Beatrice

Chapter 13

Chapter 133,930 wordsPublic domain

Wat was haar liefde dan? Was het een louter aardsche hartstocht? Neen, het was meer. Het was iets grootschers, iets reiners, iets diepers, iets onsterfelijks. Van waar kwam die liefde dan? Was zijzelve, zooals zij meende, niets anders dan een kind dezer aarde, van waar kwam dan dat sterk verlangen, dat niet van deze aarde was? Had zij ongelijk gehad, had zij een ziel--iets, dat met de zinnen en door de zinnen en boven de zinnen kon beminnen--iets, waarvan het lichaam slechts het omhulsel of het werktuig was? O, nu scheen het Beatrice toe, dat het zoo was, en dat, door haar liefde in wezen geroepen, zij en haar ziel moesten erkennen één te zijn. Eenmaal had zij gedacht dat dit verbeelding was; dat zulk een geestelijke hoop slechts het uitvloeisel van een onvoldaan hart was; dat, wanneer de liefde ons op aarde ontsnapt, wij in onze wanhoop zweren, dat zij onsterfelijk is en dat wij haar in den hemel zullen vinden. Nu geloofde Beatrice dit niet meer. De liefde had haar wakker gekust, en haar ontwaakte geest zag een visioen van de waarheid.

Ja, zij beminde hem, en moest hem altijd beminnen! Maar nooit zou zij op aarde kunnen weten dat hij de hare was, en als zij een ziel had, die na eenige jaren van de banden des lichaams bevrijd werd, zou _zijn_ ziel dan in dat verre hiernamaals de hare niet vergeten zijn?

Zij liet het hoofd op haar arm zinken en snikte zacht. Wat kon zij anders doen dan snikken--totdat haar hart brak?

Elisabeth, die met gespitste ooren lag, hoorde haar snikken. Zij zag, door het maanlicht turende, de gestalte harer zuster stuipachtig trillen, en glimlachte boosaardig.

"Zij weent omdat die man heengaat," dacht zij. "Ween maar niet, Beatrice, ween maar niet! Wees gerust: je krijgt je lieveling wel terug. Hij is even gek op jou als jij op hem bent."

Er was iets kwaadaardigs, bijna iets duivelachtigs in dit tooneel van de eene vrouw, die de andere bespiedde, den draad had van haar geheime zielesmart, en intusschen een plan smeedde om die in haar eigen voordeel en tot verderf van het onschuldig voorwerp harer bittere jaloezie aan te wenden.

Eensklaps hield Beatrice met snikken op. Een plotselinge aandrift deed haar het hoofd opheffen, en in eenige hartstochtelijke dichtregelen, die haar invielen, alsof zij uit haar eigen hart opwelden, gaf zij in een opgewonden gefluister haar overstelpt gemoed lucht.

Op dit oogenblik droomde Geoffrey, die gerust sliep, dat hij Beatrice aan het venster zag zitten, en dat haar oogen op hem gericht waren, met een blik, die door elken aardschen scheidsmuur heen drong. Zij sprak, haar lippen bewogen zich, maar hoewel hij haar stem niet kon hooren, was het alsof zijn hart de woorden, die zij sprak, opving.

Teedere, aandoenlijke woorden waren het. Tegelijk toen zij ophielden, verdween het visioen van Beatrice, en eensklaps ontwaakte hij.

O, wat was die bruischende vloed van onweerstaanbare gedachten, die zijn ziel overstelpten? Dat was geen droom, geen verbeelding; dat was werkelijkheid; zij was aanwezig, hoewel zij persoonlijk niet bij hem was; haar geest was in gemeenschap met den zijnen. Zijn hart bonsde, zijn leden trilden, hij trachtte te begrijpen wat dat was, maar kon het niet. Doch in die raadselachtige gemeenschap, nam de hartstocht, dien hij onderdrukt had en niet had willen erkennen, leven en vorm in hem aan. Op dat oogenblik werd het hem duidelijk: hij wist dat hij haar beminde, en wetende wat zulk een liefde moest beteekenen, zonk Geoffrey kermend achterover.

