Chapter 20
Toen omhelsden zij elkaar driemaal op dat eenzaam strand, eens, als 't ware, voor vroegere vreugde, eens voor tegenwoordig leed, en eens voor toekomstige hoop, en daarna scheidden zij. Er was geen sprake van latere ontmoetingen--zij gevoelden dat die onmogelijk waren, althans voor menig jaar. Hoe konden zij elkander als onverschillige bekenden ontmoeten? Daartoe beminden zij elkander te zeer. Het was een laatst afscheid, smartelijker dan het afscheidnemen van een stervende--want de Hoop zit altijd aan het sterfbed--en hier was niets dan verpletterende droefheid.
Hij verliet haar, en het geluk was uit zijn leven, evenals het daglicht voor de avondschemering wijkt. Hij had, ten minste, de geestinspanning van zijn werk, dat hem wachtte. Maar Beatrice, arm meisje, wat had zij?
Geoffrey verliet haar. Toen hij ongeveer dertig passen ver was, zag hij om, en wierp een laatsten blik op haar. Daar stond, of liever, leunde zij, met haar hand tegen de natte rots, en zag hem met haar heldere grijze oogen na. Zelfs door den stofregen heen, kon hij haar glanzig haar, de afteekening van haar bekoorlijk gelaat en het frissche rood van haar lippen zien. Zij wenkte hem voort te gaan. Dat deed hij, maar toen hij honderd schreden verder was, zag hij nog eens om. Daar stond zij nog, maar nu was haar gelaat niet meer te onderscheiden, en de groote zeemeeuw vloog weder om haar hoofd.
Toen verborg de nevel haar geheel en al.
Ach, Beatrice, met al uw verstand hebt gij nooit die eenvoudige beginselen kunnen leeren, die voor het geluk der vrouw zoo noodzakelijk zijn; beginselen door duizend geslachten van onbeschaafde en half beschaafde voorzaten van het eene op het andere overgeërfd. Den toestand te nemen zooals hij is, en zich aan de eischen van dien toestand te houden, dat is de gulden regel tot welzijn. Steek de hand niet verder uit dan gij die weer terug kunt trekken, ten minste niet voordat gij volkomen zeker zijt dat het voorwerp in uw bereik is. Indien gij bij ongeluk, of door de gramschap van het Noodlot, begaafd zijt met die sterker eigenschappen, die u tot zelfopofferende liefde in staat stellen, houd ze in uw hart verborgen; laat er niets van aan de wereld blijken. De wereld gelooft er niet aan; zij zijn zelfs onzedelijk. Wat de wereld, en zeer terecht, van u verlangt, is stille huiselijkheid van karakter, geen tentoonspreiding van hoedanigheden, die, al mogen zij u geschikt maken voor de heldin van een Grieksch treurspel, u in onzen tijd waarschijnlijk slechts aan verguizing zullen blootstellen.
Beatrice, de wereld kan met Lady Honoria sympathiseren, maar met _u_ niet.
Hoofdstuk XXIV.
Lady Honoria trekt te velde.
Geoffrey spoedde zich naar de pastorie, om zijn bagage te halen en afscheid te nemen. Hij had geen tijd om te ontbijten, en daar was hij blijde om, want het zou hem niet mogelijk geweest zijn te eten. Hij vond Elisabeth en haar vader in de huiskamer.
"Waar zijt ge in dat natte weer geweest, mijnheer Bingham?" vroeg Granger.
"Ik heb met Miss Beatrice een wandeling gedaan; zij komt door het dorp terug," antwoordde hij. "Ik geef niet om den regen, en ik wilde nog wat versche lucht scheppen, eer ik naar den tredmolen terugga. Dank u--alleen maar een kop thee--onderweg zal ik wel wat eten."
"Wat is dat vriendelijk van hem!" dacht Granger; "hij heeft Beatrice zeker nog eens over Owen Davies gesproken."
