Beatrice

Chapter 18

Chapter 184,018 wordsPublic domain

"Zoo!" zeide Geoffrey, die vond dat hij er werkelijk vreemd uitzag. "Misschien leeft gij te eenzelvig en zijt gij te veel alleen--dat zal u neerslachtig maken."

"Ja, ik ben te veel alleen, omdat het niet anders kan. Wat moet iemand doen, mijnheer Bingham, als de vrouw, die hij bemint, niet met hem trouwen wil, hem niet wil aanzien, hem behandelt alsof zij hem voor de honden gevonden heeft?"

"Met een andere vrouw trouwen," ried Geoffrey aan.

"O, dat kunt gij gemakkelijk zeggen--gij hebt nooit bemind, en weet er niet van. Ik kan met geen andere trouwen, ik wil alleen met _haar_ trouwen."

"Haar? Wie?"

"Wie? Wel, Beatrice--met wie anders zou een man willen trouwen, als hij haar eenmaal gezien heeft? Maar zij wil mij niet hebben; ze haat mij."

"Waarlijk?" zeide Geoffrey.

"Ja, waarlijk, en weet ge waarom? Wil ik u zeggen, waarom? Ik zal het u zeggen," en hij greep hem bij den arm, en fluisterde hem heesch in 't oor: "Omdat zij _u_ bemint, mijnheer Bingham."

"Hoor eens, mijnheer Davies," sprak Geoffrey, zijn arm losrukkende, "zulke malle praatjes duld ik niet. Ge zijt zeker niet bij uw zinnen."

"Wees niet boos op mij," hernam Davies. "Het is waar. Ik heb haar gadegeslagen, en ik weet dat het waar is. Waarom schrijft zij u elke week? Waarom onthutst zij en luistert zij als uw naam maar genoemd wordt? O, mijnheer Bingham," ging hij op een erbarmelijken toon voort, "heb medelijden--gij hebt een vrouw, en zooveel vrouwen als gij maar wilt, wie gij het hof kunt maken--laat _mij_ Beatrice. Als ge 't niet doet, geloof ik dat ik krankzinnig zal worden. Ik heb haar altijd bemind, reeds toen zij nog maar een kind was, en van dag tot dag wordt mijn liefde sterker en onweerstaanbaarder. Gij kunt Beatrice slechts tot schande brengen, maar _ik_ kan haar alles geven, zooveel als zij maar wil, alles wat haar hart begeert, en ik zal een goed echtgenoot voor haar wezen; ik zal altijd aan haar zijde zijn."

"Ik betwijfel niet of dat zou wel heerlijk voor u zijn," antwoordde Geoffrey; "maar vindt ge er niet iets onwaardigs in, mijnheer Davies, dat ge _mij_ dit alles zegt? Dat moet gij Miss Granger zelve zeggen."

"Dat weet ik wel," hernam hij, "maar dat kan mij niet schelen. 't Is mijn eenige kans, en wat geef ik er om of het onwaardig is? O, mijnheer Bingham, ik heb nooit een andere vrouw bemind, ik ben mijn heele leven eenzaam geweest. Sta mij nu niet in den weg. Als gij wist wat ik geleden heb, hoe ik God heb gebeden mij Beatrice te schenken, zoudt ge mij helpen. Gij zijt een van die mannen, die alles vermogen; zij zal naar u luisteren. Als gij haar zegt dat ze met mij moet trouwen, zal zij het doen, en ik zal er u mijn leven lang voor zegenen."

Geoffrey zag met de grootste verachting op dien smeekeling neder. Er is altijd iets verachtelijks in, als de eene man de hulp van een anderen in zijn liefdeszaken inroept--dat moest hij alleen wel af kunnen. Hoeveel te meer nog is het dan niet vernederend, als de verliefde persoon hulp zoekt bij den man, dien hij voor zijn gelukkigen medeminnaar houdt?

