Part 6
"Welnu, Damhout, gelooft gij nog, dat het onderwijs een werkmanskind tot hoogmoed en luiaardij verleidt? Welke kinderen, in geheel onze stege, zijn zoo beminnend, zoo verstandig en zoo deugdzaam als Bavo en Lieveken? Het is alleenlijk, omdat zij geleerd zijn en weten wat goed en wat kwaad is."
Onder den slag eener bijzondere ontroering bevochtigden zich de oogen des werkmans; hij greep de hand zijner vrouw en zeide:
"Neen, neen, Christina, dit alleen is de oorzaak hunner schoone inborst niet. Het is uw hart, uw goed en edel hart, dat klopt in hunnen boezem. Eene moeder als gij is de zegen Gods in een huishouden!..."
VII
Met het begin der volgende week werden er inderdaad een zeker getal fabrieken geopend; maar, in afwachting van stellige tijdingen aangaande den Europeeschen vrede, lieten zij slechts een beperkt getal werklieden toe.
Bavo arbeidde op de spinnerij van M. Verbeeck. Hij droeg nu zijne slechte kleederen, en, dewijl hij door den aard van zijn werk altijd met vlokken katoen als met een spinneweb was overdekt, zag hij er op verre na zoo zindelijk niet meer uit als te voren. Dit gaf Godelieve, als zij des avonds van haren winkel kwam, dikwijls stof tot lachen, en zij noemde den jongen schertsend _de katoenvogel_; maar hij, in stede van daarover spijtig te worden, was altijd ten uiterste blijmoedig en scheen trotsch door de overtuiging, dat hij nu tot iets nuttig geworden was en zijne ouders mocht behulpzaam zijn.
Ondanks den nood en de trage herstelling van vader Damhout, was elkeen in dit huishouden gelukkig. Bovenal was het hart der moeder met een gevoel van hoogmoed en van zaligheid vervuld. Soms kon zij des avonds uren lang in stilte haren zoon bestaren, terwijl hij, ofschoon vermoeid van den arbeid, nog met inspanning het hoofd over zijne boeken hield gebogen. Dan klopte haar hart, dan glinsterden hare oogen, en de blik, dien zij dan bij wijlen ten hemel wierp, was wel zeker een innig gebed van dankbaarheid.
Vader Wildenslag en zijne zonen, alhoewel zij, door den honger aangejaagd, van de eene fabriek naar de andere liepen om arbeid te vinden, waren tot dan in hunne pogingen niet gelukt. Zij hadden zich bij de laatste volksonlusten door hunne hevigheid en hunne woestheid doen opmerken; en dewijl de fabrikanten nu slechts de beste werklieden uitkozen, wilde geen hunner de gekende belhamels van den oploop tegen de fabrieken in zijn gesticht toelaten.
Het schijnt, dat in Frankrijk de nijverheid spoediger en met meer kracht had hernomen; want er kwamen alsdan te Gent eenige afgezondene personen, om goede fabriekwerkers aan te werven voor de steden in het Noorderdepartement.
Wildenslag en zijne zonen aanvaardden met blijdschap deze gunstige gelegenheid om zich uit den onverdraaglijken nood te redden, en namen gereedelijk de voorwaarden der wervers aan. Men zou hunne reiskosten betalen en zij zouden in Frankrijk een veel hooger dagloon dan in België winnen.
Zeker, in andere omstandigheden zou de gedachte van hare geboortestad te verlaten, vrouw Wildenslag verschrikt en bedroefd hebben; maar nu verblijdde haar deze reis als een onverwacht geluk. Inderdaad, het was de verlossing uit den afgrond der bitterste ellende. Daarenboven, zoohaast er weder overvloed van werk te Gent zou zijn, zouden zij terugkeeren. Hunne afwezigheid zou dienvolgens ten hoogste eenige maanden duren.
Vrouw Wildenslag ging juichend en met groote blijdschap haar vertrek naar Frankrijk in de gansche buurt aankondigen.
Toen zij in de woning der Damhouts kwam, was zij vergezeld door haren man, die nu zijne luidruchtige welgemoedheid geheel had teruggevonden en roemde op het hooge dagloon, dat men in Frankrijk genoot. Dáár, zeide hij, eet een werkman tweemaal vleesch elken dag en drinkt er bier en somtijds wijn, evenals een rijk mensch. Dat zou een pleizierig leven en een eeuwig _smeerken_ zijn!