"Zeg, mijnheer Bingham," wendde hij zich weder tot hem, "hebt gij van nacht ook iets door het huis hooren bewegen, toen de storm op 't hevigst was? Eerst werd er een deur met zooveel geweld dichtgeslagen, dat ik opstond om te zien wat het was, en toen ik de gang doorliep, had ik er wel op kunnen zweren, dat ik iets wits de ongebruikte logeerkamer zag binnengaan. Maar mijn kaars woei uit, en eer ik weer licht had aangestoken, was er niets meer te zien."
"Dat heeft bizonder veel van een geestverschijning," antwoordde Geoffrey onverschillig; maar hij wist, dat die geest hem nog menigen dag zou verschijnen.
"Dat is toch raar," viel Elisabeth levendig in, haar oogen scherp op hem vestigende. "Weet gij wel, dat ik mij verbeeld heb de deur van onze kamer tweemaal op een geheimzinnige wijze te hebben zien open- en dichtdoen? Ik geloof dat Beatrice er iets mede te maken heeft; zij kan zoo zonderling wezen."
Geoffrey bewoog geen spier van zijn gelaat; hij was er in geoefend het in bedwang te houden. Maar hij had wel willen weten hoeveel zij eigenlijk wist. Intusschen moest zij tot zwijgen gebracht worden.
"Neem mij niet kwalijk dat ik over iets anders spreek," zeide hij, "maar ik heb geen tijd om over 'De geestverschijning in de pastorie' te spreken. A propos, dat zou een mooie titel zijn. Ik geloof, mijnheer Granger, dat ik in het bijzijn van Miss Elisabeth wel over zaken kan spreken?"
"Wel zeker, mijnheer Bingham," antwoordde Granger, "Elisabeth is mijn rechterhand, en er is in Bryngelly niemand, die zulk een goed hoofd voor zaken heeft als zij."
"Ik wilde alleen dit zeggen," ging Geoffrey voort. "Als gij door de slechte betaling van uw tienden verder in ongelegenheid mocht komen, meld het mij dan. Ik zal altijd bereid zijn u te helpen, als ik kan. En nu moet ik weg."
Hij sprak zoo om twee redenen. Ten eerste, wat zeer natuurlijk was, wilde hij Beatrice voor den druk van armoede beschermen, en hij wist wel dat het vruchteloos zou zijn haar rechtstreeksche hulp aan te bieden. Ten tweede, wilde hij Elisabeth toonen dat het niet in het voordeel van het gezin zou zijn, met hem te twisten. Dit zou haar misschien bewegen er van te zwijgen als zij een geest gezien _had_. Hij wist niet, dat zij een veel hooger spel voor zichzelve speelde, een spel waarbij duizenden 's jaars te winnen waren, en dat zij bovendien razend jaloersch was, wat bij zulk een vrouw voor liefde moet doorgaan.
Elisabeth zeide op dat aanbod niets, en voordat Granger zijn dank kon betuigen, was Geoffrey weg.
Drie weken verliepen, en Elisabeth speelde haar kaart nog niet uit. Beatrice verrichtte haar dagelijksche werkzaamheden, bleek en neerslachtig. Elisabeth sprak haar geen woord toe, in een zin, die vermoeden bij haar kon wekken, en de spookgeschiedenis was, of scheen althans, nagenoeg vergeten. Maar eindelijk gebeurde er iets, dat Elisabeth deed besluiten haar slag te slaan. Op zekeren dag ontmoette zij Owen Davies, die met al de manieren van een half onwijze, zooals hij in den laatsten tijd had aangenomen, langs het strand wandelde. Hij bleef staan, en begon dadelijk een gesprek met haar.
"Ik kan het niet langer uithouden," zeide hij, zijn armen woest omhoog slaande. "Ik heb haar gisteren gezien, en zij scheepte mij af voordat ik een woord kon spreken. Ik heb om geduld gebeden, en dat wil niet komen; doch een stem scheen mij te zeggen, dat ik nog tien dagen moest wachten, tien dagen maar, en dat dan Beatrice, mijn schoone Beatrice, eindelijk mijn vrouw zou worden."
