Beatrice

Chapter 16

Chapter 163,989 wordsPublic domain

De omstandigheden gaven haar daartoe spoedig gelegenheid. Het geldgebrek in de pastorie werd hoe langer hoe nijpender. Er was letterlijk niet meer genoeg om van te leven. Allen, die tienden moesten betalen, weigerden hardnekkig aan hun verplichtingen te voldoen. Toevallig was het er niet toe gekomen dat Jones, de man, die den afslager had doodgeschoten, terecht had gestaan. Kort na zijn inhechtenisneming stierf hij in een vlaag van _delirium tremens_, en zoo werd er een voorbeeld gemist, dat, als hij behoorlijk was opgehangen, anderen wel van gewelddadig verzet tegen de wet afgeschrikt zou hebben. Granger was nu te arm om verder gerechtelijke vervolgingen in te stellen, waarvan, bij de gesteldheid der gemoederen in Wales, de uitslag toch twijfelachtig geweest zou zijn; hij kon zich slechts onderwerpen, en onderwerping was armoede. Hij was reeds bijna tot den bedelstaf gebracht. In dezen wanhopigen staat van zaken raadpleegde hij met Elisabeth, en hield haar voor, dat zij geld moesten zien te krijgen of van gebrek omkomen. De eenige mogelijke kans om geld te krijgen, was het leenen, en Granger sloeg voor bij Owen Davies aan te kloppen, die genoeg had. Dat zou hij reeds lang gedaan hebben als de _Squire_ niet den naam had gehad van vrekkig te zijn.

Maar die voorslag was geheel buiten Elisabeth's boekje. Haar hoofddoel was geweest voor haar vader verborgen te houden dat Davies het oog op Beatrice had geslagen, en elken dag vreesde zij, dat hij het uit een andere bron zou vernemen. Zij wist zeer goed, dat als haar vader naar het kasteel ging om geld te leenen, het hem geleend, of liever, vrijwillig genoeg gegeven zou worden; maar zij wist ook, dat de geldschieter deze gunstige gelegenheid zeker zou waarnemen om voor zijn wenschen betreffende de dochter van den leener uit te komen. Het eene zou natuurlijk tot het andere leiden, en de belofte van zijn aanzoek te ondersteunen zou een bewijs van erkentelijkheid voor het ontvangen geld zijn. Hoe gaarne die steun verleend zou worden, was ook in 't oogspringend voor haar; en aan de eene zijde door haar vader, en aan de andere door Owen Davies gedrongen, hoe kon Elisabeth dan zeker zijn dat zij niet zou toegeven? Beatrice zou juist een meisje zijn om door een begrip van plicht overgehaald te worden. Haar vader zou haar zeggen, dat hij het geld op die voorwaarde gekregen had, en het was zeer mogelijk, dat haar trots haar er toe brengen zou om een aldus gegeven belofte te vervullen, hoe het haar persoonlijk ook tegenstond. Neen, haar vader moest tot elken prijs verhinderd worden hulp bij Owen Davies te zoeken. En toch moest het geld ergens van daan komen, of zij waren geruïneerd.

Ha, zij had er iets op gevonden!--Geoffrey Bingham moest het geld leenen! Hij kon het nu wel missen, en zij vermoedde wel, dat het hem niet van zijn hart gescheurd zou worden als hij dacht dat hij, door het te geven, middellijk of onmiddellijk Beatrice kon helpen. Haar vader moest zelf naar Londen gaan om hem te spreken, geen brief schrijven; men weet nooit hoe een brief gelezen kan worden. Hij moest Bingham spreken, en hem, zoo mogelijk, in Bringelly medebrengen. In een oogenblik was elke bizonderheid van het plan Elisabeth duidelijk, en toen kwam zij er mee voor den dag.