Bazin Damhout ontving deze tijding met treurnis. Het gepeins, dat Lieveken, hare ouders zou volgen en zij het goede kind dus in langen tijd niet meer zou zien, bedroefde haar; maar dewijl zij het vertrek der Wildenslags niet anders kon beschouwen dan als eene zeer natuurlijke zaak en als een gelukkig middel voor hen, om uit de lange ellende te worden verlost, deed zij geene de minste tegenwerping. Alleenlijk beklaagde zij het, dat Godelieve nu den winkel zou moeten verlaten, waar zij zoo wel was en op spoedige vervordering mocht hopen.
Moeder Wildenslag betreurde dit insgelijks; maar zij meende, dat het niet onmogelijk zou zijn, in Frankrijk eenen anderen goeden winkel voor Lieveken te vinden.
Hierop antwoordde Wildenslag:
"Ba, ba! met uwen winkel! Godelieve is nu sterk genoeg geworden. Als zij zal zien, hoe hare broeders en zusters geld in overhoop winnen, zal zij van zelve op eene fabriek willen werken."
Nadat hare buren waren weggegaan, overpeinsde vrouw Damhout zeer lang de woorden van Wildenslag. Zij wist niet waarom de vrees, dat Lieveken op eene fabriek kon gaan, haar ontstelde. Waarlijk, zij had voor het goede kind eene andere toekomst gedroomd; maar werkte haar eigen zoon niet op eene fabriek? Het was toch hetzelfde niet: Bavo kon meesterknecht worden.
Hare treurnis overwinnende, zeide zij zich zelve, dat moeder Wildenslag waarschijnlijk wel zou zorgen, dat hare Godelieve in Frankrijk het ambacht van kleermaakster voortleerde; de afwezigheid hunner buren zou niet langdurig zijn; dewijl alles voorspelde, dat het werk in Gent ook spoedig zou hernemen. Daarenboven, er was niets aan te doen. De Wildenslags hadden gelijk, het redmiddel, dat hun aangeboden werd, met blijdschap te aanvaarden.
Toen Bavo des avonds te huis kwam, zeide zijne moeder hem, dat de Wildenslags besloten hadden overmorgen, met het krieken van den dag, naar Frankrijk te vertrekken. Zij zouden dus onmiddellijk uit hunne bittere armoede gered zijn; want men had hun een buitengewoon hoog dagloon verzekerd. Lieveken zou natuurlijk hare ouders volgen; maar zoohaast er weder veel werk in Gent was, zouden zij terugkomen.
Deze tijding trof Bavo op eene zonderlinge wijze; hij boog het hoofd, zag sprakeloos ten gronde en antwoordde zelfs niet, toen zijne moeder hem vroeg waarom iets, dat zeker een geluk was voor de ouders van Lieveken, hem scheen te bedroeven. Eindelijk, als ware er nu eerst een duidelijk besef der zaak in zijnen geest ontstaan, zeide hij op den toon van onderwerping:
"Inderdaad, moeder, zij zullen dan toch uit den pijnlijken nood verlost zijn. Ik was zoo gewend, Lieveken des avonds hier te vinden. Nu zal ik alleen, altijd alleen met u zijn; maar ik ben geen kind meer.... Als Lieveken slechts welvaart en gelukkig is in Frankrijk, zal ik mij over hare afwezigheid niet te veel bedroeven. Gij hebt gelijk, moeder, de mensch moet zich sterk houden tegen het lot. Daarenboven, wie weet of onze geburen niet reeds binnen eenige maanden wederkeeren?"
De moed en de verduldigheid, waarmede haar zoon deze tijding had ontvangen, verwonderden en verblijdden vrouw Damhout. Zij begreep niet, dat hare moeite om hem de tijding onder een gunstig daglicht te doen aanschouwen, voor een oogenblik zijn gevoel en zijne rede had in twijfel gebracht.
Maar zij moest weldra erkennen, dat zij zich had bedrogen; want Bavo liet zich bij de tafel op eenen stoel zakken, bleef lang met starende oogen in diepe overweging verzonken, en slaakte van tijd tot tijd eenen hollen zucht, als beklemde een zwaar gewicht zijne borst.
Het was reeds laat, toen Lieveken met het voorschoot voor de oogen in de kamer verscheen, en onder luide snikken over haar vertrek naar Frankrijk begon te kermen.
Bavo, alhoewel hij zelf geweld deed om niet onder zijn verdriet te bezwijken, poogde het bedrukte meisje te troosten. Vrouw Damhout en haar man voegden hunne woorden bij de zijne; maar Godelieve scheen ontroostbaar in hare diepe smart.