En Beatrice? Opeens hield zij op met bij zichzelve te spreken; zij gevoelde dat haar gedachten in een andere ziel dezelfde snaar hadden doen trillen. Zij had door den aardschen scheidsmuur heen gebroken; de electrische vonk, die het gevoel van haar hart had overgebracht, was op gelijke wijze beantwoord door hem, dien zij beminde. Maar in welke taal was dat antwoord? Ach, zij kon het niet lezen, evenmin als hij haar boodschap had kunnen lezen. Eerst twijfelde zij: het was voorzeker verbeelding. Toen herinnerde zij zich gehoord te hebben van stervenden, die een visioen van zichzelven aan anderen konden zenden; en als dat zoo was, waarom _dit_ dan niet? Ja, het was een waarheid, een ernstige waarheid; zij wist dat hij haar gedachten gevoelde, dat zijn leven van invloed was op het hare. O, onverklaarbaar mocht het zijn, maar het gaf hoop. Als de blinde kracht harer menschelijke liefde zóó de grenzen van het stoffelijk bestaan kon overschrijden, en zich louter door de macht van haar wil boven alle aardsche hinderpalen verhief, wat had zij dan te vreezen van afstand, van scheiding, van den dood zelven? Zij had den draad gegrepen, die er eenmaal toe kon leiden om wonderbare geheimen voor haar blik open te leggen. Zij had een gefluister gehoord in een onbekende taal, die zij nog moest leeren, en die op den wanhoopskreet des levens met een zegelied antwoordde. Als hij haar slechts beminde, zou eenmaal alles goed zijn. Eenmaal zouden de scheidsmuren omvallen, en de ziel, van haar vleeschelijk omhulsel bevrijd, zou de aan haar verwante ziel zoeken. En dan, als zij haar liefde gevonden had, wat was er dan nog meer te zoeken? Welk ander antwoord verlangde zij op al de vraagstukken van haar leven dan deze eindelijk verkregen eenheid--eenheid verkregen in den dood!

En indien hij haar niet beminde, hoe had hij haar dan kunnen antwoorden? Dat antwoord kon immers niet anders tot haar komen dan langs den gouden snaar der liefde, die haar zoetsten klank doet hooren, wanneer de vinger des weemoeds haar tokkelt.

De geestvervoering ging voorbij, de ziel verheffende gedachten werden al nauwer en flauwer, als de wegstervende echo's van een harp, en eindelijk, door de hevigheid harer aandoeningen uitgeput, legde Beatrice zich te bed en viel weldra in slaap.

Toen Geoffrey den volgenden ochtend ontwaakte, kwam hij, na een weinig nadenken, tot het besluit dat hij een zonderlingen en treffenden droom had gehad, die het gevolg was van opgewondenheid door de gebeurtenissen van den vorigen dag, of van verdriet dat hij vertrekken moest. Hij stond op, pakte zijn reistasch--al het overige was gereed--en ging ontbijten. Beatrice kwam niet te voorschijn, voordat het ontbijt reeds half afgeloopen was. Zij zag zeer bleek, en zeide dat het pakken van Effie's goed haar had opgehouden. Geoffrey merkte op, dat zij zijn vingers nauwelijks aanraakte, toen hij opstond om haar de hand te geven, en dat zij zijn blik zorgvuldig vermeed. Toen kwam de vraag bij hem op of _zij_ misschien ook een zonderlingen droom had gehad.

Nu kwam de drukte van het vertrek. Effie werd in de vigilante met de bagage weggezonden, onder toezicht van Betty, de dikke Welsche dienstmaagd. Beatrice en Geoffrey zouden te voet naar het station gaan.

"'t Is tijd om afscheid te nemen, mijnheer Bingham," zeide Granger. "Vaarwel, vaarwel! God zegene u. Ik heb nooit zoo'n aangenamen commensaal gehad. Ik hoop dat gij nog eens terug zult komen. A propos, bij het verhoor van dien schurk Jones zult gij zeker wel als getuige opgeroepen worden."

