Chapter 2
"Waarom zijt gij zoo plotseling begonnen te werken?"
"Omdat ik mijn vooruitzichten verloren had, Miss Granger--kortom, uit noodzakelijkheid."
"O, ik vraag u verschooning," zeide zij, met een blos, dien hij natuurlijk niet zien kon. "Ik bedoelde niet onbescheiden te zijn. Maar 't is zeer gelukkig voor u, niet waar?"
"Zoo! Sommige menschen denken er anders over. Waarom is het gelukkig?"
"Omdat gij nu in aanzien zult rijzen en een groot man worden, en dat is meer dan een rijk man te zijn."
"En waarom denkt gij, dat ik een groot man zal worden?" vroeg hij, in zijn verbazing met roeien ophoudende en naar de nevelachtige gedaante tegenover hem ziende.
"O, omdat het op uw gelaat te lezen staat," was het eenvoudig antwoord.
Haar woorden klonken oprecht; er was geen vleierij of gekunsteldheid in. Geoffrey gevoelde, dat het meisje juist sprak zooals zij dacht.
"Dus bestudeert gij de gelaatkunde ook," zeide hij. "Welnu, Miss Granger, 't is zonderling, alles in aanmerking genomen, dat ik u zal zeggen wat ik nog tegen niemand anders gezegd heb. Ik geloof dat gij gelijk hebt. Ik zal in aanzien rijzen. Ik gevoel dat het in mij ligt, als ik in het leven blijf."
Misschien begreep Beatrice, dat zij voor een nog zoo uiterst korte kennismaking een nogal vertrouwelijk gesprek voerden. In allen gevalle, gaf zij er schielijk een wending aan.
"Ik vrees dat gij vermoeid wordt," zeide zij; "maar wij moeten voort. Het zal spoedig geheel donker zijn, en wij hebben nog een heel eind voor den boeg. Zie hier," en zij wees zeewaarts.
Hij zag in de aangewezen richting. De mist trok op in kronkelingen van dikken damp, die over hen heen golfden en de zware lucht zoo verduisterden, dat die twee, hoewel geen vier voet van elkaar af, elkanders gelaat nauwelijks zien konden. Tot dusverre gevoelden zij geen wind. De dikke mist was verstikkend.
"Ik geloof dat de lucht breekt, wij krijgen storm," zeide Beatrice, een weinig bezorgd.
Nauwelijks waren die woorden over haar lippen, of de mist verdween van het geheele zeevlak. Geen spoor was er meer van te zien, en in plaats daarvan blies een sterke windvlaag hun in 't gelaat. Ver in het westen zonk de vurige schijf der zon in het schuim, en schoot een langen, rooden straal over het nu onstuimig woelende water. Het licht viel op het bootje en wierp zijn volle schijnsel op Beatrice, waarna het zich verloor in de nevelen, die de kust nog omhulden.
"O, hoe verrukkelijk!" riep zij uit, zich oprichtende en naar den luister der ondergaande zon wijzende.
"Ja, wel is het verrukkelijk!" zeide hij, doch hij zag niet naar den zonsondergang, maar naar het gelaat van het meisje tegenover hem, blinkend als dat van een heilige in zijn gouden aureool. Want dat was ook verrukkelijk--zoo verrukkelijk, dat het hem zonderling trof.
"'t Is als--" begon zij, en eensklaps brak zij af.
"Als wat?" vroeg hij.
"'t Is alsof de waarheid eindelijk gevonden is," hernam zij, meer bij zichzelve sprekende dan tot hem. "Men zou er een allegorie van kunnen maken. Wij zwerven in nevelen en duisternis, en scheppen ons een onzekere toekomst. En dan worden eensklaps de nevelen weggevaagd, alle twijfel is verdwenen, wij zien slechts een luister voor ons, die alles helder maakt en ons een licht is op de zee der onsterfelijkheid. Het klinkt bijna te verheven," liet zij er met een bekoorlijk lachje op volgen; "maar er is iets in, dat ik zoo niet weet uit te drukken. O, zie!"
Terwijl zij sprak, dreef een zware onweerswolk over de verdwijnende schijf der zon. Een oogenblik worstelde het licht met de verduisterende wolk en veranderde haar grauwen rand in koperkleur, maar de wolk was te sterk, het licht verdween en liet de zee in duisternis.
"Uw allegorie zou een akelig slot gehad hebben, als gij ze hadt uitgewerkt," merkte hij aan. "Het wordt pikdonker, en _daar_ is ook heel wat in, als ik het zoo wist uit te drukken."
