Chapter 19
"Wacht een oogenblik," zeide zij, "misschien hebt ge mij niet goed begrepen. Wanneer een vrouw doet wat _ik_ gedaan heb, is het omdat zij met heel haar leven en hart en ziel bemint, omdat dit alles een deel van haar liefde is. Ik voor mij hecht aan niets meer waarde--ik heb geen persoonlijkheid meer zonder u, ik ben niet meer mijzelve, ik behoor mijzelve niet meer toe. Ik behoor geheel en al u toe. Over mijzelve en mijn eigen lot of goeden naam denk ik niet meer; met open oogen en uit vrijen wil, heb ik mij aan mijn liefde voor u overgegeven, en dat heb ik met vreugde gedaan. Maar over u ben ik nog bekommerd, en als ik een stap deed, of toeliet dat gij een stap deedt, die u leed kon berokkenen, zou ik het mijzelve nooit vergeven. Daarom moeten wij scheiden, Geoffrey. En laten wij nu naar binnen gaan; er is niets anders meer te zeggen dan dit: als ge mij een laatst vaarwel wilt zeggen, lieve Geoffrey, zal ik morgenochtend op het strand wachten."
"Ik vertrek om half negen," zeide hij, met een heesche stem.
"Dan zullen wij elkaar om zeven uur ontmoeten," sprak Beatrice, en ging hem voor naar binnen.
Elisabeth en Granger zaten reeds aan het avondeten. Op Zondagavond gebruikten zij dat gewoonlijk te negen uur; nu was het half tien.
"Wel, wel," zeide de oude heer, "wij begonnen al te denken dat gij samen uit roeien waart gegaan, en dat gij ditmaal voorgoed verdronken waart. Waar zijt gij al dien tijd geweest?"
"We hebben een lange wandeling gedaan," antwoordde Geoffrey; "ik wist niet dat het al zoo laat was."
"Men moet al heel veel genoegen in iemands gezelschap vinden, om in zoo'n weer zoo ver te loopen," merkte Elisabeth boosaardig aan.
"_Ik_ vond dat althans wel," antwoordde Geoffrey, volkomen naar waarheid, "en het weer is zoo erg niet als ge zoudt denken, ten minste onder de beschutting van de rotsen. Het zal straks wel erger worden."
Toen gingen zij aanzitten en maakten een wanhopig vertoon van mee te eten. De scherpziende Elisabeth merkte op, dat Geoffrey's hand beefde. Wat kon nu wel de hand van een sterk man doen beven? was de vraag, die zich aan haar opdeed. Het kon van hevige aandoening zijn, en Elisabeth meende ook nog andere teekenen van aandoening in hen beiden te bespeuren, behalve het beven van Geoffrey's hand. Het plan werkte goed, maar zou het niet tot een climax gebracht kunnen worden? O, als hij maar de onbezonnenheid beging van met Beatrice weg te loopen, zoodat zij haar kwijt was en vrij haar eigen spel kon spelen!
Kort na het avondeten, gingen Elisabeth en Beatrice naar bed en lieten haar vader met Geoffrey alleen.
"Welnu," zeide Granger, "hebt gij een woordje met Beatrice gesproken? Het was zeer vriendelijk van u, dat gij daarvoor zoo'n verre wandeling hebt gedaan en dat nog wel bij zulk noodweer."
"Ja," antwoordde Geoffrey, "dat heb ik gedaan."
"Ei zoo! Gij hebt haar, hoop ik, gezegd dat zij de hoop op hem nog niet behoeft op te geven--op mijnheer Davies, bedoel ik?"
"Ja, dat heb ik haar gezegd--het lag er ten minste wel in opgesloten," liet hij er bij zichzelven op volgen.
"En hoe nam zij het op?"
"Zeer slecht," antwoordde Geoffrey; "zij scheen van meening te zijn, dat ik mij er niet mee had te bemoeien."