Toen eindelijk het meisje tusschen hare snikken eenige duidelijke klachten kon voortbrengen, zeide zij, waarom dit vertrek als een wreed ongeluk haar verschrikte en haar zoo diep bedroefde. Zij herinnerde zich de eindelooze goedheid van vrouw Damhout voor haar, de onverdiende vriendschap, die Bavo gedurende geheel haar leven haar had gegund, en zij sprak van weldaden, van edelmoedigheid en medelijden voor een arm verstooten kind; zij noemde bazin Damhout hare goede moeder en Bavo haren leermeester en haren broeder. Dit alles ging zij verliezen. De wereld zou eene woestijn voor haar worden, al wat zij meest had bemind, ging zij verlaten, misschien voor altijd.
Het meisje had zulke gevoelige, zulke zoete, teedere woorden; de liefde haars harten voor hare weldoeners stortte zich zoo onbewimpeld en zoo vurig uit, dat zij iedereen tot in de ziel ontroerde.
Vrouw Damhout sloot het dankbare kind tegen hare borst, en deed geweld om door bewijzen van innige dankbaarheid haar te troosten.
Bavo lag met het hoofd op de tafel en weende; zijne droefheid was stom; geene klacht ontsnapte zijnen boezem; want hij wist wel, dat hier niet tegen de wreede uitspraak van het lot kon geworsteld worden.
Zoo bleven dien avond in de woning van Damhout bittere, hopelooze tranen vlieten, totdat moeder Wildenslag hare Godelieve kwam roepen en ze mede naar huis nam.
[Illustratie: Grepen elkander de handen.]
Den volgenden dag ging het wat beter. Uitgeput van weenen, getroost en versterkt door de vriendelijke woorden van vrouw Damhout en van Bavo, had Lieveken de zaak allengs met meer verduldigheid beginnen in te zien. De vaste hoop, dat zij welhaast met hare ouders naar Gent zou wederkeeren, had een weldadig licht in hare droefheid geschoten, en zij insgelijks scheen het vertrek, als zijnde toch een geluk voor hare ouders, met onderwerping te aanvaarden....
Toen de Wildenslags, ouders en kinderen, elk met een pak aan de hand, vóór den dageraad de stege verlieten, om de reis naar Frankrijk te beginnen, waren zij door Bavo vergezeld.
De jongen stapte nevens Lieveken en droeg haar pak. Zij weenden niet en spraken weinig. Hunne harten waren beklemd. Wat zij zeiden, waren woorden van wederzijdsche vertroosting; want zij hadden beiden het gevoel, dat deze scheiding, hoe kort ook, hun pijnlijk zou zijn; en zij maanden in hunne eenvoudigheid elkander aan, om niet te veel te denken aan al het zoet vermaak en aan het stil geluk, dat zij gedurende hunne schoone kindsheid te zamen hadden genoten.
Zoo kwam men buiten de poort, en dewijl het tijd was voor Bavo om naar zijne fabriek te gaan, kon hij onmogelijk de Wildenslags langer vergezellen.
Bavo en Lieveken, als door eene zelfde beweging gedreven, grepen elkander de handen, wisselden eenen diepen blik, waarvan zij zelven de beteekenis niet begrepen en murmelden met versmachte stemme:
"Vaarwel, Bavo! Vaarwel, Lieveken. Tot wederziens!"
Tranen ontsprongen hunnen oogen; maar het meisje, zich voelende bezwijken, slaakte eenen grievenden kreet en liep tot hare ouders, die reeds in de baan vooruit waren.
De jongen bleef roerloos; hij zag hoe het arme Lieveken met hangend hoofd en wankelende stappen achter moeder voortsukkelde. Hij wenschte en hoopte, dat zij nog eens het gezicht tot hem zou keeren; maar daar bereikten zij den draai der baan, en allen verdwenen zij voor de oogen van Bavo.
Dan werd het hem, als hadde men met geweld iets uit zijn hart gerukt. Hem verbaasde de akelige ledigheid, die eensklaps in hem en rondom hem was ontstaan, en hij schudde twijfelend het hoofd, als vroege hij zich zelven het raadselwoord der duizeligheid zijner zinnen.
