Beatrice

Chapter 11

Chapter 114,044 wordsPublic domain

"Daarna ging ik naar het opleidings-instituut, en daar trof ik een dame aan, een der onderwijzeressen, de kundigste vrouw, die ik ooit gekend heb, en op haar wijze een brave vrouw ook, maar die het er voor hield, dat de godsdienst de vloek der wereld was, en al haar vrijen tijd besteedde om hem in den een of anderen vorm aan te vallen. Zij is nu al lang dood. En zoo, door al die oorzaken, en het gestadig schouwspel van menschelijke ellende voor oogen, dat voor mijn gevoel in strijd is met het denkbeeld van een barmhartige en wakende Voorzienigheid, is eindelijk het eenige altaar, dat in mijn tempel is overgebleven, een altaar aan den 'Onbekenden God' gewijd."

Evenals de meeste mannen, die over zulke zaken nagedacht hebben, sprak Geoffrey er niet gaarne veel over, inzonderheid niet met vrouwen. Hij wist ook dat hij een neiging had om er minder eerbiedig over te spreken dan hij er over dacht. Maar hij was Beatrice's kerk der Duisternis niet binnengetreden; hij had die voor altijd den rug toe gekeerd, hoewel hij, zooals de meeste menschen, in verschillende tijdperken van zijn vroeger leven een uur in haar voorportaal vertoefd had. Dus waagde hij een tegenwerping.

"Ik ben geen godgeleerde," sprak hij, "en ik houd niet van twistredenen op zulk een gebied. Maar er zijn een paar aanmerkingen, die ik wel zou willen maken. Naar mijn gevoelen, is het bestaan van kwaad en ongeluk onder het menschdom niet als een bewijsgrond aan te voeren dat er geen barmhartige hoogere Macht bestaat; want wat zijn de menschen, dat er zoo iets niet onder hen zou zijn? De mensch moet ook een meester erkennen. Als hij twijfelingen heeft, laat hij de oogen dan opslaan tot den sterrenhemel, en dan zullen zij verdwijnen."

"Neen," zeide Beatrice, "ik vrees van neen. Kant heeft dat gezegd, maar vroeger heeft Molière dezen bewijsgrond een gek in den mond gelegd. De sterrenhemel bewijst niets meer dan de regendruppels, die langs de vensterruiten druipen. 't Is geen kwestie van grootte en hoeveelheid."

"Ik kan dat beeld wel aannemen," hervatte Geoffrey; "het eene voorbeeld van wet is voor mijn bedoeling even goed als het andere. Ik zie in alles de werking van een levenden Wil, maar dat is, natuurlijk, _mijn_ zienswijze, niet de uwe."

"Neen, vrees ik," antwoordde Beatrice; "al die redeneering, uit stoffelijke dingen geput, treft mij niet. Zoo maakten de Heidenen hun godsdienst. Zij leidden het Inwendige af van het Uitwendige, het geestelijke van het stoffelijke. Dat kan niet; als het Christendom waar is, moet het op een geestelijken voet staan en met een geestelijke stem spreken, niet in donder, maar in de harten der menschen. Het bestaan van een Scheppende Macht bewijst niet het bestaan van een Verlosser; veeleer strekt het om dat te loochenen, want de macht, die schept, is ook de macht, die vernietigt. Wat mij echter treft, is hoe de groote menigte over den Dood denkt. _Dat_ is het, waarover wij ons bekommeren, niet over een Eeuwige Macht, altijd scheppend en vernietigend. Denk eens aan al die zielen van vroegere, sinds duizenden jaren niet meer bestaande menschenrassen, die niet veel meer dan dieren waren. Zoudt ge denken, dat de ziel van een neger, die in den tijd van Mozes stierf, nu ergens was?"

"Er was op aarde voor allen plaats," antwoordde Geoffrey; "het heelal is groot. Er zijn zooveel raadselen in onze natuur, de natuur, die wij meenen te kennen--zullen er dan geene zijn in het voor ons onbekende? Werelden gaan te niet, om weer bewoond te worden, als na millioenen eeuwen de toestanden weer gunstig zijn om te leven, en waarom zou het met den mensch ook niet zoo zijn? Wij zijn schepselen op deze wereld en _van_ deze wereld, Waarom zou ons lot dan niet als het hare zijn? Zij moge veranderen van gas in chaos, van chaos tot werkzaam leven, van werkzaam leven tot schijnbaren dood. Dan kan zij weer tot haar elementen overgaan, en van die elementen tot een samengesteld geheel, en zoo altijd door, altijd veranderend, maar altijd dezelfde. Tot zoover de natuur tot zinnebeeld genomen. 't Is geen volkomen analogie, want de mensch is iets, van al het andere afgescheiden; het moge slechts een wenk of een type zijn, maar het is toch iets.

"Om nu op de kwestie van onzen godsdienst te komen. Ik moet bekennen, dat ik uit uw gegevens een geheel andere gevolgtrekking maak. Gij zegt, dat ge in alle godsdiensten dezelfde bijgeloovigheden bespeurt, en dat dezelfde geestelijke mythe in den een of anderen vorm in bijna alle gevonden wordt. Welnu, duidt dat niet aan dat dezelfde groote _waarheid_ aan elken ten grondslag ligt en van tijd tot tijd den vorm aanneemt, die het best geschikt is voor de geestelijke ontwikkeling zijner belijders? Elke nieuwe groote godsdienst is beter dan voorafgaande. Gij kunt het Osirianisme niet vergelijken met het Buddhisme, of het Buddhisme met het Christendom, of het Mahomedanisme met den Arabischen afgodendienst. Neem het oude beeld--houd een stuk kristal in de zon, en gij zult er verschillende kleuren uit zien stralen. Zij schijnen verschillend, maar zij zijn alle uit hetzelfde groote licht ontstaan; zij zijn alle hetzelfde licht. Kan het zoo ook niet met de godsdiensten zijn? Laat uw altaar aan den 'Onbekenden God' gewijd zijn, zoo gij wilt--want wie kan aan de Macht boven ons een onveranderlijke gelijkenis geven?--maar haal uw altaar niet omver.

"Maak er staat op, Miss Granger, niettegenstaande alles wat het tegendeel aanduidt, er is een wakende Voorzienigheid boven ons, zonder wier wil wij niet kunnen leven, en als wij die Voorzienigheid verwerpen en ons verstand er voor in de plaats stellen, zullen wij er ons niets dan verdriet door berokkenen. Ik wenschte dat ge wildet beproeven het vraagstuk uit een ander, een hooger gezichtspunt te beschouwen. Ge zult, geloof ik, ondervinden, dat het voor veel onderzoek vatbaar is, en tot het besluit komen, dat de beslissende uitspraak van een wijshoofd, die zegt dat er niets is, omdat hij niets ziet, niet noodwendig de ware is. Ziedaar, dat is alles, wat ik wilde zeggen, en ik wenschte dat ik het beter zeggen kon."

"Dank u," sprak Beatrice, "ik zal het in gedachten houden. Hier zijn wij al thuis; ik moet Effie naar bed brengen."

Het mag wel vermeld worden, dat Geoffrey's raad niet geheel in den wind geslagen werd. Beatrice beproefde het vraagstuk nog eens te onderzoeken, en hoewel het Geloof niet geheel en al bij haar terugkwam, was de Hoop ten minste in haar hart ontwaakt, en "de meeste van deze, die de Liefde is," had haar nooit verlaten. De Hoop kwam langzaam terug, waarschijnlijk niet door redeneering, maar veeleer door voorbeeld. In de zee van Twijfel zag zij een ander baken, al was het ook maar op het wrakhout van het vergane schip. Dit moedigde haar aan. Geoffrey geloofde, en zij--zij hechtte geloof aan het geloof van Geoffrey. Is dit niet het geheim der filosofie van menige vrouw--zelfs in zekere mate van zulk een vrouw als Beatrice? Haar geloofsleer is het geloof van hem, dien zij vertrouwt. En Geoffrey was degene, in wien Beatrice vertrouwen begon te stellen, des te meer omdat zij vroeger nooit vertrouwen in iemand had gesteld. Wat zij er anders ook bij mocht verliezen, dit won zij er ten minste bij, toen zij zijn leven had gered.

Hoofdstuk XIV.

Voortgestuwd.

Op den dag na hun godsdienstige gedachtenwisseling, gebeurde er iets, waarvan het gevolg was, dat Geoffrey en Beatrice meer dan ooit in elkanders gezelschap waren. In de vorige week waren er twee gevallen van roodvonk onder de schoolkinderen voorgekomen, en nu had de epidemie zich zóó verspreid, dat de school gesloten moest worden. Dus had Beatrice al haar tijd voor zichzelve. Dat had Geoffrey ook. Het was zijn gewoonte, zich elken ochtend vóór het ontbijt te baden, waarna hij het overige van den dag niets te doen had. Beatrice ging met de kleine Effie ook vóór het ontbijt een bad nemen in de dames-badplaats, op een kwartmijl afstands, en soms ontmoette hij haar als hij terugkwam, met een blos van gezondheid en schoonheid op haar gelaat, en haar half gedroogd haar in zware vlechten langs haar rug golvend. Na het ontbijt brachten zij Effie naar het strand, en daar gaf haar "tantetje," zooals zij Beatrice noemde, haar les, totdat het kind vermoeid was, en wegliep, om in de zee te plassen of tusschen de rotsen garnalen te zoeken.

Intusschen spraken Effie's vader en Beatrice--niet over godsdienst, dit punt lieten zij rusten, en ook niet over Owen Davies, maar over allerlei andere onderwerpen. Beatrice was vroolijk van aard, en zij waren nooit om stof tot gesprek verlegen, want er was veel overeenstemming tusschen hen. In boekenkennis won Beatrice het van hem, want zij had niet alleen veel gelezen, maar zij onthield ook goed wat zij gelezen had en wist het te pas te brengen. Zij had ook een scherp onderzoekingsvermogen. Hij, daarentegen, had meer wereldkennis, en in zijn rijke dagen had hij veel gereisd, en zoo wist de een den ander altijd wat te vertellen. Geen oogenblik verveelden zij zich in elkanders gezelschap. Zoo verliep de ochtend maar al te spoedig, en als zij tegen het middagmaal thuis kwamen, werden zij door Elisabeth met een koelen glimlach begroet, en met veel hartelijkheid door den ouden man, die nooit aan iets buiten den kring van zijn eigen zaken dacht. Na het middagmaal was 't weer hetzelfde. Of zij gingen wandelen, om naar de varens en bloemen te zien, of Geoffrey nam zijn geweer, en verschool zich achter de rotsen, om kemphanen te schieten, en zond Beatrice, die de kust zoo goed kende, naar een landtong, om hen op te jagen. Dan kwam zij terug, van rots tot rots naar hem toe springende, en hurkte achter een naburigen, met zeewier begroeiden rotsklomp neder, en dan spraken zij fluisterend, of in 't geheel niet, om de vogels, die in de vlucht waren, niet te verschrikken. En Geoffrey zag eerst naar de lucht, om kemphanen of wilde eenden in 't oog te krijgen, en als hij die niet zag, liet hij zijn blik vallen op de reine schoonheid van Beatrice's gelaat, en dan kwam de vraag bij hem op, waar zij toch wel over dacht; totdat zij, eensklaps zijn blik gevoelende, zich met een glimlach, zoo liefelijk als het eerste morgenrood op het water, tot hem wendde en hem vroeg waar _hij_ over dacht. En dan lachte hij, en antwoordde: "Aan u," waarop zij weder glimlachte en misschien een weinig bloosde, verblijd in haar hart, zonder te weten waarom.

Dan kwam de tijd van theedrinken, wanneer zij voor het open venster zaten en Geoffrey naar het ruischen van de zee en het suizen van de avondkoelte door de pijnboomen luisterde. In den hoek zat Granger in zijn armstoel te slapen, of misschien was hij voor goed naar bed gegaan, want hij ging gaarne om half negen naar bed, zooals zijn vader, de pachter uit Herefordshire, placht te doen; en aan het andere einde der kamer zat Elisabeth, bij het licht van een enkele kaars haar rekeningen opmakende, of als zij die niet had, in een of ander stichtelijk boek lezende. Maar over den rand van het boek heen, of van het blad met gekrabbelde berekeningen, sloeg zij telkens de oogen op naar het paar voor het venster, en dan glimlachte zij. Maar zij zagen die blikken niet, en merkten dien glimlach niet op. Als Geoffrey naar dien kant zag, wat hij niet dikwijls deed, want Elisabeth--de oude Elisabeth, zooals hij haar bij zichzelven altijd noemde--had niets aantrekkelijks voor hem, zag hij niets anders dan haar hoekige gestalte over haar werk gebogen en het licht van de kaars op haar strookleurig haar en haar harde knokkels vallen.

En zoo verliep de dag, en kwam de tijd van ter ruste te gaan, met zijn droomen, die wel achterwege hadden mogen blijven.

Geoffrey dacht van dit alles geen kwaad, zooals hij eigenlijk had behooren te doen. Hij was niet de brieschende leeuw uit werken van verdichting--zelden in het werkelijk leven ontmoet--rondgaande en zoekende, wien hij zou kunnen verslinden. Hij legde het er volstrekt niet op toe, Beatrice's liefde te winnen, evenmin als zij van haar kant de zijne zocht, en dat eerste voorgevoel van kwaad was hij vergeten. In de eerste dagen van hun vertrouwelijkheid kwam er, wel is waar, een wroegend gevoel van twijfel bij hem, op, maar dat zette hij als ongerijmd van zich. Hij geloofde niet aan de teedere weerloosheid van volwassen vrouwen, want hij had bij ondervinding dat zij volkomen in staat waren--en meestal meer dan in staat--voor zichzelven te zorgen. Het scheen hem belachelijk toe, dat een meisje als Beatrice, zoo bevoegd om zich over de gewichtige vraagstukken des levens een gevoelen te vormen en te oordeelen, als een kind behandeld moest worden, en dat hij zich uit Bryngelly zou moeten verwijderen, uit vrees dat haar jeugdig hart verstrikt zou worden. Hij hield zich verzekerd, dat haar gevoel nooit anders zou spreken dan met haar volle toestemming.

Toen dacht hij er in 't geheel niet meer over. Er lag dan ook alleen reeds in het denkbeeld van zoo iets een vooronderstelling, die slechts aannemelijk geweest zou zijn voor een man, die met zichzelven ingenomen was--namelijk, de mogelijkheid, dat die jonge dame verliefd op hem werd. Welk recht had hij om zoo iets te vooronderstellen? Dat was een onbeschaamde verwaandheid. Dat er een andere mogelijkheid bestond--namelijk, dat hij zich meer aan haar zou hechten dan wenschelijk was--kwam hem echter eens of tweemaal in de gedachten. Maar daar haalde hij de schouders voor op. Daar had _hij_ in allen gevalle op te passen, en het kon _haar_ geen kwaad. Doch weldra verdwenen al zulke verontrustende opkomende gedachten. Zij losten zich op in het heldere licht der vriendschap. Later, als vriendschap haar tijd had gehad, zouden zij zich misschien onder een anderen naam weder doen gelden en een strenger aanzien vertoonen.

Het was toch al te belachelijk dat hij, op zijn leeftijd, verliefd zou worden als een jongen; hij gevoelde niet anders dan dankbaarheid en belangstelling--en zij niet anders dan genoegen in zijn gezelschap. Wat hun vertrouwelijkheid betrof--dien vertrouwelijken omgang, waardoor zij reeds bijna elkanders gedachten konden raden, waardoor zij zich naar elkanders stemming wisten te voegen, waardoor zij denzelfden smaak voor het schoone hadden, en zelfs harmonie van ziel in de tegenstrijdigste gevoelens konden ontdekken--dat was immers niet meer dan natuurlijk tusschen twee menschen, die te zamen een verschrikkelijk gevaar hadden uitgestaan. Dus namen zij het goede, dat hun te genieten was gegeven, aan, en lieten zich door het lot zacht voortstuwen, waarheen vroegen zij niet.

Op zekeren dag viel er echter iets voor, dat beiden de oogen had moeten openen. Zij hadden beiden afgesproken, of liever, het was een stilzwijgende overeenkomst, dat zij dien namiddag, als naar gewoonte, zouden uitgaan. Geoffrey zou zijn geweer meenemen, en Beatrice een boek; maar het toeval wilde dat Beatrice, toen zij, even vóór het middagmaal, uit het dorp, waar zij garen had gekocht om Effie's kleeren te verstellen, terugkwam, Owen Davies van aangezicht tot aangezicht ontmoette. Het was hun eerste ontmoeting zonder getuigen sedert dien Zondag, waarvan de gebeurtenissen beschreven zijn, en dus was er, natuurlijk, iets gedwongens in. Owen bleef staan, zoodat zij hem niet met een enkele buiging kon voorbijloopen, keerde zich om en liep met haar mede. Na een paar aanmerkingen over het weer, was de stof tot gesprek uitgeput.

"Ge herinnert u wel dat ge dezen namiddag op het kasteel zult komen?" zeide hij eindelijk.

"Op het kasteel!" antwoordde zij. "Neen, daar heb ik niets van gehoord."

"Heeft uw zuster u dan niet gezegd dat zij dit, reeds langer dan een week geleden, voor zichzelve en u heeft afgesproken? Gij zoudt het kleine meisje meebrengen; zij wil zoo gaarne het gezicht zien, dat men boven van den toren heeft."

Nu schoot het Beatrice te binnen. Elisabeth had het haar gezegd, en zij had het maar het best geacht zich er in te schikken. Het was haar geheel uit de gedachten gegaan.

"O, neem me niet kwalijk! Ja, nu herinner ik mij, maar het ik heb een ander plan gemaakt--hoe dom, dat ik het vergeten was!"

"Gij waart het vergeten," zeide hij, met zijn zware stem; "vergeet gij dan zoo licht iets, waarnaar ik de heele week zoo verlangend heb uitgezien? Wat is uw plan--zeker met mijnheer Bingham uit wandelen te gaan?"

"Ja," antwoordde Beatrice, "met mijnheer Bingham uit te gaan."

"Gij gaat tegenwoordig elken dag met mijnheer Bingham uit."

"En wat zou dat?" zeide Beatrice, met levendigheid. "Ik zal toch wel het recht hebben, mijnheer Davies, om uit te gaan met wien ik verkies?"

"Ja, natuurlijk; maar de afspraak om op het kasteel te komen was het eerst gemaakt; zult gij die niet houden?"

"Natuurlijk zal ik die houden; ik houd altijd een afspraak, die ik gemaakt heb."

"Goed, ik verwacht u dan te drie uur."

Beatrice ging in een zonderling geprikkelde gemoedsstemming naar huis. Natuurlijk wilde zij niet gaarne naar het kasteel gaan, en zij wilde wèl gaarne met Geoffrey uitgaan. Er was echter niets tegen te doen.

Toen zij thuis kwam, vond zij Geoffrey daar niet. Hij was bij dokter Chambers, dien hij op het strand ontmoet had, het _luncheon_ gaan gebruiken. Eer hij terugkwam, waren zij alle drie naar het kasteel gegaan; Beatrice had Betty de boodschap gegeven dit te zeggen.

Omstreeks een kwartier later, kwam Geoffrey terug, om zijn geweer en Beatrice te halen, maar Beatrice was niet thuis, en het eenige, wat hij van Betty kon te weten komen, was dat zij mijnheer Davies was gaan bezoeken.

Hij was letterlijk woedend, ofschoon hij wist hoe onredelijk zijn toorn was. Maar de teleurstelling was voor hem te zwaar om er bedaard onder te blijven. In zijn kwade luim ging hij nu maar alleen uit, om een allerverdrietigsten namiddag door te brengen. Bij elken stap scheen hij Beatrice meer te missen, en hij werd hoe langer hoe toorniger om hetgeen hij haar "lompheid" noemde. Het kwam, natuurlijk, niet bij hem op dat hij eigenlijk wrevelig was, omdat zij Davies was gaan bezoeken, of dat haar gezelschap zoo onmisbaar voor hem was geworden dat het een verdriet voor hem was er zelfs een enkelen namiddag van beroofd te zijn. Tot overmaat van ramp, had hij dien namiddag maar drie schoten, die hij alle drie miste, en dat maakte hem nog knorriger.

Intusschen vermaakte Beatrice zich evenmin op het kasteel als Geoffrey op het strand. Owen Davies liet zijn bezoeksters de groote ongebruikte kamers en de schilderijen zien, maar die had zij reeds vroeger gezien, en hoewel er eenige zeer fraaie onder waren, was zij er niet op gesteld ze nog eens te zien--ten minste, dien namiddag niet. Maar Elisabeth beschouwde ze met gretige oogen, en berekende inwendig wat zij wel waard zouden zijn--benieuwd of zij ooit haar eigendom zouden worden.

"Wat is dat voor een schilderij?" vroeg zij, naar een fraai portret van een Hollandschen Burgemeester, van Rembrandt, wijzende.

"Dat," antwoordde Owen, die volstrekt geen verstand van schilderkunst had, en er nog minder om gaf, "dat is een Velasquez, op £ 3000 geschat--neen," de catalogus inziende en lezende, "ik vergis mij, die daarnaast is een Velasquez; 't is een Rembrandt, een van de beste stukken van dien meester, dat al zijn meesterschap over licht en schaduw doet uitkomen. Het is geschat op 4000 guinjes."

"Vier duizend guinjes!" riep Elisabeth uit. "Een waarde van vier duizend guinjes hangt zoo maar aan den wand!"

En zoo ging het voort. Elisabeth deed vragen, en Owen beantwoordde ze met behulp van den catalogus, totdat zij eindelijk al de schilderijen gezien hadden. Toen dronken zij thee in de kleine huiskamer van den eigenaar van al die pracht. Tot haar ergernis, zat Owen tegenover Beatrice, en had zijn oogen niet van haar af, terwijl zij met Effie op haar schoot zat, en Elisabeth, die dit opmerkte, beet zich van jaloerschheid op de lippen. Zij had goedgevonden haar zuster hier te brengen; Davies moest niet denken dat zij Beatrice voor hem uit den weg hield, maar die stilzwijgende afgodische vereering ergerde haar. Na het theedrinken klommen zij naar den top van den toren, en Effie juichte over het gezicht, dat men van daar had, en dat werkelijk zeer schoon was. Hier had Owen een kort gesprek met Elisabeth.

"Uw zuster schijnt over iets uit haar humeur te zijn," zeide hij.

"Dat lijkt wel," antwoordde zij onverschillig. "Beatrice heeft zoo haar nukken. Ik geloof dat zij van middag met mijnheer Bingham op de jacht had willen gaan."

Als Owen een minder godsdienstig man was geweest, zou hij gevloekt hebben; nu zeide hij alleen maar: "Mijnheer Bingham--'t is altijd mijnheer Bingham, van den ochtend tot den avond! Wanneer gaat hij heen?"

"De volgende week, geloof ik. Het zal Beatrice wel spijten; zij is zoo op zijn gezelschap gesteld. En nu geloof ik, dat wij naar huis moeten gaan;" en toen zij heenging, liet zij dezen vergiftigden pijl in zijn borst achter.

Toen zij op de pastorie terug waren, en nadat zij Effie haar gebedje had laten opzeggen en haar in haar bedje had gelegd, ging zij naar het hek, om nog een rustig poosje voor zichzelve te hebben eer het tijd voor het avondeten was. Geoffrey was nog niet thuis gekomen.

Het was een liefelijke herfstavond; de zee scheen te slapen, en de lichte wolkjes, waardoor de gloed der ondergaande zon verbleekt was, zweefden als een kronkelende dunne rook langs het blauwe uitspansel. Waarom was Bingham nog niet terug? dacht zij; hij zou nauwelijks tijd hebben om van kleeding te verwisselen. Als hem eens een ongeluk overkomen was? Gekheid! wat voor ongeluk zou hem gebeurd kunnen zijn? Hij was zoo forsch en zoo sterk, hij scheen ongelukken te trotseeren; en toch had hij het aan haar te danken dat hij nog die krachtige man was. Hoe verheugde het haar dat zij in staat was geweest hem van den dood te redden! Daar kwam in de verte zijn forsche gestalte uit den avondnevel te voorschijn.

Naast het hek, waarop zij leunde, was een zijhekje. Daar liep Geoffrey recht op aan, alsof hij haar niet zag; hij zag haar wel, maar hij was misnoegd op haar.

Zij liet hem het hek doorgaan, dat hij langzaam sloot, misschien om haar gelegenheid te geven om te spreken, als zij het wilde; toen zeide zij, meenende dat hij haar niet gezien had, op haar zachten, welwillenden toon:

"Hebt gij een goede jacht gehad, mijnheer Bingham?"

"Neen," gaf hij kortaf ten antwoord: "ik heb weinig gezien, en het weinige, wat ik zag, gemist."

"Dat spijt mij, behalve voor de vogels. Ik vind het zoo naar, dat die arme vogels geschoten worden. Hebt ge mij in dat witte kleed niet gezien? Ik zag u al op vijftig meter afstands."

"Ja, Miss Granger," antwoordde hij, "ik heb u wel gezien."

"En gij gingt voorbij, zonder mij toe te spreken; dat was zeer lomp van u--wat scheelt er aan?"

"Niet zoo lomp als het van u was, met mij af te spreken om te gaan wandelen, en in plaats daarvan mijnheer Davies een bezoek te brengen."

"Dat kon ik niet helpen, mijnheer Bingham; het was een oude afspraak, die ik vergeten was."

"Juist, dames hebben altijd een verontschuldiging om te doen wat zij gaarne willen."

"'t Is geen verontschuldiging, mijnheer Bingham," hernam Beatrice, met waardigheid; "ik behoef mijn gangen tegenover u niet te verontschuldigen."

"Natuurlijk niet, Miss Granger; maar een andermaal zal het toch beleefder zijn het mij te zeggen, als gij van plan verandert, weet ge. Ik twijfel echter niet of het kasteel zal veel aantrekkelijks voor u hebben."

Zij wierp hem een vlammenden blik toe, en wilde heengaan; maar toen zij zich omkeerde, werd zijn hart verzacht en schaamde hij zich.

"Miss Granger, ga niet heen; vergeef mij. Ik weet niet hoe ik zoo onbeleefd heb kunnen zijn; ik had zoo niet moeten spreken. Het geval is eigenlijk dat ik zeer teleurgesteld was omdat ge niet kwaamt. Om u de waarheid te zeggen, heb ik u schrikkelijk gemist."

"Ge hebt mij gemist? Dat is heel aardig van u; men heeft wel gaarne dat ons gemis gevoeld wordt. Maar als ge mij voor een enkelen namiddag zoo gemist hebt, hoe zult ge het dan wel over een week maken, als ge weg zijt en mij heelemaal moet missen?"