"Als gij zoo voortgaat, mijnheer Davies," voegde Elisabeth hem scherp toe, met een hart vol wrevelige jaloezie, "zal het niet lang duren of ge zijt volslagen gek. Schaamt ge u niet zooveel beweging te maken over een lief gezichtje? Als ge volstrekt wilt trouwen, trouw dan met iemand anders."
"Met iemand anders trouwen," zeide hij droomerig; "ik zou niet weten met wie ik anders zou moeten trouwen, of _gij_ zoudt het moeten zijn, en gij zijt Beatrice niet."
"Neen," antwoordde Elisabeth toornig: "ik hoop dat ik meer verstand heb dan zij, en als ge met mij wildet trouwen, zoudt ge het heel anders moeten aanleggen. Ik ben, Goddank, Beatrice niet, maar ik ben haar zuster, en ik waarschuw u, dat ik meer van haar weet dan gij. Als vriendin waarschuw ik u, voorzichtig te zijn. Gesteld eens, dat Beatrice u niet waardig was, zoudt gij dan toch met haar willen trouwen?"
Owen Davies was eigenlijk in zijn hart wel wat bang voor Elisabeth, evenals de meeste menschen, die het voorrecht hadden haar te kennen. Ook was hij zoo dom niet, of hij vermoedde wel eenigszins, dat Elisabeth iets in haar schild voerde, wat, wist hij niet.
"Neen, natuurlijk niet," zeide hij. "Natuurlijk zou ik niet met haar trouwen, als zij niet geschikt was om mijn vrouw te worden--maar dat moet ik eerst weten, voordat ik er van spreek met iemand anders te trouwen. Goeden middag, Miss Elisabeth. Het zal nu spoedig beslist zijn; zoo kan het niet langer voortgaan. Mijn gebeden zullen verhoord worden, dat weet ik."
"Daar heb je gelijk in, Owen," dacht Elisabeth, terwijl zij hem met onbeschrijfelijke bitterheid, om niet te zeggen, verachting, nazag. "Je gebeden zullen verhoord worden op een manier, die je zal verbazen. Je zult niet met Beatrice trouwen, maar met _mij_. De visch is lang genoeg aan den haak geweest, nu moet ik beginnen op te halen."
Wat zonderling was, nooit kwam het bij Elisabeth op, dat Beatrice zelve wel de ware hinderpaal kon zijn tegen het huwelijk dat zij wilde beletten. Zij wist dat haar zuster veel van Geoffrey Bingham hield, maar dat zij, als het er op aankwam, zulk een schitterende toekomst voor haar liefde zou opofferen, geloofde zij geen oogenblik. Natuurlijk achtte zij het wel mogelijk, als Beatrice Geoffrey kon bezitten, dat zij hem de voorkeur zou geven, maar nu dit eenmaal niet kon, hield Elisabeth zich overtuigd, naar haar eigen lagen maatstaf oordeelende, dat zij Owen toch wel zou nemen. Het kwam haar niet denkbaar voor, dat wat zoo kostelijk in haar eigen oogen was, in die van haar zuster zonder waarde, ja zelfs hatelijk kon zijn. Wat dat nachtelijk avontuurtje betrof, dat had met haar huwelijk niets te maken. Men vergeet zoo iets als men trouwt, soms trouwt men zelfs om zoo iets te vergeten.