"Ge moet niet naar mijnheer Davies gaan, vader," zeide zij, "hij is vrekkig en zou u weigeren, en dat zou u maar in een valsche positie brengen; gij moet naar mijnheer Bingham gaan. Luister: hij is nu rijk, en hij houdt veel van u en van Beatrice. Hij zal u wel dadelijk honderd pond leenen. Morgen, met den eersten trein, moet gij naar Londen gaan, regelrecht naar zijn kamers rijden en hem te spreken vragen. Heen en terug zal twee pond kosten maar dat is niet te verhelpen; 't is veiliger dan schrijven, en ik ben zeker dat gij geen vergeefsche reis zult doen. En weet gij wat gij doen moet, vader: ge moet mijnheer Bingham meebrengen als gij kunt, om hier eenige dagen te logeeren. Dat zal een kleine vergelding voor zijn goedheid zijn, en ik weet dat hij niet wèl is. Beatrice heeft een brief van hem gehad, waarin hij zeide, dat hij zich overwerkt had en wat rust zou moeten nemen. Breng hem hier, om de Pinksterdagen door te brengen."

Granger aarzelde, maakte bedenkingen, en gaf eindelijk toe. De zwakke, ontevreden, oude boer-predikant, uitgeput door dagelijksche zorgen, en zonder door zedelijke kracht ondersteund te worden, was niets anders dan een werktuig in Elisabeth's handen. Hij zag er wel niets vernederends in, te beproeven of hij geld te leen kon krijgen, want zoo fijn van gevoel was hij niet, en geldzorgen hadden hem ook niet al te kiesch gemaakt; maar hij had geen zin in de reis naar Londen, waar hij in geen twintig jaar geweest was, en de kosten, die er mede gepaard gingen. Hij liet zich evenwel door Elisabeth raden, zelfs om den tocht voor Beatrice geheim te houden. Beatrice was, zooals haar zuster verklaarde, zoo trotsch als Lucifer, en zou misschien bezwaren opperen als hij naar Londen ging om geld van mijnheer Bingham te leenen. Dat zou zij dan ook zeker gedaan hebben.

Den volgenden namiddag--het was de Vrijdag voor Pinkster en de laatste dag van de Voorjaars-assises--zat Geoffrey op zijn bureau, in een neerslachtige stemming, totaal uitgeput door overspanning. Hij stond een cliënt te woord, een stijfhoofdigen Norfolkschen pachter, die zijn eigen landheer, wegens een klein verschil, een proces wilde aandoen, en met zijn zaakwaarnemer bij hem was gekomen om hem daarover te raadplegen. Geoffrey had hem met eenige korte, duidelijke woorden de ongerijmdheid van de geheele zaak aangetoond en hem sterk een minnelijke schikking aangeraden. Maar de pachter was daarmede niet voldaan, en de zaakwaarnemer beproefde nu het zuivere licht der wet in de donkerheid van zijn gekrenkte ziel te laten schijnen.

Geoffrey liet zich in zijn stoel achterover zakken, streek het haar van zijn voorhoofd, en hield zich alsof hij luisterde. Maar in een oogenblik was zijn geest ver afgedwaald. Hemel, wat was hij vermoeid! Nu, hij zou voor eenige dagen rust hebben--tot Donderdag, wanneer hem een gewichtige zaak wachtte. Wat zou hij in dien tusschentijd doen om zich te verpoozen? Honoria wenschte bij haar broeder, Lord Garsington, te gaan logeeren, en--wat wonder was--zij wilde Effie meenemen. Dat beviel hem wel niet, maar hij begreep dat hij toch maar moest toestemmen. In allen gevalle, ging _hij_ niet mee. Hij kon Garsington, Dunstan en hun heele kliek niet dulden. Zou hij naar Bryngelly gaan? De verzoeking was zeer sterk; dat zou een waar genoegen voor hem zijn; maar zijn verstand kwam er tegen op. Neen, het was beter dat hij daar niet heen ging. Als Beatrice wenschte dat hij kwam, zou zij het wel geschreven hebben, en zij had er zelfs nooit een wenk van gegeven, en al had zij dat gedaan, geloofde hij dat hij toch niet gegaan zou zijn. Maar hij had geen lust ergens anders heen te gaan. Hij zou maar in stad blijven, zijn rust nemen en een roman lezen, want daar achtte Geoffrey zich niet boven verheven, als hij den tijd had. Misschien zou hij wel in staat geweest zijn er zelf een te schrijven. Op dit oogenblik kwam zijn klerk binnen en overhandigde hem een strookje papier, waarop eenige woorden geschreven waren. Hij las:

"Dominé Granger om u te spreken. Ik heb hem gezegd dat gij bezig waart, maar hij zeide dat hij dan wel zou wachten."

Geoffrey onthutste hevig--zoo hevig, dat de zaakwaarnemer en de stijfhoofdige pachter beiden opzagen.

"Zeg dien heer dat ik hem dadelijk zal ontvangen," zeide hij tot den klerk, die zich verwijderde, en toen voegde hij den pachter toe: "Welnu, goede vriend, ik heb u alles gezegd wat ik te zeggen heb.

"Ik kan u niet raden deze actie door te zetten. Als gij dat doen wilt, moet gij een anderen advocaat nemen, want ik wil geen deel hebben aan iets, wat niet anders dan geld verspillen kan zijn. Goeden middag," en hij stond op.

De pachter ging brommend heen. Een oogenblik later kwam Granger binnen, in een vrij kale zwarte jas gekleed, en zijn dun wit haar, als gewoonlijk, over zijn oogen hangende. Geoffrey beschouwde hem met ongerustheid, en merkte op dat hij in de laatste zeven maanden niet weinig verouderd was. Kwam hij hem slecht nieuws van Beatrice vertellen--dat zij ziek of dood was, of dat zij trouwen ging?

"Hoe gaat het u, mijnheer Granger?" zeide hij, hem de hand toestekende, en zijn stem zoo goed als hij kon bedwingende. "Hoe gaat het? Dat is een onverwacht genoegen."

"Hoe vaart gij, mijnheer Bingham?" sprak de oude man, terwijl hij zenuwachtig op een stoel plaats nam, en met bevende hand zijn hoed op den vloer naast zich zette. "Ja, dank u, ik ben redelijk wel, niet al te best--ik verga van zorg en kommer."

"Ik hoop toch dat Miss Elisabeth en Be--dat uw dochters ook wèl zijn?" zeide Geoffrey, niet in staat zijn ongerustheid te bedwingen.

"Ja, ja, dank u, mijnheer Bingham. Elisabeth is ook niet al te best; zij klaagt over pijn in de maag, wat hinder van de gal misschien--zij heeft in het voorjaar altijd hinder van de gal."

"En Miss Beatrice?"

"O, die is, geloof ik, wèl--heel stil, weet ge, en zij ziet wat bleek; maar zij is altijd zoo stil--een raar meisje, die Beatrice, mijnheer Bingham, een heel raar meisje! Ik begrijp haar niet, en ik probeer ook maar niet eens haar te begrijpen. Zij is heel anders dan andere meisjes, zij schijnt in niets plezier te hebben. Niemand begrijpt Beatrice."

Geoffrey slaakte een zucht van verlichting. "En hoe gaat het met de betaling van de tienden, mijnheer Granger? Ook niet al te best, vrees ik. Ik heb gezien dat die schurk Jones in de gevangenis gestorven is."

Granger werd dadelijk wakker. Eerst had hij maar zoowat in 't wild gezegd: over zijn dochters te spreken was geen onderwerp, waarin hij veel belang stelde. De geldkwestie was het voornaamste. En dat was ook niet te verwonderen; de arme oude man had zóó lang over geld gedacht, dat er in zijn bekrompen geest nauwelijks plaats voor iets anders overschoot--al het overige ging hem langs zijn koude kleeren. Hij deed een lang verhaal van zijn grieven, haalde een papier uit zijn zak te voorschijn, en wees Geoffrey met een bevenden vinger aan, dat zijn kerkelijk inkomen in de laatste zes maanden maar op veertig pond 's jaars te staan kwam, van welke som zelfs een Welsch predikant niet leven kon. Geoffrey luisterde en symphathiseerde met hem; toen volgde er een poos stilzwijgen.

