Beatrice

Chapter 14

Chapter 144,035 wordsPublic domain

"De Garsingtons hebben de groote zaal en hun gezelschapskamer opnieuw laten meubileeren," ging zij voort. "Het kost achttien honderd pond, maar 't is dan ook allerkeurigst geworden."

"Zoo!" antwoordde Geoffrey, die van meening was dat Lord Garsington wel wat van zijn schulden had mogen betalen, eer hij achttien honderd pond aan nieuwe meubelen besteedde.

Nu begonnen de Sint en Lady Honoria een levendig en langdurig gesprek te voeren over de andere logeergasten, waar Geoffrey nauwelijks naar luisterde. Hij vond het aan tafel zitten zeer vervelend, en droeg van zijn kant weinig tot de gezelligheid bij.

Toen zijn vrouw de kamer verlaten had, moest hij toch wat zeggen, dus spraken zij over het jagen. De Sint was min of meer een _sportman_, en hij beschreef Geoffrey een paar geweren van een nieuw model, die hij voor de geringe som van honderd veertig guinjes gekocht had, en die hij hem bizonder aanbeval.

"Ja," antwoordde Geoffrey, "die zullen wel zeer goed zijn, maar, ziet ge, ze zijn mij te duur. Ik kan zooveel geld niet uitgeven voor een paar geweren."

"O, is het anders niet," hernam zijn gast, "dan wil ik u deze wel verkoopen, en ge kunt ze betalen wanneer het u schikt. Maar wat kan het mij ook schelen, ik heb geweren genoeg. Ik wil royaal zijn en ze u cadeau geven. Als _ik_ niet royaal kan zijn, zou ik niet weten wie!"

"Ik dank u, mijnheer Dunstan," antwoordde Geoffrey koel, "maar ik ben niet gewoon zulke geschenken van mijn vr---- van mijn bekenden aan te nemen. Wilt gij een glas sherry?--niet? Zullen wij dan maar weer naar Lady Honoria gaan?"

Dit gezegde sloeg den plompen Sint, die het echter niet kwaad gemeend had, geheel ter neder; en een oogenblik later had Geoffrey er spijt van. Maar hij was in een verdrietige en wrevelige luim. Waarom bracht zijn vrouw zulke menschen in zijn huis? Kort daarna nam hun gast afscheid. Hij vond Bingham een verwaanden kwast, en gevoelde dat hij niet tegen hem bestand was. "En ik geloof dat hij geen duizend pond 's jaars heeft," redeneerde hij bij zichzelven, "en zijn vrouw alleen heeft een titel, hij niet. Daarom is hij zeker met haar getrouwd. Zij is een veel beter soort dan hij, maar ik kan uit haar toch ook niet recht wijs worden--men kan niet heel ver met haar komen. Maar zij is de dochter van een Pair, en wel waard de kennis met haar aan te houden, doch als ik weet dat Bingham thuis is, kom ik niet."

"Wat hebt ge mijnheer Dunstan toch gezegd, dat hij zoo spoedig heengegaan is?" vroeg Lady Honoria.

"Wat ik hem gezegd heb? och, dat weet ik niet. Hij bood mij een paar geweren aan, en toen heb ik gezegd dat ik geen geschenken van mijn bekenden aannam. Waarlijk, Honoria, ik laat u in uw leefwijze geheel vrij, maar ik begrijp niet hoe ge met zoo iemand als dien mijnheer Dunstan kunt omgaan."

"Denkt ge dat ik met hem omga?" zeide zijn vrouw. "Denkt ge dat ik niet weet wat dat voor een man is? Maar wie arm is, moet niet te kieskeurig zijn. Al is hij een vlegel, hij heeft toch dertig duizend pond 's jaars, en een bekende, die zoo'n inkomen heeft, is niet te versmaden. 't Is te erg van u, Geoffrey," ging zij, met toenemende wreveligheid, voort, "als ge weet, dat ik mij in ons ellendig, armoedig leven moet schikken, dat ge elke gelegenheid waarneemt om u onaangenaam te maken bij de menschen, die ik raadzaam acht bij ons te noodigen. Pas ben ik uit een aangename omgeving in deze nare woning terug, of het eerste wat ge doet, is twist te zoeken. Mijnheer Dunstan heeft loges in verscheidene van de beste schouwburgen, en hij heeft er mij een aangeboden zoo dikwijls ik er gebruik van wilde maken--en nu is dat, natuurlijk, uit. 't Is te erg van u, zeg ik!"