Ja, zij moest haar slag slaan--maar hoe? Elisabeth had ook zoo haar eigen begrippen. Zij zag er geen bezwaar in, haar zuster en vermeende medeminnares in 't verderf te storten, maar zij zou er veel liever bij de daad niet den naam van hebben. Natuurlijk, als het tot het ergste kwam, moest zij het doen. Was er geen ander voor te vinden--iemand, die het niet uit wraak, maar uit deugdzaamheid deed? Ha! zij had er iemand voor: Lady Honoria! Wie kon beter voor zulk een doel dienen dan de zwaar beleedigde vrouw? Maar hoe zou zij haar de omstandigheden mededeelen zonder er zelve in betrokken te zijn? Weder had zij er iets op gevonden--"_un vieux truc mais toujours bon_"--het oude middel van lage zielen, een naamloozen brief, waarbij men het groote voordeel heeft van buiten schot te blijven. Juist, een naamlooze brief, naar allen schijn door een dienstbode geschreven: dat was het. Het gevolg zou hoogst waarschijnlijk zijn, dat Lady Honoria scherp onderzoek deed, in welk geval Elisabeth, natuurlijk, tegen haar zin, genoodzaakt zou zijn te zeggen wat zij wist: bijna zeker zou het op een twist tusschen man en vrouw uitloopen, waardoor de eerstgenoemde in zijn kaart zou laten zien, of misschien ten opzichte van Beatrice een openlijken stap zou doen. Het speet haar voor Geoffrey, wien zij geen kwaad hart toedroeg, maar er was niets tegen te doen: hij moest opgeofferd worden.
Dienzelfden avond schreef zij haar brief, en zond dien op, om door een oude dienstbode, die in Londen woonde, op de post gedaan te worden. Het was een meesterstuk in zijn soort, vooral als foutief opstel, en met een slechte, grove hand geschreven. Gezuiverd van taal- en spelfouten, zou de inhoud aldus geluid hebben:
"Mylady,--Mijn geweten dwingt mij er toe, zeer tegen mijn zin, u dezen te schrijven. Ik had er eerst maar liever niet van willen spreken, omdat ik Miss B. als braaf en onschuldig heb gekend, en ook om uw slechten echtgenoot, dien wolf in schaapsvacht, te sparen. Maar als ik aan u denk, Mylady, als een eerbare, deugdzame vrouw, en aan hetgeen ik gezien heb, en waar ik nog om moet blozen, weet ik dat het mijn heilige plicht is uw Ladyschap te schrijven als volgt. Uw Ladyschap moet het mij niet kwalijk nemen, maar in den nacht van Pinksterzondag is Miss B. Granger, na middernacht, naar de kamer van uw slechten echtgenoot gegaan--zooals ik mij schaam gezien te hebben. Meer dan een uur later kwam zij er weer uit, _in zijn armen_ gedragen. En als uw Ladyschap mij niet gelooft, laat uw Ladyschap dan maar aan Miss Elisabeth schrijven, die ook het ongeluk heeft gehad het te zien, evenals uw getrouwe vriendin
"De Schrijfster."
Te behoorlijker tijd kwam deze allerliefste mededeeling Lady Honoria, met een Londenschen poststempel, in handen. Zij las en herlas den brief, en de inhoud was niet moeilijk te begrijpen. Na een nacht tijd tot bedenking genomen te hebben, volgde zij den raad van "de schrijfster" en schreef aan Elisabeth, wie zij een afschrift van den brief toezond, betuigende dat zij er volstrekt geen geloof aan sloeg, en een antwoord verzoekende, dat dien vuigen laster voor altijd uit haar gedachten verdreef.
Het antwoord kwam per omgaande. Het was kort, en listig gesteld.
"Waarde Lady Honoria Bingham," luidde het, "gij moet mij vergeven, als ik weiger de vragen in uw brief te beantwoorden. Gij zult licht begrijpen dat iemand, die den goeden naam eener zuster wenscht op te houden, en niet in staat is, wat ieder Christen zal moeten waardeeren, onwaarheid te spreken, zich in een allermoeielijksten toestand bevindt--een toestand, waarmede _gij_ zelfs medelijden zult hebben, hoewel ik dat onder zulke omstandigheden weinig te verwachten heb van een vrouw, die zich zoo zwaar beleedigd moet achten. Laat mij er bijvoegen, dat niet anders dan wanneer ik er voor de rechtbank toe gedwongen word, een woord over mijn lippen zal komen van de omstandigheden (die, naar ik vertrouw, verkeerd begrepen zijn) vermeld in den brief, waarvan ge mij ingesloten een afschrift gezonden hebt."