"Dat is vreemd. Maar het beteekent niets. Zij is er u in haar hart dankbaar voor, daar kunt ge staat op maken, maar zij wilde het zoo niet zeggen. Hemel, wat stormt het! Dat zal een nacht geven! Dus gaat ge morgen heen? Och ja, de beste vrienden moeten eenmaal scheiden. Ik hoop dat ge ons nog dikwijls zult komen bezoeken. Vaarwel!"
Weder kwam het gevoel, hoe belachelijk de toestand eigenlijk was, bij Geoffrey boven, en hij glimlachte bitter, terwijl hij zijn kaars aanstak, om naar bed te gaan. Achter in het huis was een lange gang, aan het eene einde waarvan de kamer was, waar hij logeerde, en aan het andere einde de slaapkamer van Elisabeth en Beatrice. Die gang werd verlicht door twee vensters, en nog twee andere kamers kwamen er in uit--die van Granger, en de kamer waar Effie had geslapen. Er waren geen luiken voor de vensters van die gang, en een oogenblik stond Geoffrey uit te zien naar de flikkering van het weerlicht. Toen wierp hij een blik op de deur van Beatrice's kamer, met dat eigenaardig gevoel van eerbied, dat soms met verliefdheid gepaard gaat, en met een zucht wendde hij zich om en ging zijn eigen kamer binnen.
Hij kon niet slapen, dat was onmogelijk. Bijna twee uur lang wentelde hij zich van de eene zijde op de andere, en het was alsof zijn hoofd zou bersten. Morgen moest hij haar verlaten, haar voor altijd verlaten, en terugkeeren tot zijn strijd met de wereld, waar geen Beatrice was om hem gelukkig te maken. En zij, hoe was het met haar?
De storm, die een weinig bedaard was, begon nu opnieuw op te steken, door het weerlicht voorafgegaan. Hij stond op, trok een _chambercloak_ aan, en zat voor het venster uit te zien naar het woeden der natuur, dat zijn gefolterd hart eenige verlichting scheen te geven; in dit smartelijk uur zou nachtelijke stilte hem waanzinnig gemaakt hebben.
Nog acht uur en het zou met werkelijken omgang tusschen hen gedaan zijn. Het geheim zou voor altijd in hun binnenste besloten blijven, en aan hun hart knagen, als de worm, die niet sterft. Geoffrey sloeg de oogen op, met een blik alsof hij in een visioen de verborgenste gedachten zijner ziel voor zijn geliefde uitstortte. Weder overviel hem datzelfde raadselachtige gevoel als in een vroegeren nacht. Al sterker en sterker werd het, al meer en meer bracht het zijn geest in verwarring, totdat hij zich niets meer herinnerde dan Beatrice, niets meer wist dan dat haar leven nu één was met het zijne.
Hij strekte de armen in de ledige lucht uit, en fluisterde: "Beatrice! O, mijn geliefde! mijn ziel, mijn leven! Hoor mij aan, Beatrice!"
Een gierende windvlaag deed op dit oogenblik het huis schudden.
O, wat was dat? Stil werd de deur geopend, en een witte gedaante kwam over den drempel. Hij sprong overeind; schrik en ontzettende verrassing vermeesterden hem. Daar, in het helle schijnsel van het weerlicht, stond zij voor hem--zij, Beatrice, met haar blanke armen uitgestrekt, bloote voeten en loshangend haar; haar boezem zwoegde zacht onder haar nachtgewaad, haar lippen waren half geopend, haar oogen stonden strak, haar gelaat teekende een akelige kalmte.
Groote Hemel, zij sliep!
Stil! zij sprak.
"Ge hebt mij geroepen, Geoffrey," zeide zij, met een doffe, onnatuurlijke stem. "Ge hebt mij geroepen, geliefde, en--daar ben ik." Hevig ontsteld, bevend als een espenblad, staarde hij op die bekoorlijke verschijning.
Zie! Zij trad naar hem toe, en zij _sliep_. O, wat moest hij doen?
Eensklaps deed de tocht de geopende deur met een harden slag dichtvallen. Zij ontwaakte met schrik.
"O, God, waar ben ik?" riep zij uit.