"'t Is werkelijk zonderling, Honoria," hernam haar echtgenoot, "te zien welke verplichtingen ge maakt, uit zucht naar vermaakt. 't Is vernederend voor u, van dien man loges aan te nemen."

"Gekheid. Ik maak er volstrekt geen verplichting door. Als hij mij een loge geeft, stelt hij er een eer in, mij in die loge te komen aanspreken, en dan zijn vrienden te zeggen dat hij met Lady Honoria Bingham sprak. 't Is een ruil: ik wil naar den schouwburg gaan; hij wil in goede gezelschappen komen--daar hebt ge 't precies. Zoo iets gebeurt dagelijks. Als ge dan het ware van de zaak wilt weten, Geoffrey," ging zij voort, met een gezicht alsof zij op het punt was in tranen van toorn uit te barsten, "ik kan niet als de vrouw van een kantoorklerk leven. Ik _moet_ wat vermaak, iets tot veraangenaming van mijn leven hebben, eer ik een oude vrouw word. Als dat u niet bevalt, waarom hebt ge mij dan tot dit ellendig huwelijk verlokt, eer ik oud genoeg was om beter te weten, of waarom verdient ge geen geld genoeg om mij in staat te stellen mijn stand op te houden?"

"Daar hebben wij het al dikwijls over gehad, Honoria," zeide Geoffrey, met moeite zijn bedaardheid behoudende; "en nu is er iets anders, waarover ik u wensch te spreken. Weet ge wel, dat Anne van avond langer dan een half uur aan het Paddington station gebleven is, om met een van de spoorwegbeambten te staan vrijen, in plaats van Effie naar huis te brengen, zooals ik haar bevolen had? Dat neem ik haar zeer kwalijk. Zij is niet te vertrouwen; door haar onachtzaamheid zal het kind eenmaal een ongeluk krijgen. Kunt ge haar niet wegzenden en een andere kindermeid nemen?"

"Neen, dat kan ik niet. Zij is het eenige gemak, dat ik heb. Waar vind ik een andere vrouw, die zoo goed japonnen kan maken als zij?--ze wint mij wel honderd pond in het jaar uit--en het kan me niet schelen, al vrijde zij met vijftig spoorwegbeambten. Gij hebt dat praatje zeker van Effie gehoord; het kind moest een pak slaag hebben voor haar verklikken--en het zal wel niet eens waar zijn."

"Effie zal voorzeker geen pak slaag krijgen," antwoordde Geoffrey, op strengen toon. "Ik waarschuw u, dat het ieder, die haar met een vinger aanraakt, slecht zal bekomen."

"O, heel goed, bederf het kind maar. Ga uw eigen gang maar, Geoffrey! In allen gevalle, blijf ik niet langer om beleedigende taal aan te hooren. Goeden nacht," en zij ging heen.

Geoffrey stak een cigarette op. "Een aangename tehuiskomst!" dacht hij. "Honoria zal zooveel geld hebben als zij maar kan uitgeven--al zou ik mij doodwerken, zij zal het hebben. Welk een leven, welk een leven! Zou Beatrice haar man ook zoo behandelen, als zij er een had?"

Hij lachte om de ongerijmdheid van dit denkbeeld, wierp met een wrevelig gebaar zijn cigarette in het vuur, en ging naar zijn kamer, om te beproeven of hij slapen kon, want hij was zwaar vermoeid.

Hoofdstuk XVII.

Geoffrey wint zijn zaak.