"Ik moet u zeggen, mijnheer Davies," hernam Geoffrey, "dat ik van dat alles genoeg heb. Het past mij niet Miss Granger te willen dwingen een aanzoek aan te nemen, dat haar, volgens uw verklaring, niet welkom is. Maar als ik er toe in de gelegenheid ben, zal ik haar zeggen wat ge _mij_ gezegd hebt. Het overige laat ik aan uzelven over. Goeden morgen, mijnheer Davies."

Hij wendde zich om, en liep heen, terwijl Owen hem nastaarde.

"Ik geloof hem niet," bromde hij bij zichzelven. "Hij zal beproeven haar tot zijn minnares te maken. O, God sta mij bij--daar kan ik niet aan denken! Maar als hij het doet, en ik er achter kom, laat hij dan oppassen! Ik zal hem in 't verderf storten, ja, in 't verderf storten! Ik heb geld, en dus kan ik dat doen. Ha, hij denkt dat ik gek ben--ze denken altemaal dat ik gek ben, maar ik heb mij niet al die jaren voor niemendal stilgehouden. Ik kan geweld maken, als het noodig is. En als hij een schurk is, zal God mij helpen om hem te vernietigen. Ik heb God gebeden, en God zal mij helpen."

Toen ging hij naar het kasteel terug. Owen Davies was een type van dat soort van godsdienstige menschen, die meenen dat zij den Almachtige voor hun verlangens op hun hand kunnen krijgen, als die verlangens maar door menschelijke instellingen en gebruiken gewettigd zijn.

Zoo was, binnen vier-en-twintig uur, Geoffrey's hulp driemaal ingeroepen, om het meisje, dat hij beminde, in de armen van een echtgenoot, die haar tegenstond, te brengen. Geen wonder dat hij op dit punt bijna bijgeloovig werd.

Hoofdstuk XXII.

Een stormachtige nacht.

Dien namiddag ging het heele gezelschap van de pastorie naar de boerderij, om een nieuw nest jonge varkens te zien. Het kwam Geoffrey voor, toen hij zich vroegere edities herinnerde, dat het voortbrengingsvermogen van Grangers oude zeug aan het wonderbaarlijke grensde, en droomerig maakte hij een berekening, hoeveel tijd zij en haar nakomelingschap wel noodig zouden hebben om op elken vierkanten meter van het grondgebied van Wales een varken voort te brengen. Dat scheen in zes jaar te doen te zijn, maar het was een dwaze berekening, dus liet hij het er bij.

Dien namiddag sprak hij geen woord met Beatrice alleen. Het scheen alsof er een zekere koelheid tusschen hen ontstaan was. Met de scherpzinnigheid eener liefhebbende vrouw, had zij geraden dat er in zijn gemoed iets omging, wat strijdig met haar levendigste belangen was, dus vermeed zij zijn gezelschap en beantwoordde zijn gebruikelijke voorkomendheden met een beleefdheid, die even koel als terneerslaand was. Dat beviel Geoffrey niet; 't is geheel iets anders (natuurlijk, in haar eigen belang) het heldhaftig besluit te nemen, van een dame, die men niet in opspraak wil brengen, af te zien, dan door die dame afgescheept te worden voordat het oogenblik van scheiding gekomen is. In zijn hart zou hij wel gewenscht hebben dat zij dezelfde gebleven was, ja zelfs teederder was geworden, om des te meer eer van zijn deugdzaam gedrag te hebben.

Maar ongelukkig speelt een vrouw, in zulk een geval, iemand nooit in de kaart. Haar gedrag kan alles in de war sturen, want het is in 't oogspringend dat er om een zaak van dien aard tot een waardig einde te brengen, twee noodig zijn. Beatrice gedroeg zich niet beter dan elke andere vrouw gedaan zou hebben. Zij was geraakt en wantrouwend, en dat toonde zij, waarvan het gevolg was dat Geoffrey ook geraakt werd. Hij vond het wreed van haar, alles in aanmerking genomen. Hij vergat dat zij niet weten kon wat er in zijn binnenste omging, hoeveel zij ook mocht gissen; ook dat hij tot dusverre de kracht harer liefde voor hem, en alles wat die voor haar beteekende, niet wist. Had hij dit kunnen beseffen, dan zou hij heel anders gehandeld hebben.