"En zoo sukkelen wij in Bryngelly voort, mijnheer Bingham," begon Granger; "'t is armoe troef. Terwijl gij geld verdiend hebt en een groot man geworden zijt, zitten wij erger dan ooit op het droge. Als wij Beatrice's salaris er niet bij hadden--en met haar salaris handelt zij heel mooi, dat moet ik zeggen; ik weet niet hoe de arme meid zich nog kan kleeden van wat zij er voor zichzelve van behoudt. Den heelen winter heeft zij zonder een warmen mantel geloopen--dat weet ik, omdat zij er kou door heeft gevat. Ja, zonder haar salaris zouden wij reeds lang in het werkhuis zitten, en daar komen wij toch nog in;" en hij streek met den rug van zijn dorre hand over zijn oogen.

Dat was te erg! Bij het denkbeeld dat Beatrice nauwelijks genoeg had om zich te kleeden--dat Beatrice ziek werd door gemis van een mantel, terwijl _hij_ in weelde leefde, voelde Geoffrey zijn hart als dichtgenepen. In het eerste oogenblik kon hij niets zeggen.

"Ik ben hier gekomen--ik kom," ging de oude man voort met een haperende stem, niet zoozeer van schaamte over zijn verzoek, als wel van vrees dat het hem geweigerd zou worden, "om u te vragen of ge mij wat geld zoudt kunnen leenen. Ik weet niet tot wien ik mij wenden moet, dat weet ik waarlijk niet, anders zou ik het niet gedaan hebben, mijnheer Bingham. Ik heb mijn laatste pond uitgegeven om hier te komen. Als ge mij honderd pond kunt leenen, zal ik u een briefje van mijn hand geven om het u bij kleine gedeelten terug te betalen; wij zouden er twintig pond 's jaars van Beatrice's salaris voor kunnen afnemen--"

"Spreek, als 't u belieft, van zoo iets niet!" riep Geoffrey met afschuw uit. "Waar duivel is mijn _checkboek?_ O ik weet het, ik heb het in Bolton Street gelaten. Hier, dit zal even goed zijn," en hij schreef snel een wissel aan zijn order, dien hij endosseerde en Granger overhandigde. De oude man nam den wissel aan, hield hem dicht bij zijn oogen, en zag dat het bedrag £ 200 was.

"Maar dat is het dubbele van wat ik gevraagd heb," zeide hij twijfelachtig. "Moet ik u £ 100 teruggeven?"

"Neen, neen," antwoordde Geoffrey: "gij hebt zeker wel eenige schulden te betalen. Den Hemel zij dank, ik kan dat geld wel missen, en ik verdien meer dan ik noodig heb. Niet genoeg kleeren!--'t is verschrikkelijk om aan te denken!" liet hij er op volgen, meer bij zichzelven dan tot zijn toehoorder.

De oude man stond op, met de oogen vol tranen. "God zegene u!" zeide hij, "God zegene u! Ik weet niet hoe ik u danken moet--waarlijk niet," en hij greep Geoffrey's hand en drukte die tusschen de zijne.

"Spreek er niet verder over, mijnheer Granger; 't is een zaak van wederzijdsche verplichting. Neen, neen, ik wil geen briefje van uw hand hebben. Als ik kwam te sterven, zou er tegen u gebruik van gemaakt kunnen worden. Ge kunt het mij terugbetalen wanneer het u schikt."

"Gij zijt al te goed, mijnheer Bingham," hernam de oude predikant. "Waar zou een ander te vinden zijn, die mij £ 200 zonder securiteit zou willen leenen?" (Ja juist, waar!) "A propos," liet hij er op volgen, "dat vergat ik nog--ik ben zoo in de war. Wilt gij voor eenige dagen met mij naar Bryngelly meegaan? Het zal ons allen zoo aangenaam zijn u te zien. Doe het, mijnheer Bingham; gij ziet er uit, alsof gij wel eenige verandering noodig hadt."

Geoffrey liet zijn hand zwaar op de lessenaar vallen. Nog geen half uur te voren had hij besloten niet naar Bryngelly te gaan. En nu--

Het visioen van Beatrice rees hem voor den geest. Beatrice, die den geheelen winter kou had geleden, en hem nooit een woord van hun nijpende armoede gezegd had! Het verlangen om haar te zien was in zijn hart gewekt, en al de redeneeringen van het verstand moesten er voor zwichten. De verzoeking overweldigde hem; hij streed er niet langer tegen.

"Gaarne," zeide hij bedaard, zijn gebogen hoofd opheffende. "Ja, dat kan ik wel doen. In de eerste dag of wat wacht mij toch niets bizonders. Wanneer gaat gij terug?"

"Ik had er over gedacht met den laatsten trein te gaan, maar ik ben zoo vermoeid. Ik weet het waarlijk niet. Ik denk dat ik morgenochtend met den trein van negen uur zal gaan."

"Dat schikt mij zeer goed," zeide Geoffrey, "en wat zult ge nu van avond doen? Ge moest maar bij mij komen dineeren en den nacht doorbrengen. Niet gekleed, zegt gij? O, dat doet er niet toe; er komt wel gezelschap, maar dat zal daar niet op letten; een predikant is altijd gekleed. Ga maar mee, en dan zal ik u voor dien wissel contanten geven, want de bank is nu gesloten en morgen vóór negenen nog niet open."

Hoofdstuk XX.

In Bryngelly terug.

Geoffrey en Granger kwamen omstreeks zes uur in Bolton Street aan. De gezelschapskamer was nog vol bezoekers. Lady Honoria's aanhang van jongelieden kwam in die dagen trouw op. Het waren zeer onschadelijke jongelieden, en Geoffrey had niets bizonders tegen hen. Hij vond het alleen maar moeilijk al hun namen te onthouden. Toen Geoffrey en Granger de gezelschapskamer binnenkwamen, waren er niet minder dan vijf, benevens een paar dames, prachtig gekleed, en die beeldsprakig aan Honoria's voeten zaten. Tot het algemeen genoegen droegen zij juist niet veel bij, want haar Ladyschap voerde meestal het woord alleen.

Geoffrey stelde Granger voor, dien Honoria zich eerst niet scheen te kunnen herinneren. Ook was zij er niet bizonder mee ingenomen toen zij vernam dat hij zou blijven dineeren en dien nacht logeeren. De jongelieden verdwenen bij Geoffrey's komst als nevelen voor de opkomende zon. Hij groette hen beleefd genoeg, maar zij hadden niets met hem gemeen. Om de waarheid te zeggen, waren zij een weinig bang voor hem. Die man met zijn knap, donker gelaat, dat den stempel van verstand droeg, zijn forschgebouwde gestalte (naar hun maatstaf slecht gekleed) en zijn groote en toenemende vermaardheid, was iemand, met wien zij niet sympathiseerden, en dien zij gevoelden dat voor hen ook geen sympathie had. Wij spreken alsof er voor ons allen één hemel en één hel is, maar dat is onjuist. Een onoverkomelijke kloof gaapt tusschen de verschillende soorten van menschen. Wat heeft zulk een man als Geoffrey te maken met de onbeteekenende mannelijke en vrouwelijke vlinders van een Londensch salon? Er is slechts één band tusschen hen: zij zijn bewoners van dezelfde planeet.

Toen de saletjonkers en de dames verdwenen waren, bracht Geoffrey zijn gast naar zijn kamer. Beneden gekomen, vond hij Lady Honoria in zijn studeerkamer op hem wachten.

"Blijft dat individu werkelijk hier dineeren en logeeren?" vroeg zij.

"Zeker, Honoria, maar hij heeft geen zwarten rok bij zich," antwoordde Geoffrey.

"Maar dat is al te erg van u," zeide de dame, met wel eenigszins begrijpelijken wrevel. "Hoe kunt ge zoo iemand meebrengen? Een Welsch predikant, die niet de minste aanspraak op den naam van _gentleman_ kan maken, te dineeren te vragen, als de Eerste Minister en een bisschop komen--en dat nog wel een predikant zonder zwarten rok! Hij zal een steen des aanstoots aan tafel zijn. Wat kwam hij bij u doen?"

"Hij kwam mij over zaken spreken; en wat de andere gasten betreft--als het hun niet bevalt met hem aan tafel te zitten, kunnen zij er over brommen als zij thuis komen. A propos, Honoria, ik ga morgen voor een paar dagen naar Wales. Ik moet verandering hebben."

"Zoo! Ge gaat zeker die lieve Beatrice eens bezoeken? Ge moogt wel voorzichtig zijn, Geoffrey. Dat meisje zal u in ongelegenheid brengen, en als zij dat doet, zal men u met den vinger nawijzen. Ge hebt vijanden genoeg, dat kan ik u verzekeren. Ik ben niet jaloersch, dat ligt niet in mijn aard, maar ge zijt veel te intiem met dat meisje, en eenmaal zal het u berouwen."

"Gekheid," zeide Geoffrey toornig, maar niettemin gevoelde hij dat Lady Honoria ware woorden had gesproken, en in haar toon lag ook een zekere vaste overtuiging. Evenwel wilde hij nu niet meer terugtreden. Hij had er zijn hart op gezet Beatrice weder te zien.

"Moet ik begrijpen," ging zijn vrouw voort, "dat ge er nog tegen hebt dat ik bij de Garsingtons ga logeeren? Mij dunkt, 't is wel wat hard, als ik er geen beweging over maak dat gij uw dorpsschoone gaat zien, dat ge _mij_ dan niet zoudt vergunnen mijn eigen broeder te bezoeken."

Geoffrey gevoelde dat hij een accoord moest maken. Het was wel vernederend, maar in zijn verzotheid gaf hij toe.

"Ga, als ge wilt," zeide hij kortaf, "maar als ge Effie meeneemt, let er dan op dat er behoorlijk zorg voor haar gedragen wordt;" en meteen liep hij de kamer uit.

Lady Honoria zag hem na, en zeide bij zichzelve, langzaam met het hoofd knikkend: "Ei, ei, nu weet ik hoe ik u behandelen moet. Ge hebt even goed uw zwakke punt als andere menschen, mijnheer Geoffrey, en dat wordt gespeld Beatrice. Maar ge moet niet te ver gaan. Ik ben niet jaloersch, maar ik wil geen schandaal hebben--voor geen vijftig Beatrices. Ik wil niet toelaten dat ge uw naam en positie te grabbelen gooit. 't Is al te gek dat zoo'n man als hij van liefde kwijnt voor een dorpsmeisje! En dan zegt men nog dat hij zoo knap is! Hij heeft altijd veel van het gezelschap van dames gehouden; dat is een gebrek van hem, en nu heeft hij zijn vingers gebrand. Dat doen die knappe mannen altijd, vroeg of laat. De vrouwen vleien hen, daar komt het van. Natuurlijk zoekt het meisje hem in te pakken, en zij kon wel erger doen, maar zoo zeker als mijn naam Honoria Bingham is, ik zal er wel een stokje voor steken. Ba! En dan lacht men nog om de macht der vrouw, terwijl zoo'n man van aanzien als Geoffrey, verliefd wordt op een mooi gezichtje; 't is een _heel_ mooi gezichtje, dat moet ik zeggen. Ik geloof, als ik hem niet in den weg stond, dat hij met haar zou trouwen. Maar ik sta in den weg, en ben voornemens in den weg te _blijven_ staan. Maar, komaan, 't is tijd om mij voor het diner te kleeden. Ik hoop maar dat die oude vlegel van een predikant niets bespottelijks doet. Ik zal verontschuldigingen voor hem moeten maken."