Den volgend ochtend vóór tienen, was Geoffrey, na reeds twee uren aan zijn akte besteed te hebben, die hij nu volkomen meester was, op zijn kamers, waar hij niet zonder moeite gekomen was, wegens den dikken mist, die nog over Londen en over geheel Engeland hing.

Tot zijn verbazing vernam hij, dat men van den Procureur-Generaal noch van den President van het Kanselarij-Gerechtshof iets gehoord had. De zaakwaarnemers waren wanhopig, maar hij troostte hen, door te zeggen dat één van beiden nog wel bijtijds zou komen opdagen, en dat eenige woorden voldoende zouden zijn, om het meerdere licht, dat over de zaak verspreid was, uit te leggen. Hij besteedde echter nog een half uur, om eenige ruwe aanteekeningen te maken, ten einde een richtsnoer te hebben in het wel onwaarschijnlijk maar mogelijk geval dat hij de zaak zou moeten inleiden, en ging toen naar het Gerechtshof. Het was de eerste zaak op de rol, en de tegenpartij had ook haar advocaat. Juist toen de rechter zijn plaats had ingenomen, overhandigde de zaakwaarnemer, met een uitdrukking van schrik op zijn gelaat, Geoffrey een telegram, dat op dit oogenblik van Mr. Candleton gekomen was. Het was uit Calais gedateerd, en luidde: "Niet in staat over te steken, wegens den dikken mist. Benoem een ander in Parsons en Douse."

"En wij hebben zoo maar dadelijk geen ander," zeide de ongeruste zaakwaarnemer. "Wat meer is, ik hoor niets van den Procureur-Generaal, en zijn klerk schijnt niet te weten waar hij is. Gij moet verdaging vragen, mijnheer Bingham; gij kunt de zaak niet alleen behandelen."

"Goed," zeide Geoffrey, en toen de zaak werd opgelezen, stond hij op en deelde de omstandigheden aan het Gerechtshof mede. Maar de president van de Rechtbank was in een brommige bui. Hij had den mist in zijn geleerde keel, en zag geen reden tot verdaging. Bovendien was de tegenpartij, die haar voordeel bespeurde, er sterk tegen. De getuigen waren er met groote kosten gebracht; zijn Lordschap was er, de gezworenen waren er; de zaak moest voortgang hebben.

Zijn Lordschap de president was van hetzelfde gevoelen, en voegde Geoffrey op strengen toon toe, dat ieder advocaat in een zaak, zoodra die voor de Rechtbank diende, elk oogenblik bereid behoorde te zijn, als het noodig was, die zaak in te leiden; maar als hij, Geoffrey, het Gerechtshof verklaarde daartoe ten eenenmale onvoorbereid te zijn, dat er dan, natuurlijk, niets anders op zat dan een verdaging toe te staan.

"Ik ben volkomen bereid met de zaak voort te gaan, Mylord," antwoordde Geoffrey bedaard.

"Goed," zeide de president, op een verzachten toon. "Ga dan maar voort. Ik twijfel niet of de Procureur-Generaal zal aanstonds wel komen."

De tegenpartij had er niets tegen, dat de inleiding was opgedragen aan een onervaren man, die waarschijnlijk zijn partij meer kwaad dan goed zou doen. Dus stond Geoffrey, eenigszins tot schrik van de zaakwaarnemers, die met verlangen aan de welsprekendheid van den Procureur-Generaal dachten, zonder vrees of aarzeling op, van zijn kant hopende dat de Procureur-Generaal maar zou wegblijven. Hij had een kans, waarop menig bekwaam man jaren lang moet wachten, en dat wist hij, en daar was hij voornemens gebruik van te maken. Geoffrey was een goed spreker, had niet, zooals menig goed spreker, last van zenuwachtigheid, en bovendien was hij zijn zaak volkomen meester. Binnen vijf minuten luisterden rechter, gezworenen en advocaat aandachtig naar hem, en binnen tien minuten had hij hun de zaak klaar en duidelijk uiteengezet. Om zijn onderstelling van het komediespel der geestverschijning werd eerst geglimlacht, maar al spoedig lachte de advocaat der tegenpartij niet meer en begon onrustig te zien. Als hij kon bewijzen wat hij zeide, was het uit met de zaak. Toen hij ongeveer twintig minuten gesproken had, werd hij door een aanmerking van den advocaat der tegenpartij geïnterpelleerd, en op dat oogenblik merkte hij op, dat de klerk van den Procureur-Generaal met een der zaakwaarnemers sprak.