Zij kwamen thuis en dronken thee, en toen maakten Granger en Elisabeth zich gereed om naar de avondgodsdienstoefening te gaan. Tot Geoffrey's teleurstelling, deed Beatrice dat ook. Hij had verwacht een rustig wandelingetje met haar te doen--dat was waarlijk te erg. Gelukkig, of liever ongelukkig, was zij het eerst gereed, zoodat hij een woord met haar kon spreken.

"Ik wist niet dat ge naar de kerk gingt," zeide hij; "ik dacht dat wij samen een wandeling zouden doen. Waarschijnlijk moet ik morgenochtend vroeg vertrekken."

"Zoo?" zeide Beatrice koel. "Maar gij hebt, natuurlijk, uw werk dat u wacht. Ik heb Elisabeth gezegd dat ik in de kerk zou komen, dus moet ik het ook doen; en het is te drukkend weer om te wandelen; er broeit onweer."

Op dat oogenblik kwam Elisabeth binnen.

"Ga je nu mee naar de kerk, Beatrice?" zeide zij. "Vader is al vooruit."

Beatrice deed alsof zij haar niet hoorde, en dacht even na. Hij zou heengaan, en zij zou hem niet weer zien. Kon zij zich dat laatste uur laten ontglippen? O, dat kon zij niet!

Dit oogenblik van nadenken besliste haar lot.

"Neen," antwoordde zij langzaam, "ik zal maar niet meegaan; 't is te warm in de kerk. Mijnheer Bingham zal je wel willen vergezellen."

Geoffrey haastte zich om te zeggen dat hij dit niet van plan was, en Elisabeth ging alleen. "Ik dacht wel, lievertje, dat je niet mee zoudt gaan!" zeide zij bij zichzelve.

"Welnu," zeide Geoffrey, toen zij weg was, "zullen wij uitgaan?"

"Mij dunkt, 't is hier aangenamer," antwoordde Beatrice.

"O, Beatrice wees niet zoo stroef," zeide hij, met een zachte stem.

"Nu dan, als gij 't gaarne wilt," antwoordde zij. "De zon gaat zoo rood onder--wij krijgen, geloof ik, onweer."

Zij gingen uit, en wandelden het eenzame strand op. Het was daar geheel verlaten, en zij liepen niet vlak naast elkander en bijna zonder te spreken. De zonsondergang was luisterrijk; groote, goudkleurige wolken dreven uit den gloed in het Westen gestadig landwaarts. De zee was nog stil, maar deed een klagend geloei hooren. De onweerswolken pakten zich samen.

"Welk een heerlijke zonsondergang!" zeide Geoffrey eindelijk.

"Maar een heerlijkheid, die een onstuimigen nacht en een natten morgen voorspelt," antwoordde zij. "De wind steekt op; willen wij terugkeeren?"

"Neen, Beatrice, laten we ons niet aan den wind storen. Ik moet u spreken, als gij 't mij vergunt."

"Ja," zeide Beatrice, "waarover mijnheer Bingham?"

In een geval van dien aard goede voornemens op te vatten is betrekkelijk gemakkelijk, maar ze ten uitvoer te brengen levert nogal moeilijkheden op. Dit ondervond Geoffrey ook, nu het er toe kwam om Beatrice te zeggen dat zij wel zou doen met Owen Davies te trouwen. Intusschen bewaarde zij het stilzwijgen.

"Ziet ge," begon hij, "ik hoop dat ge 't mij niet kwalijk zult nemen, maar ik heb veel over u en uw toekomstig welzijn gedacht."

"Dat is zeer vriendelijk van u," zeide Beatrice, met kwaadvoorspellende deemoedigheid.