"Vaarwel, mijnheer Granger," antwoordde Geoffrey: "ge moet mij in stad eens komen bezoeken. Verandering is goed voor u."

"Ja, dat doe ik misschien wel. Ik heb in geen vijf-en-twintig jaar verandering gehad. Ik heb het nooit kunnen bekostigen. Gaat gij Elisabeth niet vaarwel zeggen?"

"Vaarwel, Miss Granger," zeide Geoffrey beleefd. "Veel dank voor al uw vriendelijkheid. Ik hoop dat wij elkander eens zullen ontmoeten."

"Hoopt ge dat? Ik ook," antwoordde Elisabeth. "Ik ben er wel zeker van, dat wij elkaar weer zullen ontmoeten, en het zal mij verheugen u weder te zien, mijnheer Bingham," voegde zij er op een eigenaardigen toon bij.

Een oogenblik later had hij de pastorie verlaten, en liep, met Beatrice naast zich, naar het station.

"_Scheiden thut weh_" zeide hij, nadat zij een poos stilzwijgend voortgeloopen hadden.

"Er is altijd iets weemoedigs in afscheidnemen," antwoordde zij--"òf voor dengene, die heengaat, òf voor de achterblijvenden."

"Of voor beiden," zeide hij.

Daarop bewaarden zij weder het stilzwijgen, dat hij het eerst afbrak.

"Miss Beatrice, mag ik u schrijven?"

"Zeker, als gij wilt."

"En zult ge mijn brieven beantwoorden?"

"Ja, ik zal ze beantwoorden."

"Als ik dan mijn zin had, zoudt ge vrij wat tijd aan schrijven besteden," zeide hij. "Ge weet niet," liet hij er ernstig op volgen, "hoe aangenaam het mij geweest is, dat ik u heb leeren kennen. Ik heb nooit in mijn leven grooter genoegen gehad."

"Dat verheugt mij," antwoordde Beatrice kortaf.

"Ik moet u eens iets vragen," hernam hij. "Ge zijt een ware vraagbaak als het op citaten aankomt. In de laatste twaalf uur heeft mij een gedicht door 't hoofd gespeeld, en ik kan mij maar niet herinneren van wien het is."

"Hoe is het dan?" vroeg zij, opziende, en Geoffrey meende een zonderling vreesachtige uitdrukking in haar oogen te bespeuren.

"_Dit_ kwam er, onder anderen, in," zeide hij, en hij haalde eenige van de dichtregelen aan, die hem het meest getroffen hadden.

Beatrice luisterde--en hoorde dezelfde regelen, die den vorigen nacht op haar lippen waren geweest. Zij onthutste hevig, werd doodsbleek, en haar knieën knikten. Met een krachtige poging herstelde zij zich.

"Mij dunkt, gij moet dat vers wel kennen, mijnheer Bingham," zeide zij, met een flauwe stem. "'t Is van Browning, en getiteld: '_De laatste woorden eener Vrouw_'."

Geoffrey zeide hierop niets; wat zou hij zeggen? Een poos liepen zij stilzwijgend voort. Zij waren nu dicht bij het station. Het oogenblik van scheiding voor altijd was gekomen. Een onweerstaanbaar verlangen om de waarheid te weten, maakte zich van hem meester.

"Miss Beatrice," sprak hij weder, "ge ziet bleek. Hebt ge van nacht niet goed geslapen?"

"Neen, mijnheer Bingham."

"Hebt ge zonderlinge droomen gehad?"

"Ja," antwoordde zij, recht voor zich uit ziende.

Hij verbleekte min of meer. Het was dus waar!

"Beatrice," vroeg hij, half fluisterend, "wat zouden die droomen beteekenen?"

"Zooveel of zoo weinig als alle andere droomen," antwoordde zij.

"Wat moet men doen, als men zulke droomen heeft?" vroeg hij, weder op denzelfden gedempten toon.

