kamer is geweest."
Nu stond Beatrice op en sprak. Haar oogen glinsterden, en hoewel doodsbleek, was zij in haar schaamte en wanhoop schooner dan ooit.
"Wat mijn hart gevoelt, gaat mij alleen aan, daar geef ik u geen antwoord op," zeide zij. "Gij moogt denken wat gij wilt. Voor 't overige is het niet waar. Ik ben niet wat Elisabeth zegt dat ik ben. Ik ben niet de minnares van Geoffrey Bingham. 't Is waar dat ik in dien nacht in zijn kamer ben geweest, en 't is ook waar dat hij mij in zijn armen naar de mijne heeft gedragen. Maar het was in mijn slaap dat ik er heen ben gegaan, niet uit vrijen wil. Ik ontwaakte daar, en bezwijmde toen ik ontwaakte, en toen heeft hij mij dadelijk teruggebracht."
Elisabeth lachte schel en luid--het klonk als een duivelenlach.
"In haar slaap!" zeide zij. "O, zij is daar in haar slaap heen gegaan!"
"Ja, Elisabeth, in mijn slaap. Je gelooft me niet, maar 't is waar. Je wilt de zuster, die je moest liefhebben, die je door woord noch daad ooit gekrenkt heeft, aan schande prijs geven. In je lage boosaardigheid heb je een naamloozen brief aan Lady Honoria Bingham geschreven, om haar te bewegen den slag toe te brengen, die haar echtgenoot en mij in 't verderf moest storten, en nu je vreest dat dit niet gelukt is, kom je te voorschijn, om ons openlijk te beschuldigen. Dat doe je in den naam van Christelijken plicht; in den naam van Christelijke liefde geloof je het ergste, en wil je ons schandvlekken. Schaam u, Elisabeth! Schaam u! en moog je nooit gemeten worden met de maat waarmee je meet. Wij zijn niet langer zusters. Wat er ook gebeurt, met u heb ik afgedaan. Ga uws weegs."
Zelfs de hardvochtigheid van Elisabeth's valsch gemoed was niet bestand tegen die van verontwaardiging flikkerende oogen en de majesteit van beleedigde onschuld. Zij beet zich op de lippen dat het bloed er uitsprong, maar zij zeide niets.
Toen wendde Beatrice zich tot haar vader, en sprak op een anderen en smeekenden toon, terwijl zij haar armen naar hem uitstrekte.
"O, vader," zeide zij, "zeg mij, ten minste, dat _gij_ mij gelooft. Hoewel ge moogt denken dat ik in mijn liefde overdreven zou kunnen zijn, kunt gij, die mij zooveel jaren gekend hebt, toch niet denken dat ik, zelfs om mijn liefde, zou liegen."
De oude man zag verbijsterd om zich heen, en schudde het hoofd.
"In zijn kamer, en in zijn armen!" zeide hij. "Het schijnt dat ik het gezien heb. Ik heb ook nooit geweten dat je een slaapwandelaarster waart, en je zegt ook niet dat je hem niet liefhebt--dien schelm. 't Is slecht van Elisabeth--heel slecht, zoo iets te vertellen; maar nu het verteld is, hoe kan ik nu zeggen dat ik het niet geloof?"