Dit was terneerslaand, maar Geoffrey's besluit stond vast en op eenigszins radden toon, uit zenuwachtigheid en tegenzin in zijn taak voortspruitende, ging hij voort. Nooit had hij haar zoo bemind als op dit oogenblik nu hij haar zou aanraden met een ander man te trouwen. En echter volhardde hij in zijn dwaasheid. Want, zooals men meermalen ziet, het schrander doorzicht en de wereldkennis, waardoor Geoffrey zich als rechtsgeleerde onderscheidde, wanneer hij de zaken van anderen behandelde, begaven hem geheel en al in deze crisis van zijn eigen leven en die van het meisje, wier afgod hij was.

"Sedert ik hier geweest ben," zeide hij, "is mijn hulp niet minder dan driemaal, en door verschillende menschen, ten uwen behoeve ingeroepen--door uw vader, die meent dat gij van liefde voor Owen Davies kwijnt; door Owen Davies, die voorzeker van liefde voor _u_ kwijnt, en door den ouden Eduard, als een soort van familiestuk."

"Zoo!" zeide Beatrice, op ijskouden toon.

"En alle drie drongen op hetzelfde aan--de wenschelijkheid dat gij met Owen Davies zoudt trouwen."

Beatrice's gelaat werd doodsbleek, haar lippen trilden en haar oogen vlamden van toorn.

"Werkelijk?" zeide zij. "En hebt _gij_ op dit punt eenigen raad te geven, mijnheer Bingham?"

"Ja, Beatrice, dat heb ik. Ik heb er over nagedacht, en ik geloof--vergeef mij dat ik het zeg--dat, als gij er toe kunt besluiten, gij misschien het best zult doen met hem te trouwen. Hij is geen slecht man, en hij is rijk."

Zij hadden snel geloopen, en nu waren zij aan de plek als het "Amphitheater" bekend, dezelfde plek, waar Owen, zeven maanden geleden, Beatrice een liefdesverklaring had gedaan.

Beatrice liep langs den vooruitstekenden kant van den rots om, en een eindweegs naar den platten steen in het midden, voordat zij antwoordde. Bittere toorn vervulde haar hart. Zij meende alles te doorzien. Geoffrey wilde van haar af zijn. Hij had in hun vertrouwelijkheid iets gevaarlijks gezien, en die vertrouwelijkheid wilde hij onmogelijk maken door haar tot een huwelijk tegen haar zin over te halen. Eensklaps wendde zij zich tot hem, en zag hem met van toorn vlammende oogen vlak in 't gelaat; en met een gebiedende fierheid en waardigheid van voorkomen, zooals hij nog nooit van haar gezien had, en die hem letterlijk ontzag inboezemde, zeide zij:

"Beseft gij niet, mijnheer Bingham, dat gij u een groote vrijheid veroorlooft? Beseft gij niet dat een man, die geen nabestaande is, het recht niet heeft zoo tot een vrouw te spreken als gij tot mij gesproken hebt?--kortom, dat gij u aan een grove onbescheidenheid schuldig hebt gemaakt? Welk recht hebt gij mij de wet voor te schrijven met wien ik zal trouwen of niet? Dat is toch zeker mijn eigen zaak."

Geoffrey kleurde tot over zijn slapen. Scherper dan eenige andere beschuldiging, welke zij tegen hem had kunnen inbrengen, gevoelde hij die van krachtens hun vertrouwelijkheid een ongepaste vrijheid genomen, zich een recht aangematigd te hebben, dat hem niet toekwam.

"Vergeef mij," zeide hij deemoedig. "Ik kan u slechts verzekeren, dat dit mijn bedoeling niet was. Ik heb--onberedeneerd, vrees ik--gesproken--omdat ik er toe gedreven werd."

Beatrice nam van zijn woorden geen notitie, maar ging op denzelfden koelen toon voort:

"Welk recht hebt gij met een ouden schipper, met mijnheer Davies, of zelfs met mijn vader, over mijn zaken te spreken? Als ik dat gewild had, zou ik het u gevraagd hebben. Met welk gezag stelt ge u tot tusschenpersoon aan, om een huwelijk tot stand te brengen, dat gij zoo goed zijt in mijn geldelijk belang te achten? Weet gij niet dat dit iets is, waarover alleen de vrouw kan oordeelen, die er in betrokken is, wier geluk en zelfachting er bij op 't spel staan? Ik heb nog slechts dit te zeggen: ik zeide zooeven dat gij u aan een grove onbescheidenheid hebt schuldig gemaakt. Welnu, ik wil er nog bijvoegen dat er in dit geval omstandigheden zijn, mijnheer Bingham, die het tot een wreede beleediging maken."