Beatrice daalde wijselijk uit de sfeer der poëzie weer neder tot de werkelijkheid.
"Er komt een storm opzetten, mijnheer Bingham," zeide zij: "gij moet zoo hard roeien als ge kunt. Ik geloof dat wij niet verder dan twee mijlen van Bryngelly af zijn, en misschien zijn wij zoo gelukkig daar aan te komen voordat de storm losbarst."
"Ja, _als_ wij zoo gelukkig zijn," zeide hij, op bitteren toon, terwijl hij aan 't werk ging. "Maar de vraag is, waarheen te roeien--'t is zoo donker. Zouden wij niet liever op de kust aanhouden?"
"Wij zijn nu in het midden van de baai," antwoordde zij, "en bijna even ver van het vasteland, als van Bryngelly; bovendien is het alles rotsen. Neen, gij moet rechtdoor sturen. Aanstonds zult gij het kustlicht van Coed zien. Zooals gij weet, is Coed vier mijlen aan de andere zijde van Bryngelly, dus, als gij het ziet, moet gij links houden."
Hij volgde haar wenk, en een poos spraken zij geen van beiden. De opstekende wind maakte het trouwens moeilijk een gesprek te voeren, en Geoffrey had dan ook niet veel adem voor woorden over. Hij was sterk, maar zulk ongewoon werk kostte hem veel inspanning en hij begon blaren in zijn handen te krijgen. Een minuut of tien roeide hij voort in een bijna totale duisternis, niet wetende waar ter wereld hij heen stuurde, want het was niet mogelijk te zien. Voor zooveel hij wist, had hij wel in een cirkel kunnen draaien. Het eenige, waarnaar hij zich richten kon, was de windstreek en het plassen van de golven. Zoolang deze, die nu onheilspellend begonnen te zwellen, tegen stuurboordzijde sloegen, meende hij een rechte koers te houden. Maar in het rumoer van den opstekenden storm en de verwarring van de duisternis, was dit geen zeer voldoend richtsnoer.
Eindelijk viel er een helder schijnsel over de zee, bijna recht voor hen uit. Dat was het kustlicht.
Hij veranderde zijn koers een weinig en roeide voort. En nu barstte de storm los. Gelukkig was die niet zeer hevig, anders zou hun zwak bootje gezonken zijn, maar toch hevig genoeg om hen in groot gevaar te brengen. Als een veertje rees het bootje op de golven, doch het was laag van boord, en bij elke rijzing schepte het een weinig water. Maar nog erger wachtte hen.
Met een beangst hart roeide hij voort, terwijl Beatrice niets zeide. Daar kwam een groote golf opzetten; hij zag haar witte kruin door de duisternis blinken. Haar schuim spatte over het bootje, terwijl zij het ophief als om het in de diepte neder te storten; maar het ranke vaartuigje gleed er overheen, echter niet zonder een paar emmers water te scheppen. Beatrice zeide geen woord, maar nam haar hoed af, boog zich voorover en begon te hoozen zoo goed zij kon, en dat was juist niet veel.
"Dat gaat niet," riep hij. "Ik moet den voorsteven omhoog houden, of wij worden overstroomd."
"Ja," antwoordde zij, "doe dat. Wij zijn in groot gevaar."
Hij zag rechtsaf; daar kwam weder een witte golf opzetten; hij zag haar blinkende kruin. Met al zijn kracht sloeg hij de roeispaan in het water, het bootje gehoorzaamde er aan, en gleed veilig over de golf heen, maar de roeispaan knapte. De kracht, die hij er op gezet had, was meer dan zij verdragen kon. Zij brak in tweeën, een duim of negen boven het blad, dat op dit oogenblik in het water was. Wanhoop overmeesterde hem.
"Groote Hemel!" riep hij uit, "de roeispaan is gebroken!"
Beatrice schrikte hevig.
"Gebruik dan het andere einde," zeide zij; "roei eerst aan de eene en dan aan de andere zijde, en houd den voorsteven omhoog."
"Totdat wij zinken," antwoordde hij.
"Neen, totdat wij gered zijn--Spreek niet van zinken."
De moed van het meisje beschaamde hem, en hij volgde haar raad op, zoo goed als hij kon. Door gestadig met het overschot van de roeispaan nu aan de eene dan aan de andere zijde te roeien, wist hij tegen de zwellende golven op te zwoegen. Maar in beider hart kwam de vraag op, hoe lang zij dit nog zouden volhouden.
