Bavo en Lieveken

Part 9

Chapter 9 4,010 words Public domain Markdown

Eindelijk vertelde hij, dat de neef van M. Raemdonck, die lang te Parijs had verbleven en daar zelfs onlangs was getrouwd, naar Gent ging komen wonen. M. Raemdonck was op zoek naar een huis voor zijnen neef. Groot moest het niet zijn, maar fraai en zindelijk. Hij zou het voorzien met schoone meubelen en alles in gereedheid brengen tegen de overkomst van zijnen neef met zijne jonge vrouw. Bavo sprak er van, omdat zijn meester hem had verzocht eens rond te zien, welke huizen van dien aard zoo al te huur hingen; en de jongeling, die niet veel tijd had, spoorde zijne moeder aan om eens uit wandelen te gaan in de beste straten, niet verre van de fabriek, en te zien of er zulke huizen niet te huur hingen, opdat hij het alsdan aan zijnen meester zou kunnen zeggen.

Reeds des avonds, bij zijnen terugkeer van de fabriek, vernam Bavo van zijne moeder, dat er nette burgerhuizen te huren hingen in de Mageleinstraat, in de Lange Meere en in de Kruisstraat, niet verre van Sint-Baafskerk. Dit laatste was misschien wat klein; maar het was nieuwerwetsch en het opschrift meldde, dat het eenen hof had.

Bavo bracht twee dagen later aan zijne moeder de dankzegging van M. Raemdonck, die het huis in de Kruisstraat, bij Sint-Baafskerk, naar zijnen zin had gevonden en het onmiddellijk had gehuurd.

Sedert dien sprak Bavo nog dikwijls van dit huis en roemde de pracht der meubelen, welke zijn meester er in deed zetten, en de smaakvolle inrichting van alles. M. Raemdonck had hem reeds tweemaal er naartoe geleid, en deed hem de eer aan, hem te raadplegen over de schikking van het huis en het aanleggen van den kleinen tuin.

De jongeling verwekte door zijne herhaalde beschrijvingen de nieuwsgierigheid zijner moeder zoodanig, dat zij den wensch uitdrukte om het schoone huis eens van binnen te mogen zien. Bavo beloofde de toelating zijns meesters te vragen; maar men moest nog eenige weken wachten, totdat de woning der nieuwgetrouwden geheel in orde zou zijn.

Eindelijk, op eenen zaterdagavond, toonde hij juichend eenen grooten sleutel en zeide, dat M. Raemdonck hun allen toeliet het huis van onder tot boven te bezichtigen en zelfs eenen ganschen namiddag in den hof door te brengen. Hij zou er eene goede flesch wijn gereed zetten, en hij verzocht Bavo deze met zijne ouders op zijne gezondheid te ledigen. Het was morgen Zondag. Even na het middagmaal te hebben genomen, zou men naar het huis in de Kruisstraat gaan en er een uurtje of twee blijven. Dit zou een waar feestje zijn!

Inderdaad, nauwelijks gunde men zich des anderen daags tijd om te eten, zoo ongeduldig waren Bavo's zusters. Men trok, vroolijk en koutende van hetgeen men ging zien, in de richting van Sint-Baafskerk.

In de Kruisstraat gekomen, bleef men voor het huis staan, om den gevel te beschouwen; er was een klein balcon, waarvan veelkleurige bloemen in kransen nederdaalden; er stonden insgelijks bloemen achter de vensters, meestal roode fuchsia's, en dit deed moeder Damhout opmerken, dat zij altijd eene soort van voorliefde voor die koraalroode bellekens had gehad.

Toen de deur geopend was, zeide Bavo tot zijne zusters, die maar seffens al de deuren der kamers wilden openen:

"Neen, neen, zóó niet; het schoonste voor het laatste. Anders zouden wij niet veel vermaak van ons bezoek hebben. Laat ons eerst in den hof gaan; moeder ziet zoo gaarne bloemen."

"En ik dan?" bemerkte Adriaan Damhout. "Toen ik jonger was, woonden mijne ouders op Ledeberg. Wij hadden een hoveken. Ik liet er eten en drinken voor; den geheelen Zondag nanoen was ik aan het werk, en ik had de schoonste aurikels en de schoonste violieren van geheel het voorgeborcht."

Zij kwamen in den tuin; hij was niet zeer uitgestrekt; maar de paden slingerden liefelijk, de zon scheen mild op een gedeelte des gronds, en er was zulk een overvloed van bloemen, dat de meisjes de handen boven het hoofd hieven en vooruitspringende riepen:

"Ho, wat is dit hier schoon en frisch! en welke zoete geuren!"

Meer rustig, in schijn ten minste, wandelde Bavo met zijne ouders door de paden, toonde hun al de bloemen, plukte hun takjes van geurig kruid en bracht hen zoo onder een looverhuisje, waar zij zich lachend nederzetten, om het gezicht des tuins een oogenblik op hun gemak te genieten.

Hier stond op de tafel een porseleinen pot met tabak, die er bij nederhing, en daarnevens lagen vier of vijf lange Hollandsche pijpen.

"Zie," murmelde Adriaan verwonderd, "ik wist, dat M. Raemdonck soms eene sigaar rookt; maar het is waar, zooals men zegt, vele heeren rooken te huis op hun gemak eene pijp."

"Gij begrijpt niet, vader," bemerkte Bavo. "Mijnheer heeft de tabak en de pijpen daar doen zetten, opdat gij volgens uwen lust hier zoudt kunnen rooken."

"Onmogelijk, Bavo."

"Hij heeft het mij zelf gezegd, vader. Gij moet rooken om hem plezier te doen."

"Welke goedheid toch! Dan zal ik het maar wagen; want de tabak ziet er bijzonder goed uit. Een trek of drie: het is slechts om onzen edelmoedigen meester te voldoen."

Hij ontstak zijne pijp, deed den rook in wolkjes tot onder het loover van het prieel klimmen, en zeide dan glimlachend en blijde:

"Lekkere tabak! Wat zijn die rijke menschen toch gelukkig. Ziezoo, op deze bank met het gezicht op dien schoonen hof en met mijne pijp in den mond, zou ik mijn leven willen slijten."

"Gij bedriegt u, vader," wedersprak hem Bavo. "Er is nog iets, dat gij zoudt doen."

"Ja, uit visschen gaan, niet waar? Dit doe ik uitnemend gaarne; het zou mij dienen om mijn vermaak een beetje af te wisselen."

Onderwijl waren de beide meisjes nog altijd bij de bloemen; ze moesten ze een voor een zien, ze vergelijken en over hunnen geur en over hunne schoonheid oordeelen.

Vader Damhout legde zijne pijp neder; hij zou ze straks voortrooken; maar nu moest men het ongeduld der moeder voldoen en het huis bezichtigen.

Bavo bracht hen eerst in een paar kamers, die wel fraai geschikt waren, doch niet veel bijzonders aanboden. In de keuken bewonderde vrouw Damhout de schoone, versierde kookstoof en de glinsterende ketels, pannen en potten, die langs de wanden prijkten.

In den kelder lag eene ton bier op hare stelling; een gemetste bak bevatte een zeker getal flesschen wijn, en er stond zelfs een groote oplegpot, die ongetwijfeld eenen voorraad boter bevatte.

Dit deed de Damhouts zeggen, dat M. Raemdonck niets had vergeten, en zijn neef alles in gereedheid zou vinden, als hadde hij zelf het huis sedert lang bewoond.

[Illustratie: Ziehier eene amandelbeschuit.]

Op den zolder hingen, op de gespannen droogkoorden, eenige vischnetten van verschillenden vorm uitgespreid, alle nieuw en met veel zorg gemaakt. Vader Damhout was daar kenner van. Ook nam hij ze in de hand, beproefde de sterkte van het garen en mompelde in zich zelven:

"Gelukkige lieden, ze hebben alles wat hun hart kan wenschen!"

"Nu naar de zaal, naar de schoonste kamer!" riep Bavo. "Dáár zult gij wat anders prachtige dingen zien; en wij gaan er op de gezondheid van M. Raemdonck de flesch lekkeren wijn drinken, die hij ons heeft geschonken."

Toen Bavo de zoogezegde zaal opende, ontvloog hun allen een kreet van bewondering. Dat waren alle prachtige meubelen van glimmend mahoniehout! Printen in gouden lijsten aan den wand, een zacht tapijt met roode bloemen op den grond, een verguld uurwerk en getakte kandelaars op de schouwplaat, stoelen met kussens, en twee zetels met ruggen, die hunne armen uitstaken en schenen te zeggen: "Ik ben zoo zacht, kom, rust wat op mij!"

Het was ook wel wat de meisjes eerst en daarna de ouders deden; maar Bavo wenkte zijne moeder en toonde haar een klein tafeltje, waarvan het deksel kon worden opgeheven. Daaronder, als in een koffertje, lag allerlei glinsterend naai en borduurgerief, zoo rijk en schoon, dat het de oogen der verbaasde vrouw en der verwonderde meisjes deed schemeren.

"Nu het glas wijn op de gezondheid van ... van ... dit gaan wij zien! Aan tafel, aan tafel!"

En hij opende eene kas, nam er eene flesch en roemers uit en schonk den wijn. Ieder wilde zijn glas aangrijpen om ter eere van M. Raemdonck te drinken; maar Bavo weerhield hen.

"Wacht een oogenblik," zeide hij, "er is ook iets om te eten! Ziehier eene amandelbeschuit, die mijnheer Raemdonck niet heeft gegeven; en het is ook op zijne gezondheid niet, dat wij allereerst gaan drinken...."

"Wat is dit?" kreet Amelia, het oudste meisje. "Die suikerletters op de taart? Weet gij, moeder, wat er op te lezen staat?"

"Ha, ha, lang leve Christina, onze goede moeder! Dit staat er op!" kreet Bavo, zijn glas in de hoogte heffende. "Het is heden haar naamdag. Lang, lang moge zij leven!"

"Lang, lang moge zij leven!" herhaalden de anderen, hun glas in de hoogte heffende.

"Wat zonderlinge gedachte van Bavo, u in dit huis te besteken!" juichte Amelia. "Ha, dit is aardig!"

"En nu, moeder," zeide de jongeling op plechtigen toon en met eenen traan van geestdrift in de oogen, "nu gaat degene, die u alles verschuldigd is op de wereld, zijne geleerdheid, zijn geluk, zijne toekomst, u een geschenk doen, een geschenk, waarvan hij sedert zijne kindsheid heeft gedroomd, aan u en aan den armen fabriekwerker, die voor zijnen zoon heeft geslaafd en geleden. Gij hebt dit huis gezien, den hof, de bloemen, de netten? Dit alles hoort u toe. Ik heb het huis gehuurd, ik heb de meubelen gekocht. Hier zult gij wonen. Vader mag niet meer werken; hij zal zijn pijpje rooken, bloemen kweeken, gaan visschen. Wij zijn rijk, ik ben meester-klerk, ik win vierduizend franken! God zij gezegend, dat Hij mij toelaat uwe liefde te beloonen. Moeder, vader, zet u op uw gemak: gij zijt ten uwent!"

Vrouw Damhout was zoo diep getroffen, dat zij eenen steun op de tafel zocht, als ging zij bezwijmen; maar zij richtte zich weder op, vloog haren zoon om den hals en drukte hem met koortsige teederheid aan haar kloppend moederhart. Damhout, stom van verbaasdheid, stortte blijde tranen, de meisjes klapten in de handen en dansten met uitgelatenheid....

Toen Bavo dien avond weder nevens zijne moeder in het andere huis zat, was hij sedert eene wijl zeer stil en als treurig. Hij zeide haar, dat hij zeer vermoeid was; maar vrouw Damhout zag wel, dat iets anders zijnen geest benevelde.

Zij murmelde eindelijk met teruggehoudene stemme:

"Bavo, gij denkt aan iemand. Ik insgelijks, mijn zoon. Wanneer men zoo gelukkig is, niet waar, dan zou men al degenen, die men ooit heeft bemind, willen gelukkig zien?"

"Ja, moeder," antwoordde hij, "de mensch is zijne gedachten niet altijd meester; maar het beteekent niets. Het is eene herinnering mijner kindsheid, die tegen mijnen dank opwelt in mijn hart."

XII

Op eenen Zondag, bij het vallen van den avond, verlieten eene reeds bejaarde vrouw en een jong meisje de enge stege, waar de Damhouts vroeger hadden gewoond. Hunne slechte kleederen, hun onzekere stap en hunne zichtbare schuchterheid, alles in hen getuigde niet alleen van groote ellende, maar tevens van eene diepe moedeloosheid. Zij gingen traag, zwijgend en met gebogen hoofde nevens de huizen, als nedergedrukt onder een gevoel van schaamte of van geheime verschriktheid.

Er was echter tusschen beider opzicht een merkelijk verschil. Terwijl de vrouw als iemand, die sedert lang aan de armoede is gewend, om zoo te zeggen met lompen was behangen, had het meisje wel klaarblijkend alle moeite ingespannen om de uiterlijke teekens der ellende zooveel mogelijk te verbergen. Hare kleederen, alhoewel zeer versleten, waren van eene uiterste reinheid; en hare muts, ofschoon geschift en genaaid, was sneeuwwit.

Wanneer zij bij geval het hoofd ophief om eenen voorbijganger te mijden, bezag men haar met verrassing, als ware men verwonderd, zulke wezenstrekken onder dat ellendig kleedsel te vinden.

Inderdaad, het arme meisje was zeer schoon; in hare blauwe oogen, alhoewel nu door de smart verduisterd, glom eene vonk van gevoel en verstand; hare wangen waren zuiver en haar voorhoofd lelieblank. Daarenboven, er was in de snede harer kleederen, in de rijzigheid harer leden, in de ingetogenheid van haren gang iets onderscheidens, dat niet twijfelen liet of de jonge maagd moest eene goede opvoeding hebben genoten.

Welk pijnlijk voorval had toch deze ongelukkige van eenen hoogeren stand in zulke diepe ellende nedergerukt, dat men ze nu met hare oude gezellin moest aanzien als schamele menschen, die waarschijnlijk op weg waren om hier of daar eene aalmoes te gaan afbedelen?

Zonder een woord met elkander te wisselen, hadden zij de Nederschelde bereikt, en naderden nu tot de Wijngaardbrug. Daar zeide de vrouw met bedwongene stem:

"Heb moed, mijn kind. Gij gaat zoo langzaam. Zijt gij vervaard?"

"Ja, moeder, ik weet niet, mijn hart klopt zoo angstig!" zuchtte het meisje.

"O, hemel! vreest gij nu, dat de Damhouts ons gebed zouden kunnen verstooten? Doe mij niet beven. Eilaas, wat zou er dan van ons geworden?"

"Vrouw Damhout zal ons helpen, moeder, daaraan twijfel ik niet," was het stille antwoord. "Een hart als het hare kan niet ongevoelig blijven voor ons ongeluk; en wanneer ik met tranende oogen hare vorige genegenheid voor het arme Lieveken zal inroepen...."

"Zeker, en vermits zij nog rijker zijn dan men ons te Rijssel had gezegd? Ach, Godelieve, wat wij nu gaan beproeven, is eene pijnlijke poging, voor u bovenal, ik weet het; maar de nood is een onmeedoogende dwingeland."

"De Damhouts zijn rijk, zeer rijk!" morde het meisje op eenen hollen toon, waarvan de zonderlinge siddering de vrouw verraste.

"Maar des te beter, Godelieve," zeide zij. "God zij gezegend, dat Hij hun de middelen schonk om ons te helpen."

"Eene aalmoes gaan vragen, moeder! Aan ... aan de Damhouts! Ik, het kleine Lieveken, die zij zoo teeder hebben bemind, die met hen dorst droomen van toekomst en van geluk! O, mijne schoone kindsheid, hoe tergend ontstaat gij voor mijne oogen! Bedelaresse? Lieveken eene bedelaresse!"

"Neen, kind, wees niet zoo wreed voor u zelve. Wij komen hulp vragen, ja, maar bedelaressen zijn wij toch niet."

Zij stapten voorbij de kerk van Sint-Baafs; het meisje scheen door eenen geheimen invloed naar de zijdeur des tempels gedreven en had, zonder het te weten misschien, zich half omgekeerd.

De vrouw weerhield haar en zeide:

"Maar, Godelieve, wat doet gij nu? Rechtdoor moeten wij gaan; ginder is de Kruisstraat."

"De schaamte, de schrik, moeder; mijne ziel wil bidden, sterkte vragen; want nu wij de plaats naderen, waar ik de smeekende hand tot ... tot vrouw Damhout zal uitsteken, ontsnapt mij alle moed."

"De avond valt, Godelieve; wij mogen niet wachten totdat het gansch donker is. Kom, mijn kind, het is een smartelijk oogenblik, inderdaad; maar het zal haast doorgestreden zijn. Wij zullen hier, bij het Heilig Graf, God voor zijne barmhartigheid komen danken of ... of tranen van wanhoop storten op diezelfde knielbank, waar wij zoo dikwijls hebben gebeden. Kom nu, het zal niet lang duren."

Beiden vervorderden hunnen weg tot in de Kruisstraat, waar zij begonnen rond te kijken, om het huis te herkennen, dat men hun in de stege had aangeduid en beschreven. Dewijl het reeds half duister was, hadden zij eenige moeite om in hunne opzoeking te gelukken. Eensklaps zeide de vrouw:

"Dáár is het, Godelieve. Die schoone ronde deur, dat balkon. Welk prachtig huis! Wat moeten de Damhouts gelukkig zijn! Zij verdienen het ook wel, niet waar? Ach, mochten zij onze bede verhooren! Er is reeds licht in de benedenkamer. Godelieve, schep moed, mijn kind. Werp u aan de voeten van vrouw Damhout, bezweer haar bij hare vorige goedheid voor u. Zij zal ons redden, wees er zeker van."

"Ja, moeder, de strijd is ten einde; ik gevoel mij weder eenige sterkte," murmelde de bange maagd.

Toen zij het huis gingen naderen, bemerkte Godelieve door de vensterruiten, dat een man, een heer, in de verlichte kamer stond. Alhoewel hij den rug naar de straat hield gekeerd, sloeg dit gezicht haar met eenen onzeglijken schrik; maar op hetzelfde oogenblik deed de heer eene beweging en wendde zich naar het venster, op zulke wijze, dat het meisje zijn gelaat kon herkennen.

Een versmachte angstschreeuw ontsnapte haar; zij begon op hare beenen te wankelen en leunde tegen den muur om niet neder te storten.

Daar zag zij, dat hare moeder de hand naar de bel uitstak om te klinken. Zij sprong vooruit, trok de verbaasde vrouw van de deur weg, leidde haar met eene soort van koortsig geweld naar den donkeren kant der straat en verborg weenend haar hoofd op den boezem der vrouw, terwijl zij uitriep:

"Moeder, moeder, hij is daar!"

"Wie?"

"Bavo!"

"Welnu, God zij er om gedankt; hij zal zijne moeder tot barmhartigheid voor ons aansporen. Kom, overwin uwe schaamte...."

"Onmogelijk, moeder!" snikte het meisje "O! spaar mij dat lijden, die vernedering, die wanhoop! Eene aalmoes vragen in zijne tegenwoordigheid ... aan hem? Eilaas, mijn hart breekt, ik zou bezwijmen voor zijne voeten, misschien zou ik sterven...."

"Wilt gij dan, dat ik alleen ga?"

"Ik zal u zegenen, u dankbaar blijven mijn gansche leven, moeder lief! Mijne ziel is verschrikt; het denkbeeld alleen van de hand tot hem uit te steken, vervult mij met eenen doodelijken angst."

"Maar zij beminnen u meer dan mij; en indien zij mijn gebed verwerpen, omdat gij niet met mij zijt?"

"Dan," kreet de maagd met overmatige ontsteltenis, "dan zal ik alle schaamte, alle gevoel in mijn hart versmachten. Ik zal tot hem, tot hem gaan, mij nederstorten voor zijne voeten, zijne knieën omhelzen, kruipen door mijne tranen. Ho, hij zal ons meer geven, dan wij noodig hebben ... maar er zal iets dood zijn in mij! Het is gelijk, ik zal mij onderwerpen, mijn wezen verloochenen en allen levensmoed verzaken, om de schande af te koopen en onze eer te redden."

"Welnu, ik ben harder tegen de schaamte dan gij; ik zal het beproeven."

Godelieve voegde de handen te zamen en zeide smeekend:

"O, moeder, heb medelijden met mij! Noem mijnen naam niet in zijne tegenwoordigheid; verberg hem, dat ik met u ben gekomen; spreek hem niet, in 't geheel niet, van mij. Ik ga knielen voor het Heilig Graf in Sint-Baafskerk. Hoe vurig zal ik bidden! God zal u beschermen! In zijne eindelooze genade zal Hij mij misschien de noodlottige opoffering mijner menschelijke waardigheid sparen, dat eenige goed, waarvan het behoud mij sterkte gaf en mij worstelen liet tegen de akelige bitterheid mijns levens! Ga, moeder; ik zal wachten, angstig wachten voor het Heilig Graf. Noem mij niet, noem mij niet!"

En deze laatste woorden stamelende, verwijderde zij zich met haast in de richting der Sint-Baafskerk.

De vrouw zag haar een oogenblik achterna, schudde het hoofd en mompelde in zich zelve terwijl zij de straat overstapte:

"Ik heb het gevreesd. Arme Godelieve. Zij is dubbel ongelukkig. Ik begrijp, dat haar het hart wreedelijk bloedt ... anders zou zij mij toch niet alleen laten gaan, zij, die uit liefde, uit goedheid haar leven zou opofferen om de smart eener vernedering van mij af te keeren. Welaan, ik zal moed hebben voor ons beiden. Oneer, schande, redding, blijdschap, wat wacht mij daarbinnen, o hemel!"

Zij trok aan de bel en zeide tot de meid, die kwam openen, dat zij verlangde M. Damhout te spreken.

De meid, die waarschijnlijk in de halve duisternis hare slechte kleederen niet bemerkte, opende de deur der kamer aan de straat, en bracht haar in de tegenwoordigheid van eenen jongen heer, die voor eene tafel was gezeten en in een boek scheen te lezen.

Hij hief het hoofd op en beschouwde met zekere onaangename verrassing deze slechtgekleede vrouw. Zonder op te staan, zeide hij:

"Komt gij om werk op de fabriek, vrouw? Bied u morgen op het bureel aan; ik zal zien of er plaats is voor u. Nu kan ik u dit niet verzekeren."

"Ik wenschte M. Damhout te spreken," stamelde de vrouw.

"M. Damhout? Die ben ikzelf."

"Neen, uwen vader of uwe moeder, mijnheer."

"Zij zijn den avond gaan doorbrengen bij vrienden, aan het ander einde der stad; heden zult gij ze niet kunnen zien. Keer morgen in den voormiddag weder."

"Eilaas," zuchtte de vrouw, "ik, die uit Frankrijk kom en morgen vroeg moet vertrekken!"

"Uit Frankrijk? Gij komt uit Frankrijk?" mompelde Bavo, terwijl hij met eene klimmende ontsteltenis de vrouw in het aangezicht schouwde.

"Gij herkent mij niet, mijnheer? Inderdaad, gij waart nog jong, en de lange tegenspoed veroudert den mensch vóór zijnen tijd."

"Bazin Wildenslag? Gij zoudt de moeder zijn van ... de vrouw van Jan ... Line Wildenslag? Onmogelijk!... Gij zijt dus ziek geweest?"

"Ziek en ongelukkig, mijnheer."

De jongeling had moeite om zich te bedwingen, hij was rechtgesprongen en had eene beweging gedaan als om haar de hand te grijpen; maar een nieuwe blik op hare ellendige kleeding, de herinnering aan het woest en onbetamelijk leven der Wildenslags misschien, weerhielden hem en hij liet zich weder op zijnen stoel zakken.

"Gij zult tot morgen moeten wachten.... tenzij gij mij wildet toevertrouwen wat gij hun te zeggen hebt," sprak hij.

"Ik kwam hen te voet vallen en hunne hulp afsmeeken, mijnheer. Wij verkeeren in een schrikkelijken nood; geene andere toevlucht blijft ons over dan de edelmoedigheid uwer ouders. Zeker, in onze ellende hebben wij het recht niet om de vorige vriendschap te herinneren, die zij ons onverdiend hebben gegund, maar zij zullen het aan diep ongelukkige menschen vergeven, dat zij nog in de liefdadigheid uwer goede moeder durven hopen."

"Eene almoes!" mompelde Bavo als verschrikt.

"Meer dan eene aalmoes, mijnheer; redding uit de schande, verlossing uit de eeuwige oneer!"

"Ik begrijp u niet," zeide hij met mistrouwen. "Waar zijn dan uwe zonen, uwe dochter, uw man? Zij wonnen veel geld?"

"Mijn man is dood, mijnheer; van mijne zonen is er één soldaat in Afrika, één woont te Rouaan, één andere te Mulhausen. Zij hebben kinderen en denken niet meer aan hunne arme moeder. Een eenige, de jongste, is met ons ... met mij te Rijssel. Het is voor hem, mijnheer, dat ik de hulp uwer ouders kom afsmeeken. Hij had werk bekomen in het magazijn eener fabriek. Gisteren deed men hem een pak naar den ijzeren weg dragen. De ongelukkige trad onderweg in eene herberg, vergat zich daar met eenige kameraden en verloor het hem toevertrouwde pak.

De meester der fabriek beweert, dat mijn zoon het pak heeft gestolen en verkocht. Hij wil hem door de gendarmes uit het huis doen halen en hem als dief doen veroordeelen tot vijf jaar galei, zegt hij. O, mijnheer, wij hebben misschien onze ellende verdiend door een zorgeloos en verkwistend leven. Het ongeluk zegt het mij nu; maar toch leven wij eerlijk, en mijn arme zoon is aan niets anders plichtig dan aan eene laakbare nalatigheid. Hij is in den grond een goede jongen; hij heeft een gevoelig hart; hij eerbiedigt zijne moeder. Dat de armoede ons lot blijve, ik zal het verduldig verdragen als eene rechtvaardige straf; maar de oneer eener veroordeeling! Mijn zoon op de galei! Ik ben moeder en zou dien slag niet overleven, en mijne.... O, mijnheer, gij kunt ons redden, met zoo weinig, weinig ten minste voor u, die rijk zijt! De meester van de fabriek wil alles vergeven en vergeten en onze verontschuldiging aanvaarden, indien wij hem vóór morgenmiddag den prijs van het pak teruggeven. Honderd franken. Voor u is het schier niets, voor ons is het meer dan het leven. Laten mijne tranen u verbidden, heb deernis met menschen, die, ondanks verwijdering en tegenspoed, geenen enkelen dag opgehouden hebben met dankbaarheid aan u en aan uwe ouders te denken!"

Zij viel geknield te midden der kamer neder en stak de handen bevend tot den jongeling op.

Deze kon zijne ontroering niet meer meester blijven, wat geweld hij ook deed; hij ging tot haar, hief haar van den grond en sprak:

"Bedaar, vrouw; ik begrijp uwen angst en uw ongeluk. Honderd franken kunnen u redden, zegt gij? Troost u, ik zal ze u geven. Zet u neder op den stoel. Ik heb u iets te vragen. Gij spraakt van uwe zonen ... maar uwe dochters?"

"Mijne dochters?" stamelde bazin Wildenslag in verlegenheid.

"Ja, uwe dochters, wat is er van hen geworden?"

"Mijnheer, zij ... zij wonen diep in Frankrijk, zij zijn getrouwd...."