"Stil, om 's Hemelswil, stil!" antwoordde hij, zijn tegenwoordigheid van geest terugverkrijgende. "Stil, of gij zijt verloren."
Maar het was niet noodig haar te waarschuwen stil te zijn, want de schok deed Beatrice het bewustzijn verliezen, en bezwijmd zonk zij in zijn armen.
Hoofdstuk XXIII.
Een regenachtige ochtend.
De slag van de dichtvallende deur had niet alleen Beatrice doen ontwaken; ook Elisabeth en Granger waren er wakker van geworden. Elisabeth zat in bed overeind, door de duisternis heen, te zien wat er gebeurd was; haar blik viel op Beatrice's bed--zeker--zeker--
Elisabeth stapte het bed uit, sloop als een kat de kamer door en voelde met haar hand op het bed. Beatrice was daar niet. Snel trok zij de blinden open, om bij het weinige licht, dat zij doorlieten, de kamer te doorzoeken. "Beatrice," riep zij, "waar ben je?"
Geen antwoord.
"Aha," zeide Elisabeth; "ik begrijp het. Eindelijk--eindelijk!"
Wat zou zij doen? Zou zij haar vader roepen en haar openlijk te schande maken? Neen. Beatrice zou wel terugkomen. Het was genoeg dat zij het wist; daar kon zij, als het noodig was, gebruik van maken. Zij wilde haar zuster niet in 't verderf storten dan tot zelfverdediging, of liever uit eigenbelang. Nog minder wilde zij Geoffrey kwetsen, tegen wien zij geen wrok had. Dus ging zij de gang in, kwam terug, kroop weer in bed, als een slang in haar hol, en lag op de loer.
Granger, die, toen hij den slag hoorde, meende dat de voordeur was opengewaaid, stond op, en stak een kaars aan, om er naar te gaan zien.
Maar van dit alles wist Geoffrey niets, en Beatrice, natuurlijk, nog veel minder.
Zij lag bewusteloos in zijn armen; haar hoofd rustte op zijn schouder, haar golvend haar hing langs zijn zijde bijna tot aan zijn knie. Hij tilde haar op, raakte met zijn lippen haar voorhoofd aan, en legde haar op het bed. Wat te doen? Haar tot bewustzijn terugbrengen? Neen, dat durfde hij niet--hier niet. Terwijl zij zoo lag, was haar hulpeloosheid haar bescherming; maar als de bewustelooze gedaante weer een levende en minnende vrouw was, hier, en zoo--o, wat dan? Hij durfde haar niet aanraken of naar haar zien, voordat hij zijn besluit had genomen. Hier moest zij niet blijven, en daar zij niet in staat was heen te gaan, moest hij haar wegbrengen, en dat wel oogenblikkelijk. Hoe ver Geoffrey overigens ook, naar den maatstaf van strenge deugd gemeten, te kort schoot, dit zal altijd voor hem pleiten.
Hij deed de deur open, en tegelijk meende hij iemand door het huis te hooren loopen. En dat was ook zoo; het was Granger in de huiskamer. Toen hij niets meer hoorde, begreep Geoffrey dat het de wind geweest moest zijn, en op den tast liep hij naar het bed, waar Beatrice doodstil lag. Een oogenblik kwam de ontzettende vrees bij hem op dat zij misschien werkelijk dood was. Hij had wel gehoord van slaapwandelaars, die, als zij plotseling uit hun onnatuurlijken slaap wakker gemaakt worden, slechts ontwaken om te sterven. Dat kon ook met haar het geval zijn. Snel legde hij zijn hand op haar borst. Ja, haar hart klopte nog--wel flauw, maar toch klopte het. Zij was dus alleen maar bezwijmd. Nu draalde hij niet langer, sloeg zijn arm om haar heen, en tilde haar van het bed op, alsof zij een kind was. Beatrice was geen spichtig opgeschoten meisje, maar een volwassen, flink ontwikkelde vrouw. Hij voelde haar zwaarte niet; zij scheen hem zoo licht als een veer toe. Sluipend, als iemand, die op een nachtelijken moord uitgaat, stapte hij met haar naar de deur en de gang in. Toen ondersteunde hij haar met den eenen arm, en deed met de linkerhand de deur dicht. Steelsgewijze liep hij in de duisternis den gang door, zonder dat zijn bloote voeten op den houten vloer gedruisch maakten, totdat hij aan den zijgang kwam.