"Als hij maar niet komt," dacht Geoffrey.

Maar neen, de zaakwaarnemer boog zich naar hem toe, en verwittigde hem dat de Procureur-Generaal door een gewichtige regeeringszaak onvermijdelijk werd opgehouden en zijn akte teruggezonden had.

"Welnu, dan moeten wij zoo goed voortgaan als wij kunnen," zeide Geoffrey.

"Als gij zoo voortgaat, kan het niet beter," fluisterde de zaakwaarnemer, en nu wist Geoffrey dat hij het goed deed.

"Ja, mijnheer Bingham," zeide de president.

En Geoffrey ging met zijn uiteenzetting van de zaak voort. 't Is onnoodig dit merkwaardig proces, dat twee dagen duurde en algemeen de aandacht trok, in al zijn bizonderheden te volgen. Geoffrey won het met glans. Zijn welsprekende aanspraak tot de gezworenen bleef in de Gerechtshoven lang in herinnering. Weinigen, die het zagen, vergaten ooit zijn bezield gelaat en gebiedende houding, toen hij de zaak van zijn tegenpartij als een eierdop verbrijzelde en daarop met kalme, overstelpende kracht van taal de vrouw beschuldigde, die met haar minnaar het wreede plan gesmeed had, dat haar oom van het leven en haar neef en nicht van hun rechtmatig eigendom beroofd had, totdat hij haar eindelijk, met uitgestrekte hand naar haar wijzende, voor de jury als een moordenares brandmerkte.

Weinigen in die volle rechtzaal vergaten het tragisch tooneel, dat nu volgde, toen de bevende vrouw, uitgeput door langdurige spanning, en verpletterd door de indrukwekkende woorden van haar beschuldiger, van haar plaats opstond en uitriep:

"Wij hebben het gedaan--'t is waar, wij hebben het gedaan om het geld te krijgen, maar het was onze bedoeling niet dat hij van schrik zou sterven," en bezwijmd viel zij op den grond.

"Mylords en heeren gezworenen," zeide Geoffrey, op kalmen toon, "ik geloof niet dat het noodig is mijn zaak verder te bepleiten."

Er volgde geen applaudissement, daartoe was de gelegenheid te dramatisch plechtig, maar de indruk, op het Gerechtshof en het publiek gemaakt, was diep en blijvend.

Geoffrey misleidde zichzelven niet, noch door zich op zijn zegepraal te verhoovaardigen, noch door valsche nederigheid. Als een verstandig man, beschouwde hij den staat van zaken uit het juiste oogpunt--met dankbaarheid, maar zonder verbazing. Hij had eindelijk zijn kans gehad, en was er voor berekend geweest. Dat was het eenige. De meeste menschen hebben in den een of anderen vorm zulke kansen, en weten er geen gebruik van te maken. Geoffrey was een van de uitzonderingen, zooals Beatrice gezegd had; hij was geboren om te slagen. Hij wist nu, dat hij het in zijn vak ver kon brengen.

Toen hij dien avond naar huis ging, nadat hem van alle kanten gelukwenschingen waren toegestroomd, gevoelde hij toch een zekere trotschheid.

Wat Geoffrey dien avond gevoelde, zal ieder gevoeld hebben, die lang met bijna overstelpende tegenspoeden te kampen heeft gehad, in zijn hart wetende dat hij geboren is om te leiden en niet om te volgen; en die eindelijk, door een enkele geestinspanning, zonder een vriendenhand om hem te helpen, of een vriendenstem om hem te leiden, er in geslaagd is zich door alle moeilijkheden heen een weg te banen en zich eensklaps in staat ziet alle mededinging het hoofd te bieden. Daar zal hij niet al te trotsch op zijn; het zal hem slechts een kleinigheid toeschijnen--iets, dat nog vol gebreken en onvolkomenheden is en nog lang niet aan zijn ideaal beantwoordt. Hij zal zelfs niet veel gewicht hechten aan die eerste zegepraal, omdat hij, in al zijn glorie, bedenkt dat anderen op zijn eigen terrein tegen hem zijn opgewassen, en ook dat alle aardsche voorspoed, evenals de schoonste bloem, de kiem van verval in zich draagt. Maar met bescheiden zelfvoldoening zal hij terugzien op die jaren van geduldig streven, dat hem eindelijk op een hoogte heeft gebracht, van waar hij al hooger en hooger kan opklimmen, totdat eindelijk, als hij uitgeput is, de tijd voor hem komt om te vallen.

Zoo dacht en gevoelde Geoffrey. Hij had zich van de taak, die hem was opgedragen, gekweten. Honoria zou nu geld hebben; zij zou hem niet langer hun armoede voor de voeten kunnen werpen. En--dat was een nog betere gedachte--het zou Beatrice verheugen zijn zegepraal te vernemen.

Hij kwam vrij laat thuis. Honoria zou bij een voorname nicht gaan dineeren, en was reeds bezig zich te kleeden. Geoffrey had voor de uitnoodiging bedankt, omdat hij niet verwacht had uit de rechtzaal terug te zijn. In zijn geestdrift, ging hij echter naar de kamer zijner vrouw, om haar den afloop te vertellen.

"Waar hebt ge al dien tijd gezeten?" zeide zij. "Ik dacht dat ge afgesproken hadt met mij uit te gaan. Het staat niet goed dat ik zooveel alleen uitga. O, ja, dat was ik vergeten; ge waart in die zaak."

"Ja, juist--dat was het. Ik heb de zaak gewonnen. Hier vindt ge er een verslag van in de _St. James Gazette_, als ge 't lezen wilt."

"Goede Hemel, Geoffrey! Hoe kunt ge verwachten dat ik al dat gezeur zal lezen terwijl ik mij kleed?"

"Dat verwacht ik ook niet van u, Honoria, alleen, zooals ik zeg, heb ik de zaak gewonnen en nu zal ik werk in overvloed krijgen."

"Zoo? Dat hoor ik met genoegen. Misschien kunnen we dan wel van die nare eerste verdieping afgaan. Zie je wel, Anne! _Je vous l'ai toujours dit, cette robe ne me va pas bien._" [1]

"_Mais, Milady, la robe va parfaitement_--"

"Dat mag jij vinden," bromde Lady Honoria, "maar dat vind ik niet. Maar het moet nu maar zoo mee. Goeden avond, Geoffrey, ge zult zeker wel al naar bed zijn als ik thuiskom;" en weg was zij.

Geoffrey nam met een zucht zijn _St. James Gazette_ op. Hij gevoelde zich zwaar gekrenkt; hij had zoo dwaas niet moeten zijn sympathie van Lady Honoria te verwachten--zij was geen sympathetische vrouw. Dat had hij moeten bedenken, maar toch gevoelde hij zich gekrenkt. Hij ging naar boven, en liet Effie haar gebedje opzeggen.

"Waar is u geweest, paatje?--naar de Rookerige Stad?" De Temple [2] was bij Effie bekend als de Rookerige Stad.

"Ja, lieve."

"U gaat naar de Rookerige stad om den kost te verdienen, niet waar, paatje?"

"Ja, lieve, om den kost te verdienen."

"En hebt u wat verdiend, paatje?"

"Ja, Effie, heel veel."

"Waar is het dan? In uw zak?"

"Neen, dat juist niet. Ik heb vandaag een groot proces gewonnen, en daar krijg ik veel geld voor."

"O," hernam Effie nadenkend, "daar ben ik blij om. U wint graag, niet waar, paatje?"

"Ja, lieve."

"Dan zal ik u een kus geven, paatje, omdat u gewonnen hebt," en zij voegde de daad bij het woord.

Geoffrey verliet het kamertje met een verzacht hart, en ging alleen zijn middagmaal gebruiken.

Toen zette hij zich er toe om een langen brief aan Beatrice te schrijven, waarin hij haar alles van de terechtzitting en alle bizonderheden van de taktiek en de bewijsgronden, die hij gebezigd had, mededeelde.

En hoewel het een brief van vier bladzijden was, wist hij dat het Beatrice niet zou vervelen hem te lezen.

Hoofdstuk XVIII.

De ster in 't opkomen.

Zooals wel te verwachten was, bleek de gedenkwaardige rechtzaak van Parsons en Douse het keerpunt in Geoffrey's loopbaan te zijn, die van nu aan glansrijk was. Reeds den volgenden ochtend, toen hij op zijn kamers in de _Inns of Court_ kwam, vond hij daar twee akten, die nog maar de voorloopers waren van een gestadigen toevloed van winstgevende zaken. Nu oogstte Geoffrey de vruchten in van den ijver, waarmede hij zich aan zijn rechtsgeleerde studiën had gewijd, sedert hij geheel op zijn eigen wieken moest drijven, en die hem zoowel tot een doorkneed wetgeleerde als een welsprekend advocaat hadden gemaakt. Weldra had hij zooveel werk als hij maar af kon. Wanneer de Fortuin eenmaal haar goede gaven schenkt, doet zij het met milde hand.

Drie weken na het rechtsgeding van Parsons en Douse, stierf Geoffrey's oom, de zaakwaarnemer, en liet hem, tot zijn verrassing, twintig duizend pond na, "meenende," zooals hij in zijn testament zeide, dat drie dagen voor den dood van den erflater gemaakt was, "dat die som hem helpen zou om in zijn vak vooruit te komen."

Nu zij eenmaal tot het besef was gekomen, dat haar echtgenoot een man was, wien het in de wereld voorspoedig kon gaan, nam Honoria een geheel anderen toon jegens hem aan. Zij werd zelfs vriendelijk, en een paar malen bijna teeder. Toen Geoffrey haar van de twintig duizend pond vertelde, straalde haar gelaat van genoegen.

"Dan zullen wij nu weer in Bolton Street kunnen wonen," zeide zij, "en het treft juist zoo gelukkig dat het huis te huur staat. Dat heb ik gezien."

"Ja," antwoordde hij, "daar kunnen we weer gaan wonen, zoodra ge maar wilt."

"En kunnen we rijtuig houden?"

"Neen, nog niet; daar verdien ik nog niet genoeg voor. Het volgend jaar, als ik het beleef, zult ge een rijtuig kunnen krijgen. Begin nu niet weer ontevreden te worden, Honoria. Ik heb £ 150 te missen, en als ge met mij mee naar een juwelier wilt gaan, kunt ge die besteden zooals ge wilt."

"O, wat vind ik u lief!" zeide zijn vrouw.

Dus gingen zij naar den juwelier, en Lady Honoria kocht sieraden voor een bedrag van £ 150, nam ze mee naar huis, en bewonderde ze met een teedere verrukking, zooals een vrouw van een ander soort haar eerstgeboren kind bewonderd zou hebben. Zoo dikwijls hij een som geld had, die hij kon missen, ging Geoffrey aldus met haar naar den juwelier of de modiste, en stond er onverschillig bij, terwijl zij voor dat bedrag kocht. Lady Honoria was recht in haar schik. Het kwam niet bij haar op dat hij in zekeren zin wraak op haar nam, en dat zij door elk blijk van vreugde, die zij bij zulke gelegenheden gaf, zich des te meer zijn verachting op den hals haalde.

Dat waren gelukkige dagen voor Honoria! Zij verheugde zich over dien hernieuwden rijkdom als een schooljongen over het ingaan van zijn vacantie, of een verkleumd zwerver over den zonneschijn. In dien nacht van armoede, had zij zich zoo ongelukkig gevoeld als haar koele aard slechts vergunde, en nu was zij weer gelukkig, volgens haar begrip van geluk. Want opvoeding, beschaving--wat gij maar wilt--alles was bij Honoria vervangen door den afgodsdienst van rijkdom, of liever, van al datgene wat rijkdom geeft. Dat was haar genot; haar schoonheid, die aan het verwelken was, kwam terug; zij zag er vijf jaar jonger uit. En intusschen sloeg Geoffrey haar met toenemende verachting gade.

Eens kwam het tot een uitbarsting. Het huis in Bolton Street was gemeubileerd; hij had haar daarvoor vijftien honderd pond gegeven, en met wat zij bezaten, kon zij het daar zeer goed mee doen. Zij verhuisden er heen, en Honoria had, nu zij in haar vorige stand hersteld was, zich een genoegzamen voorraad daarbij passende toiletten en kostbaarheden aangeschaft. Op zekeren dag viel het haar in 't oog, dat Effie eigenlijk een mooi kind was, en dat zij, behoorlijk gekleed, in de gezelschapskamer wel een aardig figuur zou maken. Dus bestelde zij een "lief" costuum voor haar--hoe het was, zullen mijn lezeressen zich misschien beter kunnen voorstellen dan ik het beschrijven kan, maar het bestond voornamelijk uit fluweel en kant. Geoffrey had daar niets van gehoord, maar op zekeren Zaterdagnamiddag wat vroeger dan gewoonlijk thuiskomende, vond hij het kind tentoongesteld voor een kamer vol gezelschap, en gekleed in een allerwonderlijkst costuum, dat haar, wat niet onnatuurlijk was, bizonder beviel. Hij zeide op dat oogenblik niets, maar toen eindelijk het gezelschap vertrokken was, vroeg hij wie Effie zóó had opgeschikt.

"Dat heb _ik_ gedaan," antwoordde Lady Honoria, "en het heeft aardig geld gekost, dat kan ik u verzekeren. Maar ik kan niet hebben dat het kind zoo eenvoudig voor den dag komt, dat staat niet goed."

"Dan moet zij maar boven blijven," zeide Geoffrey gemelijk.

"Hoe bedoelt ge dat?"

"Ik bedoel dat ik haar niet zoo opgedrild wil zien. Dat past niet voor haar leeftijd. Zij heeft nog tijd genoeg om ijdel te worden."

"Ik begrijp u waarlijk niet, Geoffrey. Waarom zou het kind niet fraai gekleed gaan?"

"Waarom niet? Groote Hemel! Honoria, denkt ge dat ik Effie wil zien opgroeien om zoo te worden als gij?--om een beuzelachtig leven van niets anders dan het vermaak najagen te leiden, en een afgod van weelde te maken? Ik zou haar liever"--hij wilde er bijvoegen, "dood zien," maar bedwong zich, en zeide--"voor haar brood zien werken. Kleed uzelve zoo zwierig als ge wilt, maar laat het kind met vrede."

Lady Honoria was woedend, maar zij was ook een weinig bevreesd. Nooit had zij haar echtgenoot zoo hooren spreken, en in zijn toon was iets, wat zij niet recht begreep. Nog minder begreep zij hem, toen hij haar den daaropvolgenden Maandag zeide, dat hij vijftig pond te missen had, die zij kon besteden zooals zij verkoos, haar toen naar een modewinkel vergezelde, en koel glimlachte terwijl zij voor die som kant en borduursels kocht. Honoria dacht, dat het een vergoeding voor zijn scherpe woorden was, en een vergoeding was het ook, maar voor hemzelven, en in een andere beteekenis. Telkens gaf hij haar op die wijze geld. Geoffrey had daarbij een gevoel als een man, die een schuld van eer aflost. Zij had hem gedurig hun armoede verweten, en voor elk verwijt wilde hij haar overstelpen met alles, wat haar ziel verrukte. Hij wilde haar rijkdom laten zwelgen, evenals Koningin Tomyris, in de ure harer zegepraal, den dooden Cyrus menschenbloed deed zwelgen.