"Hebt gij kardoezen?" vroeg zij.
"Ja, in mijn jaszak," antwoordde hij.
"Geef me er twee van, als ge kunt," zeide zij.
Hij wist een oogenblik waar te nemen om zijn hand in zijn zak te steken en haar de kardoezen te overhandigen. Zij scheen iets van de behandeling van een geweer te verstaan, want weldra was er een flikkering en een knal, spoedig door nog een gevolgd.
"Geef mij nog meer kardoezen," riep zij. Dat deed hij, maar er volgde niets op.
"Het helpt niet," zeide zij eindelijk, "de kardoezen zijn nat. Maar misschien heeft men de schoten gezien of gehoord. De oude Eduard zal wel naar mij op den uitkijk staan. Ge moest nu maar liever uw zakken ledigen, als gij kunt," liet zij er, als bij nader inzien op volgen, "want straks zullen wij moeten zwemmen."
Dit scheen Geoffrey zeer waarschijnlijk toe, en zoo dikwijls hij er kans toe zag, volgde hij haar wenk op, totdat hij al zijn kardoezen kwijt was. Nu begon de regen bij stroomen te vallen. Hoewel het niet warm was, gudste het zweet hem uit elke porie, en de regen, die hem tegen het gelaat sloeg, verkwikte hem eenigszins; ook was met den regen de wind een weinig bedaard.
Maar hij werd afgemat, en dat wist hij. Weldra zou hij niet meer in staat zijn het bootje recht te houden, en dan zouden zij overstroomd worden en naar alle waarschijnlijkheid verdrinken. Dat zou dus het einde van zijn leven en al zijn eerzuchtig streven zijn. Eer er nog een uur verloopen was, zou hij in de armen van die woeste zee gewiegd worden. Wat zou zijn vrouw Honoria zeggen, als zij het vernam? Misschien zou zij door den schok eenig blijk van gevoel geven. En Effie, zijn lief, zesjarig dochtertje? Nu, zij was Goddank nog te jong om zijn verlies lang te gevoelen. Tegen den tijd dat zij tot een vrouw was opgegroeid, zou zij bijna vergeten zijn, dat zij ooit een vader had gehad. Maar hoe zou het met haar gaan, als zij hem niet had om haar te leiden? Haar moeder hield niet van kinderen, en een aankomend meisje zou haar gestadig herinneren dat zij zelve ouder werd. Hij wist het niet; hij kon slechts het beste hopen.
En hijzelf! Wat zou er van hem worden na dien korten worstelstrijd om het leven? Hij was een Christen en had niet slechter geleefd dan andere mannen. Ja, hoewel hij de laatste geweest zou zijn om dat te denken, had hij eenige vergoedende deugden. Maar nu, aan het einde, was de geestelijke horizon even donker als bij het begin. Daar voor hem waren de Poorten des Doods, maar nog vergunden zij den reiziger niet een blik te slaan in wat daarachter lag. Wat wist hij of zij zich zouden openen, of daarachter iets was? Misschien zeide hij voor eeuwig vaarwel aan alle bewustzijn, aan aarde en zee en lucht en liefde, en alles wat liefelijk is. Welnu, dat was misschien beter dan sommige vooruitzichten. Op dit oogenblik zou Geoffrey Bingham, in zijn folterenden twijfel, gaarne zijn hoop op een leven hiernamaals verwisseld hebben voor de zekerheid van een eeuwigen slaap. Niet ieder heeft het voorrecht van het vast geloof te bezitten, dat sommigen onzer dien ontzaglijken overgang met het volste vertrouwen doet te gemoet zien, en in allen gevalle bezat hij het nog niet, hoewel misschien de tijd zou komen dat hij het deelachtig werd. Er zijn niet velen, zelfs wie zonder smet of blaam zijn, die zich in de armen des Doods kunnen leggen met de zekerheid van in heerlijkheid te ontwaken. Helaas! hij kon er niet volkomen zeker van zijn, en waar twijfel bestaat, is de hoop slechts zwak. Hij zuchtte diep, prevelde een gebedsformulier, dat sinds dertig jaar de meeste avonden op zijn lippen was geweest--hij had het als kind aan zijn moeders knie geleerd--en toen, terwijl de storm om hem heen loeide, verzamelde hij al zijn kracht, om het einde, dat onvermijdelijk scheen, af te wachten. In allen gevalle wilde hij sterven als een man.
