Chapter 17
Hij herinnerde zich hoe hij eens, toen hij nog zeer jong was, verliefd was geweest op zekere dame, die, naar haar woorden en daden te oordeelen, zijn liefde zeker wel beantwoordde. En hij herinnerde zich ook dat die dame, toen hij haar eenige maanden later ontmoette, hem met koele onverschilligheid, ja bijna smadelijk, bejegend had, en hij er zich over verbaasd had hoe iemand zich in een geheel ander licht kon vertoonen, totdat hij eindelijk, teleurgesteld en gekrenkt, en zich schamende dat hij zich zoo in haar vergist had, woedend was weggeloopen en haar nooit had wedergezien. Dat had hij, natuurlijk, aan vrouwelijke trouweloosheid van karakter toegeschreven; zij had hem voor den gek gehouden, dat was haar eenige bedoeling geweest. Nu zou zij lachen om zijn vernedering. Het kwam niet bij hem op, dat het eenvoudig nukkigheid had kunnen zijn, of dat zij niet werkelijk veranderd was, maar zich om de een of andere reden, die zij niet verkoos te laten blijken, door hem beleedigd achtte. 't Is moeilijk de beweegredenen der vrouwen in de schaal van mannelijke ondervinding te wegen, en menig ander man, behalve Geoffrey, heeft zich genoodzaakt gezien die poging op te geven en zich te troosten met de gedachte dat het onverklaarbare dikwijls niet waard is begrepen te worden.
Ja, waarschijnlijk zou het nu weer hetzelfde geval zijn. En toch, en toch--was Beatrice van dat soort? Bezat zij niet te veel degelijkheid van karakter om zulke kuren te hebben? In den grond zijner ziel dacht hij dit wel, maar hij wilde het zichzelven niet bekennen. Het geval was eigenlijk dat hij, half onbewust, zijn geweten in slaap zocht te sussen. Hij wist dat hij, in zijn verlangen om haar te zien, iets gevaarlijks had ondernomen. Hij zou met haar over een afgrond loopen op een brug, die hen misschien zou kunnen houden of--misschien zou breken. Zoolang hij daar alleen op liep, zou het goed gaan, maar zou die brug hen beiden kunnen houden? Ach, zoo zwak is de menschelijke natuur, dit was de waarheid; maar dat wilde hij niet erkennen. Hij ging niet naar Beatrice omdat hij verliefd op haar was, maar alleen om het genoegen van haar gezelschap te smaken, maakte hij zichzelven wijs. In vriendschap kon toch geen kwaad steken.
't Is niet moeilijk de stem van het geweten aldus tot zwijgen te brengen, vooral wanneer de bewuste zaak, ten ergste genomen, veeleer zondigen tegen plaatselijk gebruik dan tegen de natuurlijke wet is. In vele landen der wereld--ja, in bijna alle landen, in verschillende tijdperken hunner geschiedenis--zou het niets onbehoorlijks geweest zijn dat Geoffrey en Beatrice elkaar beminden, en het menschelijk hart is in sterke verzoeking zoo geneigd over de slagboomen van maatschappelijke instellingen heen te springen. Maar, zooals wij weten, alles is wel hoorbaar maar niet oorbaar. Een daad te bedrijven of zelfs maar te vergoelijken, omdat er op het beginsel, dat haar als slecht stempelt, is af te dingen, is louter sophisme, waardoor wij ons het recht zouden toekennen de meeste wetten van elke soort te trotseeren. De wetten zijn verschillend naar den aard van het bestaand geslacht, maar elk geslacht moet zijn eigen wet eerbiedigen, of het zou verwarring geven. Een daad moet beoordeeld worden naar zijn vruchten; zelfs kan zij op zichzelve onschuldig zijn, en toch is de bedrijver er van in zekeren zin schuldig, als zij kwade vruchten voortbrengt.