Zij hield met spreken op, en barstte in een hartstochtelijk geween uit. Juist gierde de eerste stormvlaag over hen en verloor zich loeiend in de verte.

Het licht verdween uit de lucht. Nu kon Geoffrey nog slechts de omtrekken van haar weenend gelaat zien. Een oogenblik aarzelde hij, en ook slechts één; toen was de natuur sterker dan de leer, want het volgend oogenblik was zij in zijn armen.

Beatrice bood nauwelijks wederstand. Haar geestkracht scheen haar te begeven, of misschien had zij die in bittere woorden uitgeput. Haar hoofd zonk op zijn schouder, en daar snikte zij onbedwongen. Nu hief zij het hoofd op, en hun lippen ontmoetten elkander in een eersten, langen kus. Daar liep het op uit--en zoo bevorderde Geoffrey het aanzoek van Owen Davies.

"O, ge zijt wreed geweest, zeer wreed!" fluisterde hij haar in 't oor. "Ge moet wel geweten hebben dat ik u liefhad, Beatrice, dat ik tegen mijzelven was toen ik zoo sprak, en het alleen deed omdat ik het mijn plicht achtte. Ge moet geweten hebben dat ik, tot mijn schande en zonde, u altijd heb liefgehad, dat gij geen uur uit mijn gedachten geweest zijt, dat ik er naar verlangd heb uw lief gelaat te zien, als een zieke naar het licht. Zeg mij, wist ge dat niet, Beatrice?"

"Hoe zou ik het geweten hebben?" antwoorde zij zeer zacht; "ik kon het slechts vermoeden, en als ge mij werkelijk liefhebt, hoe kondet ge dan wenschen dat ik met een ander man zou trouwen? Ik dacht dat ge mijn zwakheid bespeurd hadt en dit middel te baat naamt om mij die te verwijten. O, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat is er tusschen u en mij--behalve de liefde?"

"Het zou beter geweest zijn als wij voor goed te zamen verdronken waren," zeide hij neerslachtig.

"Neen, neen," antwoordde zij, "want dan zouden wij elkander nooit liefgehad hebben. 't Is beter eerst te beminnen en dan te sterven."

"Spreek zoo niet," zeide hij, "laten we hier gaan zitten en voor 't oogenblik ten minste gelukkig zijn; morgen is het vroeg genoeg voor zorgen en verdriet."

En waar Beatrice vroeger een anderen minnaar had afgewezen, zaten zij nu naast elkander op den platten steen, en spraken de gewone taal van een paar verliefden.

Boven hen loeide de opstekende storm, maar door de rotswanden beschut, voelden zij zijn vlagen niet. Vóór hen klotsten de gezwollen golven op het strand, terwijl ver in zee de halve maan, tusschen donkere wolken uit te voorschijn komende, als een boot over de wateren scheen te zweven.

En smaakten zij die verrukking werkelijk, of was het maar een droom? Neen, zij waren daar alleen met hun liefde en liefdes zoet genot, en de volle waarheid werd gezegd en al hun twijfelingen waren opgeheven. Nu was het gedaan met hoop en vrees: nu werd de Rede door de Liefde van den troon gestooten. De Liefde zwaaide haar schepter en opende de poorten van het Paradijs. O, heerlijk zou het zijn in die ure te sterven!

Woed en raas, bulderende storm! Wij kennen het geheim uwer ontbreidelde kracht. Bruist, ziedende golven, valt donderend aan den voet der aarde neder! Wij verstaan dat zieden en bruisen, dat donderend geweld.