Toen kwam de reactie. Zijn levenskrachten waren weder opgewekt. Hij gevoelde zich niet langer beangst, hij gevoelde slechts een zonderlinge verbazing, zooals iemand zich verbaast over iets, dat een ander aangaat. Nu vestigde hij zijn aandacht op het meisje, dat tegenover hem zat. Met den regen was het ook begonnen te weerlichten, en bij de eerste flikkering zag hij haar duidelijk. Haar schoon gelaat was strak, en terwijl zij zich voorover boog en met haar groote oogen in de duisternis tuurde, meende hij er een bijna uitdagende uitdrukking op te zien.
Het bootje draaide eenigszins. Hij sloeg zijn gebroken roeispaan in het water, om het weer vooruit te brengen. Toen sprak hij Beatrice toe.
"Zijt gij bevreesd?" vroeg hij.
"Neen," antwoordde zij, "ik ben niet bevreesd."
"Weet gij dat wij waarschijnlijk zullen verdrinken?"
"Ja, dat weet ik. Men zegt dat die dood zacht is. Ik heb u hier gebracht. Vergeef mij dat. Ik had moeten beproeven u aan land te roeien, zooals gij gezegd hebt."
"Bekommer u niet over mij: een man moet zijn lot weten te ondergaan. Denk niet aan mij. Maar ik kan den voorsteven niet veel langer boven houden. Ik moet u raden uw gebed te doen."
Beatrice boog zich voorover, totdat haar hoofd dicht bij het zijne was. De wind had haar lokken losgemaakt, en hoewel hij het toen niet scheen op te merken, herinnerde hij zich later dat een daarvan hem langs het gelaat streek.
"Ik kan niet bidden," zeide zij: "ik zou niet weten tot wien ik bidden moest. Ik ben geen Christin."
Die woorden troffen hem als een donderslag. Hij vond het een ontzettend denkbeeld, dat dit edele, fiere meisje nu op den rand van, zoo zij meende, totale vernietiging zweefde. Zelfs in den moed, die haar op zulk een oogenblik haar hopeloozen toestand deed bekennen, vond hij iets ontzettends.
"Beproef het," zeide hij, met een diepen zucht.
"Neen," antwoordde zij, "ik ben niet bevreesd voor den dood. De dood kan niet erger zijn dan het leven voor de meesten onzer is. Ik heb in geen jaren gebeden, niet sedert--welnu, om 't even. Ik ben niet lafhartig. Het zou lafhartig zijn nu te bidden, omdat het misschien slecht met mij afloopt. Als er een God is, die alles weet, zal Hij dat begrijpen."
Geoffrey zeide niets meer, maar roeide zoo goed en kwaad als hij kon, doch met gedurig afnemende kracht, met de gebroken roeispaan voort. Het weerlicht had opgehouden en het was volslagen duister, want de door den wind voortgezweepte wolken verborgen het sterrenlicht. Nu kwam er een geluid boven het geloei van den storm uit, een donderend geraas, waar de zee hen allengs heen dreef. Dat geluid was van de golven, die tegen de rotsen van Bryngelly sloegen.
"Waar drijven wij heen?" riep hij uit.
"Naar de branding, waar wij verloren zijn," antwoordde zij bedaard. "Roei maar niet meer, het baat niet, en tracht uw jas uit te trekken. Ik heb mijn rok losgemaakt. Misschien kunnen wij aan land zwemmen."
Dit kwam hem, in de duisternis en de branding, niet waarschijnlijk voor, maar hij zeide niets, en begon zich van zijn jas en vest te ontdoen--wat in deze beperkte ruimte niet gemakkelijk ging. Intusschen draaide het bootje rond als een notedop in een overloopende goot. Eer de golven op het rif en tegen de rotsen braken, kwamen zij geregeld zwellend opzetten. Maar op de zandbank kromden zij haar schuimende ruggen tot een vervaarlijke hoogte en sloegen met donderend geweld tegen de rotsen.
Naar die branding werd het bootje door de golven voortgestuwd.
"Vaarwel!" riep Geoffrey Beatrice toe, terwijl hij zijn natte hand uitstak en de hare vatte, want een makker in den dood maakt het sterven gemakkelijker.
"Vaarwel," zeide zij zijn hand drukkende. "O, waarom heb ik u daarin gebracht?"
In dien uitersten nood dacht dit meisje meer aan haar lotgenoot dan aan zichzelve.