Liefdesbetrekking tusschen een vrouw en een man, die reeds gehuwd is, berokkent allen, die er in betrokken zijn, meestal verdriet en onheil, inzonderheid de vrouw, wier toekomst er misschien onherstelbaar door bedorven is. 't Is vruchteloos op het voorbeeld van de aartsvaders, van vorstelijke families en vele fatsoenlijke Turken te wijzen; het baat niet, aan te voeren dat die liefde een zuivere, innige is, waarvoor een man of een vrouw zou willen leven of sterven; of eenzaamheid, gemis van sympathie en dat het bestaand huwelijk maar een huwelijk in naam is, als verschoonende omstandigheden te willen laten gelden. Veel schandelijks en onzedelijks wordt, èn bij mannen èn bij vrouwen, door de vingers gezien--maar _dit_ niet.
Zulke bedoelingen had Geoffrey echter geenszins. De meeste menschen maken geen plannen van dien aard. Als zij vallen, is het wanneer de stem van het geweten verloren gaat in den dwarrelwind der hartstochten, en de waarschuwingen van het verstand overschreeuwd worden door de drogredenen van het hart. Hun grootste misslag is dat de meesten zich in toestanden laten brengen, die voor zulke heillooze invloeden gunstig zijn. 't Is niet veilig in een kruitmagazijn cigarettes te rooken. Als Geoffrey gedaan had wat hij had behooren te doen, zou hij niet naar Bryngelly terug zijn gegaan, en dan zou er geen geschiedenis te verhalen zijn, of, ten minste, niets bizonders.
Eindelijk kwam Granger met zijn gast te Bryngelly aan; er was niemand om hen op te wachten, want niemand wist dat zij kwamen, dus liepen zij naar de pastorie. Het wekte een zonderling gevoel in Geoffrey tusschen die welbekende pijnboomen door, die kleine kerk voorbij te gaan en dat lage, langwerpige huis te zien. Het kwam hem zoo verwonderlijk voor dat alles nog juist zoo was als het geweest was, dat er niet de minste verandering was te bespeuren terwijl hijzelf zooveel gezien had. Daar was Beatrice's woning: waar was Beatrice?
Als in een droom, trad hij het huis binnen. Een oogenblik later was hij in de huiskamer, waar hij zoo menig aangenaam uurtje had doorgebracht, en Elisabeth begroette hem. Hij gaf haar de hand, en terwijl hij dat deed, merkte hij op dat zij volstrekt niet veranderd was. Haar strookleurig haar was nog op dezelfde wijze naar achteren gestreken; om haar mond speelde nog dezelfde scherpe glimlach, haar lichtgrijze oogen hadden nog dezelfde koele uitdrukking, zij droeg zelfs nog hetzelfde bruine kleed. Maar het scheen haar veel genoegen te doen hem te zien, en dat was ook zoo, want het spel stond goed voor Elisabeth. Haar vader gaf haar een haastigen kus, en liep met veel drift de kamer uit om zijn geleend geld weg te sluiten, zoodat hij hen te samen alleen liet.
Zonderling dat Geoffrey, die anders zoo welbespraakt was, ditmaal geen woorden wist te vinden om een gesprek aan te knoopen. Waar was Beatrice? In de school kon zij niet zijn; het was vacantie. Zou zij hier niet meer wonen?
Hij wist niets anders te zeggen dan op een afgetrokken toon de aanmerking te maken dat alles te Bryngelly nog bij het oude gebleven scheen te zijn.
"Gij zoekt Beatrice," zeide Elisabeth, meer op zijn gedachten dan op zijn woorden antwoordende. "Zij is gaan wandelen, maar ik geloof dat zij wel spoedig zal terugkomen. Neem mij niet kwalijk dat ik u alleen laat, maar ik moet uw kamer in orde brengen."
Geoffrey draalde nog een weinig; toen stak hij een pijp op, en wandelde langs het strand, in de heimelijke hoop van Beatrice te ontmoeten. Hij ontmoette Beatrice echter niet, maar den ouden Eduard, die hem terstond herkende.
