Beatrice

Chapter 15

Chapter 153,921 wordsPublic domain

Het was een zonderlinge wijze van wraakneming, waar Lady Honoria niets tegen had; maar hoewel zij er niets van gevoelde, had Geoffrey er toch veel heimelijke voldoening van. Hij was ook nieuwsgierig om te zien of de zucht naar weelde van zulk een vrouw geen grenzen had, of zij niet eindelijk oververzadigd zou worden. Maar voor zulk een proefneming was Lady Honoria al zeer slecht geschikt. Zij gaf niet het minste blijk dat zij oververzadigd was, hetzij van opschik en kostbaarheden, of van vermaken. Een weelderig leven was haar element, en dat werd zij evenmin moede als men zou kunnen verwachten dat een visch het water, of een arend het luchtruim moede werd.

De winter ging voorbij en maakte plaats voor de lente. Op zekeren dag in April gaf Geoffrey, die uit overtuiging een gematigd liberaal was, te kennen, dat hij zich candidaat voor het Parlement wilde stellen, in het belang der Unionisten. Er was een zetel open gekomen voor de vertegenwoordiging van een der districten onder het gebied van de hoofdstad. Toevallig kende hij den leider der Unionistische partij zeer goed. Zij waren vrienden geweest sedert zij samen hadden schoolgegaan, en toen dit Parlementslid een schitterende redevoering van Geoffrey in het Gerechtshof had gehoord, was hij op den inval gekomen, dat zijn oude schoolmakker juist de man was, in wien een zwakke partij een krachtigen steun zou vinden.

Het gevolg was dat Geoffrey verzocht werd of hij zich candidaat wilde stellen, en hij antwoordde dat hij het twee dagen in bedenking moest nemen. Die twee dagen wilde hij eigenlijk hebben om Beatrice te schrijven en antwoord van haar te ontvangen. Hij stelde een bijna bijgeloovig vertrouwen in haar oordeel, en wilde niet gaarne handelen zonder haar gevoelen gevraagd te hebben. Na het voor en tegen gewogen te hebben, was zijn eigen meening dat hij wèl zou doen zich candidaat te stellen. Waarschijnlijk zouden er wel niet genoeg stemmen op hem uitgebracht worden, en het zou hem vijf honderd pond kosten. Maar daarentegen zou het zijn naam zeker bekend maken als politicus, en hij was nu op weg om zulk een ruim inkomen te verdienen, dat hij die som er wel aan kon wagen. Het eenige groote bezwaar, dat hij zag, was, dat als hij verkozen werd, hij den geheelen dag en 's nachts ook zou moeten werken. Welnu, hij was sterk, en hoe meer werk hij had, des te beter--dat zou zijn gedachten afleiding geven.

Beatrice's antwoord kwam. Haar zienswijze kwam met de zijne overeen; zij ried hem aan de gelegenheid te baat te nemen, en wees hem er op, dat er, met zijn toenemende vermaardheid als rechtsgeleerde, geen staatspost was, waarnaar hij niet kon dingen, als hij eenmaal bewezen had een bekwaam Parlementslid te zijn. Geoffrey las dien brief door, en schreef zijn vriend onmiddellijk, dat hij de candidatuur aannam.

De volgende veertien dagen waren een zware tijd voor hem, maar Geoffrey was een even goed spreker op de tribune als in het Gerechtshof, en bovendien had hij er den onwaardeerbaren slag van, zich naar zijn toehoorders te kunnen voegen. Bij de stemwerving voor hem bleek het, dat de zaak der partij niet zoo hopeloos stond als men gedacht had. Zoowel de Unionisten als de Separatisten betoonden veel belangstelling in de verkiezing; van weerszijden werd beweerd, dat de stemming in hun voordeel zou uitvallen, en de _Home Rule_-partij spande al haar krachten tegen hem in. Brieven van groote autoriteiten werden gedrukt en verspreid. Iersche Parlementsleden, pas uit de gevangenis ontslagen, traden te voorschijn om hun grieven op te sommen. Er werd zelfs van gesproken, dat een hunner zich in de gevangeniskleeding op de tribune zou vertoonen--kortom, elke verkiezingsmachine bij de politieke wetenschap bekend, werd door alle partijen in werking gebracht.

Lady Honoria was eerst vrij onverschillig geweest, maar nu het eenmaal zoover gekomen was, zag zij in spanning den uitslag te gemoet. In dien verkiezingsstrijd was iets, dat haar persoonlijk een streelend gevoel van gewicht gaf. Op den dag der stemopneming reed zij den geheelen dag in een open rijtuig, onder een lichtblauwe parasol, met Effie (die zich niet weinig verveelde) naast zich, en twee edele Lords op de voorste bank. Het gevolg daarvan was, dat een zekere afdeeling van de pers verklaarde, dat de uitslag alleen te danken was aan de kuiperijen van een voorname en schoone vrouw. Men zeide zelfs, dat zij, evenals een andere dame van rang uit vroeger tijd, een slager gekust had, om zijn stem te winnen. Maar wie dat beweerden, kenden Lady Honoria niet; zij was niet in staat een slager, of wien ook, te kussen. Zoo iets viel niet in haar smaak.

Ten slotte werd Geoffrey verkozen met een meerderheid van tien stemmen. Den volgenden avond nam hij in het Lagerhuis zitting, onder luide toejuiching der Unionisten. In den loop der avond-debatten zinspeelde een regeeringslid op zijn verkiezing als een bewijs van de zegepraal der Unionistische beginselen. Daarop antwoordde een lid der Separatistische oppositie dat dit volstrekt het geval niet was, dat het "van algemeene bekendheid was dat de verkiezing van het geëerde lid was toe te schrijven aan de buitengewone bekwaamheid, door hem in den loop der stemwerving aan den dag gelegd, als 't ware, geholpen door behendig aangewenden aristocratischen vrouwelijken invloed." Dit was een kiesche zinspeling op Lady Honoria en haar blauwe parasol.

Toen Geoffrey en zijn vrouw, na den uitslag der stemopneming, naar Bolton Street terugreden, had er een klein voorval plaats. Geoffrey beval den koetsier aan het eerste telegraafkantoor stil te houden; daar stapte hij uit en telegrafeerde aan Beatrice: "Verkozen met tien stemmen."

"Aan wie hebt ge geseind, Geoffrey?" vroeg Lady Honoria.

"Aan Miss Granger," antwoordde hij.

"Ei! Ge houdt dus nog correspondentie met dat schooljuffertje?"

"Ja, dat doe ik. Ik wenschte dat ik meer zulke correspondenten had."

"Zoo! Ge zijt gemakkelijk te voldoen. Ik vond haar een van de onaangenaamste meisjes, die ik ooit ontmoet heb."

"Dat bewijst dan niet veel voor uw smaak, Honoria."

Zijn vrouw zeide verder niets, maar zij had er haar eigen gedachten over. Het lag niet in Honoria's karakter jaloersch te zijn; daartoe was zij te koel en te onverschillig. Maar het beviel haar niet, dat een andere vrouw invloed had op haar echtgenoot, die, zooals zij nu begon te erkennen, een der uitstekendste mannen van zijn tijd was, en ook wel een van de rijkste en machtigste zou kunnen worden. Zij alleen had recht op hem, geen andere vrouw. Zij was niet gek, en zij zag wel, dat er tusschen die twee een groote vertrouwelijkheid moest bestaan. Anders zou hij er niet aan gedacht hebben, Beatrice op zulk een oogenblik te telegrafeeren.

Binnen een week na zijn verkiezing hield Geoffrey een redevoering. Het was geen lange, en ook niet over een zeer gewichtig punt; maar zij was zeer goed in haar soort, goed genoeg dat er woordelijk een verslag van werd gegeven, en wie er naar geluisterd hadden, erkenden dat zij te doen hadden met een nieuw man, die eenmaal een groot man zou worden.

De nu volgende maanden werkte Geoffrey zoo hard als iemand zelden werkt. Den geheelen dag was hij op zijn kamers of in het Gerechtshof, en 's avonds zat hij in het Lagerhuis. Maar hoe weinig tijd hij ook voor zijn akten beschikbaar had, de belangen zijner cliënten verzuimde hij niet, en ook vond hij nog tijd om aan Beatrice te schrijven. Hij ging zelden uit, en behalve wanneer het voor zaken was, ging hij met weinigen om. Hij werd al meer en meer stil en teruggetrokken, zoodat hij eindelijk den naam kreeg van koel en stuursch te zijn. Maar dat was hij toch niet. Hij wijdde zich met hart en ziel aan zijn werk, met het vast besluit het tot den hoogsten trap te brengen. Hij wist, dat hij er weinig om geven zou als hij dien bereikt had, maar in het streven daarnaar vond hij een aangenamen prikkel.

Geoffrey was geen eerzuchtig man. Hij kende de dwaasheid van eerzucht te goed, en het einde er van stond hem altijd voor oogen. Dikwijls dacht hij, dat, als hij zijn lot had kunnen kiezen, hij gevraagd zou hebben naar een landelijke woning met een goeden tuin, vijfhonderd pond 's jaars, en iemand om lief te hebben. Maar misschien zou hij zijn landelijke woning spoedig moede geweest zijn. Hij werkte om zijn gedachten te smoren, en in zekere mate gelukte hem dat ook. Maar hij had een gevoelig hart, en het verlangen naar sympathie, dat zijn geheime zwakheid was, kon hij niet smoren, hoewel zijn trotschheid niet gedoogde het te laten blijken. Wat gaf hij om zijn zegepralen, als hij niemand had om ze met hem te deelen? Alles, wat hij er van kon mededeelen, waren de vruchten, en die gaf hij mild genoeg. Voor zijn eigen genoegen besteedde Geoffrey weinig. Een zeker deel van zijn winst spaarde hij op, en het overige werd uitgegeven. In zijn huis waren vroolijke partijen aan de orde van den dag, maar de heer des huizes nam er weinig deel aan.

En wat was het geval? Hoe langer hij van Beatrice gescheiden bleef, des te sterker verlangde hij naar haar gezelschap. Wat hij ook deed, het baatte niet; hij kon dat lief gezichtje niet uit zijn gedachten zetten; het trok hem aan als de magneet de naald. Zijn voorspoed bracht hem geen geluk aan, behalve in dien zin dat hij geen geldzorgen had.

Menschen van een grover zedelijk gehalte kunnen ware voldoening smaken in wereldsche zegepralen, en eten, drinken en vroolijk zijn, want morgen sterven zij! Maar een man als Geoffrey leert spoedig, dat dit ook ijdelheid is. Integendeel, hoe meer hij zijn geest inspande, des te meer maakte weemoedigheid zich van hem meester. Als hij naar een dokter gegaan was, zou deze hem misschien gezegd hebben, dat zijn lever niet in orde was, en dat was ook wel mogelijk. Maar daar zou de zaak niet mee verholpen zijn. "Welk een wereld!" zou hij uitgeroepen hebben, "welk een wereld om in te leven, als iemands geluk van zijn lever afhangt!" Hij had zich de ongelukkige gewoonte eigen gemaakt alles van de zwartste zijde te zien; het verdrietige viel hem altijd in 't oog.

Het was geen vreemd geval. Groote geesten zijn zelden gelukkig. Dat kunnen alleen eenvoudige, bekrompen zielen zijn. Maar een groote geest ziet te ver, en raadt te veel naar wat hij niet ziet. Hij ziet vooruit en aanschouwt het einde van zijn arbeid; hij ziet om zich heen, en huivert van de ellende eener zwoegende en worstelende wereld; het schouwspel van het beklagenswaardige bedelaarskind, dat op waggelende voetjes om brood smeekt, doorboort hem het hart. Hij kan zich niet troosten met de gedachte dat het kind maar niet geboren moest zijn, of dat hij, door zijn laatsten shilling te geven, de klasse, die het heeft voortgebracht, feitelijk toch niet zou helpen.

En boven het schitterend licht van aardsche vreugde en den donkeren walm van aardsche ellende, ziet hij het plechtig uitspansel, dat de toekomst van zijn geslacht bedekt houdt. Want voor zulk een man heeft ook de godsdienst zijn verschrikking zoowel als zijn hoop, des te meer naarmate het donkerder in zijn ziel wordt. Wat ligt daar achter dat geheimzinnig gewelf, waarvan hij het einde met elken dag nader komt, waarvan de poorten misschien nu reeds voor hem geopend worden? Honderd stemmen antwoorden, maar geen twee zijn het eens. Honderd handen wijzen honderd wegen van kennis aan--en halverwege verdwaalt hij er op. En onveranderlijk blijft dat strak overwelvend geestelijk uitspansel, waar geen lichtstraal door het nachtelijk duister heen dringt, en al nader en nader brengen zijn vermoeide voeten hem tot den westelijken gezichteinder.

't Is bedroevend en 't is verkeerd, maar het is niet geheel en al zijn schuld; veeleer is het de schuld van de eeuw, van overbeschaving, van een overdreven streven naar wijsheid. Kweek den onderzoekenden geest aan, en zijn banden worden hem te eng. De geest wil een hooger vlucht nemen, hij wil zien, maar het vleesch drukt hem neder, en in alle vleesch is weinig licht. Soms echter, in een onnatuurlijk hooge gedachtensfeer zwevende, meent hij een blik te slaan in een beangstigende toekomst, of misschien in de hopelooze duisternis van een oneindigen nacht.

O, benijdenswaardig is dat eenvoudig geloof, dat niet vraagt, niet onderzoekt! Daardoor alleen is vrede te vinden, en voor hen, die het dwazelijk vaarwel zeggen en er menschelijke wijsheid voor in de plaats stellen, zal het menschelijk lot weldra een langdurige vrees zijn. Wetenschappelijk ontwikkeld, en zwoegend onder den last van kennis, zullen zij hun oude goden verwerpen, en geen positief weten zal hun troost aanbrengen. De wetenschap, die hier en daar de donkerheid van het lot met haar electrisch licht bestraalt, geeft zich voor een leidstar uit. Maar zij is geen leidstar, zij is slechts een flikkerlicht. Bidden wij om duisternis, meer duisternis, opdat voor ons verblind gezicht haar licht niet slechts strekken moge om ons te doen zien, wat de Hoop den doodsteek geeft.

Zoo zocht ook Geoffrey een toevlucht voor zijn geestelijke eenzaamheid, maar zonder er een te vinden. De sympathie, waarnaar zijn hart haakte, en die hij niet had kunnen vinden bij de vrouw, die zijn levensgezellin geworden was, had hij gevonden bij Beatrice, nadat hij door het huwelijk een onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen had gesteld. En toch verlangde hij zoo sterk naar haar gezelschap, dat het hem verontrustte. Hij had wel brieven van haar, maar wat zijn brieven! Een aanraking van een geliefde hand is wel duizend brieven waard. Te midden van al den roem, dien hij behaalde, was Geoffrey in zijn hart ongelukkig; en evenwel scheen het hem toe, dat, als hij Beatrice maar weer aan zijn zijde kon hebben, al was 't slechts als vriendin, hij rust en vergenoegdheid had kunnen vinden.

Wanneer iemand zijn hart zóó op één doel heeft gezet, is zijn verstand spoedig overtuigd, dat het onschuldig, zelfs wenschelijk is, en meestal zullen de omstandigheden ook wel meeloopen om hem gelegenheid te geven, tot zijn ongeluk, dat zoo vurig begeerde doel te bereiken.

Hoofdstuk XIX.

Geoffrey krijgt bezoek.

En Beatrice--was het haar in al die maanden beter gegaan? Helaas, geenszins. Zij had op dien herfstochtend van het afscheid-nemen met een bedrukt hart het Bryngelly-station verlaten, en bedrukt van hart was zij gebleven. Gedurende de lange wintermaanden waren droefheid en bitterheid haar deel geweest, en de blijde lente-tijd had die niet uit haar hart verdreven. Zij beminde hem, zij verlangde naar zijn tegenwoordigheid, en die was haar ontzegd. Wel verre dat de tijd die liefde deed uitslijten, scheen zij van week tot week toe te nemen. En toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. Liever wilde zij aldus door haar geweten en hopeloosheid gekweld worden dan de oorzaak van haar smart te missen.

Eén troost had Beatrice echter, en ook slechts één: zij wist dat Geoffrey haar niet vergat. Dat zeiden haar zijn brieven. Die brieven waren alles voor haar--een vrouw kan meer troost aan een brief ontleenen dan een man. Bijna even aangenaam als ze te ontvangen, was het haar ze te beantwoorden. Zij was een goede briefschrijfster, maar dikwijls verscheurde zij wat zij geschreven had en begon weer opnieuw. In Bryngelly was niet veel nieuws; het was moeilijk haar brieven in een aangenamen toon te schrijven. In den geheelen aard van de zaak was ook iets, dat haar scheen te verlammen. Het was belachelijk zooveel te zeggen te hebben, en zoo weinig te _kunnen_ zeggen. Niet dat Beatrice er minnebrieven van had willen maken--dat was nooit bij haar opgekomen, maar zij had willen schrijven, zooals zij met elkander gesproken hadden. Als zij dit echter beproefde, was de uitslag niet naar haar zin, de woorden zagen er op het papier zoo vreemd uit--zij kon ze niet afzenden.

In Geoffrey's snellen vooruitgang op den weg tot roem en fortuin stelde zij het levendigst belang, en zij verheugde zich er veel meer over dan hijzelf. Zij getroostte zich de verveling van de kolommen over de Parlementszittingen van het begin tot het einde te lezen, alleen maar om kans te hebben er zijn naam in te zien voorkomen of een redevoering, die hij gehouden had, vermeld te vinden. Ook in de verslagen der terechtzittingen zocht zij zijn naam niet te vergeefs.

Maar het waren nare maanden, die zij had doorgebracht. 's Morgens opstaan, de oude sleur van haar dagelijksche werkzaamheden, aan Geoffrey denken, vermoeid thuis komen en haar toevlucht zoeken in den slaap en van hem te droomen--zoo ging het den eenen dag voor, den anderen na. Dan kwamen er nog andere verdrietelijkheden bij. Om te beginnen, ging het in de pastorie van kwaad tot erger. De tienden kwamen bijna in 't geheel niet in, en van dag tot dag werd hun armoede knellender. Als Beatrice's salaris er niet bij was geweest, zou het gezin niet geweten hebben, waarvan het langer moest bestaan. Zij gaf nu bijna alles aan haar vader, en hield er slechts een kleine som af voor haar noodzakelijke kleeding en zulke kleinigheden als postzegels en postpapier. Maar toch bromde Elisabeth over haar verkwisting dat zij nog maar voortging met een dagblad te koopen, en vroeg waar het toe diende elke week een _sixpence_ aan zulk een weelde te besteden. Doch Beatrice kon er niet toe besluiten van het blad, waarin zij nu en dan van Geoffrey melding gemaakt vond, af te zien.

Owen Davies was ook een gestadig verdriet voor haar. Zijn verliefdheid op haar werd in 't oogloopend; iedereen zag het, behalve haar vader. Granger's geest was zoo vervuld van kwesties in verband met tienden, dat hij, gelukkig voor Beatrice, aan niets anders kon denken. Owen liep haar overal na; uren lang wachtte hij buiten de school of aan het hek der pastorie, alleen om haar eenige woorden toe te spreken. Soms, als zij eindelijk te voorschijn kwam, scheen hij met stomheid geslagen; dan zeide hij niets, maar zag haar met doffe oogen aan op een wijze, die haar ongerust maakte. Hij waagde het, wel is waar, nooit haar over liefde te spreken, maar zijn gezicht stond er naar alsof hij het doen wilde, wat bijna even erg was. Daar kwam nog bij, dat hij jaloersch was geworden.

Het zaad, door Elisabeth in zijn ziel gestrooid, had rijkelijk vruchten voortgebracht, hoewel Beatrice, natuurlijk, niet wist dat dit haar zusters bedrijf was.

Denzelfden ochtend, toen Geoffrey vertrokken was, had Davies haar ontmoet, toen zij van het station terugliep, en vroeg haar of mijnheer Bingham weg was. Toen zij die vraag bevestigend had beantwoord, had zij hem duidelijk hooren mompelen: "Goddank! Goddank!" Later ontdekte zij ook, dat hij den brievengaarder had omgekocht om de brieven te tellen, die zij aan Geoffrey zond en van hem ontving.

Dit alles was verontrustend voor Beatrice, maar het werd nog erger. Davies begon haar geschenken te zenden, eerst zoo iets als duiven en hoenders, die op een tentoonstelling van pluimgedierte bekroond waren, en later kostbaarheden. De duiven en hoenders kon zij niet terugzenden zonder dat het in 't oogvallend geweest zou zijn, maar de kostbaarheden liet zij door een der schoolkinderen terugbrengen. Eerst kwam er een armband, toen een medaillon met zijn photographie er in, en eindelijk een kistje, dat, toen zij het openmaakte, waartoe nieuwsgierigheid haar bewoog, haar bijna door den glans van zijn inhoud verblindde. Het was een juweelen halssnoer, en nooit had zij zulke diamanten gezien, maar naar de grootte en den glans wist zij, dat elke steen wel honderd pond waard moest zijn. Beatrice stak het in haar zak en hield het bij zich, totdat zij hem ontmoette, wat, natuurlijk, in den loop van den namiddag het geval was.

"Mijnheer Davies," zeide zij, voordat hij spreken kon, en terwijl zij hem het pakje overhandigde, "dit is mij bij vergissing gezonden. Wilt gij zoo goed zijn het terug te nemen?"

Hij nam het verlegen aan.

"Mijnheer Davies," ging zij voort, hem strak in de oogen ziende, "ik hoop dat zulke vergissingen niet meer zullen plaats hebben. Onthoud, als 't u belieft, dat ik geen geschenken kan aannemen."

"Als mijnheer Bingham het u had gezonden, zoudt gij het wel aangenomen hebben," mompelde hij wrevelig.

Beatrice wierp hem zulk een vlammenden blik toe, dat hij terugdeinsde en haar verliet. Maar het was waar, en dat wist zij. Als Geoffrey haar een _sixpence_ met een gaatje er in had gegeven, zou zij dien hooger gewaardeerd hebben dan alle diamanten op de wereld. O, welk een toestand voor haar! Zij had het recht niet den echtgenoot van een andere vrouw te beminnen.

Maar recht of onrecht, het was toch maar de waarheid: zij beminde hem.

En het ergste was, zooals zij wel wist, dat vroeg of laat het voorgevallene met Davies, haar vader ter oore moest komen, en wat zou er dan gebeuren? Zooveel was zeker, dat hij in zijn armoedigen toestand hemel en aarde bewogen zou hebben om haar huwelijk met dien rijken man tot stand te brengen. Haar vader was nooit zeer nauwgezet geweest, als het op geld aankwam, en nu het geldgebrek zoo nijpend werd, zou hij het waarschijnlijk nog wel minder zijn.

Dat dit alles de jaloersche oogen van Elisabeth niet ontsnapte, lijdt geen twijfel. Het zag er donker voor haar uit, maar zij was niet voornemens daarom de kaarten neer te werpen. Doch het was tijd om troef uit te spelen. Met andere woorden, Beatrice moest, in de oogen van Owen Davies schandelijk tentoongesteld worden, als zij dit op de een of andere wijze kon bewerken. Tot dusverre was alles goed gegaan voor haar plannen. Beatrice en Geoffrey beminden elkander, daar was Elisabeth zeker van. Maar het bestaan van die geheime, verborgen liefde zou niet baten, zoolang er geen openlijke bewijzen van waren. Het staat ieder vrij een geheime voorkeur te hebben, maar als er eenmaal aan toegegeven is, als een vrouw eenmaal in opspraak is gekomen, dan neemt de wereld de gelegenheid waar om haar te vertrappen. Welk man, dacht Elisabeth, zou met een vrouw willen trouwen, op wier goeden naam een smet kleefde? Als er een smet op Beatrice geworpen kon worden, zou Owen Davies haar niet tot vrouw nemen--dus moest zij in opspraak gebracht worden.

Dat klinkt slecht en onnatuurlijk. "'t Is onmogelijk dat de eene zuster de andere zoo zou behandelen," zullen de lezeressen van dit verhaal misschien zeggen, aan haar eigen zuster en haar hartelijke en rechtgeaarde omgeving denkende. Maar het is niet onmogelijk. Als gij, die twijfelt, de verslagen van de terechtzittingen wilt lezen--wat juist geen aangename lectuur voor u is--zult gij zien dat zoo iets wel mogelijk is. De menschelijke natuur kan tot een zeldzame hoogte stijgen, maar zij kan ook tot een laagte zinken, die beneden uw peil is. Omdat iets in uw eigen ondervinding zonder weerga is, volgt daaruit niet dat het niet waar kan zijn.

Elisabeth was onmeedoogend; ja, wat meer is, zij werd door de krachtige drijfveeren van hartstocht en hebzucht bewogen. Maar bij haar onmeedoogendheid paarde zij een groote mate van slimheid, of liever beredeneerdheid. Als zij een wilde was geweest, zou zij haar zuster wel spoedig uit den weg geruimd hebben; maar nu zij was wàt zij was, trachtte zij hetzelfde doel te bereiken door een middel, dat niet strafbaar voor de wet was, kortom, door haar goeden naam te vermoorden. Zou _zij_ er verantwoordelijk voor zijn, als haar zuster den verkeerden weg opging en aldus geschandvlekt was in de oogen van den man, die haar tot vrouw wenschte te hebben, en met wien Elisabeth wilde trouwen? Natuurlijk niet, dat was Beatrice's zaak. Maar zij kon haar alle gelegenheid geven om in verzoeking te komen, en dat was haar vast voornemen.