Nog eens draaide het bootje, en meteen werd het eensklaps als een strootje opgeheven en hoog in de lucht geworpen. Een ontzaglijke massa water bruiste er onder en er omheen. Geoffrey had nog slechts even een flauw besef dat zij op een brekende golf waren, toen het ziedend schuim het bootje overstroomde. Krak!--en hij verloor zijn bewustzijn.
Hoofdstuk IV.
Een belangstellend vrager.
Het was aldus gebeurd. Midden op de zandbank is een groote rots met platte kruin--zij zal ongeveer twintig voet in 't vierkant zijn--bij de visschers van Bryngelly bekend als de Tafelrots. Bij gewoon weer, zelfs als het vloed is, komt het water nauwelijks boven deze rots, maar bij een hooge zee wordt zij met groot geweld door de golven bespoeld. Op deze rots waren Geoffrey en Beatrice door de brekende golf geworpen. Gelukkig voor hen, was zij dicht begroeid met zeewier, zoodat hun val in zekere mate gebroken was. Geoffrey was bewusteloos van den schok; maar Beatrice, wier hand hij nog vasthield, viel op hem, en kwam er dus, behalve eenige lichte kneuzingen, ongedeerd af.
Hijgend krabbelde zij op haar knieën overeind. Het water was van de rots afgeloopen, en haar metgezel lag stil aan haar zijde. Zij bukte en riep hem in 't oor, maar hij gaf geen antwoord, en nu wist zij dat hij dood of bewusteloos was.
Op dit oogenblik zag Beatrice iets wits in de duisternis blinken. Instinctmatig wierp zij zich voorover en greep met de eene hand het lange, taaie zeewier. De andere sloeg zij om het lichaam van den bewusteloozen man aan haar zijde en hield hem met al haar kracht vast.
Toen werden zij met schuim overstroomd. Het water lichtte haar van de rots op, maar het zeewier hield, en toen de golf ziedend gebroken was, lagen Beatrice en de bewustelooze gedaante van Geoffrey nog naast elkander. Zij was half verstikt. Wanhopig richtte zij zich op en tuurde in de duisternis landwaarts. Hemel! daar, geen honderd meter van haar af, glinsterde een licht op het water. Het was de lantaarn van een boot, want het bewoog op en neer. Met al de kracht harer longen liet zij een hulpkreet hooren. Een oogenblik verliep, en zij meende dat haar hulpgeroep beantwoord werd maar door het geweld van den storm en de branding was zij er niet zeker van. Nu zag zij zeewaarts. Weder kwam er een schuimende golf opzetten; weder wierp zij zich voorover op de rots, greep het glibberig zeewier en sloeg haar linkerarm om den bewusteloozen Geoffrey.
De golf had hen bereikt.
O, schrik! Juist toen het ziedende water over hen heen bruiste, voelde Beatrice het zeewier loslaten. Nu werden zij door de golf meegesleept en waren den dood nabij. Maar nog hield zij Geoffrey vast. Weder gevoelde zij de lucht op haar gelaat. Zij was naar de oppervlakte geslingerd en dreef op het onstuimige water. De golf was gebroken. Nu liet zij Geoffrey even los, om haar hand omhoog te brengen, en toen hij begon te zinken greep zij hem bij het haar. Toen sloeg zij trappend haar voeten in het water uit, want zij kon zoo goed zwemmen als de beste zwemmer op de kust, en wist haar oogen open te houden. Daar, op geen zestig meter afstands, was het licht van de boot, O, indien zij dat kon bereiken! Zij spoog het zoute water uit haar mond en riep nog eens luid. Het licht scheen naderbij te komen.
Nu werd zij weder door een golf overstelpt, want met dat zware aanhangsel kon zij zich niet boven houden. Het schoot haar in de gedachten, dat zij, zelfs nu nog, zichzelve kon redden, als zij hem losliet, maar zelfs in dien doodsangst wilde zij dat niet doen. Als hij zonk, wilde zij met hem zinken.
Beter zou het geweest zijn, als zij hem zijn graf in de golven had laten vinden.
Omlaag ging zij--al lager en lager.
"Ik zal hem vasthouden," zeide Beatrice in haar hart; "ik zal hem vasthouden, totdat ik sterf." Toen kwamen er lichtgolvingen en een geluid alsof de wind door de boomen suisde--en alles werd donker.
"Ik zeg je, 't helpt niet, Eduard," riep een man in de boot een ouden zeeman toe, die in den voorsteven voorover leunde en in de duisternis tuurde. "We zullen aanstonds regelrecht op de Tafelrots gesmeten worden en allemaal verdrinken. Laten wij maar omkeeren."
