Chapter 10
"O, zoo!" zeide Elisabeth, die oplettend naar de weer te voorschijn gebrachte gaatjes in het zand had gekeken. "Dat is wel mogelijk, Beatrice is zoo'n zonderling meisje. Wat zijn dat voor letters, mijnheer Davies?"
Hij zag er onverschillig naar. "Iets wat uw zuster met de punt van haar parasol schreef, terwijl ik tegen haar sprak. Ik herinner mij dat ik het haar heb zien doen."
"G E O F F R--wel, dat moet Geoffrey beteekenen. Ja, zeker is het mogelijk dat er iemand anders is, mijnheer Davies. Geoffrey!--hoe zonderling!"
"Wat is zonderling, Miss Granger? Wie is Geoffrey?"
Elisabeth deed een onaangenaam lachje hooren, dat Owen's aandacht meer trok dan haar woorden.
"Hoe zou ik dat weten? Het moet zeker de een of andere vriend van Beatrice zijn, en wel een, aan wien zij veel denkt, anders zou zij niet onwillekeurig zijn naam in het zand geschreven hebben. De eenige Geoffrey, dien ik ken, is mijnheer Geoffrey Bingham, de advocaat, die in de pastorie logeert, en wien Beatrice het leven heeft gered." Zij hield een oogenblik op, om te zien welke uitwerking haar woorden hadden. "Maar, natuurlijk," ging zij voort, "kan zij niet aan mijnheer Bingham gedacht hebben, want die is een getrouwd man."
"Getrouwd?" zeide Owen; "ja, maar hij is toch een man, en een heel knap man ook."
"Ja, een knap man mag hij wel genoemd worden," hernam Elisabeth; "maar, zooals Beatrice onlangs zeide, het meest boeit hij, door zijn gesprekken en zijn verstand. Hij is een merkwaardig man, en de wereld zal eenmaal nog van hem hooren. Maar dat komt hier nu eigenlijk niet bij te pas. Beatrice is een raar meisje, en heeft wonderlijke begrippen, maar ik houd mij verzekerd, dat zij het nooit met een getrouwd man zou willen aanleggen."
"Maar het zou wel kunnen zijn, dat hij het met haar wilde aanleggen, Miss Elisabeth."
Zij lachte. "Denkt ge werkelijk, dat een man als mijnheer Bingham zonder aanmoediging zou beproeven een minnarijtje met een meisje aan te knoopen? Zulke mannen zijn even trotsch als vrouwen, en nog trotscher: de dame moet altijd den eersten stap doen. Maar waar dient het toe er over te spreken? Het is allemaal onzin; Beatrice moet aan een anderen Geoffrey gedacht hebben--of het was alleen maar toevallig. Wel, mijnheer Davies, als ge een oogenblik werkelijk hadt kunnen denken dat die lieve Beatrice zich aan zoo iets schandelijks als een minnarij met een getrouwd man schuldig zou hebben gemaakt, zoudt gij haar dan ten huwelijk gevraagd hebben? Zoudt gij er nog aan denken zulk een meisje als zij dan zijn moest te vragen uw vrouw te worden?"
"Ik weet het niet; ik geloof het niet," antwoordde hij twijfelachtig.
"Gij _gelooft_ het niet? Dan ken ik u beter dan gij uzelven kent. Ge zoudt liever nooit trouwen, dan een vrouw te nemen zooals zij dan gebleken was te zijn. Maar genoeg van dat dwaas gepraat. Als gij een medeminnaar hebt, kunt ge er zeker van zijn, dat het een ongetrouwde is."
In zijn hart dacht Owen dat hij toch eigenlijk liever gehad zou hebben dat het maar een getrouwd man was, omdat een getrouwd man, in allen gevalle, Beatrice niet wettig kon bezitten. Maar hij had ontzag voor Elisabeth's strenge zedelijkheid, en dus zeide hij dat niet.
"Ik gevoel mij een weinig van streek, Miss Elisabeth," zeide hij. "Ik wil maar liever heengaan. A propos, ik heb beloofd er uw vader niets van te zeggen. Ik hoop dat gij het ook niet doen zult."
"Zeker niet," antwoordde Elisabeth, en dat zou ook wel het laatste geweest zijn wat zij had willen doen. "Adieu dan, mijnheer Davies. Wees niet neerslachtig; alles zal nog wel terecht komen. Bedenk dat ge mij altijd hebt om u te helpen."
"Dank u, dank u," zeide hij ernstig, en ging heen.
Elisabeth zag hem, tot om den rotswand, met een koelen en hatelijken glimlach na.
"Gek!" dacht zij, "gek! _Mij_ te zeggen dat je haar zoo innig liefhebt en met haar wilt trouwen! Je wilt dat lieve gezichtje hebben, niet waar? Dat krijg je nooit; ik zal het wel voor je bederven! Die lieve Beatrice, zij is niet in staat een liefdeshistorietje met een getrouwd man te hebben--o, zeker niet! Wel, zij is al verliefd op hem, en hij meer dan half op haar. Als zij het niet was, zou zij Owen dan afgescheept hebben? Wel neen! Laat hun den tijd maar, en we zullen zien. Zij zullen elkaar in 't ongeluk storten--dat moeten zij wel; het is geen kinderspel als twee zooals zij verliefd worden. Zij zullen het niet bij zuchten laten. Het was een goede inval hem in huis te nemen. En als ik haar zoo met dat kind Effie zie, alsof zij haar moeder was--'t is om te lachen. O, Beatrice, met al je wijsheid ben je een onnoozel schaap. En op een goeden dag, lieve meid, zal ik het genoegen hebben je voor Owen ten toon te stellen, dan zal de afgod ontsluierd worden, en dan is het met je kansen bij hem uit, want daarna kan hij niet met je trouwen. En dan komt mijn beurt. 't Is een kwestie van tijd--alleen maar een kwestie van tijd."
Zoo peinsde Elisabeth, met een hart vol nijd en jaloezie. Zij hield veel van Owen Davies, zooveel als zij in staat was voor iemand genegenheid te gevoelen, ten minste, zij hield veel van den rijkdom en stand, waarvan hij het zichtbaar middelpunt was, en zij haatte haar zuster, die hij begeerde. Als zij die zuster maar in een slechten naam kon brengen en bewijzen dat zij zich aan misplaatste, ongewettigde liefde schuldig had gemaakt--in de oogen der wereld de zwaarste misdaad eener vrouw--zou Owen wel niet meer van haar willen weten.
Zij vergiste zich. Zij wist niet, dat hij Beatrice volstrekt tot vrouw wilde hebben; zij kon zich niet voorstellen hoe vergevensgezind een man, die zich dit ten doel stelt, kan zijn. Alleen over de vrouw, die zij reeds moede zijn, vellen de mannen maar al te spoedig een streng vonnis, maar niet over haar, die hun nog niet toebehoort, en naar wier bezit zij dag en nacht verlangen. Voor dezulken zijn zij zeer toegevend.
Hoofdstuk XIII.
Geoffrey houdt een sermoen.
Intusschen liep Beatrice in een alles behalve geruste gemoedsstemming huiswaarts. Haar hart was bezwaard. Zij had Owen Davies, wel is waar, voor 't oogenblik afgescheept, maar zij wist wel dat hij de man niet was om het er bij te laten. Het speet haar bijna, dat zij hem niet dadelijk voor goed had afgewezen. Maar dan zou hij naar haar vader gegaan zijn, waarvan een scène het onvermijdelijke gevolg geweest zou zijn, en daar deinsde zij voor terug, vooral nu Bingham in huis was. Zij kon zich zijn ontzetting, om niet te zeggen, zijne woede voorstellen, als hij, die zoo op geld gesteld was, hoorde dat zij Owen Davies, van Bryngelly Castle en al zijn rijkdom, had afgewezen--werkelijk afgewezen.
En met Elisabeth moest zij ook rekening houden. Elisabeth zou haar zeker het leven tot een last maken. Beatrice wist niet dat niets haar zuster beter in de kaart gespeeld was. Als zij Bryngelly maar had kunnen verlaten! Doch dat was ook onmogelijk. Zij had geen geld. Zij zou, wel is waar, op een andere veraf gelegen plaats in Engeland een betrekking als onderwijzeres kunnen krijgen, maar daar was ook een onoverkomelijke hinderpaal tegen. Hier had zij een salaris van vijf-en-zeventig pond 's jaars; daarvan behield zij vijftien pond, met welke geringe som zij voor haar kleeding toekwam; het overige gaf zij aan haar vader. Zij wist wel dat hij zijn hoofd niet boven water kon houden zonder dezen steun, die, hoe gering ook, voor hun huisgezin al het onderscheid tusschen armoede en werkelijk gebrek uitmaakte. Als zij heenging, gesteld dat zij een even goede betrekking vond, zou zij al dat geld voor haar eigen onderhoud noodig hebben, en er niets van overhouden om naar huis te zenden. Het was een betreurenswaardige toestand; zij, die zooeven een man met duizenden 's jaars had afgewezen, was niet in staat voor lastig aandringen uit den weg te gaan, om het gemis van vijf-en-zeventig pond 's jaars, per kwartaal betaald. Het eenige wat zij doen kon, was dus maar af te wachten hoe het loopen zou. Maar op één punt was zij zeker: zij zou _niet_ met Owen Davies trouwen. Dat mocht dwaas van haar zijn, maar zij zou het niet doen. Zij had te veel achting voor zichzelve, om met een man te trouwen, dien zij niet liefhad; een man, van wien zij bepaald afkeerig was. "Neen, nooit!" riep zij, op het kiezelzand aan den oever stampvoetende.
"Wat nooit?" zeide een stem op eenigen afstand.
Zij schrikte en zag rond. Daar, met zijn rug tegen een rots leunende, en een pijp in zijn mond, een geopenden brief op zijn knie, en zijn hoed bijna over zijn oogen getrokken, zat Geoffrey. Hij had Effie bij Granger thuis gelaten, en was langs een afhelling van de rots naar het strand gewandeld. De brief op zijn knie was van zijn vrouw. Die was kort en er stond niets bizonders in. Effie's naam werd niet eens genoemd. Het was om te zien of hij dat ook had overgeslagen, dat hij den brief nog eens overlas. Neen, de inhoud had alleen betrekking op Lady Honoria's veilige aankomst en de logeergasten, die zij had aangetroffen--een lossen troep, zooals Geoffrey opmerkte, onder anderen, een zekeren Dunstan, dien hij niet kon uitstaan--en het aantal koppels patrijzen, dat op den vorigen dag geschoten was. Toen kwam de verzekering dat Honoria zich uitstekend vermaakte, en dat de nieuwe Fransche kok "perfect" was.
"Wat nooit, Miss Granger?" herhaalde hij zijn vraag, terwijl hij langzaam den brief dichtsloeg.
"Dat komt er niet op aan," antwoordde zij, zich herstellende. "Wat hebt ge mij verschrikt, mijnheer Bingham! Ik dacht niet dat er iemand op het strand was."
"Dat is toch voor iedereen vrij, niet waar?" zeide hij, opstaande. "Ik dacht dat ge mij in het kiezelzand wildet trappen. 't Is om er bang voor te worden, als men op een Zondagnamiddag rustig zit, een jonge dame te zien aankomen, die eensklaps staan blijft, stampvoet, en dan zegt: 'Neen, nooit!' Gelukkig wist ik dat gij uit waart, anders zou ik er van ontsteld zijn."
"Hoe wist ge dat ik uit was?" vroeg Beatrice, een weinig uitdagend. Hij behoefde haar gangen niet na te gaan.
"Op tweeërlei manieren. Zie!" zeide hij, naar een strook wit zand wijzende. "Dat zijn, geloof ik, uw voetstappen."
"En wat zou dat?" vroeg Beatrice, met een lachje.
"Niets bizonders, alleen dat het uw voetstappen zijn," antwoordde hij. "Toen ontmoette ik toevallig den ouden Eduard, die aan 't wandelen was, en hij zeide mij dat hij u en mijnheer Davies naar het strand had zien gaan; daar is zijn voetstap--van Davies bedoel ik--maar gij schijnt niet zeer gezellig geweest te zijn, want de uwe is er een heel eind van af."
"Waarom hebt ge u de moeite gegeven dat zoo nauwkeurig op te merken?" vroeg zij, half lachend en half toornig.
"Dat weet ik niet--waarschijnlijk een gewoonte, die ik mij heb eigen gemaakt omdat ik aan de rechtbank ben. Uit die voetstappen op het zand, en wat er de gevolgen van hadden kunnen zijn, zou men een roman kunnen maken. Maar gij hebt mijn treffend verhaal nog niet ten einde gehoord. De oude Eduard heeft mij ook verteld, dat hij uw zuster langs de rots heeft zien loopen, bijna op gelijke hoogte met u, waaruit hij opmaakte dat gij er over hadt geredetwist wat de kortste weg naar de Roode Rotsen was, en er de proef van naamt."
"Elisabeth," zeide Beatrice, min of meer verbleekende; "waarom zou zij dat gedaan hebben?"
"Ik denk om lichaamsbeweging te nemen, evenals gij. Welnu dan, ik ging, mijn pijp rookende, in de schaduw van die rots zitten, toen ik eensklaps mijnheer Davies, den kant van Bryngelly op, zag aankomen, loopende alsof hij een wedloop hield, met zijn hoed achterop zijn hoofd. Hij liep letterlijk over mijn beenen heen, zonder mij te zien. Toen volgdet gij, en riept: 'Neen, nooit!'--en daar is mijn verhaal mee uit. Vergunt ge mij met u mee te loopen, of stoor ik de ontwikkeling van het plan?"
"Er is geen plan, en zooals gij zooeven gezegd hebt, het strand is voor iedereen vrij," antwoordde Beatrice wrevelig.
Zij liepen een eindweegs voort, en toen sprak hij op een anderen toon--doelende op hetgeen hij aan het hek van het kerkhof had gehoord.
"Ik geloof dat ik u mag feliciteeren, Miss Granger," zeide hij, "en dat doe ik van harte. Niet iedereen is zoo gelukkig.--"
"Wat wilt ge daarmee zeggen, mijnheer Bingham?" viel Beatrice hem in de rede, stilstaande en zich naar hem toe wendende.
"Wat ik daarmee zeggen wil? Och, niets bizonders; niets anders dan dat ik u gelukwensch met uw engagement."
"Mijn engagement! Wat voor engagement?"
"Het schijnt dat er een misverstand is," zeide hij, op een toon van verlichting, hoeveel moeite hij ook deed om het te verbergen. "Ik had begrepen dat het tusschen u en Owen Davies tot een engagement was gekomen. Als ik het mis heb, vraag ik u wel verschooning."
"Ge hebt het totaal mis, mijnheer Bingham; ik weet niet hoe ge u dat in 't hoofd hebt gehaald, maar er is niets van aan."
"Veroorloof mij dan u geluk te wenschen dat het niet waar is. Ziet ge, dat is in negen van de tien gevallen, waar sprake van een huwelijk is, juist het mooie--zij hebben twee of meer zijden. Als het er toe komt, kan de vriendelijke en belangelooze opmerker de lichtzijde zien--zooals in dit geval, veel geld, een romantisch kasteel aan zee, een man van een onberispelijk verleden, enz. enz. enz. Als het er daarentegen niet toe komt, kan er ook weer reden tot dankbaarheid voor gevonden worden--de dame kon toch eigenlijk wel beter partij doen, het kasteel aan zee is in het voorjaar wel wat tochtig, de man is zeer achtenswaardig, maar misschien een weinig vervelend, en zoo al meer."
In den toon, waarop hij sprak, was iets spotachtigs, dat Beatrice ergerde. Zulk een toon was zij van Bingham niet gewoon. Het was zelfs de toon niet, waarop een beschaafd man over zulk een onderwerp tot een dame behoorde te spreken. Dit wist hij even goed als zij, en heimelijk schaamde hij zich er over. Maar, om de waarheid te zeggen, was Geoffrey, hoewel hij het zichzelven niet eens wilde bekennen, hevig jaloersch, en jaloersche menschen hebben geen goede manieren. Het was echter van Beatrice niet te verwachten dat zij dit wist, en dus was zij natuurlijk geraakt.
"Ik begrijp niet recht waar ge het over hebt, mijnheer Bingham," zeide zij, met een uitdrukking van beleedigde waardigheid in blik en toon. "Ge hebt een ongegrond praatje gehoord, en nu maakt ge er gebruik van om mij te bespotten en op mijnheer Davies te schimpen. Dat is zeer onaardig."
"O, neen; wat de aanleiding tot mijn vergissing geweest is, Miss Granger, waren de voetstappen, _en_ het praatje _en_ de afspraak die gij op het kerkhof gemaakt hebt, en die ik, zonder het te willen, gehoord heb--niet het praatje alleen. Natuurlijk moet ik er nu mijn verontschuldigingen over maken."
Weder stampvoette Beatrice. Zij zag dat hij haar bespotte, en gevoelde dat hij haar niet geloofde.
"Ziedaar!" ging hij voort, door zijn jaloerschheid tot onheuschheid geprikkeld, want zij had gelijk--hij geloofde haar verklaring dat zij niet geëngageerd was eigenlijk nog niet. "Wat ben ik toch ongelukkig--nu heb ik alweer iets gezegd, waar gij boos om wordt. Waarom zijt ge niet met mijnheer Davies samen terug gewandeld? Dan hadt gij aangenamer gezelschap gehad, en zou ik mij niet schuldig gemaakt hebben aan aanmerkingen, die mij zoo kwalijk genomen worden. Ge wilt met mij twisten; welnu, waarover zal het zijn? Er zijn vele punten, waarop wij lijnrecht tegenover elkander staan; laten we daar een van opwerpen."
Dat was te veel; want hoewel zijn woorden niets beteekenden, gaf de toon, waarop hij sprak, er iets stekeligs aan. Beatrice, reeds in geen kalme gemoedsstemming gebracht door het tooneel met Owen Davies, en vervuld van een zeker beangstigend gevoel, waarvan zij zich geen verklaring kon geven, verloor ditmaal haar gewone zelfbeheersching en werd zenuwachtig. Tranen schoten haar in de oogen, en haar mond trok, alsof zij op het punt was van in weenen uit te barsten.
"Dat is zeer onaardig van u," zeide zij, met een gesmoorden snik. "Als gij wist hoeveel ik te verdragen heb, zoudt ge zoo niet spreken. Ik weet dat ge mij niet gelooft; om 't even, ik zal u de waarheid zeggen. Ja, hoewel ik dat niet behoef te doen, en gij 't in minst niet het recht hebt het van mij te vergen, zal ik u toch de geheele waarheid zeggen, omdat ik niet kan dulden dat ge mij niet gelooft. Mijnheer Davies heeft mij ten huwelijk gevraagd, en ik heb hem afgewezen. Ik heb hem uitgesteld; dat heb ik gedaan, omdat hij anders naar mijn vader gegaan zou zijn. Dat was lafhartig van mij, maar mijn vader zou mijn leven ondragelijk gemaakt hebben--" en weder kwam er een gesmoorde snik.
Veel is er gezegd en geschreven over de uitwerking, die het op de mannen heeft als zij een vrouw in tranen zien, of op de grens van tranen, en het lijdt geen twijfel of die uitwerking is sterk. Een rechtgeaard man wordt door zulk een schouwspel diep getroffen, en hij schrikt er ook van, omdat hij bevreesd is dat er eene scène op zal volgen. De meeste mannen nu zouden liever tien mijlen ver op hun pantoffels loopen, dan met een jonge dame, die het op de zenuwen krijgt, te doen te hebben. De bizondere omstandigheden van het geval ter zijde stellende, was Geoffrey geen uitzondering op den regel. Met Beatrice te schermutselen was alles goed en wel; zij kon zich in een woordenstrijd wel met hem meten, en wist met gelijke munt te betalen; maar te zien dat zij zich op genade of ongenade overgaf was geheel iets anders. Hij schaamde zich over zichzelven.
"Kom, kom--dat niet," zeide hij. Hij wilde ongaarne zeggen, ween niet. "'t Was maar scherts--maar ik had zoo niet moeten spreken. Geloof mij, ik wilde mij niet in uw vertrouwen dringen. Dat is mij niet in de gedachten gekomen. Ik heb er spijt van."
Zijn berouw was blijkbaar oprecht, en Beatrice gevoelde zich eenigszins bevredigd. Misschien was het haar niet geheel onaangenaam dat zij hem spijt kon doen gevoelen.
"Gij hebt u niet in mijn vertrouwen gedrongen," zeide zij fier, vergetende dat zij hem een oogenblik te voren verweten had haar aan 't spreken gebracht te hebben.
"Ik zeide het u, omdat ik niet verkoos dat ge zoudt denken dat ik de waarheid niet sprak. En laten we er nu verder maar van zwijgen." Zij legde hem geen geheimhouding op, zij wist dat dit niet noodig was. Het geheim zou tusschen hen beiden blijven--alweer een gevaarlijke band.
Beatrice had haar bedaardheid terugverkregen en zij liepen langzaam voort.
"Zeg mij eens, mijnheer Bingham," begon zij nu, "hoe kan een meisje den kost verdienen--ik bedoel een meisje zooals ik, zonder eenige bizondere talenten? Sommigen kunnen het wel."
"Dat hangt van het meisje zelve af," antwoordde hij. "Wat voor soort van kostwinning bedoelt gij? Gij hebt er immers een."
"Ja, maar ik denk weleens dat, als ik er raad op wist, ik hier wel van daan zou willen gaan, om een ander vak bij de hand te nemen, iets grooters. Ik geloof niet dat het er ooit toe komen zal, maar ik denk er toch weleens over."
"Ik weet maar twee wegen, die voor een vrouw openstaan," zeide hij; "het tooneel en de litteratuur. In uw geval is, natuurlijk, van het eerste geen sprake," liet hij er snel op volgen.
"En van het andere, vrees ik, ook niet," hernam zij, het hoofd schuddende, "ten minste, als gij door litteratuur werken van verdichting verstaat, en dat is, geloof ik, de eenige kans om naam te maken. Zooals ik u gezegd heb, mijn verbeeldingskracht heb ik verloren--oprecht gesproken, tegelijk met mijn geloof. Er is een tijd geweest dat ik een levendige verbeelding had en veel geloof ook, maar het een is met het ander weggegaan, ik begrijp niet hoe."
"Niet? Ik meen het wel te begrijpen. Een ziel zonder godsdienstig gevoel is als een ster zonder atmosfeer, helderder dan andere sterren, maar niet zoo aangenaam om te zien. Godsdienst, poëzie, muziek, verbeelding en de edelste gevoelens van het hart bloeien in denzelfden grond, en zijn, naar mijn meening, verschillende openbaringen van hetzelfde. Weet ge wel dat het belachelijk is u te hooren zeggen dat ge uw geloof verloren hebt--want dat houd ik voor een onwaarheid. Ten ergste genomen, sluimert het, en eenmaal zal het weer ontwaken. Misschien zult gij geen bizonderen vorm van geloof aannemen, maar ik zeg u ronduit dat het niets anders dan geestelijke ijdelheid in haar leelijksten vorm is, allen godsdienst te verwerpen, omdat men er met zijn verstand niet bij kan. Uw verstand is u te sterk geweest, Miss Granger: het is met u op hol gegaan, maar het heeft zijn grenzen en verder gaat het niet. En nu zijt ge misschien weer boos op mij."
"Neen, waarom zou ik boos zijn? Ge hebt zeker wel gelijk, en ik hoop dat ik eenmaal weer zal kunnen gelooven. Ik zal u zeggen hoe ik mijn geloof verloren heb. Ik had een broertje, dat ik boven alles op de wereld liefhad, en na den dood van mijn moeder was hij ook het eenige wat ik had om lief te hebben, want mijn vader houdt, geloof ik, meer van Elisabeth dan van mij, omdat zij zooveel praktischer is, en Elisabeth en ik kunnen niet goed te zamen overweg. Het kan wel aan mij liggen, maar het is zoo--wij zijn zusters, maar geen vriendinnen. Mijn broertje werd door een zware koorts aangetast, en lang lag hij tusschen leven en dood, en ik bad voor hem, zooals ik nooit te voren voor iemand of om iets gebeden had--ja, ik bad dat ik in zijne plaats mocht sterven. Hij stond de crisis door en werd beter, en ik dankte God, meenende dat mijn gebeden verhoord waren. O, wat was ik tien dagen lang gelukkig! Maar wat gebeurde er toen? Mijn broertje vatte kou, stortte weer in, en binnen drie dagen was hij dood. De laatste woorden, die hij tot mij sprak, waren: 'Och, laat mij niet dood gaan, Bee!'--hij noemde mij altijd Bee--'Laat mij alsjeblieft niet dood gaan, lieve Bee!' Maar hij stierf--hij stierf in mijn armen, en toen het met hem gedaan was, stond ik van zijn zijde op, met een gevoel alsof mijn hart ook dood was. Daarna heb ik nooit weer gebeden. Het scheen mij toe alsof met mijn gebeden de spot was gedreven, alsof hij mij slechts voor een poos was teruggegeven, om den slag, wanneer hij viel, des te verpletterender te maken."
"Vindt ge niet dat het wel wat dwaas van u was het zoo op te vatten?" zeide Geoffrey. "Hebt gij niet weleens moeten glimlachen als ge van de eerste Christenen laast?--hoe het lood den martelaar niet wilde koken, of de leeuw hem niet wilde verslinden, of de regen uit een blauwe lucht het vuur bluschte, en hoe de heidensche koning eensklaps bekeerd werd en onmiddellijk een menigte moeilijke leerstellingen aannam. De Athanasiaansche Geloofsleer was niet noodwendig waar, omdat het vuur niet wilde branden, of het zwaard niet wilde snijden, en evenmin, houd mij ten goede, was al uw vroeger geloof onwaar, omdat uw gebed niet verhoord werd. 't Is een oude geschiedenis, dat wij niet weten of het verhooren van onze gebeden goed of kwaad voor ons is. Ik weet, natuurlijk, van zoo iets niets af, maar het komt mij onbezonnen voor, te meenen dat de Voorzienigheid de werking van eeuwige wetten zal veranderen, alleen om aan de voorbijgaande wenschen van enkele personen te voldoen--wenschen, die, wanneer zij vervuld werden, in vele gevallen onvoorzien leed teweeg zouden brengen. Bovendien is het arme kind zeker gelukkiger nu het dood is dan wanneer het was blijven leven. 't Is voor de meesten onzer zoo heel aangenaam niet op de wereld."
"Ja, mijnheer Bingham, dat weet ik, en ik zou den schok ook wel mettertijd te boven gekomen zijn, als ik daarna niet was begonnen te lezen. Ik las de geschiedenis der godsdiensten, en vergeleek ze met elkaar, en ik las de werken van de schrijvers, die opgestaan zijn om ze aan te vallen. Ik vond--althans zoo meende ik--in alle dezelfde bronnen van bijgeloof--een bijgeloof uit oorspronkelijk natuurlijke oorzaken ontstaan, en met verschillende wijzigingen van het eene geslacht op het andere, door alle tijden heen, overgebracht. In sommige vond ik dezelfde geschiedenis, slechts met een kleine verandering in den uiterlijken vorm, en bovendien leerde ik, dat het eene geloof het andere loochende en voor zichzelf alleen aanspraak maakte het ware te zijn.