"Wel, mijnheer," zeide hij, "het doet me pleizier u hier terug te zien, vooral als ik bedenk hoe ik u voor het eerst zag, zoo goed als dood, met Miss Beatrice, die u bij de haren hield. Het scheelde dien avond al heel weinig of ge waart er om koud geweest. En zoo zijt ge dan gespaard gebleven, om lid van het Parlement te worden, heb ik gehoord, en daar kunt ge veel goeds doen--het zal u heel wat tijd kosten, mijnheer. Kijk, ik zou wel op uw gezondheid willen drinken."
Geoffrey stak de hand in zijn zak en gaf den ouden man een sovereign. Dat kon nu wel lijden.
"Gaat Miss Beatrice nog weleens uit roeien?" vroeg hij, terwijl Eduard verbaasd zijn dank mompelde.
"Zoo nu en dan, mijnheer--dank u vriendelijk; het gebeurt me ook niet alle dagen dat ik een sovereign krijg--maar ik wou liever dat zij het niet deed. Ik zou dat wrakke oude ding wel aan spaanders willen slaan--'t is gevaarlijk. Eenmaal gebeurt er weer een ongeluk mee, en dan loopt het niet zoo goed af. Maar dat is nu zoo haar manier van plezier hebben. Zij is een rare, die Miss Beatrice, en zij wordt hoe langer hoe raarder, nu zij in de pastorie zoo krap zitten, zonder tienden en zoo 't een en ander. Ik houd het er voor," ging hij op een gewichtig fluisterenden toon voort, "dat de _Squire_ er wat mee te maken heeft. Hij vrijt naar haar; hij is zoo tuk op haar als een haai op een haring, en waarom zij geen ja zegt en met hem trouwt, begrijp ik niet."
"Misschien houdt zij niet van hem," zeide Geoffrey koel.
"Dat kan wel wezen, de meisjes hebben zoo haar grillen, maar 't is toch jammer. Hij is wel geen schrandere bol, dat is waar; maar hij is een braaf man--geen meisje kan een braver man verlangen--hij heeft altijd stil en bedaard geleefd, ziet ge, mijnheer, en wat meer is, hij heeft geld, en in de pastorie is schraalhans keukenmeester. De meisjes moeten soms haar malle grillen maar uit het hoofd zetten. Die gaan er wel uit, als zij een paar kinderen hebben. Ik ben zeventig jaar, en ik weet hoe ze zijn. Gij moest eens een woordje met haar spreken, over vijf jaar zal ze er u dank voor weten. Daar zoudt gij haar een goeden dienst mee doen, mijnheer, en--neem me niet kwalijk dat ik het zeg, voor u zou het ook niet kwaad zijn, want dat zou het praatje tot een leugen maken dat gij, een getrouwd man, verliefd op haar zijt; wat juist zoo'n wonder niet zou wezen, want zij is wel een meisje om gek op te worden--ik ben zelf al gek op haar geweest van haar zevende jaar af, toen de oude mevrouw nog leefde, die acht jaar geleden gestorven is."
Beatrice was een van de weinige onderwerpen, die den ouden Eduard in vuur konden brengen, en Geoffrey onttrok zich aan zijn verlegen makende welsprekendheid. Hij wenschte hem haastig goeden avond, en ging naar de pastorie terug, waar hij, op het hek leunende, het daglicht in het westen zag verdwijnen.
Eensklaps kwam Beatrice, met een ruikertje wilde rozen in haar gordel, uit de schemering te voorschijn, en stond van aangezicht tot aangezicht voor hem.
Hoofdstuk XXI.
Driemaal er bij ingeroepen.
In verrukking, alsof hij een hemelsch visioen aanschouwde, staarde Geoffrey op die bekoorlijke verschijning in het zachte avondlicht.
"Met uw verlof," zeide zij, op een verlegen toon, vooruittredende om het hek te openen.
"_Beatrice!_"
Een flauwe kreet ontsnapte haar, en zij greep zich aan het hek vast, anders zou zij neergezonken zijn. Een oogenblik bleef zij zoo staan en zag naar zijn gelaat, dat in de schaduw verborgen was, op, met een blik vol hoop en vrees en liefde.