"Lafaards, die jelui bent!" zeide de oude man, zich naar de anderen in de boot toe wendende, zoodat het licht van de lantaarn op zijn gerimpeld gelaat, waar hevige ongerustheid op te lezen stond, en op zijn in den wind zwierend wit haar viel--"vervloekte lafaards! Ik zeg jelui, dat ik haar stem gehoord heb--tweemaal heb ik haar om hulp hooren roepen. Als jelui omkeert, bij God, ik sla jelui de ribben stuk wanneer ik aan land kom--zoo oud als ik ben, al zou ik er voor moeten hangen."
Dit nadrukkelijk te kennen gegeven gevoelen had een merkbare uitwerking op de bemanning van de boot--acht man in 't geheel. Zij keerden niet om; zij lieten de boot slechts op de riemen drijven, met den voorsteven naar de zee.
De oude man bleef in de duisternis turen. Hij beefde, niet van koude, maar van opgewondenheid.
Eensklaps wendde hij het hoofd om en riep: "Bijdraaien--bijdraaien! Daar is iets op de golf."
De mannen gehoorzaamden gewillig, maar er was niets te zien.
"Zij is weg! O, God, zij is weg!" kermde de oude man. "Nu kun jelui wel omkeeren, jongens, en de wil des Heeren geschiede!"
Het licht van de lantaarn viel in een kleinen kring op het ziedende water. Eensklaps kwam er iets wits in het midden van dien verlichten cirkel te voorschijn. Eduard staarde er op. Het dreef naar boven. Het verdween--het kwam weder te voorschijn. Het was een vrouwengelaat. Met een gil stak hij zijn armen in de zee.
"Ik heb haar--helpt een handje, jongens."
Een andere man schoot toe, en te zamen grepen zij het voorwerp in het water.
"Pas op, trek zoo hard niet. Er is nog een ander, dien zij bij het haar heeft. Bedaard aan, bedaard aan!"
Vier sterke armen haalden langzaam de bewustelooze gedaante van Beatrice over de verschansing, en tegelijk met haar haalden zij Geoffrey op, want zij had hem niet losgelaten, en te zamen werden zij in de boot gelegd.
"Ik geloof dat zij dood zijn," zeide de andere man.
"Help om hen met hun gezicht over de bank te leggen, zoodat het water uit hun keel loopt. Dat is de eenige kans. Geef mij nu dat zeil aan, om hen te dekken--zoo. Gij leeft nog, Miss Beatrice, ge zijt niet dood, daar wil ik op zweren. De oude Eduard heeft u gered, en de goede God te zamen!"
Intusschen was de boot omgewend en de mannen roeiden uit al hun macht naar Bryngelly terug, wetende dat er een leven bij op 't spel stond. Allen kenden zij Beatrice en hadden haar lief, en dat bedachten zij onder het roeien. De duisternis hinderde hen weinig, want zij hadden blindelings op de kust aan kunnen sturen.
Binnen vijf minuten waren zij om een kleine landtong heen, en hadden de lichten van Bryngelly vlak voor hen. Op het strand liepen menschen met lantarens heen en weer.
Een gunstige golf bracht de boot half over de branding, waar een twaalftal mannen zich in het water stortten en haar voortsleepten. Zij waren veilig aan land.
"Hebt ge Miss Beatrice?" riep een stem.
"Ja, en wij hebben een ander ook, maar of zij nog leven, weet ik niet. Waar is de dokter?"
"Hier, hier!" antwoordde een stem. "Breng de draagbaar."
Een forschgebouwd, dik man, die geluisterd had, in een donkeren mantel gehuld, wendde met een diepen zucht het gelaat af. Toen volgde hij de anderen, zonder echter hulp te bieden.
De draagbaar werd gebracht, de twee drenkelingen werden er op gelegd, met het gelaat naar omlaag en bedekt.
"Waarheen?" vroegen de dragers, terwijl zij de draagbaar opnamen.
"Naar de pastorie," antwoordde de dokter, "Ik heb hun daar gezegd alles in gereedheid te houden, in geval zij gevonden werd. Loop een van allen vooruit en zeg dat wij komen."
"Wie is de andere?" vroeg iemand.
"Mijnheer Bingham--de advocaat, die onlangs uit Londen hier gekomen is. Laat de veldwachter naar zijn vrouw gaan. Zij is bij mevrouw Jones en denkt dat hij op zijn terugweg van de Belrots in den mist verdwaald is."