Dienzelfden avond, alsof het noodlot het zoo wilde, hadden Lady Honoria en haar echtgenoot een twist. Als gewoonlijk, was het over Effie, want over de meeste andere onderwerpen bewaarden zij een gewapende neutraliteit. In de bizonderheden van dien twist behoeven wij niet te treden, maar eindelijk verloor Geoffrey, die in een geprikkelden gemoedstoestand was, zijn geduld.
"Ge zijt ongeschikt om voor het kind te zorgen," zeide hij. Ge denkt alleen maar aan uzelve."
Zij zag hem aan, met een nijdige uitdrukking op haar schoon en koel gelaat.
"Wees voorzichtig wat ge zegt, Geoffrey," voegde zij hem toe. "_Gij_ zijt het, die niet geschikt zijt voor Effie te zorgen. Pas maar op dat ik haar u niet geheel afneem, zooals ik doen kan, als ik wil."
"Wat bedoelt ge met die bedreiging?" vroeg hij.
"Wilt ge het weten? Welnu, dan zal ik het u zeggen. Ik begrijp genoeg van de wet, om wel te weten dat een vrouw scheiding van een ontrouwen echtgenoot kan aanvragen, en, wat meer is, hem zijn kinderen kan ontnemen."
"Ik vraag u nogmaals wat dat beteekent?" hernam Geoffrey, bleek van toorn.
"Ik bedoel dit. Dat Welsche meisje is uw minnares. Zij heeft den nacht vóór Pinksteren in uw kamer doorgebracht, en ge hebt haar in uw armen er uit gedragen."
"Dat is een leugen!" riep hij uit; "daar is niets van aan. Ik weet niet wie u zulk een schandelijke leugen verteld heeft, maar wie het gedaan heeft, zal er voor boeten."
"Niemand zal er voor boeten, Geoffrey, omdat ge het geval niet durft ophalen--al was het alleen maar om het meisje, zoo niet om uzelven. Kunt ge ontkennen, dat men haar, in den nacht vóór Pinksteren, in uw armen uit uw kamer heeft zien dragen? Kunt ge ontkennen dat ge verliefd op haar zijt?"
"En gesteld dat ik verliefd op haar was, zou dat te verwonderen zijn, bij zoo'n behandeling als ik van u ondervind, en sinds jaren ondervonden heb?" zeide hij woedend. "Het is de grootste laster, te zeggen dat zij mijn minnares is."
"Ge hebt mij nog niet op mijn vraag geantwoord," hernam Lady Honoria, met een zegevierenden glimlach. "Hebt ge in het holle van den nacht dat meisje in uw armen uw kamer uitgedragen?" Het beteekende, natuurlijk, niets. Wie zou die allerliefste, verstandige schoolmatres een klad durven opwerpen? Ik ben niet jaloersch, Geoffrey--"
"Zooals het tusschen ons staat, zou ik dat ook niet denken."
"Ik ben niet jaloersch, herhaal ik, maar versta mij wel, dat ik niet wil hebben dat het langer zoo voortgaat, in _uw_ belang en het mijne. Wat moet ge dwaas zijn! Weet ge dan niet, dat een man, die in aanzien gestegen is, zooals gij, honderd vijanden heeft, die bereid zijn om als een troep wolven op hem aan te vallen en hem te verscheuren? Zelfs wie voor u kruipen en u in uw gezicht vleien, haten u in het geheim, omdat gij het verder hebt gebracht dan zij. Weet ge ook niet, dat er hier in Londen bladen zijn, die honderden ponden zouden geven voor de kans om zoo'n schandaal als dit publiek te maken, inzonderheid omdat het zulk een machtigen politieken tegenstander betreft? Laat het maar eens uitkomen dat dit onbeteekenende meisje uw minnares is--"
"Honoria, ik zeg u dat er niets van aan is. 't Is waar dat ik haar in een bezwijming mijn kamer heb uitgedragen, maar zij was daar in haar slaap gekomen."