"Zijt gij het," zeide zij eindelijk, "of is het weer een droom?"
"Ik ben het, Beatrice!" antwoordde hij, verbaasd.
Met een krachtige poging herstelde zij zich.
"Waarom hebt ge mij dan zoo verschrikt?" vroeg zij. "Dat was onaardig--o, ik bedoelde niet iets knorrigs te zeggen. Wat heb ik gezegd? Ik ben het vergeten. Ik ben zoo blijde dat gij gekomen zijt!" En zij bracht haar hand aan haar voorhoofd, en zag hem weder aan, zooals men een uit het graf verrezene zou aanstaren.
"Hadt ge mij niet verwacht?" vroeg Geoffrey.
"U verwacht? Neen. Niet meer dan ik verwacht zou hebben--" Eensklaps zweeg zij.
"Dat is zonderling," hernam hij. "Wist gij dan niet dat uw vader mij hier zou noodigen? Ik ben met hem uit Londen teruggekomen."
"Uit Londen," herhaalde zij. "Daar wist ik niets van. Elisabeth heeft mij er niets van verteld. Dat heeft zij zeker vergeten."
"In allen gevalle ben ik hier. En hoe gaat het u?"
"O, nu weer heel wel. Ziezoo, nu ben ik van den schrik bekomen. 't Is niet goed iemand zoo te verschrikken, mijnheer Bingham. Laat mij het hek door, en ik zal u de hand geven--als het," liet zij er aardig spottend op volgen, "geoorloofd is zoo'n groot man de hand te geven. Maar ik heb het u wel gezegd, niet waar?--even voordat wij verdronken. Hoe gaat het met Effie?"
"Effie is frisch en gezond," antwoordde hij. "Maar mij dunkt dat gij er niet zoo heel goed uitziet. Uw vader heeft mij verteld dat gij dezen winter kou hebt gevat," en Geoffrey huiverde toen hij aan de reden daarvan dacht.
"O, ik heb niets om over te klagen. Ik ben wèl en sterk. Hoe lang blijft ge hier?"
"Niet lang. Misschien tot Dinsdagochtend, misschien tot Maandag."
Beatrice zuchtte. Geluk is van korten duur. Zij had hem hier niet gebracht; zij zou geen vinger uitgestoken hebben om hem hier te brengen, maar nu hij gekomen was, wenschte zij dat hij langer bleef.
"'t Is tijd voor het avondeten," zeide zij; "laten we naar binnen gaan."
Dit deden zij. Zij zaten vergenoegd bijeen. Granger was bijna luidruchtig vroolijk. 't Is verwonderlijk welk een verschil het bezit van twee honderd pond in zijn gedrag maakte; hij scheen een ander mensch te zijn. Wel moest er honderd af om schulden te betalen, maar er schoten toch nog honderd over, en daar kon hij minstens een jaar mee toe. Elisabeth was ook minder grimmig dan gewoonlijk; de twee honderd pond hadden op haar ook invloed, en nog andere invloeden werkten heimelijk in haar arglistig hart. Beatrice wist niets van het geld, en was eenigszins stil, maar zij was ook vergenoegd; zij smaakte dat gevoel van onwezenlijk geluk, dat wij soms in een droom hebben.
Wat Geoffrey betrof, als Honoria hem had kunnen zien, zou zij verbaasd geweest zijn. In den laatsten tijd was hij een zeer stil man geweest; menigeen had hem ongezellig gevonden. Maar onder den invloed van Beatrice's tegenwoordigheid, sprak hij met opgewektheid. Misschien wilde hij, zonder het zelf te weten, zich van zijn gunstigste zijde vertoonen, zooals ieder man natuurlijk doet in het bijzijn van de vrouw, die hij bemint. Zoo boeiend was zijn gesprek, dat zij eindelijk allen stil naar hem zaten te luisteren, en zij hadden hun tijd wel minder aangenaam kunnen doorbrengen.
Eindelijk was het avondeten afgeloopen, en Elisabeth ging naar haar kamer. Nu werd Granger ook geroepen om een ziek kind te doopen, en ging brommend heen, zoodat Geoffrey en Beatrice alleen bleven. Zij zaten aan het venster, en zagen in den stillen avond uit.
"Vertel mij nu eens van uzelven," zeide Beatrice.
Dit deed hij. Hij verhaalde haar hoe hij stap voor stap zijn tegenwoordige hoogte bereikt had, en toonde haar aan dat hij het van dit standpunt tot den hoogsten post kon brengen. Zij zag hem niet aan, en antwoordde hem niet, maar eens, toen hij ophield, meenende dat hij genoeg over zichzelven had gesproken, zeide zij: "Ga voort; vertel mij nog wat meer."
Eindelijk had hij haar alles verteld.
"Ja," zeide zij, "gij hebt er het vermogen en de gelegenheid toe, en eenmaal wordt gij een der grootste mannen van onzen tijd."
"Dat betwijfel ik," antwoordde hij, met een zucht. "Ik ben niet eerzuchtig. Ik werk alleen om het werk zelf, niet voor wat het zal aanbrengen. Eenmaal zal ik het, geloof ik, moede worden en het laten varen. Maar zoolang ik werk, wil ik gaarne een van de eersten in mijn stand zijn."
"O, neen," hernam zij, "ge moet het niet opgeven; ge moet voortgaan, altijd vooruit. Beloof mij," en daarbij zag zij hem voor de eerste maal aan--"beloof mij dat gij, zoolang gij gezondheid en kracht bezit, zult volharden totdat gij alleen staat en boven alle anderen uitblinkt. Dan moogt gij het opgeven."
"Waarom moet ik u dat beloven, Beatrice?"
"Omdat ik het u verzoek. Eenmaal heb ik u het leven gered, mijnheer Bingham, en dat geeft mij eenig recht om u uw loopbaan aan te wijzen. Ik wensch dat de man, dien ik voor de wereld behouden heb, onder de eerste mannen van de wereld genoemd zal worden, niet om zijn rijkdom, wat maar toeval is, maar om zijn geestkracht en verstand. Beloof mij dat, en ik zal tevreden zijn."
"Ik beloof het u," zeide hij, "ik beloof dat ik zal trachten het tot hoog aanzien te brengen, omdat _gij_ het mij verzoekt, niet omdat het vooruitzicht mij aantrekt:" maar terwijl hij dit zeide, werd zijn hart verscheurd. Het was bitter haar zoo over een toekomst te hooren spreken, waarin zij niet zou deelen, die voor haar iets zou zijn geheel van haar afgescheiden, zoo afgescheiden alsof zij dood was.
"Ja," ging hij voort, "gij hebt mij het leven gered, en het is een bedroevend denkbeeld voor mij, dat ik niets doen kan om u dat te vergelden. O, Beatrice, ik wil u zeggen wat ik niemand nog ooit gezegd heb: ik ben eenzaam en ongelukkig. U uitgezonderd, geloof ik niet dat er iemand is, die werkelijk belang in mij stelt--die met mij sympathiseert. Dat zal wel mijn eigen schuld zijn, en het klinkt vernederend, en in zekeren zin zelfzuchtig, het te zeggen. Ik zou het ook aan geen andere levende ziel gezegd hebben dan aan u. Wat baat het groot te zijn, als er niemand is, om voor te werken? Het had anders kunnen zijn, maar het is een harde wereld. Als gij--als gij--"
Op dit oogenblik raakte zijn hand de hare aan: het was bij toeval, maar in de teederheid van zijn hart zwichtte hij voor de verzoeking en had hij hare hand gevat. Zacht trok zij die terug.
"Gij hebt uw vrouw, om uw vermogen met u te deelen," zeide zij, nadat beiden een oogenblik het stilzwijgen bewaard hadden; "gij hebt Effie, om het te erven, en uw naam kunt gij aan uw vaderland nalaten."
Nu volgde er een pijnlijk stilzwijgen.
"En gij," brak hij het af, "wat is _uw_ toekomst?"
Zij glimlachte weemoedig. "Vrouwen hebben geen toekomst, en verlangen er ook geen--ik, ten minste, nu niet meer, ofschoon vroeger wel. 't Is voor haar genoeg wanneer zij, hoe weinig ook, anderen in hun leven behulpzaam kunnen zijn. Dat is haar geluk, en haar belooning is--rust."
Juist kwam Granger weer thuis, en Beatrice stond op.
"Ze ziet wat bleek, vindt ge niet, mijnheer Bingham?" zeide haar vader. "Ik houd het er voor dat er iets is, wat haar verdriet doet. Het geval is--och, waarom zou ik het u niet vertellen, zij heeft zoo'n hoogen dunk van u, en gij zoudt een woordje kunnen zeggen om haar op te beuren--welnu, 't is over mijnheer Davies. Ik geloof, ziet ge, dat zij veel van hem houdt, en bedroefd is omdat hij er niet voor uitkomt. Misschien heb ik het mis, maar soms denk ik dat hij het wel doen zal. Ik heb hem een gezicht zien zetten alsof hij er over dacht, hoewel het, natuurlijk, meer is dan Beatrice recht heeft te verwachten. Zij heeft niets anders te geven dan zichzelve en haar goed uiterlijk, en hij is een rijk man. Denk eens, mijnheer Bingham," en de oude heer sloeg zijn oogen vroom ten hemel, "wat zou dat niet voor haar zijn, en voor ons allen, als het God behaagde haar zulk een kans te geven; zij zou haar leven lang rijk zijn, en in zoo'n stand! Maar 't is mogelijk; men kan nooit weten; hij kan wel zin in haar krijgen. In allen gevalle, mijnheer Bingham, geloof ik dat gij haar wel wat kunt opbeuren; zij behoeft de hoop nog niet op te geven."
Geoffrey kon een spotachtig lachen niet bedwingen, dat Beatrice van liefde voor Owen Davies zou kwijnen.
"Ja," zeide hij, "dat zou zeker wel een goede partij voor haar zijn, maar ik weet niet of zij met mijnheer Davies wel overweg zou kunnen."
"Met hem overweg kunnen! O, dat zou wel gaan; de vrouwen weten zich zoo te voegen, vooral als zij een gemakkelijk leven hebben. Hij is misschien wel wat dom, maar ik geloof toch dat zij om hem treurt, en het zou te bejammeren zijn dat zij haar leven zoo verkniesde. Hoe, gaat gij al naar bed? Goeden nacht dan--goeden nacht."
Geoffrey ging naar bed, maar niet om te slapen. Een geruime poos lag hij wakker; allerlei gedachten hielden hem uit den slaap. Hij dacht aan den laatsten nacht, welken hij in die kleine kamer had doorgebracht, aan alles, wat hij sedert dien tijd ondervonden had, en aan de ontmoeting van heden. Kon hij, na die ontmoeting, nog langer twijfelen wat Beatrice voor hem gevoelde? Dat was moeilijk, maar toch was het nog mogelijk dat hij zich vergiste. Toen dacht hij aan hetgeen de oude Eduard hem had gezegd, en wat Granger betrekkelijk Beatrice en Owen Davies gezegd had.
Beiden hadden hun meening ruw, en zelfs zeer onkiesch uitgedrukt, maar hun meeningen stemden toch overeen, en wat meer was, er was iets waars in, en dat wist hij.
Het denkbeeld dat Beatrice met Davies zou trouwen, was, om het zacht uit te drukken, stuitend voor hem; maar had hij het recht om zich tusschen haar en zulk een wenschelijken levensstand te stellen? Dat had hij ontegenzeggelijk niet, en zijn geweten zeide het hem.
Was het bovendien geoorloofd dat die soort van band, die tusschen hen bestond, nauwer toegehaald werd? Wat zou dat geven? Verdriet, en niets anders dan verdriet, inzonderheid voor Beatrice. Hij had verkeerd gedaan hier te komen, hij had verkeerd gedaan haar hand te vatten. Hij zou het zien te herstellen op de eenige wijze, die in zijn vermogen was, alsof in zulk een geval als dat van Beatrice herstel nu mogelijk kon zijn! Hij moest uit haar leven verdwijnen en haar niet wederzien. Dan zou zij hem leeren vergeten, of ten ergste, nog slechts met een flauw gevoel van leedwezen aan hem denken. Ja, het mocht kosten wat het wilde, daar zou hij zich toe dwingen, voordat werkelijk kwaad het gevolg was. De eenige vraag was, zou hij niet verder gaan? Zou hij haar niet zeggen dat zij wel zou doen met Davies te trouwen?
Over deze moeilijke vraag peinzend, viel hij in slaap.
Wanneer menschen in Geoffrey's ongelukkigen toestand berouw gevoelen en de dwalingen huns weegs inzien, overdrijven zij licht hun verstandige voornemens en gaan aanvallenderwijze te werk. Niet tevreden met de zaak te laten zooals zij is, moeten zij noodwendig hun nieuw gevonden kracht aan den deelgenoot hunner fout verkondigen als een onfeilbaar middel om het _status quo ante_ te herstellen. Soms is het gevolg van dien vromen ijver dat zij verkeerd begrepen worden, of er zelfs het onheil, dat zij zoo prijzenswaardig wenschten af te wenden, door verhaasten.
Den volgenden dag was het Pinkster, en een dag, dien Geoffrey gelegenheid had om zich heel zijn volgend leven te herinneren. Aan het ontbijt waren zij allen bijeen, en kort daarna gingen zij naar de kerk, waar het te half elf uur dienst was. Bij wijze van zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, waarmede hij zoo druk bezig was een hel op zijn eigen hand te plaveien, ging Geoffrey niet naast Beatrice zitten, maar koos een plaats aan het einde van de kerk, dichtbij de deur, waar hij zich troostte met naar haar te zien.
Het was bizonder zwoel weer, en, hoewel er niet veel zon was, zoo warm als midden in den zomer. Als zij in een vulkanische landstreek geweest waren, zou Geoffrey gedacht hebben dat zulk weer een schok van aardbeving voorafging. Maar hij wist dat het eenvoudig een van die grilligheden van het Engelsche klimaat ten koste der bevolking was. Intusschen vond hij het in de bedompte kleine kerk om te stikken, en even vóór de preek, die hij toevallig te weten was gekomen dat niet door Beatrice geschreven was, nam hij de gelegenheid waar om er ongemerkt uit te gaan. Zonder bepaald doel, drentelde hij langs het strand, waar niemand te zien was, want, zooals reeds gezegd is, Zondags sliep Bryngelly. Evenwel zag hij een man met snelle schreden aankomen, en in dien man herkende hij Owen Davies, die onder het loopen in zichzelven sprak en met zijn armen zwaaide. Geoffrey trad ter zijde, om hem voorbij te laten gaan, en terwijl hij dit deed, was hij verbaasd, en zelfs bijna verschrikt, van de verandering, die hij in hem bespeurde. Zijn vol, blozend gelaat was vermagerd, en teekende een half gemelijke, half droevige uitdrukking; er waren donkere kringen om zijn eenmaal zoo kalme, blauwe oogen, en zijn haar had wel geknipt mogen worden. Geoffrey dacht dat hij ziek was geweest. Op dit oogenblik kreeg Owen hem in het oog.
"Hoe gaat het u, mijnheer Bingham?" zeide hij. "Ik heb gehoord dat gij hier waart. Dat hebben ze mij gisterenavond aan het station verteld. Ziet ge, 't is hier een kleine plaats, en men weet gaarne wie er zoo al komt of heengaat," liet hij er, als tot verontschuldiging, op volgen.
Hij liep voort, en Geoffrey liep met hem mede.
"Ge ziet er niet goed uit, mijnheer Davies," zeide hij, "zijt gij ziek geweest?"
"Neen, neen," antwoorde hij, "ik ben heel wel; 't is alleen mijn ziel, die ziek is."