Aarde, zee en winden, zingt uw grootsch minnelied. Hemel, Tijd en Ruimte, weergalmt van dien zang! Want het leven heeft ons het antwoord op zijn raadsel toegeroepen! Hart aan hart zitten wij, en lippen aan lippen, en wij zijn wijzer dan Salomo, en rijker dan de rijkste Oostersche vorst, want het geluk is ons deel.

Tot dat doel zijn wij geboren en door alle tijden heen voorbeschikt. Tot dat doel leven wij en sterven wij, om in den dood volkomen vereeniging te vinden. Want hierin bestaat het geheim der wereld, dat de wijzen zoeken en niet kunnen vinden, en hier is ook de poort des Hemels.

Zie mij in de oogen, geliefde, en laat mij in de uwe zien, en hoor toe. De wereld is maar een schijn, en een schaduw is ons vleesch, want waar zij eenmaal waren, zal niets zijn. De Liefde alleen is werkelijk; de Liefde zal blijven totdat alle zonnen geen licht of warmte meer uitstralen, en dan nog zal zij jong zijn.

Kus mij, verwinnaar, want het Noodlot is overwonnen, leed en kommer is voorbij; en het vuur, dat wij op dit aardsch altaar ontstoken hebben, zal nog helder vlammen, als gindsche sterren al hun glans verloren hebben.

Maar ach! woorden kunnen aan zulk een lied geen vorm geven. Muziek?--ook die schiet te kort. Want door die geopende deur komen visioenen en klanken, die niet te beschrijven zijn.

Laat zeggen wie wil, dat dit waanzin is, dat die bovenaardsche heerlijkheid niets anders is dan de razernij van een in zijn wezen zinnelijken hartstocht; maar laat droomers hun droomen. Waarom hebben kinderen dezer wereld dan zulke visioenen als Beatrice en Geoffrey? Waarom verdwijnen hun twijfelingen, en wat is die adem des Hemels, dien zij op hun voorhoofd schijnen te voelen? De bedwelming van aardsche liefde, uit de ontmoeting van jeugd en schoonheid ontstaan. Dat zij zoo! Slaaf, breng nog meer zulken wijn, en drinken wij op de Onsterfelijkheid en op die geliefde oogen, die het gelaat van een hemelgeest afspiegelen.

Zulk een liefde is zeldzaam. Want weinig harten zijn in staat zulk een ware en innige liefde te gevoelen, en zelden ontmoeten twee zulke harten elkander op het levenspad. Weinigen kunnen zoo hoog opgevoerd worden en dien ether lang inademen. Al spoedig hangen de vleugels, welke de Liefde hun in die ure van openbaring verleend heeft, slap, en wie ze geleend hebben, vallen ter aarde, gelukkig nog als zij door den val niet verpletterd worden. Misschien spreiden die vleugels zich nog eenmaal in hun leven over het altaar hunner huwelijksgeloften, of over de lijkbaar van een geliefden afgestorvene. Maar schaarsch zijn die gelegenheden, en weinigen zijn er, die ze kennen.

Zoo zweefden Beatrice en Geoffrey in hooger sfeer, terwijl de storm om hen heen loeide, als een gepast accompagnement van hun onstuimige liefde. En zoo vielen zij ook ter aarde.

"Wij moeten heengaan, Geoffrey," zeide Beatrice, "het wordt laat. O, Geoffrey, Geoffrey, wat hebben wij gedaan? Wat zal daar het einde van zijn? Het zal ongeluk over u brengen, dat weet ik. Het oude spreekwoord zal bewaarheid worden. Ik heb u het leven gered, om u in het verderf te storten!"

Het was een kenmerk van Beatrice's karakter, dat zij er reeds aan dacht wat de gevolgen voor Geoffrey, niet voor haar, zouden zijn.

"Beatrice," sprak Geoffrey, "wij zijn in een wanhopigen toestand. Wilt gij dien trotseeren, en met mij ver van hier, naar de andere zijde van de wereld, gaan?"

