Beatrice

Chapter 12

Chapter 124,021 wordsPublic domain

Beatrice sprak op een schertsenden toon en lachte, maar haar lach liep uit op iets, dat veel van een zucht had. Hij zag haar aan, totdat zij de oogen nedersloeg.

"Dat weet de Hemel!" antwoordde hij droevig.

"Laten we naar binnen gaan," zeide Beatrice, op een gedwongen toon, "de avondlucht is kil geworden."

Hoofdstuk XV.

Alleen maar goeden nacht.

Nog vijf dagen verliepen, maar al te snel, en Maandagochtend was weder gekomen. Het was de 22ste October, en de najaarszittingen begonnen den 24sten. Den volgenden dag, Dinsdag, zou Geoffrey naar Londen terugkeeren, om Lady Honoria te ontmoeten en op zijn bureau aan 't werk gaan. Dien Maandagochtend was hem een akte gezonden--de grootste, die hij nog ooit ontvangen had--met een brief van zijn klerk er bij, dat de zaak verwacht werd den eersten dag van de zitting op de rol te komen, en dat zijn klerk een afspraak met de zaakwaarnemers voor hem had gemaakt voor Dinsdag 5.15. De akte kwam van de firma van zijn oom, en achterop stond genoteerd: "Met u de Procureur-generaal en de President van het Kanselarij Hof." Nog hooit had Geoffrey zich achterop een akte in zulk achtbaar gezelschap bevonden, en hij was er niet weinig verrukt over.

Maar toen hij de zaak inzag, werd zijn vreugde wel wat getemperd, want het was een van de moeilijkste en ingewikkeldste zaken, die hem ooit waren voorgekomen. Zij betrof een betwist testament van een geldschieter uit Yorkshire, beschikkende over een nalatenschap, ter waarde van over de £ 80.000, en ter legalisatie aangeboden door een nicht van den testateur, die, toen hij stierf, zoo al niet werkelijk zwak van geestvermogens, toch suf was, en bijgeloovig bij krankzinnig af. De nicht, wie het geheele vermogen vermaakt was, met uitsluiting van den zoon en dochter van den overledene, beiden gehuwd en op een andere plaats woonachtig--woonde bij den testateur en paste hem op. Kort vóór zijn dood had hij met zijn nicht een hevigen twist gehad, wegens een liefdesbetrekking, die zij met een getrouwd man van een slechten naam, een ontslagen procureursklerk, had aangeknoopt. Zoo ernstig was de twist geweest, dat de testateur, drie dagen vóór zijn dood, zijn zaakwaarnemer had ontboden en in allen vorm, door middel van een codicil, een legaat van £2000, dat hij aan zijn nicht vermaakt had (al het overige van zijn vermogen was tusschen zijn zoon en dochter verdeeld) herriep. Den derden dag echter maakte hij een nieuw testament, in het bijzijn van twee dienstboden als getuigen, waarbij hij zijn geheele vermogen aan zijn nicht naliet, met uitsluiting van zijn eigen kinderen. Dit testament, hoewel kort, was in den behoorlijken vorm, en geschreven door niemand wist wien. De dienstboden verklaarden dat de testateur, alvorens het testament te teekenen, volkomen met den inhoud bekend was, want de nicht had het hem in hun bijzijn laten voorlezen. Zij verklaarden echter ook, dat hij verschrikkelijk bang scheen te zijn en tweemaal gezegd had: "Het is achter mij; het is achter mij!"

Nog geen uur na het teekenen van het testament, werd de testateur dood gevonden, klaarblijkelijk ten gevolge van een schrik, maar de nicht was op het oogenblik van zijn dood niet in de kamer. Een andere opmerkelijke omstandigheid was dat men dienzelfden avond, toen de testateur te tien uur gestorven was, den in een kwaad gerucht staanden minnaar in de schemering om het huis had zien sluipen. Er kwam nog iets bij. Toen de zoon een boodschap van de nicht had ontvangen dat zijn vader zooveel erger was geworden, en met buitengewonen spoed naar het huis was gegaan, had hij iemand of iets ontmoet--hij wist niet wat--dat van het venster der ziekenkamer, die op de benedenverdieping was, scheen weg te loopen; en later vond men onder dat venster voetstappen. Van die voetstappen waren twee afgietsels gemaakt, waarvan bij de akte photographieën werden gezonden. Het waren de afdruksels van kleine bloote voeten, waaraan een lid van den derden teen aan den rechtervoet scheen te ontbreken. Maar alle pogingen om de voeten, die deze afdruksels gemaakt hadden, te vinden, waren tot dusverre te vergeefs geweest. Het testament werd betwist door de naaste bloedverwanten, voor wie Geoffrey een der advocaten was, op de gewone gronden van onwettigen invloed en bedrog, maar, naar het scheen, met weinig vooruitzicht op welslagen, want hoewel de omstandigheden verdacht waren, was er van geen van beide eenig bewijs. Dit zonderling geval, dat hier kortelijk beschreven is, legde den grondslag tot Geoffrey's latere uitgebreide praktijk en den naam, dien hij aan de rechtbank maakte.

Hij las de akte tweemaal over, dacht er rijpelijk over na, en wist er weinig van te maken. Dat er valsch spel was gespeeld, was in 't oogspringend, maar hij kon geen gegevens vinden om naar te werk te gaan. Was de persoon, die weggeloopen was, in de zaak betrokken? Zoo ja, waren die voetstappen van hem? Natuurlijk had de voormalige procureursklerk er iets mede te maken, maar wat? Te vergeefs pijnigde Geoffrey zijn hersens; elk denkbeeld, dat hem inviel, stuitte op het een of ander.

"Wij zullen het verliezen," riep hij in wanhoop uit, "verdachte omstandigheden zijn niet genoeg om een testament ongeldig te maken;" en zich tot Beatrice, die aan de tafel zat te werken, wendende, zeide hij hij--

"Daar, Miss Granger, gij hebt eenige rechtsgeleerde kennis, zie of gij daar uit wijs kunt worden," en hij schoof haar de akte toe.

Beatrice nam die lachend aan, en zat drie kwartier lang met een aardig gefronst voorhoofd. Eindelijk sloeg zij de akte dicht. "Laat mij de photographieën eens zien," zeide zij.

Geoffrey overhandigde haar die. Zij bezag ze oplettend één voor één, en terwijl zij dat deed, scheen er een licht voor haar op te gaan.

"Welnu, hebt ge het gevonden?" vroeg hij.

"Ik heb, ten minste, iets gevonden," antwoordde zij. "Of 't het rechte is, weet ik niet. Ziet ge, de oude man was bijgeloovig; zij hebben hem bang gemaakt, door een stem, die uit het graf heette te komen, of zoo iets, om hem zoodoende te dwingen het testament te teekenen, en hem, nadat hij het geteekend had, zulk een angst aangejaagd, dat hij van schrik gestorven is. De procureursklerk heeft het testament opgesteld--hij wist wel hoe dat gedaan moest worden. Toen werd hij in de kamer onder het ledekant, of ergens anders verborgen, misschien als een spook verkleed. Dat de nicht den zoon had laten roepen, was maar om verdenking af te weren. Wat men heeft zien wegloopen, was een jongen--dat zijn de voetstappen van een jongen. Ik heb er zooveel duizenden op het strand gezien, dat ik er op zou kunnen zweren. Hij werd van den weg af naar het huis aangetrokken doordat hij iets ongewoons door de jaloezieën zag; de akte zegt dat er geen gordijnen of luiken voor het venster waren. Zie nu de photographieën van de voetstappen. Op No. 1 zijn de teenen diep in het slijk gedrukt. De jongen heeft op de teenen gestaan, om beter te kunnen zien. Maar op No. 2, die gevonden zijn in de nabijheid van de plek, waar de zoon meende iemand te zien loopen, zijn de teenen wijd uiteen. Dat zijn de voetstappen van iemand, die groote haast had. Nu is het toch niet waarschijnlijk, dat een jongen van de straat iets met den dood van den testateur te maken had. Waarom liep die jongen dan zoo hard? Dat zal ik u zeggen: omdat hij geschrikt is van iets, dat hij door de jaloezieën gezien heeft. Zoo verschrikt was hij, dat hij niet te voorschijn zal komen op advertentiën of nasporingen. Zie in het dorp een jongen te vinden, die een lid van den derden teen aan zijn rechtervoet mist, en spoedig zult gij er alles van weten."

"Drommels!" zeide Geoffrey, "wat zoudt gij een knap advocaat aan het Hof van crimineele zaken zijn! Ik geloof, dat ge het hebt. Maar hoe vinden wij dien jongen met het vermiste lid aan den derden teen? Alle mogelijk onderzoek is reeds ingesteld geworden en vruchteloos geweest. Niemand heeft zulk een jongen gezien, wiens gebrek waarschijnlijk toch wel bij zijn ouders of schoolmakkers bekend zou zijn."

"Ja," hernam Beatrice, "het is mislukt omdat de jongen schoenen is gaan dragen, wat hij trouwens op school altijd had moeten doen. Zijn ouders, als hij die heeft, wilden misschien niet over zijn gebrek spreken, en misschien weet niemand anders er van, vooral niet als hij pas in de buurt was komen wonen. 't Is ook zeer wel mogelijk, dat hij zijn laarzen heeft uitgetrokken, om beter tegen het venster te kunnen opklimmen. En u zal ik nu zeggen hoe ik te werk zou gaan om hem te vinden. Ik zou elke plaats in de rivier, waar gebaad wordt--er loopt een rivier door het dorp--nauwkeurig door _detectives_ laten onderzoeken. In dit weer (het was een bizonder warme herfst) plassen jongens van die klasse met hun voeten in de rivier, en baden er soms in. Als zij maar scherp genoeg opletten, zullen zij onder die jongens er waarschijnlijk wel een vinden, die een lid van zijn teen mist."

"Welk een goede inval!" zeide Geoffrey. "Ik zal dadelijk den zaakwaarnemers telegrafeeren. Ik geloof zeker dat ge den draad hebt."

En zoo bleek het ook; haar vooronderstellingen waren in bijna elke bizonderheid juist. De jongen was de zoon van een marskramer, die eerst onlangs in het dorp was gekomen, en werd in de rivier wadende gevonden, en door een behendigen streek, die niet vermeld behoeft te worden, er toe gebracht om uit bevreesdheid de waarheid te zeggen, evenals hij vroeger uit bevreesdheid zijn mond had gehouden. Hij had zelfs, zooals Beatrice gegist had, zijn laarzen uitgetrokken om naar het venster op te klimmen, en toen hij in zijn angst wegliep, had hij ze in een sloot geworpen. Daar werden zij gevonden, en zij brachten er veel toe bij om de gezworenen van de waarheid zijner verklaring te overtuigen. Zoo had Beatrice's scherpzinnigheid den grondslag gelegd tot Geoffrey's latere vermaardheid.

Deze Maandag was een afrekeningsdag op de pastorie. Jones was onwillig gebleven; geen macht op aarde kon hem bewegen de £ 34.11 shilling 4 _pence_, wegens verschuldigde tienden, te betalen. Derhalve had Granger, krachtens een wettig verkregen vonnis, zijn voornemen aangekondigd om het hooi en het vee van Jones te verkoopen. Jones had daarop met brutale trotseering geantwoord. Als er een deurwaarder, of afslager, of een van dat volk kwam om zijn hooi te verkoopen, zou hij hem dooden.

Dat had Jones gezegd, en hij riep zijn aanhangers op, waarvan velen tienden schuldig waren, en die geen van allen wilden betalen, om voor zijn zaak te strijden. Van zijn kant had Granger een afslager van erkenden moed aangenomen, die dienzelfden middag, gesteund door zes politie-agenten, zou aankomen om de verkooping te houden. Beatrice was over de geheele zaak ongerust, maar Elisabeth was zeer vastberaden, en de oude predikant was nu eens aan het zwetsen en dan weder neerslachtig. De afslager kwam met den trein van één uur. Hij was een rijzig, kloekgebouwd man, en had in zijn voorkomen wel iets van Geoffrey, zoodat men op een afstand den een licht voor den ander had kunnen aanzien. De verkooping was bepaald op half drie, en Johnson--zoo heette de afslager--ging naar de herberg, om zijn middagmaal te gebruiken alvorens aan de zaken te gaan. Hij was onderricht van de vijandige houding, die tegenover hem aangenomen zou worden, en dat een lid van het Parlement opzettelijk was overgekomen, om zich aan het hoofd van de weerspannigen te stellen; maar, als een moedig man, bekommerde hij zich daar niet over.

"Zij blaffen wel, maar zij bijten niet, mijnheer," zeide hij tot Geoffrey; "ik ben voor dat volk niet bang. Als niemand er op bieden wil, koop ik den boel zelf in."

"Heel goed," zeide Geoffrey, "maar ik raad u toch op uw hoede te zijn. Ik geloof dat die oude man een ruwe klant is."

Toen ging Geoffrey dineeren.

Terwijl zij aan tafel zaten, zagen zij door een gaping in de pijnboomen, dat de groote meerderheid der bevolking van Bryngelly naar de hoeve van Jones stroomde, sommigen om op te ruien, anderen om de grap te zien.

"Aanstonds begint de verkooping," zeide Geoffrey. "Gaat gij er heen, mijnheer Granger?"

"Ik had er plan op," antwoordde de oude heer, "maar Elisabeth vindt beter dat ik maar wegblijf. En een predikant moet zich ook niet te veel met zulke aardsche zaken bemoeien," liet hij er luchtig op volgen. "Neen, ik moet over het koopen van eenige varkens gaan spreken, heel aan het andere einde van het kerspel, en ik geloof dat ik deze gelegenheid maar zal waarnemen."

"Gij gaat er toch niet heen, mijnheer Bingham?" vroeg Beatrice, op een toon, die haar bezorgdheid verried.

"O, ja," antwoordde hij, "zeker ga ik er heen. Ik zou die kans niet gaarne willen missen. Wel, Beecham Bones zal er zijn, het Parlementslid, dat pas zijn zes maanden heeft uitgezeten wegens opruiing tot geweldpleging. Wij zijn oude bekenden; ik heb met hem schoolgegaan. De arme vent was toen ook al zoo'n dolleman, en ik moet hooren wat voor onzin hij nu weer uitkraamt."

"Ik geloof dat gij beter doet niet te gaan, mijnheer Bingham," hernam Beatrice; "'t is een ruwe troep."

"Iedereen is zoo lafhartig niet als jij bent," viel Elisabeth in. "Ik ga er in allen gevalle heen."

"Dat is goed, Miss Elisabeth," zeide Geoffrey; "dan zullen wij elkaar tegen de revolutionnaire volkswoede beschermen. Kom, 't is tijd om te gaan."

En zoo gingen zij te zamen heen, en lieten Beatrice ter prooi aan bange voorgevoelens achter.

Zij wachtte bijna een uur in huis, en zocht afleiding onder den schijn van met Effie te spelen. Toen kreeg haar ongerustheid de overhand, zij zette haar hoed op en liep de deur uit, Effie aan de zorg van de dienstmaagd overlatende.

Beatrice liep snel langs de rots, totdat zij de hoeve van Jones in 't gezicht kreeg. Van de plaats waar zij stond, kon zij een opeengedrongen menigte zien, en zelfs, als de wind naar haar toe was, geschreeuw en rumoer hooren. Opeens hoorde zij een knal als een geweerschot, zag de menigte in groote verwarring uiteen stuiven en daarna in dichte groepen weer bij elkander staan.

"Wat zou dat beteekenen?" dacht Beatrice.

Een oogenblik later zag zij twee mannen, zoo snel loopende als zij konden, naar haar toe komen, gevolgd door een vrouw. Nog drie minuten, en zij herkende in die vrouw Elisabeth.

De mannen liepen haar nu voorbij.

"Wat is 't?" riep zij.

"Moord!" antwoordden zij beiden tegelijk, en spoedden zich voort naar Bryngelly.

Een oogenblik na hen kwam Elisabeth; ontzetting stond op haar bleek gelaat te lezen.

Beatrice greep haar bij den arm. "Wie is het?" riep zij.

"Mijnheer Bingham," bracht haar zuster hijgend uit. "Hij is doodgeschoten!" En meteen was zij ook weg.

Beatrice's knieën knikten, haar tong kleefde aan haar verhemelte; alles draaide om haar heen. Geoffrey vermoord! O, wat moest zij doen? Waar moest zij zichzelve en haar droefheid verbergen?

Een eind ver van het pad stond een geknotte boom, met een grooten platten steen bij den wortel. Daar waggelde Beatrice heen, en op dien steen zonk zij neder, terwijl alles nog om haar heen draaide.

Van lieverlede ging die geestbedwelmende duizeling voorbij, en een nog heviger smart doorvlijmde haar ziel. Eerst was zij verdoofd geweest, nu gevoelde zij.

Maar misschien was het niet waar, dacht zij; misschien had Elisabeth zich vergist of het alleen maar gezegd om haar te plagen.

Zij stond op. Zij viel op de knieën, en bad, voor de eerste maal sedert vele jaren; uit den grond van haar hart bad zij: "O, God, als gij bestaat, spaar zijn leven, en bespaar mij die verschrikkelijke smart!" Zoo werd in haar zielsfoltering haar geloof herboren, en evenals alle stervelingen in de ure van zielsangst, gevoelde Beatrice haar afhankelijkheid van den Ongeziene. Zij stond op, en nog door aandoening overstelpt, zonk zij weer op den steen neder. Nu stroomde de naar het dorp terugkeerende menigte haar voorbij, opgewonden met elkaar sprekende. Iemand trad naar haar toe, en stond tegenover haar.

O, Hemel, het was Geoffrey!

"Zijt gij het?" stamelde zij. "Elisabeth zeide, dat ge dood waart."

"Neen, ik ben niet dood, 't is die arme Johnson, de afslager. Jones heeft hem doodgeschoten. Ik stond naast hem. Uw zuster heeft zeker gedacht dat ik het was, dien zij zag vallen. Hij geleek wel wat op mij, de arme vent!"

Beatrice zag hem aan; zij werd beurtelings rood en bleek, en toen barstte zij in een stroom van tranen uit.

Een zonderlinge aandoening greep hem aan, doortrilde zijn hart en schokte hem tot in het diepst zijner ziel. Waarom was dat meisje zoo ontroerd? Kon het zijn dat--? Gekheid; hij smoorde dit denkbeeld, zoodra het bij hem opkwam.

"Ween niet," zeide Geoffrey, "de menschen zullen naar u zien, Beatrice," (voor de eerste maal noemde hij haar bij haar doopnaam); "kom, ween niet. Dat kan ik niet aanzien. Gij zijt ontsteld, en dat is niet te verwonderen. Die Beecham Bones moest opgehangen worden, en dat heb ik hem ook gezegd. 't Is alles _zijn_ schuld, hoewel hij niet bedoeld had het zoo ver te laten komen. Hij is nu bang genoeg, dat kan ik u verzekeren."

Beatrice bedwong zich door een krachtige poging.

"Onder het naar huis gaan," zeide hij, "zal ik u vertellen wat er gebeurd is. Neen, ga niet naar de hoeve. 't Is geen aangenaam schouwspel den armen vent te zien. Toen ik daar kwam, stond Beecham Bones, met heftige gesticulaties, waarbij zijn lang haar om zijn hoofd zwierde, te oreeren, om de menigte op te ruien tot verzet tegen wetten, door onmenschelijke landheeren, van het zweet en bloed der armen levende, gemaakt, en al zulke bombastische uitdrukkingen meer; verzekerende dat zij bij een sterke partij in het Parlement steun zou vinden, enz. enz. Het volk nam het echter nogal luchtig op. Men had een pop, die uw vader moest verbeelden, aan een paal gehangen, met een plakkaat op de borst, waarop geschreven was: 'De dief, die weduwen en weezen besteelt,' en men zong Welsche liederen. Maar ik zag dat Jones meer dan half dronken was, en hij vloekte in het Welsch en Engelsch. Toen de afslager begon te verkoopen, ging Jones in huis, en Bones ging met hem mee. Nadat er genoeg verkocht was om de schuld te betalen, en terwijl de menigte nog lachte en juichte, werd eensklaps de achterdeur van het huis geopend en stormde Jones er uit, nu geheel dronken, met een geweer in de hand, en door Bones bij de panden van zijn jas vastgehouden. Ik sprak met den afslager, en ik geloof dat de schurk mij voor Johnson aanzag. Althans, hij legde zijn geweer aan en schoot op mij. Het schot ging echter langs mijn hoofd, raakte Johnson vlak in 't gelaat, en hij viel dood neder. Dat is de geheele geschiedenis."

"En meer dan genoeg ook," zeide Beatrice, met een huivering. "Welk een tijd beleven wij! 't Is afschuwelijk!"

Aan het avondeten zat men treurig bij elkander. De oude Granger was geheel van streek, en zelfs Elisabeth's ijzeren zenuwen waren geschokt.

"Het kon niet erger zijn," jammerde de oude man, van tafel opstaande, en de kamer op en neer loopende.

"Dat kon het wel, vader," sprak de praktische Elisabeth. "Hij had doodgeschoten kunnen worden, voordat hij het hooi verkocht had, en dan zoudt gij uw tienden niet gehad hebben."

Geoffrey moest om haar inval, van de zaak uit dit oogpunt te beschouwen, glimlachen, maar haar vader scheen er toch eenigen troost uit te putten. Door er gestadig over te denken, zoowel als door den dagelijkschen drang der noodzakelijkheid, ging geld bij den ouden man boven alles op de wereld.

Nauwelijks was het avondeten afgeloopen, of er kwamen drie verslaggevers, om Geoffrey's verklaring van het gebeurde te hooren ten einde er in de bladen melding van te maken, en Beatrice ging voor het inpakken van Effie's kleeren zorgen. Den volgenden ochtend, met den trein van negen uur, zou Geoffrey met haar vertrekken. Toen Beatrice weer binnenkwam, was het half elf, en in zijn geprikkelde gemoedsstemming stond Granger er op, dat zij allen naar bed zouden gaan. Elisabeth gaf Geoffrey de hand, wenschte hem geluk dat hij er zoo goed afgekomen was, en ging dadelijk heen, maar Beatrice draalde even. Eindelijk trad zij vooruit en stak hem de hand toe.

"Goeden nacht, mijnheer Bingham," zeide zij.

"Goeden nacht. Ik hoop dat het niet vaarwel ook is," liet hij er met eenige ongerustheid op volgen.

"Natuurlijk niet," viel Granger in. "Beatrice zal u naar den trein brengen. Ik kan het niet doen, ik moet den lijkschouwer afwachten, en Elisabeth heeft het altijd druk met het huishouden. Gelukkig zullen zij u niet noodig hebben, er waren getuigen genoeg bij."

"Dus is 't alleen maar goeden nacht," zeide Beatrice.

Zij ging naar haar kamer. Elisabeth, die in dezelfde kamer met haar sliep, lag reeds te bed en scheen te slapen. Nu ontkleedde Beatrice zich en legde zich ter ruste--maar rusten kon zij niet. Het was "alleen maar goeden nacht," een laatst "goeden nacht." Hij ging heen--terug naar zijn vrouw, terug naar de woelige groote wereld en naar het leven, waaraan zij geen deel had. Weldra zou hij haar vergeten zijn. Andere belangen zouden zich opdoen; andere vrouwen zouden zijn vriendinnen worden, en hij zou niet meer denken aan het Welsche meisje, dat hem voor een poos had aangetrokken, of zich harer slechts herinneren als de deelgenoote van een levensgevaarlijk avontuur. Wat beteekende dat? Waarom was haar hart zoo bekneld? Waarom had zij zich te moede gevoeld alsof zij gestorven zou zijn, als men haar gezegd had dat hij dood was?

Toen rees het antwoord in haar binnenste op. Zij beminde hem; de waarheid was niet te loochenen--zij beminde hem met hart en ziel. Zij was de zijne, en de zijne alleen--heden, morgen en voor altijd. Hij mocht uit haar gezicht gaan, zij mocht hem nimmer wederzien, maar beminnen moest zij hem altijd. En hij was gehuwd!

Dat was haar ongeluk; maar het kon de ernstige waarheid niet wegnemen. Wat moest zij dan doen--wat was het leven voor haar, wanneer haar oogen de zijne niet meer zagen en haar ooren zijn stem niet meer hoorden? Zij zag de toekomst voor zich opengesteld als in een visioen. Zij zag zich vergeten door dien man, dien zij beminde, of zich slechts met een flauw gevoel van leedwezen herinnerd. Zij zag zich langzamerhand oud worden, haar schoonheid van jaar tot jaar verwelken, slechts samengaande met de liefde, die niet oud wordt. O, het was bitter, zeer bitter! en toch zou zij het niet anders gewenscht hebben. In al haar smart gevoelde zij geen leedwezen die innige, maar verderfelijke vreugde te hebben gevonden, met haar eigen hart geworsteld te hebben en overwonnen te zijn, liever dan zijn gelaat nooit aanschouwd te hebben. Had zij slechts geweten dat, wat zij gaf, teruggegeven werd, dat hij haar beminde zooals zij hem, dan zou zij tevreden geweest zijn. Zij was onschuldig, zij had nooit beproefd hem tot zich aan te trekken; zij had nooit een van die vrouwelijke kunstgrepen gebezigd, die haar schoonheid te harer beschikking stelden. Nooit was hun omgang met elkander door woord of blik anders geweest dan gul vriendschappelijk, als tusschen man en man. Zij wist, dat hij niet van zijn vrouw hield, en dat zijn vrouw niet van hem hield--dat kon zij zien. Maar zij had nooit beproefd hem van haar af te lokken, en hoewel zij in gedachten zondigde, hoewel zij schuldig in haar hart was, waren haar handen rein.

Haar onrustigheid overmeesterde haar. Zij kon niet langer in bed blijven liggen. Elisabeth, die haar, onder voorwendsel van te slapen, bespiedde, zag Beatrice opstaan, een _peignoir_ aandoen en naar het venster gaan, dat zij wijd opensloeg. Eerst meende Elisabeth tusschenbeide te komen, want zij was voorzichtig, en bang voor tocht; maar zij was nieuwsgierig wat haar zuster ging doen, en daarom liet zij haar begaan. Beatrice leunde met haar arm op de vensterbank en zag in den stillen nacht uit. Wat teekenden die pijnboomen zich donker tegen de lucht af; hoe zacht ruischte de zee, en hoe helder flonkerden de sterren aan het uitspansel.