Tegen het bepaalde uur voor het diner--het was nu kwart over achten--verzamelden zich de gasten, allen beschaafde en meer of minder voorname personen. Granger kwam te voorschijn in zijn kale zwarte jas, maar, om hem wat op te knappen, met een paar gelakte schoenen van Geoffrey te hulp gekomen. Zooals wel te verwachten was, schenen de voorname personen niet verbaasd over zijn aanwezigheid te zijn, of bizonder notitie van zijn kleeding te nemen, want zulke lieden zijn nooit verbaasd. Een Zoeloe-opperhoofd in vollen krijgsdos zou slechts vriendelijke belangstelling in hun gemoed wekken. Integendeel vonden zij den ouden man een soort van curiositeit, en als zoodanig de kennismaking wel waard. De Eerste Minister verzocht zelfs, toen hij hoorde dat die vreemde heer een predikant uit Wales was, aan hem voorgesteld te worden, en knoopte dadelijk een gesprek met hem aan over tienden--een onderwerp, waarin Granger volkomen thuis was.

Toen men aan tafel ging, geleidde Granger de vrouw van den bisschop, een dikke dame, die eenigszins aanleg voor een beroerte had en met een uitmuntenden eetlust gezegend was. Aan zijn andere zijde zat de Eerste Minister, en tusschen die twee in, maakte hij het zeer goed, vooral na eenige glazen wijn gedronken te hebben. Zoowel de dikke vrouw van den bisschop als het hoofd van Harer Majesteits regeering verklaarden later dat dominé Granger een zeer onderhoudend man was. Den eerstgenoemde vertelde hij in alle bizonderheden hoe zijn dochter hun gastheer het leven had gered, en met den laatstgenoemde redeneerde hij over tienden, en gaf hem zijn meening te kennen welke wetgeving op dit punt noodzakelijk was. Eenigszins tot zijn verbazing, bleek het hem dat zijn zienswijze met aandacht, en zelfs met zekeren eerbied, werd aangehoord. In de hoofdzaak werden zij ook ondersteund door den bisschop, voor wien tienden insgelijks een punt van levendige belangstelling waren. Nooit te voren had Granger zulk een goed diner gehad of met zulk voornaam gezelschap omgegaan. Zijn leven lang vergat hij het niet.

Den volgenden ochtend vertrok Geoffrey met Granger, voordat Lady Honoria op was. In de bizonderheden van hun lange reis naar Wales behoeven wij niet te treden. Geoffrey had veel om over te denken, maar zijn vrees was verdwenen, zooals wel meer het geval is, wanneer het oogenblik, waar men tegen opziet, nadert, en door nieuwsgierige verwachting vervangen. Hij zag nu, of meende te zien, dat hij een berg van een molshoop had gemaakt. Waarschijnlijk had het niets te beteekenen. Beatrice hield ongetwijfeld wel van hem; mogelijk had zij zelfs een vlaag van teederheid voor hem gevoeld. Zoo iets komt, en zoo iets gaat. De tijd is een uitmuntend heelmeester voor zedelijke wonden, en weinig jonge dames dragen de kluisters van een onwenschelijke gehechtheid langer dan zeven maanden. Het deed hem bijna blozen dat hij zulk een mogelijkheid had kunnen vooronderstellen--een vooronderstelling, die niets anders was dan het uitvloeisel van zijn ijdelheid, en waar Beatrice, als zij het geweten had, met verontwaardiging om gelachen zou hebben.