Hij wierp er een angstigen blik in, en wat hij zag, deed het bloed in zijn aderen stollen, want geen acht passen van hem af was Granger, met een blaker in de hand. Wat moest hij beginnen? Naar zijn kamer terugkeeren was onmogelijk--die van Beatrice te bereiken, evenzeer. Daar schoot het hem als een lichtstraal te binnen, dat de ledige kamer geen twee passen van hem af was. Eén schrede, en hij was er. O, waar was de kruk? O, als de kamer eens gesloten was! Gelukkig was dit niet zoo. Hij stapte binnen, deed de deur dicht, en stond er hijgend achter.
Het lichtschijnsel kwam nader. Genadige Hemel! hij was gezien--de oude man zou binnenkomen. Wat kon hij zeggen? De waarheid, dat was het eenige; maar wie zou zulk een verhaal gelooven? Kon hij verwachten, dat het geloof zou vinden bij een vader, die een man in het holle van den nacht als een dief achter een deur zag staan, met zijn dochter bewusteloos in zijn armen? Hij had er reeds aan gedacht regelrecht naar Granger toe te gaan, maar dat denkbeeld had hij als hopeloos opgegeven. Hoe zou hij gelooven, dat zijn dochter zoo opeens een slaapwandelaarster was geworden? Voor de eerste maal in zijn leven, was Geoffrey doodelijk bevreesd; zijn haar rees te berge, zijn hart kromp ineen, en het klamme zweet brak hem uit.
"'t Is raar," hoorde hij den ouden man bij zichzelven mompelen, "ik had er bijna op kunnen zweren dat ik iets wits die kamer zag binnengaan. Waar is de kruk? Als ik aan spoken geloofde--hei, daar waait mijn kaars uit! Ik zal een lucifer gaan halen. Zonder licht ga ik daar niet binnen."
Voor 't oogenblik waren zij gered. De tocht, die door het slecht sluitende venster kwam, had het licht uitgeblazen.
Na een oogenblik gewacht te hebben, om Granger tijd te laten naar zijn kamer te gaan, kwam Geoffrey veilig de kamer uit. Gelukkig gaf Beatrice nog geen blijk van terugkeerend bewustzijn. Nog eenige snelle schreden, en hij was aan de deur van haar eigen kamer. Maar nu beving hem een nieuwe vrees. Als Elisabeth ook eens door het huis liep, of alleen maar wakker was? Hij dacht er over, Beatrice aan de deur neder te leggen en haar daar te verlaten, maar dit denkbeeld liet hij varen. Ten eerste, zou haar vader haar kunnen zien, en hoe zou zij dan kunnen verklaren dat zij daar lag? En al vond haar vader haar niet, dan zou de koude zeker kwade gevolgen voor haar hebben. Neen, hij moest het wagen, en dat wel zonder aarzelen, hoewel hij liever tegenover een geschutvuur gestaan zou hebben. De deur stond gelukkig op een kier. Geoffrey stiet ze met zijn voet open, trad binnen, en stiet ze met zijn voet weer dicht. Plotseling bedacht hij, dat hij nooit in die kamer was geweest en niet wist wat het bed van Beatrice was. Hij liep naar het eerste het beste; een zware ademhaling zeide hem dat dit het verkeerde was. In zooverre, ten minste, gerustgesteld dat Elisabeth sliep, liep hij door de donkere kamer naar het tweede bed. Hij legde Beatrice er op, en trok de dekens, die opengeslagen waren, over haar heen. Toen nam hij de vlucht.