"Neen, neen," antwoordde zij met vuur, "dan zou uw loopbaan gebroken zijn. In welk gedeelte der wereld zoudt gij gaan, waar gij niet bekend zoudt zijn? Bovendien moet gij aan uw vrouw denken. Uw vrouw--wat zou zij wel van mij zeggen? Gij behoort aan haar, gij hebt geen recht haar te verlaten. En Effie! Neen, Geoffrey, neen, ik ben slecht genoeg geweest dat ik u heb leeren beminnen--o, zooals gij nooit bemind zijt!--als het slecht is iets te doen, wat men niet helpen kan; maar zóó slecht ben ik niet. Loop sneller, Geoffrey; wij komen laat thuis, en zij zullen iets vermoeden."

Arme Beatrice; gewetenswroeging greep haar aan!

"Wij zijn in een verschrikkelijken toestand," zeide hij weder. "O, geliefde, ik alleen ben te laken. Ik had niet terug moeten komen. 't Is mijn schuld; en hoewel ik daar nooit aan gedacht heb, ik heb mijn best gedaan u te behagen."

"En daar dank ik u voor," antwoordde zij. "Misleid uzelven niet, Geoffrey. Wat er ook gebeurt, o, beloof mij dat gij geen oogenblik zult gelooven dat ik u verweten of gelaakt heb. Waarom zou ik u laken omdat ge mijn liefde hebt gewonnen? Eer zou ik de zee, waarop wij gedreven hebben, moeten laken, het strand, waarop wij gewandeld hebben, het huis, waarin wij woonden, en het Noodlot, dat ons bij elkander bracht. Ik ben trotsch en verheugd u lief te hebben, maar ik ben niet zoo zelfzuchtig dat ik u in 't ongeluk zou willen storten; Geoffrey--ik zou liever sterven."

"Spreek zoo niet," zeide hij, "dat kan ik niet aanhooren. Wat moeten wij doen? Moet ik heengaan en u nimmer wederzien? Hoe kunnen wij zoo leven, Beatrice?"

"Ja, Geoffrey," antwoordde zij, op diep neerslachtigen toon, terwijl zij hem bij de hand vatte en hem in 't gelaat zag, "gij moet heengaan en mij in geen jaren wederzien. Dit hebben wij onszelven berokkend, dat is de prijs, dien wij voor het verloopen uur betalen moeten. Morgen moet gij vertrekken, dan zijn wij uit de verzoeking, en ge moet niet terugkomen. Van tijd tot tijd zal ik u schrijven, en misschien gij mij ook, totdat het u te lastig wordt, en dan kunt gij er mee ophouden. En hetzij ge mij vergeet of niet--en o, Geoffrey, dat zult gij, geloof ik, niet--zult gij weten dat ik u nooit zal vergeten--u, wien ik uit de zee heb gered, om mij lief te hebben."

Er was in haar woorden zoo iets onbeschrijfelijk teeders, vermengd met natuurlijke vrouwelijke hartstochtelijkheid, dat Geoffrey's hart er voor buigen moest. Wat moest hij doen, hoe kon hij haar verlaten? En toch had zij gelijk. Hij moest heengaan, en wel spoedig ook, anders zou zijn kracht hem misschien begeven, en zouden zij te zamen een grens overschrijden, van waar geen terugkeeren meer was.

"De Hemel sta ons bij, Beatrice!" zeide hij. "Morgenochtend vertrek ik, en als ik kan, zal ik wegblijven."

"Gij _moet_ wegblijven. Ik wil u niet wederzien. Ik wil geen ongeluk over u brengen, Geoffrey."

"Ge spreekt van ongeluk over mij te brengen," hernam hij; "en ge zegt niets van uzelve, en toch is een man, zelfs zoo'n man als ik in mijn eigen oogen ben, beter geschikt om zulk een storm door te staan. Als het mij in het ongeluk stort, hoeveel te meer u dan?"

Zij waren nu aan het hek van de pastorie, en de wind gierde met zulk een geweld door de pijnboomen, dat zij haar lippen dicht aan zijn oor moest houden om haar woorden verstaanbaar te maken.