Lady Honoria lachte. "Waarlijk, Geoffrey, ik verbaas mij er over, dat ge het de moeite waard acht mij zoo'n onzin te vertellen. Bewaar dat voor het Hof van Echtscheiding, als wij daar komen, en zie wat een jury er van zegt. Hoor eens, wees verstandig. Ik ben geen zedenpreekster, en ik zal ook niet de rol van een beleedigde vrouw spelen, tenzij ge er mij toe noodzaakt. Ik ben niet voornemens verder notitie te nemen van dit interessant historietje te uwen nadeele. Maar wacht u, als ge er mee voortgaat! Ik wil niet voor gek gehouden worden. Als ge u wilt ruïneeren, moet ge het maar alleen doen. Ik waarschuw u ronduit, dat bij het minste teeken, dat ik er van bespeur, ik van mijn recht gebruik zal maken om u een proces van echtscheiding aan te doen. Ik weet, natuurlijk, wel, dat als het tot een scheiding kwam, ge blij zoudt zijn dat ge mij kwijt waart, om uw lieve Beatrice in mijn plaats welkom te heeten. Maar twee dingen moet ge bedenken: ten eerste, dat ge niet met haar zoudt kunnen trouwen, als ge zoo mal waart dat te willen doen, omdat ik alleen maar scheiding tusschen tafel en bed zou aanvragen, en dus zoudt ge nog niet van mij af zijn. Ten tweede, als ik heenga, neem ik Effie mee, want de wet geeft mij het recht haar op te eischen; en dat, mijn waarde Geoffrey, maakt dat ik het hecht in handen heb, want ik geloof niet dat ge van Effie zoudt willen afzien, zelfs niet om die juffrouw Beatrice. En nu laat ik het aan u zelven over hoe ge er over denkt."
En met een hoofdknik stevende zij zegevierend de kamer uit. Zij had werkelijk "het hecht in handen," bedacht Geoffrey. Als zij hem werkelijk eens een proces tot echtscheiding aandeed? Zij moest het voorgevallene vernomen hebben, hoe wist zij er anders van? Klaarblijkelijk was iemand van het geheele tooneel getuige geweest, waarschijnlijk Elisabeth of de dienstmaagd, en had die het aan Honoria, en mogelijk aan anderen, verraden. Dit denkbeeld beangstte hem. Hij was een man van de wereld en een praktisch rechtsgeleerde, en hij wist, dat hoewel zij onschuldig waren, er weinigen zouden gevonden worden, die het geloofden. Het kon niets anders dan een verschrikkelijk en ergerlijk schandaal geven, en Beatrice zou haar goeden naam verliezen. Hij plaatste zich op het standpunt van den advocaat voor de eischeres, en stelde zich voor hoe hij in zijn aanspraak tot de jury zulk een verdediging zou havenen dat er niets van overbleef. Zoo iets onwaarschijnlijks!
Ongetwijfeld zou Honoria van haar standpunt ook verstandig handelen. Al de sympathie van het publiek zou zij op haar hand hebben. Hij wist dat men het er algemeen voor hield, dat hij veel van het aanzien, waartoe hij was geraakt, aan zijn schoone vrouw van voorname geboorte had te danken. Nu zou men zeggen dat hij haar als een ladder had gebruikt, en haar verstiet nu hij haar niet meer noodig had. Tegen dit alles gevoelde hij zich echter bestand; de aanvallen van de pers en het hoongelach van zijn politieke en persoonlijke vijanden zou hij zelfs kunnen verdragen, maar Effie missen, dat kon hij niet. En als zulk een actie tegen hem werd ingesteld, was het bijna zeker dat hij van haar zou moeten afzien, want als hij de verliezende partij was, zou het toezicht over het kind aan de beleedigde vrouw worden toegekend.