Aan de deur zag hij Granger met zijn licht verdwijnen en hoorde hem de deur van zijn kamer dichtdoen. Daarna was hij, naar 't hem toescheen, met twee stappen in de zijne.
Hij barstte in een akelig gelach uit; zijn zenuwen waren hevig geschokt. Het geheele tooneel had iets tragisch-komisch. Als zijn politieke tegenstanders, die hem reeds zulk een bitteren haat toedroegen, hem eens zoo van de eene deur naar de andere hadden zien sluipen, met een bewustelooze vrouw in zijn armen--wat zouden zij wel gezegd hebben?
Hij hield met lachen op; de vlaag was voorbij--het was niet om te lachen. Toen dacht hij aan dien anderen nacht, voordat hij naar Londen terug was gegaan. Het zaad, in dat zonderling uur gestrooid, had gebloeid en vruchten voortgebracht. Wie zou het mogelijk geacht hebben, dat hij Beatrice zoo tot zich had kunnen trekken? Hij had het moeten weten. Als het mogelijk was dat dezelfde woorden, waarin zij haar gevoel uiting had gegeven, juist op hetzelfde oogenblik hem ook in de gedachten waren gekomen, zooals in dien nacht, wat was dan niet mogelijk? Ja, hij had het moeten weten! Het eenige, wat hij in zijn voordeel kon aanvoeren, was dat zijn zelfbedwang hem niet begeven had.
Maar hoe zou het met Beatrice gaan? Zou zij weer tot haar bewustzijn komen? Hij dacht het wel, het was maar een bezwijming. Doch als zij uit haar bezwijming ontwaakte, wat zou zij dan doen? Niets onbezonnens, hoopte hij. En wat zou van dat alles het einde zijn? Wie kon dat zeggen? Hoe gelukkig dat haar zuster zoo gerust sliep. Want hij had het niet op Elisabeth begrepen--hij wantrouwde haar.
Wel mocht hij haar wantrouwen! Elisabeth's slaap was als die van een wezel. Zij lachte op dit oogenblik ook, niet luid, maar lang; het was de lach van iemand, die aan de winnende hand is.
Zij had hem zien binnenkomen met zijn vracht in zijn armen; zij had hem naar haar bed zien komen en zwaar ademgehaald, om hem te waarschuwen, dat hij zich vergist had. Zij had hem Beatrice op het bed zien leggen; zij had hem hooren zuchten en zien heengaan; niets was haar opmerkzaamheid ontsnapt. Zoodra hij zich uit de kamer verwijderd had, was zij opgestaan en naar Beatrice's bed geslopen, en bespeurende dat zij in een bezwijming lag, had zij haar maar stil laten liggen, wetende dat er geen gevaar bij was. Elisabeth was volstrekt niet zenuwachtig. Toen had zij geluisterd, totdat eindelijk een diepe zucht aanduidde dat haar zuster weder uit haar bewusteloosheid bijkwam. Kort daarna bleek haar uit Beatrice's lange en zachte ademhaling, dat haar bezwijming in slaap was overgegaan.
De nacht ging voorbij, en eindelijk scheen het daglicht door het venster. Elisabeth, nog altijd op de loer--want zij wilde geen enkel tooneel van een drama, zoo boeiend op zichzelf en zoo gewichtig voor haar belangen, missen, zag haar zuster eensklaps overeind in haar bed zitten en de handen tegen het voorhoofd drukken, alsof zij zich een droom zocht te binnen te roepen. Toen hield Beatrice de handen voor de oogen, en zuchtte diep. Nu zag zij op haar horloge, stond op, dronk een glas water, en kleedde zich.
"Zij gaat uit, om haar minnaar te ontmoeten," dacht Elisabeth, toen zij haar een ouden grijzen regenmantel met kap zag omslaan, want buiten was het nat. "Ik zou er wel bij willen zijn, om dat ook te zien, maar ik heb al genoeg gezien."
Zij geeuwde, en deed alsof zij wakker werd. "Ga je in dien stortregen uit, Beatrice?" vroeg zij, met geveinsde verbazing.
"Ja, ik heb slecht geslapen en moet wat frissche lucht scheppen," antwoordde Beatrice, onthutsende en kleurende. "Dat komt zeker van den storm."
"Heeft het zoo gestormd?" zeide Elisabeth, weder geeuwende. "Daar heb ik niets van gehoord--maar terwijl men slaapt, gebeuren er zooveel dingen, waarvan men op het oogenblik niets weet," voegde zij er slaperig bij, als iemand, die zoo maar losweg iets zegt. "Zorg dat je tijdig genoeg terug bent om van mijnheer Bingham afscheid te nemen; hij vertrekt met den eersten trein, zooals je weet--maar misschien ontmoet je hem wel op je wandeling," en den schijn aannemende alsof zij nu eerst recht wakker werd, richtte zij zich in haar bed overeind, en vestigde een doorborenden blik op haar zuster.
Beatrice gaf geen antwoord; die blik joeg haar schrik aan. O, wat was er gebeurd? Of was alles een droom? Had zij gedroomd dat zij met Geoffrey van aangezicht tot aangezicht in zijn kamer had gestaan, voordat een diepe duisternis haar had overvallen? Of was het een ontzettende waarheid?--en als het een waarheid was, hoe kwam zij dan weer hier? Zij ging naar de provisiekast, nam een stuk brood en at het, want zij had nog een gevoel van flauwheid. Toen gevoelde zij zich beter en ging uit, den kant van het strand op.
Het was een gure ochtend. De storm was bedaard; het woei nu nog slechts bij vlagen, met zware regenbuien. De zee was grauw en onstuimig; de branding sloeg met donderend geraas op het strand, en kolommen schuim stoven over de gezonken rotsen. De geheele aarde scheen een woestenij, en het middelpunt van al haar leed was in het gebroken hart van dit meisje.
Geoffrey was ook op. Hoe hij het overige van dien nacht had doorgebracht, behoeven wij niet te vragen--alles behalve aangenaam, daar kunnen wij zeker van zijn. Hij hoorde Beatrice de voordeur achter zich dichtdoen, en volgde haar in den regen.
Omstreeks een halve mijl ver, vond hij haar op het strand, naar de zee ziende, terwijl een groote zeemeeuw om haar hoofd vloog. Zij wisselden geen woord van begroeting; zij gaven elkaar slechts de hand en zagen elkaar in de oogen.
"Kom onder de beschutting van die rots," zeide hij, en dat deed zij. Zij stond daar met gebogen hoofd, en haar gelaat door de kap verborgen.
"Zeg mij wat er gebeurd is," sprak zij, "Ik heb iets gedroomd, iets ergers dan wat er nog gebeurd is--zeg mij wat het is. Spaar mij niet."
En Geoffrey vertelde haar alles.
Toen hij gedaan had, sprak zij weder.
"Waarbij moet ik zweren," zeide zij, "dat ik niet ben wat ge van mij denken moet? Geoffrey, ik zweer bij mijn liefde voor u, dat ik onschuldig ben. Dat ik--o, schande!--van nacht in uw kamer ben gekomen, was buiten mijn wil, buiten mijn weten. Ik ging slapen, ik was afgemat, en verder weet ik niets meer dan dat ik een vreeselijk geweld hoorde en u in een hel licht voor mij zag, waarna alles duisternis was."
"O, Beatrice, wees niet bedroefd," antwoordde hij. "Ik zag dat ge sliept. Het gebeurde is iets verschrikkelijks, maar ik geloof niet dat iemand ons gezien heeft."
"Dat weet ik niet," hernam zij. "Elisabeth zag mij van ochtend zoo zonderling aan, en zij ziet alles. Geoffrey, voor mijzelve bekommer ik er mij er niet om. Maar waar ik mij wel om bekommer, is wat _gij_ van mij denken moet? Gij moet gelooven--o! ik kan het niet zeggen. En toch ben ik onschuldig. Nooit, nooit heb ik er aan gedacht. Bij u te komen--zoo--o, 't is schaamteloos!"
"Beatrice, spreek zoo niet. Ik zeg u immers, dat ik het weet. Luister--ik heb u aangetrokken. Ik had niet bedoeld dat gij komen zoudt. Ik dacht niet dat gij zoudt komen, maar 't is _mijn_ schuld. Luister naar mij, lieve," en hij zeide haar wat geschreven woorden niet kunnen uitdrukken.
Toen hij had uitgesproken, zag zij hem aan met een opgeklaard gelaat; de donkere schaduw van schaamte was er van geweken. "Ik geloof u, Geoffrey," zeide zij, "omdat ik weet, dat gij dit niet verzonnen hebt om mij te verontschuldigen, want ik heb dat ook gevoeld. Daardoor ziet ge wat ge voor mij zijt. Gij zijt mijn heer en meester en mijn alles. Ik kan u niet weerstaan, al wilde ik het ook. Ik heb geen anderen wil dan den uwen. En beloof mij nu dit op uw woord: laat mij nu buiten uw invloed blijven. Trek mij niet tot u aan, om uw verderf te zijn. Ik maak geen aanspraak; ik heb mijn leven aan uw voeten gelegd, maar zoolang ik eenige kracht heb om er tegen te strijden, zult gij het niet opnemen, tenzij ge het tot uw eigen eer kondet doen, en dat is niet mogelijk. O, wat hadden wij samen gelukkig kunnen zijn, gelukkiger dan man en vrouw meestal zijn, maar dat is ons ontzegd. Wij moeten ons kruis dragen, het vleesch kruisigen; misschien aldus--wie kan dat zeggen?--den geest verheerlijken. Ik ben u veel verschuldigd. Ik heb veel van u geleerd, Geoffrey. Ik heb geleerd weer op een Hiernamaals te hopen. Niets is mij nu meer overgebleven dan dat--en over een uur, de herinnering aan u.
"O, waarom zou ik weenen? Dat is ondankbaar, als ik uw liefde bezit--en wat beteekent dit verdriet daar tegenover gesteld? Kus mij, geliefde en ga--en zie mij nimmer weder. Gij zult mij niet vergeten, ik weet dat ge mij uw leven lang niet vergeten zult. Eenmaal misschien--wie weet dat? Zoo niet, welnu dan zal 't het best zijn te sterven."
't Is niet goed bij zulk een tooneel als dit langer te verwijlen. 't Is maar een gebroken hart meer. De wereld breekt op deze of op een andere wijze zooveel harten, dat zij er weinig genoegen in kan vinden op zulke tooneelen van zielsfoltering te staren.
Bovendien moeten wij ons niet door onze sympathie laten medesleepen. Geoffrey en Beatrice hadden niet meer dan hun verdiend loon. Wat behoefden zij zich in zulk een toestand te brengen! Zij hadden de gebruiken van hun wereld getrotseerd, en de wereld wreekte zich op hen en hun hartstocht voor elkander. Wat gebeurt den worm, die op den grooten weg wil wroeten? Door wielen verpletterd en door voeten vertrapt te worden is zijn deel. Beatrice en Geoffrey zijn voorbeelden, die een moraal verkondigen. Zoover wij kunnen zien en oordeelen, hadden zij zich niet in die altijd stroomende rivier van menschelijk verdriet behoeven te storten. Laat hen worstelen en verdrinken, en laten degenen, die op den oever staan, uit dat schouwspel wijsheid leeren en geen hand uitsteken om hen te helpen.
Geoffrey trok een ring van zijn vinger, en gaf dien aan zijn geliefde. Het was een gladde zilveren ring, die uit het graf van een Romeinsch krijgsman was genomen, en waarop aan de binnenzijde ruw de woorden gegraveerd waren: "_Ave atque vale_." Gegroet en vaarwel! Het was een gepast geschenk voor menschen in hun toestand. Beatrice fluisterde bevend, dat zij dien ring op haar hart zou dragen, aan haar vinger kon zij hem niet steken--hij zou herkend kunnen worden.