"Ze vergeten," fluisterde zij.

"En als zij terugkomen?"

"Ze weer vergeten."

"En als zij niet vergeten willen zijn?"

Zij wendde zich tot hem en zag hem strak in de oogen.

"Sterven," antwoordde zij, "dan zullen zij vergeten zijn, of--"

"Of wat, Beatrice?"

"Hier zijn wij aan het station," zeide Beatrice, "en Betty is aan 't kibbelen met den koetsier."

Vijf minuten later was Geoffrey vertrokken.

Hoofdstuk XVI.

De eerste verdieping bij Edgware Road.

Geoffrey's reis naar de stad was niet van de aangenaamste. Om te beginnen, deed Effie niet anders dan schreien omdat zij niet langer bij "tantetje," zooals zij Beatrice noemde, mocht blijven, en wilde zich niet laten troosten. Het vooruitzicht van weer naar haar moeder en Anne te gaan, had voor Effie niets wat haar toelachte. Geoffrey zelf had veel om over na te denken, en die gedachten waren juist niet van opbeurenden aard. Hij haalde zich de gebeurtenissen van de laatste weken voor den geest, hij herinnerde zich hoe hij Beatrice's gelaat het eerst in den mist bij de Roode Rotsen had gezien, en hoe haar schoonheid hem getroffen had. Toen dacht hij aan het avontuur van hun schipbreuk en den wanhopigen moed, waarmede zij zijn leven had gered, bijna ten koste van het hare. Hij dacht ook aan dat tooneel, toen hij den volgenden dag in de kamer was gekomen, waar zij sliep, toen die zonnestraal, die van haar borst op de zijne trilde, een gevoel in hem had gewekt alsof voortaan zijn lot en dat van het slapende meisje één waren, en zij ontwaakt was met die zonderlinge begroeting op haar lippen. Terwijl Effie in den hoek tegenover hem zich in slaap snikte, riep hij zich elke fase, elk tooneel van hun toenemende vertrouwelijkheid te binnen, totdat het overzicht uitliep op zijn raadselachtige ervaring van den vorigen nacht en de herinnering aan Beatrice's afscheidswoorden.

Geoffrey was in 't minst niet bijgeloovig; van zijn jongelingsjaren af, was hij bekend geweest als iemand van een gezond verstand en min of meer tot ongeloovigheid geneigd. Maar aan verstand en scherpzinnig doorzicht paarde hij verbeeldingskracht, wat eigenlijk ook niets anders is dan een voorstellingsvermogen van het verstand. Had hij die niet bezeten, dan zou hij waarschijnlijk, bij voorbeeld, op het punt van godsdienst, een twijfelaar geweest zijn, en dat was hij niet. Wat nu zijn ervaring in den vorigen nacht, en in 't algemeen die zonderlinge, bijna onnatuurlijke sympathie met dat jonge meisje betrof zeide hem zijn gezond verstand dat dit alles maar gekheid was--het gevolg van dagelijkschen omgang met een lief gezichtje, en niets meer.

Maar hier kwamen zijn doorzicht en voorstellingsvermogen tusschenbeide en hielden hem duidelijk voor, dat het geen gekheid was, dat hij zich niet maar alleen als een zotskap had aangesteld tegenover een hysterisch of misschien een minziek meisje. Zij zeiden hem, dat iets wat raadselachtig is, daarom nog geen onwaarheid behoeft te zijn. Zij wezen er op, dat er vele verborgenheden en krachten rondom en boven ons zijn, onzichtbaar als een electrische stroom, ontastbaar als het licht, maar toch bestaande, en in staat zich onder zeker zeldzame en gunstige omstandigheden te openbaren.

En was het niet mogelijk, dat zulke toestanden zich vereenigden in een meisje, wier lichamelijke schoonheid slechts door de schoonheid harer ziel overtroffen werd? Het was geen antwoord, te zeggen dat de meeste vrouwen zulk een meer dan aardsch gevoel, als in zijn hart gewekt was, konden inboezemen, of dat de meeste mannen daar niet vatbaar voor waren. Heeft de mensch geen vermogens en aandoeningen, die het gedierte des velds ontzegd zijn, en kunnen er geen mannen en vrouwen zijn, in dit opzicht even ver boven hun medemenschen verheven als boven de dieren?

Maar het zwakke punt van zulke raadselachtige gevallen is, dat zij nergens heen leiden en feitelijk aan de levensomstandigheden niets veranderen. Men kan, bij voorbeeld, in een gerechtshof geen raadselachtigheden aanvoeren; dus liet hij de bespiegelende beschouwing van het vraagstuk varen, als boven zijn sfeer, en beschouwde het uit een praktisch oogpunt, alleen om het even moeilijk te vinden.

Hoe zonderling het moge schijnen, Geoffrey wist tot op dit oogenblik niet recht, welke plaats hij in Beatrice's hart, of zij in het zijne, bekleedde. Hij was niet verliefd op haar, ten minste, niet op zulk een wijze als hij dit, over 't geheel lastige, gevoel had leeren kennen. In allen gevalle, ging hij van de stelling uit, dat hij het niet was. Dit wilde hij in het daglicht niet erkennen, hoewel hij het in de wakend doorgebrachte uren van den nacht ten volle erkend had. Maar hij kon niet loochenen, dat zij zich zoo met zijn leven vereenzelvigd had, dat er toen, en nog maanden naderhand, behalve als hij sliep, of in uren van sterke geestinspanning geen enkel half uur verliep zonder dat hij aan Beatrice dacht. Alles wat schoon, of grootsch, of verheven was, herinnerde hem aan haar--en was dat niet het grootste compliment, dat hij haar maken kon? Als hij naar heerlijke muziek luisterde, sprak de stem van Beatrice uit de tonen; als een schoon dichtstuk of een goed geschreven roman hem trof, was Beatrice er in zijn geest bij, om het genot met hem te deelen. Dat alles was voorzeker lief en aardig, maar onder onze maatschappelijke instellingen niet anders dan lastig voor een getrouwd man.

En nu was hij van Beatrice gescheiden, en moest weder aan zijn dagelijkschen arbeid gaan, veraangenaamd door Honoria's klachten over hun armoede. Dit denkbeeld was smartelijk voor Geoffrey's hart, maar zijn verstand zeide hem, dat het zoo het best was. Er stak dan ook eigenlijk geen kwaad in, er waren geen liefdestooneelen geweest, geen kussen, geen woorden, die niet herroepen konden worden; wat er was, lag onder de oppervlakte verborgen, en zoolang de schijn maar opgehouden werd, was alles goed. Ongetwijfeld was dat huichelarij, maar huichelarij is een der steunpilaren van de beschaving, en wat komt het er op aan wat het hart zegt, als de lippen maar zwijgen?

Sterven door droomen! Neen, daar zou Beatrice wel niet van sterven, en hij zeker ook niet. Waarschijnlijk zou zij ten slotte met dien vleeschklomp, Owen Davies, trouwen. Het was wel niet aangenaam daaraan te denken, het was zelfs verschrikkelijk, maar als zij hem zijn gevoelen vroeg, zou hij, "als vriend," haar zeggen dat dit het beste was, wat zij doen kon. Dat was, natuurlijk, ook weer huichelarij; de lippen zouden zeggen wat het hart niet meende; maar als het hart in opstand komt tegen het verstand, moet het onderdrukt worden. Ongelukkig is het hart zoo sterk!

Eindelijk kwamen zij te Londen aan, en volgens afspraak, wachtte Anne, de Fransche _bonne_, hen aan het station op, om Effie naar huis te brengen. Geoffrey merkte op, dat zij er zwieriger en minder dan ooit naar zijn smaak uitzag. Zij omhelsde Effie echter met een vertoon van hartelijkheid, die door het kind nauwelijks beantwoord werd, en gaf intusschen knipoogjes aan den conducteur, die met het afnemen der kaartjes belast was. Hoewel het nog vroeg in het jaar was voor zwaren mist, was Londen toch in duisternis gehuld. Het was dien ochtend te Bryngelly mistig weer geweest, en dat was verder op den dag erger geworden; maar in Londen was het zoo donker als de nacht, hoewel het pas vier uur was. Gelukkig is Edgware Road, waar Geoffrey woonde, niet ver van het Paddington-station, en na persoonlijk den _cab_-voerman het adres opgegeven te hebben, liet hij de zorg voor Effie en de bagage aan Anne over, en ging met een gerust hart langs den spoorweg door den Tunnel naar de _Inns of Court_.

Kort nadat hij op zijn kamers was aangekomen, meldde zich daar niet, volgens afspraak, zijn oom aan--die, zooals hij, vernam, ongesteld was geworden--maar een der compagnons. Tot zijn groot genoegen, bleek hem toen dat Beatrice het aan het rechte einde had gehad met te vooronderstellen dat er een geestverschijning vertoond was; de jongen, die een lid van zijn teen miste, was gevonden, en had het geheele akelige komediespel door een reet van de jaloezie gezien; bovendien was de waarheid hem ontwrongen, en hij zou bij de terechtzitting als getuige opkomen--ja hij had reeds een voorloopige verklaring afgelegd.

Ook was, uit vergelijking met andere stukken, door den voormaligen procureursklerk geschreven, gebleken dat die van dezelfde hand waren als het testament. Het eenige bezwaar was dat de Procureur-Generaal en Mr. Candleton, de President van het Kanselarij-Gerechtshof, geen van beiden in de stad waren, zoodat dien avond geen conferentie mogelijk was. Beiden werden echter nog dienzelfden avond laat terug verwacht, de Procureur-Generaal uit Devonshire en Mr. Candleton van het Vasteland; dus werd bepaald, daar de zaak de eerste op de rol was, dat de conferentie den volgenden ochtend te tien uur zou plaats hebben.

Thuis gekomen, vernam Geoffrey dat Lady Honoria zich kleedde, en de boodschap had gelaten dat hij dit ook spoedig moest doen, omdat er een heer bij hen kwam dineeren. Derhalve ging hij naar zijn kamer, aan het andere einde der eerste verdieping--om van kleeding te verwisselen. Alvorens zich naar de eetkamer te begeven, ging hij echter Effie--die wel reeds naar bed was, maar nog niet sliep--goeden nacht zeggen, en vroeg haar hoe laat zij thuis gekomen was.

"Twintig minuten over vijven, paatje," zeide Effie fluks.

"Twintig minuten over vijven! Je wilt toch niet zeggen dat je over dat kleine eind een uur onderweg bent geweest? Moest de _cab_ dan stilhouden om den mist?"

"Neen, paatje maar--"

"Maar wat, lieve?"

"Anne heeft me gezegd dat ik het niet mocht vertellen."

"Stoor je er maar niet aan wat Anne gezegd heeft,--ik zeg je dat je het wel vertellen moet."

"Anne heeft nog een heelen tijd staan praten met den man, die de kaartjes aannam."

"O, zoo!" zeide hij.

Op dit oogenblik kwam de kamermeid binnen, om te zeggen dat Lady Honoria en de "heer" hem aan tafel wachtten. Geoffrey vroeg haar zoo ter loops hoe laat de jongejuffrouw Effie was thuisgekomen.

"Zoo wat half zes, mijnheer. Anne zei dat de _cab_ niet voort kon, door den mist."

"Goed. Zeg mevrouw dat ik dadelijk kom."

"Paatje," zeide het kind, "ik heb mijn gebedje nog niet opgezegd. Moeder kwam niet, en Anne zei dat bidden maar allemaal gekheid was. Tantetje liet mij altijd mijn gebedje opzeggen."

"Ja, lieve, en dat zal ik ook doen. Kom, ga op mijn schoot op je knietjes liggen, en zeg het op."

Te midden van haar gebedje--dat Effie zich niet zoo goed meer herinnerde als zij wel had kunnen doen--kwam de kamermeid terug.

"Met uw verlof, mijnheer, haar Ladyschap--"

"Zeg haar Ladyschap dat ik kom, en dat zij maar beginnen moet, als zij zoo'n haast heeft! Ga voort, lieve."

Toen kuste hij haar, en legde haar weder te bed.

"Paatje," zeide Effie, toen hij heenging, "zal ik tantetje Beatrice nooit weerzien?"

"Ik hoop van ja, lieve."

"En zult u nooit weer van haar hooren? U verlangt zeker ook wel haar te zien? Zij hield zooveel van u."

Geoffrey kon het niet langer uithouden. De waarheid is altijd scherper als zij uit een kindermond komt. Met een haastig goeden nacht snelde hij de kamer uit.

In de kleine gezelschapskamer vond hij Lady Honoria, zeer net gekleed, en ook haar vriend, die Dunstan heette. Geoffrey kende hem terstond als een zeer rijk man, van geringe geboorte en van nog minder opvoeding, maar een schitterend licht in de kliek der Garsingtons. Dunstan wilde zich in hoogere kringen dringen, en hij meende dat Lady Honoria, ondanks haar bekrompen middelen, hem daartoe behulpzaam kon zijn. Daarom was hij dien avond bij haar.

"Hoe gaat het u, Geoffrey?" zeide zijn vrouw, naar hem toe tredende, om hem met den vredekus te begroeten. "Ge ziet er goed uit. Maar wat hebt ge ontzagelijk lang werk gehad om u te kleeden. Die arme mijnheer Dunstan rammelt van den honger. Ge kent mijnheer Dunstan, geloof ik, wel. Doe maar op, Mary."

Geoffrey maakte zijn verontschuldigingen dat hij zoo laat kwam, en gaf mijnheer Dunstan--St. Dunstan, zooals hij algemeen genoemd werd--beleefd de hand. Zoo was hij betiteld wegens zijn eenigszins clericaal voorkomen, en als een spottende toespeling op zijn niet geheel vlekkeloozen naam. Toen gingen zij aan tafel.

"Jammer dat er geen dame voor u is, Geoffrey, maar het heeft u in den laatsten tijd niet aan gezelschap van dames ontbroken. A propos, hoe vaart Miss--Miss Granger? Zoudt gij het wel gelooven, mijnheer Dunstan? mijn ergerlijke heer gemaal heeft de laatste maand doorgebracht in het gezelschap van een der bekoorlijkste meisjes, die ik ooit gezien heb. En knap dat zij is! Zij kent Latijn, en weet van de rechtsgeleerdheid en van alles. Zij begon met zijn leven te redden; ge moet weten dat zij samen met een bootje omgeslagen zijn. Is dat niet romantisch?"

St. Dunstan vond het een gepaste aardigheid hierop te zeggen dat mijnheer Bingham een geluksvogel was, die van zulk een buitenkansje dan ook zeker wel gebruik had weten te maken; en met een diepen zucht, liet hij er op volgen dat nog nooit een mooi meisje zijn leven had gered, zoodat hij voortaan voor _haar_ zou leven enz. enz.

Geoffrey, die niet kon aanhooren dat Beatrice het onderwerp van zulke flauwe scherts was, viel zonder veel complimenten in.

"Zeg, lieve," sprak hij zijn vrouw toe, "wat hebt _gij_ al dien tijd gedaan?"

"Om u getreurd, Geoffrey, en mij intusschen uitstekend vermaakt. Wij hebben een heerlijken tijd gehad, niet waar, mijnheer Dunstan? Ge moet weten dat mijnheer Dunstan ook bij de familie gelogeerd heeft."

"Hoe kon dat anders, _gij_ waart er immers, Lady Honoria?" zeide de Sint, op zijn manier van galant zijn, die, om de waarheid te zeggen, stuitend was voor haar, wie het gold, want zij was toch in allen gevalle een beschaafde vrouw.