Ook moest Beatrice in aanmerking genomen worden. Dezelfde booze tong, die Honoria van het voorgevallene onderricht had, zou het waarschijnlijk ook wel aan anderen ontdekken, en hoe de afloop ook voor hem was, op haar zou de beleedigde moraliteit zich zeker wreken. Een smet zou op Beatrice's goeden naam kleven, haar betrekking zou zij verliezen, en het leven zou haar tot een last gemaakt worden. Ja, Honoria was aan het beste eind; zij had ware woorden en woorden van beteekenis gesproken.
Wat te doen? Was er geen uitweg? Dien geheelen nacht, terwijl Geoffrey in het Lagerhuis zat, met de armen over elkaar geslagen, en schijnbaar aandachtig luisterende naar de lange redevoeringen der Oppositie, bleef die vraag hem bij. Hij beredeneerde den toestand nu van de eene, dan van de andere zijde, totdat hij eindelijk tot een besluit kwam. Of hij moest wachten totdat alles uitlekte, Beatrice aan smaad en schande prijs geven, en al zijn pogingen tot bevrediging van Honoria, en in 't algemeen tot zelfbehoud aanwenden, òf hij moest de koe bij de horens pakken, zijn schitterende loopbaan in zijn vaderland vaarwel zeggen, en zijn toevlucht in een ander land zoeken, bij voorbeeld, Amerika, en Beatrice en Effie medenemen. Als het kind eenmaal buiten het rechtsgebied was, kon, natuurlijk, geen Gerechtshof haar hem ontrukken.
Van die twee wegen, helde Geoffrey sterk tot den laatsten over.
De betrekkingen tusschen hem en Honoria waren reeds sedert jaren zóó gespannen geweest, zóó geheel verschillend van wat zij tusschen man en vrouw hadden moeten zijn, dat het laakbare van zulk een stap er in zijn oogen veel door verloor. Ook zou hij weinig wroeging gevoeld hebben het kind van haar moeder weg te nemen, want de liefde tusschen die twee had niet over, en terecht vermoedde hij dat het mettertijd al minder en minder zou worden. Voor 't overige, had hij zeventien duizend pond in handen; daar zou hij de helft van nemen en de andere helft aan Honoria laten. Hij wist dat hij overal, waarheen hij ging, den kost kon verdienen, en waarschijnlijk veel meer dan den kost, en van alles wat hij verdiende zou hij strikt de helft aan Honoria overmaken. Maar in de eerste plaats, en bovenal, moest hij aan Beatrice denken. Zij moest gered worden, al zou hij zichzelven ook in 't ongeluk storten, om haar te redden.
Het zal nauwelijks gezegd behoeven te worden, dat Lady Honoria weinig vermoedde tot welke gevaarlijke en vaste plannen zij haar echtgenoot dreef. Zij wilde Geoffrey bevreesd maken, maar zij wilde hem, en alles wat hij voor haar beteekende, niet verliezen; dat was wel het allerminst haar bedoeling. Zij gaf eigenlijk niet veel om het geheele voorval, maar haar slimheid zeide haar, dat het haar een overwicht gaf, waarvan zij gebruik moest maken. Daarom had zij zoo gesproken, hoewel het al erg had moeten loopen eer zij haar toevlucht tot de rechtbank zou nemen, waar misschien het een en ander, dat haarzelve betrof, aan het daglicht zou komen, wat zij maar liever in 't duister wilde laten.
Maar daarom liet zij het er niet bij; zij besloot ook nog van een andere zijde een aanval op Geoffrey te doen, namelijk, door Beatrice zelve. Lang aarzelde Honoria hoe zij dien aanval zou aanleggen. Zij had eenige wereld- en menschenkennis, en naar hetgeen zij van Beatrice wist, kwam zij tot het juist besluit, dat zij geen meisje was om te bedreigen, maar veeleer om een beroep op haar gevoel te doen. Dus schreef zij haar, na rijp beraad, aldus: