Part 8
Maar dit was de reden der smart van den jongen niet. Wat hem verschrikte, was de tijding, dat Godelieve op eene fabriek werkte, te midden van ruwe, woeste menschen, en daarom was hij ontroostbaar. Hij drukte het angstig voorgevoel uit, dat Lieveken door de gedurige aanraking met de grove, onwetende lieden hare zedigheid en de zuiverheid haars harten zou kunnen verliezen. Dit ware volgens hem het grootste ongeluk, dat haar kon overkomen. Er lag misschien een gevoel van zelfzucht in zijne ontsteltenis; maar hij verborg het onder het medelijden voor de gezellinne zijner kindsheid en zuchtte herhaalde malen met diepen weemoed:
"Arm Lieveken! Arm Lieveken!"
Adriaan Damhout kwam te huis. Dan bedwong Bavo zijn verdriet; want in zijns vaders tegenwoordigheid dorst hij de ontroeringen zijns harten niet zoo vrij uitstorten.
Nadat men gedurende eenigen tijd over den treurigen brief van Godelieve had gekout, besloot men haar nog denzelfden avond te schrijven, om haar te troosten en haar moed te geven. Men zou daarenboven in den brief aan haar eenen anderen brief voor hare moeder steken, om deze tot het spoedig zoeken van eenen anderen winkel aan te manen.
Eens dat deze beide brieven waren geschreven, werd Bavo een beetje beter te moede. Hij had nu een middel gevonden om met Godelieve te spreken; het was eenigszins, alsof zij nog tegenwoordig ware; de betuiging harer dankbaarheid, de zekerheid dat zij nog aan hunne zoete vriendschap dacht, deed hem zoo goed aan het hart. Met deze troostende overweging ging de jongen te bed, en alhoewel hij droomend Lieveken op de fabriek zag en ruwe, onbeschofte woorden rondom haar hoorde galmen, werd zijn slaap niet merkelijk gestoord.
Maanden lang wachtte hij op een tweede antwoord van Godelieve; er kwam geene tijding. Men schreef eenen anderen brief en zelfs eenen derden, maar even vruchteloos.
Bavo meende te moeten denken, dat vader Wildenslag de brieven vernietigde. Dewijl men ze naar de fabriek stuurde, aangezien men de bijzondere woonst der Wildenslags niet wist, ontving hij ze altijd op zijn werk. De brief, waarin Damhout aandrong om Godelieve het fabriekwerk te doen verlaten, zou hem waarschijnlijk hebben doen besluiten alle betrekking tusschen zijn huisgezin en de Damhouts af te breken. Misschien had het woeste gezelschap, waarin Godelieve veroordeeld was te leven, reeds eenen verderfelijken invloed op haar uitgeoefend? Misschien was haar geheugen verduisterd en had zij hare vorige vrienden vergeten? Maar dit kon niet zijn, zoo spoedig toch niet!
Op zekeren avond dat Bavo met zijne moeder koutte, ontvielen hem eenige droeve woorden, die vrouw Damhout schenen te verrassen en te verwonderen. Wat zij daarop antwoordde om hem te troosten, deed het schaamrood op Bavo's voorhoofd klimmen. Hij stamelde eenige verontschuldigingen en bleef dan zwijgend in zich zelven dubben en overwegen, of nam een boek en ontvluchtte zóó eene samenspraak, zoohaast hij bemerkte, dat zijne moeder hem met aandacht beschouwde.
Liefde? Zijn medelijden zou liefde zijn? Hij zou Godelieve beminnen ... beminnen, anders dan eene speelgenoote, dan eene zuster? Zijne moeder had het niet gezegd; maar waarom dan had zij gesproken van eene geheime neiging des harten, van een gevoel, dat hij moest pogen te beheerschen en te overwinnen?
Van dan af werd Bavo aangaande Godelieve achterhoudend met zijne moeder. Telkens dat zij zelve, en het gebeurde niet dikwijls meer, den naam van Lieveken noemde, keerde hij de samenspraak af.--Dit belette echter niet, dat zijne ziel treurde en nog snakte naar de afwezige vriendinne. Elke maal dat hij te huis kwam, hoopte hij, dat zijne moeder hem eenen brief zou toonen; maar de maanden verliepen zeer snel, en van Lieveken hoorde men niets meer.
Wel had vader Damhout eens eenen werkman ontmoet, die uit Frankrijk kwam en hem nieuws van de Wildenslags had gegeven; maar zijne woorden waren niet van aard om Bavo of zijne moeder te verblijden. Volgens zijn zeggen wonnen de Wildenslags veel geld, ja veel te veel; want zij waren gekend als de grootste drinkers en zwierders van geheel de stad. Zij lagen ook altijd in twist met iedereen en schenen in ruzie en in vechten hun vermaak te vinden. Naar Gent terugkomen, dit zouden zij zeker niet doen; want zij hadden daarvoor een al te goed leven in Frankrijk. Godelieve kende hij niet; maar hij wist, dat al de Wildenslags, ouders en kinderen, op fabrieken werkten.
Ondanks de durende beneveling van zijn gemoed kweet Bavo zijne plichten zoo wel op zijn bureel, dat hij meer en meer de gunst won van M. Raemdonck en van den meester-klerk. Men had zijne jaarwedde reeds tot zeshonderd franken verhoogd, en dewijl zijn vader bleef werken en zijne moeder nog immer voor haren winkel kielen naaide, kwam er zooveel welstand in huis, dat men besloot de stege te verlaten en in eene betere en min donkere straat te gaan wonen.
Veel eerder ware men verhuisd, hadde Bavo zelf niet altijd gepoogd deze beslissing te doen uitstellen. Hij verborg het niet, dat hij met smart zich zou verwijderen van deze plaats, waar zijne wieg had gestaan en waar hij zijne gelukkige kindsheid had gesleten. Zeide en herhaalde zij hem niet dagelijks, hoe zijne moeder hem had bemind en hem had aangemoedigd in zijne pogingen om te leeren? Waren niet al de herinneringen van zijn leven aan deze nederige kamer gehecht?
Eindelijk toch kon hij zijne moeder niet meer wederstaan. Er werd, een weinig verder aan de straat, een klein doch net huisje gehuurd, en men had reeds begonnen de meubelen over te dragen.
Men nam voor den laatsten keer het middagmaal in de oude woning. Bavo zat tusschen zijne twee zusterkens aan tafel over zijne ouders. De jongen sprak niet en was zeer zwaarmoedig; zijne oogen dwaalden soms rond de kamer, als zeide hij vaarwel aan deze wanden, die zoo dikwijls de vroolijke stem van arme, ongelukkige kinderen hadden gehoord.
Daar trad onverwachts een man in de kamer, naar buiten roepende:
"Ja, ja, ik kom! Eenige oogenblikken slechts! ga naar de _Blauwe Geit_, bij Pier de Knul; ik zal u daar wel vinden!"
En tot de tafel naderende, greep hij de hand van Damhout en zeide:
"Goeden dag, Adriaan, ik wilde toch niet in Gent geweest zijn, zonder u te hebben gezien. Gij hebt geluk, ik weet het en het verblijdt mij, want gij zijt een brave vent."
"Zie, het is Steven Geerts!" riep Damhout. "Wel vier jaar is het geleden, dat ik u voor de laatste maal heb gezien. Waar zijt gij gebleven?"
"Ik kom uit Frankrijk; daar is altijd veel werk."
"Uit Frankrijk?"
"Ja, van Wazemmes, bij Rijssel."
"Van Wazemmes!" riepen de ouders en Bavo met blijde verrassing.
"Waarom verwondert u dit?" murmelde Steven.
"En hoe gaat het met de Wildenslags? Die wonen ook te Wazemmes, niet waar?" vroeg vrouw Damhout.
"Dit is te zeggen," was het antwoord, "zij hebben er eenigen tijd gewoond, volgens dat ik van de vrienden heb vernomen; maar ze zijn van daar naar Douai vertrokken. Ik heb ze gedurende acht of tien dagen gezien; want ik heb wel een half jaar te Douai gewerkt; maar de week na mijne aankomst zijn de Wildenslags eensklaps van daar vertrokken. De vrienden zeggen, dat zij werk hebben aangenomen voor eene stad in het midden van Frankrijk, voor Rouaan misschien; maar ik weet het niet juist."
"En de Wildenslags varen altijd wel?"
"Wel? Ja, veel te wel; het ware beter, dat zij wat armoede leden. Er zijn geene grootere rabauwen op de wereld dan de Wildenslags; gij moest ze nu zien, Adriaan! Ze doen niets dan zwieren en slempen, halve weken; en ze worden zelfs door de vrienden gevlucht; want ze zijn daarenboven zeer brutaal en groote ruziemakers."
Adriaan en zijne vrouw schudden treurig en zwijgend het hoofd. Ziende dat Steven de hand van haren man greep om hem vaarwel te wenschen, vroeg moeder Damhout:
"Zoudt ge ons niet kunnen zeggen, Geerts, hoe het met Godelieve Wildenslag gaat? Gij kent ze misschien niet?
"Is het geene teere, magere? Met blond haar en levendige blauwe oogen?"
"Ja."
"Ha, die ken ik goed; ik heb ze ten minste eens en maar al te wel gezien. Die is nog veel erger dan de anderen, vrouw Damhout. Al de Wildenslags zijn grove menschen."
"Wat wilt gij zeggen, o hemel!"
"Denk eens, ik kom in de stege, waar de Wildenslags wonen. Niet voor hen, maar voor eenen anderen vriend; want ik wilde met die brutale kerels geen uitstaans hebben. Weet gij, wat ik daar zie? Eenen ganschen hoop vrouwen met moeder Wildenslag in het midden, die als razenden aan het kijven zijn. Daar komt eensklaps Godelieve met den kloef in de hand het huis uitgeschoten en begint te slaan en te vechten, dat men ze wel met vieren moest vasthouden en bedwingen. De leelijke woorden, die zij sprak, maakten mij zuiver beschaamd, alhoewel ik van geen klein gerucht vervaard ben. Dat zulk zwak en mager meisje, die anders een fraai wezen heeft, zulke baldadige taal spreekt, dit stak mij fel tegen de borst, en ik had, mij dunkt, lust om de onbeschaamde wat kletsen om hare ooren te geven...."
"Godelieve? Maar het is niet mogelijk!" zuchtte vrouw Damhout. "Hebt gij het waarlijk gezien?"
"Met mijne eigene oogen. Misschien was het meisje buiten zich zelve geraakt, omdat men hare moeder aanviel.... Nu, Adriaan, houd u wel, en gij insgelijks, bazin Damhout, totdat ik nog eens naar Gent kome."
De werkman verliet de kamer. Er heerschte eene wijl de volledigste stilte; de ouders bezagen elkander en hunnen zoon met treurige verbaasdheid. Bavo scheen vergramd; er fonkelde een somber vuur in zijne oogen, en zijne lippen schenen te beven.
Toen zijne moeder eindelijk eenige woorden meende te spreken, om hem te troosten en Godelieve te verontschuldigen, stond de jongen op en zeide met kracht:
"Moeder, vader, spreekt mij nooit meer van Godelieve! Ik wil haar vergeten, mijne kindsheid geheel vergeten, om nimmer nog aan haar te denken. Dat een onwetend mensch zoo laag dale en den eerbied voor zich zelven verlieze, dit is te begrijpen; maar zij kan lezen, zij is geleerd, zij heeft van u, moeder, niets gekregen dan lessen van deugd en zedelijkheid. Uwe goedheid, uwe weldaden, onze vriendschap, dit alles heeft zij vergeten. Zij is dubbel schuldig. O, ik zal haar aandenken in mijn hart versmachten met geweld. Moeder, doe de werklieden komen, seffens: alles moet weg naar onze nieuwe woning. Ik wil hier niet meer slapen, ik wil geenen voet meer in de stege zetten. Ik bid u, dat ik alles gereed vinde tegen dat ik naar huis kom; gij zult mij gelukkig maken. Vaarwel, ik ga naar mijn bureel; hier kan ik niet meer blijven; dezen avond zal ik bellen aan het huis in de straat...."
Hij meende te vertrekken; maar daar hij bemerkte, dat zijne moeder bekommerd was en hem wilde wederhouden, zeide hij met min ontsteltenis in de stem:
"Wees gerust, moeder; het is voor een oogenblik slechts. Morgen zal ik aan niets meer denken; het is gedaan; ik had verdriet, maar nu ben ik genezen, genezen voor altijd!"
En na onder het spreken dezer woorden de handen zijner moeder teederlijk te hebben gedrukt, ging hij het huis uit.
XI
De ongunstige tijding over Godelieve scheen Bavo van eene geheime overheersching te hebben verlost, en onder dit opzicht had zij hem inderdaad goed gedaan. Alsof dit voorval eensklaps hem al wat er nog kinderlijks in hem was, had ontnomen, werd zijn geest ernstiger en hij kreeg meer dan te voren het voorkomen van een bezadigd mensch, die zich slechts bezighoudt met nuttige dingen.
Van dan af werkte hij met nog meer vlijt op zijn bureel, en al zijne pogingen strekten om zich den handel en de inrichting der fabriek geheel eigen te maken.
M. Raemdonck en de oude meester-klerk schepten vermaak in den leerzamen en dankbaren jongeling voort te helpen. De laatste bovenal had hem zeer lief en ontlastte zich op hem van een groot gedeelte zijns arbeids, teneinde hem van alles ondervinding te geven. Hij verborg hem zelfs niet, dat hij het deed met een bijzonder inzicht.
"Ik kan ziek worden," zeide de meester-klerk, "ik kan eene andere plaats bekomen; mijn oom, de huidvetter, kan sterven. Dan erf ik een fortuin en ga op mijn geboortedorp leven. Ik wil u bekwaam maken om mij desnoods in mijne bezigheid te vervangen en, indien het gebeurt, als gij oud genoeg zijt, om mijne plaats bij M. Raemdonck te krijgen."
Dit vooruitzicht was een nieuwe spoorslag voor Bavo. Met de toestemming van zijnen meester nam hij boeken uit de bibliotheek naar huis, studeerde de mekaniek, volgde nieuwe uitvindingen, teekende en overwoog, en had reeds bijgedragen om op de fabriek eene winstgevende verbetering aan de werktuigen te doen toebrengen.
Zoo klom eindelijk zijne jaarwedde tot de som van duizend franken, toen hij zijn negentiende jaar bereikte.
Van Godelieve en zijne kindsheid sprak hij niet meer of scheen geen gewicht meer aan deze herinneringen te hechten. Evenwel kwamen er nog oogenblikken, dat het beeld van Lieveken voor zijne oogen opstond, en hij dacht zelfs met vermaak en welgevallen aan de vriendin zijner eerste jaren. Niet aan Godelieve, het fabriekmeisje, die zich door de slechte voorbeelden tot ruwheid en zedelijke verlaging had laten medeslepen; neen, aan het kleine, beminnelijke Lieveken, het zuiver en eenvoudig kind, dat met hem was opgegroeid en al zijne vermaken en al zijne hoop had gedeeld. Onder zijnen drukken arbeid, onder zijne onophoudende studiën hoorde hij soms een zilveren stemmeken zijnen naam murmelen, en hem verscheen nog van tijd tot tijd het zoete wezen met de glinsterende blauwe oogen, zooals zij hem had aanschouwd, toen hij haar buiten de stadspoort voor de laatste maal had gezien. Dit waren echter slechts droomen, die met de wezenlijkheid in geene betrekking meer stonden, en hij wist het zeer wel.
Vader Damhout had zijnen zoon reeds aangespoord, om door M. Raemdonck of den meester-klerk toch eens naar de Wildenslags te doen vernemen; maar Bavo had deze pogingen met eene soort van verschriktheid afgewezen, en zijne moeder had hem gelijk gegeven.
Inderdaad, welke gemeenschap was er voortaan mogelijk tusschen Godelieve en hem? Hij gevoelde zich geroepen om in de wereld tot den burgerstand op te klimmen en onder deftige lieden te leven. Indien de Wildenslags naar Gent terugkwamen, zou hij dan niet beschaamd zijn, als vriend en broeder te hebben geleefd met menschen, die veeleer het misprijzen dan de achting der wereld verdienden? Neen, neen, van de Wildenslags mocht men hem niet meer spreken; zij hadden hem gewond in zijn gevoel, en hij was verbitterd tegen hen.
Het waren bijna dezelfde overwegingen, die zijne moeder aanspoorden om hare eigene herinneringen te onderdrukken. Vijf of zes jaar vroeger had zij soms wel gedacht, dat Bavo en Lieveken misschien door God bestemd waren om eens door het huwelijk te worden vereenigd. Die droom had haar zelfs als eene mogelijkheid toegelachen; maar nu was er zooveel afstand tusschen Bavo en Godelieve gekomen, dat men aan de vroegere gemeenschap met de Wildenslags niet zonder een geheim gevoel van schaamte kon denken.
Men sprak dus eindelijk in het geheel niet meer van Lieveken, alhoewel in het hart van vrouw Damhout en in het hart van haren zoon een immer herlevend gevoel van treurnis en van medelijden voor het ongelukkige kind opwelde.
Bavo, die nu allengs tot de mannenjaren naderde, maakte zich met onophoudende vlijt alles eigen, wat den handel en de bewerking van het katoen betreft. Met de toestemming van den meester-klerk bracht hij een gedeelte van den dag in de fabriek zelve door, niet alleenlijk om de praktijk van den arbeid aan te winnen, maar tevens om de werklieden op te passen en de belangen van M. Raemdonck te behartigen. Hij volbracht dezen laatsten plicht met zooveel ijver en verstand, dat de meester-klerk, die hoogmoedig was over zijnen leerling, soms tot M. Raemdonck zeide:
"Wees zeker, Bavo Damhout brengt u voor duizenden franken profijt aan, elk jaar. De werklieden beminnen en achten hem, en zij zorgen, dat er niets verkwist of gebroken worde, alleenlijk om hem vermaak te doen."
Inderdaad, Bavo was zeer minzaam en zacht met iedereen, en zijne wonderlijke wetenschap en ervarenheid waren wel van aard om hem het ontzag der werklieden te verschaffen; maar dit was de voornaamste reden hunner genegenheid voor hem niet.
Zijn eigen vader, hun oude, brave gezel, stond aan eenen spinmolen, en de jongeling moest dikwijls aan hem, evenals aan hen zelven, bevelen of terechtwijzingen geven. Dit hadde iets pijnlijks kunnen zijn, een oude spinner, die zich door zijnen zoon moest zien gebieden. Maar Bavo naderde nooit zijnen vader dan met de klak of den hoed in de hand, stuurde hem het woord toe met den grootsten eerbied en lachte hem aan en drukte hem zoo teederlijk de hand, dat al de werklieden zich ontroerd gevoelden van bewondering en hoogmoed. Het kostte hun dan geene moeite, te gehoorzamen aan een werkmanskind, die zich door zijne geleerdheid het recht tot bevelen had aangewonnen, en door zijne zachtheid en door zijne liefde tot zijnen ouden vader de eerbiedige genegenheid van elkeen afdwong.
Bavo vergenoegde zich niet met hetgeen er voor hem op de fabriek van M. Raemdonck te leeren was; hij had zijnen meester overgehaald om in te schrijven op de nieuwste schriften over werktuigkunde en nijverheid; hij volgde openbare avondlessen, welke er alsdan over dit vak door geleerde professors werden gegeven; hij bezocht telkens dat hij er gelegenheid toe had, de beste fabrieken van Gent.
Zoo verkreeg hij mettertijd eene groote wetenschap van alles, wat de katoennijverheid en hare mogelijke verbeteringen betreft.
Hij was gelukkig, want iedereen rondom hem loofde en beminde hem.... Evenwel was zijn hemel niet geheel zonder wolken. Zijn vader werkte nog altijd op de fabriek! De droom des jongelings was dus nog niet verwezenlijkt, het doel zijns levens nog verre van bereikt te zijn. Hij hadde wel gewild, dat zijn vader ophield van werken; maar zijne ouders en hij zelf waren nu in hunne nieuwe woning aan zekeren welstand gewend. Men kon dien toestand niet verlaten om een meer bekrompen leven te hernemen, en zijne jaarwedde alleen was niet toereikend om in de onkosten van het huishouden te voorzien. Deze overweging was hem soms nog eene oorzaak van voorbijgaand verdriet ... en daarbij, wanneer hij alleen was en droomde, tooverden zijne gepeinzen hem nog dikwijls terug in zijne schoone zoete kindsheid. Dan voelde hij in zijn hart eene ledigheid, eene onoverwinnelijke treurnis, eenen geheimzinnigen worm, die wel zachtjes knaagde, doch niet wilde sterven....
Op zekeren morgen dat Bavo op zijn bureel trad en, in de afwezigheid van den meester-klerk, zich aan het schrijven had gezet, kwam eene meid hem zeggen, dat M. Raemdonck hem verlangde te spreken en in de zaal op hem wachtte.
Toen hij zich voor den eigenaar der fabriek aanbood, deed deze hem nederzitten en zeide:
"Mijnheer Damhout, toen ik door eigene beweging en door aanbeveling van den heer burgemeester u op mijn bureel toeliet, hoopte ik, dat gij mijne bescherming door leerzaamheid en vlijt zoudt erkennen. Ik heb mij niet bedrogen; integendeel, ik heb mijn genoegen in u gevonden, en gij hebt mij veel voordeel aangebracht in mijne zaken. Uwe durende liefde voor uwe ouders heeft mij daarenboven een waar gevoel van vriendschap en achting voor u ingeboezemd. In één woord, gij zijt een braaf jongeling en ik ben uiterst tevreden over u. Ik weet, dat uw schoonste droom, het voorname doel uwer werkzaamheid, daarin bestaat, uwen vader van allen arbeid te ontslaan en uwe moeder door levensgemak en zekere weelde voor hare vroegere opofferingen te beloonen. Het middel om u dat doel te laten bereiken, is mij nu aangeboden; en alhoewel gij nog jong zijt, wil ik nochtans u toonen, dat ik vertrouwen heb in uwe ervarenheid en in uwe trouw. De oom van den meester-klerk is gisteren overleden; M. Pasmans geeft zijn ontslag en gaat zijn geboortedorp bewonen. Gevoelt gij u bekwaam mijn meester-klerk te zijn?"
"O, mijnheer!" zuchtte Bavo, "ware ik niet bekwaam, ik wierd het uit dankbaarheid voor uwe uiterste goedheid!"
"Het is, mijn vriend, dat daar eene jaarwedde van drieduizend vijfhonderd franken aan vast is; ja, vier duizend franken, met zekere bijzaken. Dit is tamelijk veel voor een jongeling van tweeëntwintig jaar. Zal deze aanzienlijke vermeerdering u niet schadelijk zijn? Gij zijt in de gevaarlijkste jaren...."
"Beproef mij, ik bid u, mijnheer, al ware het gedurende een gansch jaar!" zeide Bavo smeekend "Wat gij mij aanbiedt, is het geluk, dat ik voor mijne ouders heb gedroomd. Oh, indien ik mij uwer grootmoedigheid ooit onwaardig toon, jaag mij weg, veracht mij; maar neen, neen, ik zal mijnen wil en mijne pogingen overspannen, en, is het mogelijk, u bewijzen, dat uwe weldaad mijne krachten heeft verdubbeld."
"Ik geloof u, mijn vriend; de liefde tot uwe ouders zal uw engelbewaarder zijn. Wees dus meester-klerk, en dat het schoone doel uws levens zij bereikt. Gij kunt iemand van het klein bureel nemen om de brieven af te schrijven, totdat wij eenen anderen klerk vinden om uwe plaats in te nemen."
M. Raemdonck stond op, naderde tot den jongeling en drukte hem de hand.
"Proficiat, meester-klerk," zeide hij. "Ga nu in de fabriek; want gij brandt ongetwijfeld van ongeduld om uwen vader het goede nieuws te dragen?"
Bavo ging niet heen; hij bleef in gedachten voor zijnen meester staan.
"Welnu, hebt gij mij nog iets te zeggen?" vroeg deze.
"Mijnheer, ik wilde u een verzoek doen."
"Spreek, mijn vriend."
"Het is zonderling genoeg, mijnheer, maar gij zijt zoo goed voor mij. Ik zou wenschen, dat gedurende eenige maanden niemand iets van mijne nieuwe benoeming wist; mijne ouders insgelijks niet. Dat men ten minste vooronderstelde, dat mijne jaarwedde voorloopig nog niet is verhoogd."
"Welke vreemde gedachte is dit!" kreet M. Raemdonck verwonderd. "Waarom toch die geheimhouding?"
"Het is, mijnheer, dat ik mijnen ouders eene blijde verrassing wil aandoen, en daartoe zou ik eenigen tijd moeten kunnen sparen, zonder dat zij het weten."
"Welke verrassing?"
"Ik weet het nog niet, mijnheer; een geschenk, iets dat hen in eens gelukkig zou maken. Ik zal het u zeggen en uwen goeden raad vragen, zoohaast ik daarover een besluit heb genomen.... En indien ik gedwongen was u een voorschot op mijne jaarwedde af te smeeken?"
"Ho, voor zulk liefderijk doel moogt gij mij niet sparen. Mijne kas staat voor u open, ten minste zoolang gij binnen de palen der redelijkheid blijft."
Bavo, onder het uiten eener vurige dankzegging, verliet de zaal en begaf zich naar zijn bureel. Hij deed eenen helper van het klein bureel komen en zette hem onmiddellijk aan het werk. Intusschen dacht hij aan hetgeen hij M. Raemdonck had gezegd en aan het geschenk, waarmede hij voornemens was zijne ouders te verrassen en gelukkig te maken. Zijn ontwerp was sedert jaren reeds in zijn hoofd vastgesteld; maar hij had het niet aan zijnen meester durven zeggen, uit vrees dat hij zelf nog van gedachte kon veranderen. Na lange overweging toch bleef hij bij zijn eerste besluit.
Toen hij met zijne ouders en zusters aan het middagmaal zat vertelde hij hun, dat de oude meester-klerk zijn ontslag had gegeven, omdat zijn oom, die nu gestorven was, hem een rijk erfdeel had nagelaten. M. Raemdonck had wel lust om Bavo tot meester-klerk aan te stellen; maar hij wilde het eerst eenige maanden beproeven, aangezien de jonkheid van Bavo.
Zoo deed hij voor de oogen zijner ouders de hoop glinsteren, dat hij welhaast aanmerkelijk zou worden verhoogd, en hij verborg niet, dat, indien dit geluk hem ten deel viel, hij niet meer zou lijden, dat zijn vader een oogenblik langer werkte. Hij zou dan in zijne hooge jaarwedde de middelen vinden, om zijne moeder alle gemak te bezorgen en haar te laten leven als eene ware rentenierster. Hij was zoo vroolijk, zoo blijgeestig, dat hij iedereen deed juichen en in de handen klappen van hoop en vreugde.