Dubbend, morrend en diep bedrukt, keerde hij stedewaarts en begaf zich naar zijne fabriek. Het beeld van Lieveken vervolgde hem overal; in het katoen, dat hij uitpluizen en schikken moest, vormde zich de gedaante der betreurde speelgenoote, nu met den onbegrijpelijken blik in de oogen, dan met hangend hoofd de droeve rust beginnende. Het woord "vaarwel!" klonk hem van alle kanten uit de geruchten der fabriek in de ooren. Maar de arbeid is een machtige trooster des harten, en hij leent den mensch eene wonderbare sterkte tegen de denkbeelden, die hem overheerschen. Vóór het einde van den eersten dag was de smart van Bavo reeds veel verminderd, en alhoewel hij nog altijd aan Lieveken en aan haar vertrek bleef mijmeren, kwam er meer verduldigheid en rust in zijn hart.
Des avonds, als hij te huis kwam van zijne fabriek, nam hij als te voren zijne boeken, maar dan geviel het dikwijls, dat hij, zonder het te weten, eensklaps het hoofd verhief en rondkeek, als zocht hij iemand met de oogen; somtijds stond hij op en ging naar de deur bij het minste gerucht. Er ontbrak hem iets; en alhoewel hij lachte met zijne eigene verstrooidheid, was zijne moeder bekommerd over deze zonderlinge ontroeringen haars zoons.
Ook sprak zij weinig met hem over Godelieve; en wanneer hij haar dwong over de afwezige vriendin te kouten, brak zij de samenspraak zoo kort mogelijk af. Hare moederlijke liefde zeide haar, dat de diepe treurnis haars zoons geen voedsel mocht geven, alhoewel zij even veel aan Lieveken dacht als hij zelf.
Er verliepen op deze wijze een paar weken. Bavo scheen zich in de afwezigheid van Godelieve te hebben getroost, en, sprak hij nu nog van haar, het was met bedaardheid en met rede.
Vader Damhout was schier geheel genezen. Hij had zich reeds naar de fabriek van zijnen ouden meester, M. Raemdonck, begeven, om er te worden aangenomen. Nog eene week en hij zou zijnen arbeid als spinner hernemen.
Op eenen middag kwam een onderwijzer der gemeenteschool in hun huis, om hen allen in naam van den bestierder uit te noodigen tot de prijsuitdeeling, die op den komenden Maandag was vastgesteld. Wel was het waar, dat Bavo, omdat hij de school voor het einde der wedstrijden had verlaten, geen recht kon hebben op de gewone prijzen, maar de onderwijzers hadden besloten, dat zijne vlijt, zijne vorderingen en bovenal zijn schoon gedrag eene openbare belooning verdienden. Bavo zou dienvolgens eenen buitengewonen prijs krijgen. Hij zelf en zijne ouders mochten niet nalaten de plechtigheid der prijsuitdeeling bij te wonen. Zij zouden ongetwijfeld altezamen verheugd en fier naar huis keeren.
VIII
De zaal, waar de prijsuitdeeling der gemeenteschool ging geschieden, was opgevuld met volk, meest vaders en moeders van leerlingen, en dus zeer geringe burgers of werklieden. Evenwel, vooraan bemerkte men ook wel eenige deftige dames en heeren, die, door een edel gevoel ingesproken, de prijsuitdeeling der kostelooze gemeenteschool door hunne tegenwoordigheid kwamen verheffen en opluisteren.
Adriaan Damhout met zijne vrouw Christina zat op de vijfde of zesde bank, te midden van het publiek; hun zoon Bavo bevond zich tusschen de schoolkinderen op de plaats, hem door de onderwijzers aangeduid.
Alles was gereed en de klokken der kerken hadden reeds sedert eene wijl het bepaalde uur verkondigd, toen eensklaps de deur der zaal met eenig gerucht werd geopend. De burgemeester van Gent, vergezeld door eenige schepenen en gemeenteraadsheeren, trad binnen en stapte tot bij het tooneel, waar groote leunstoelen voor de overheden waren geschikt.
Met blijde verrassing in de stem murmelde Adriaan Damhout aan het oor zijner vrouw:
"Hebt gij niet gezien, Christina, dat mijnheer Raemdonck met den burgemeester is binnengekomen?"
"M. Raemdonck, de meester van uwe fabriek?"
"Ja, kijk, daar voor ons, op den tweeden zetel, naast den burgemeester, aan zijne linkerzijde. Het is M. Raemdonck zelf."
"Het is te begrijpen, Adriaan, vermits mijnheer Raemdonck sedert een jaar in den raad van de stad zit."
"Ja, en hij moet daar nog al veel bezigheden hebben; want nu bemoeit hij zich zooveel niet meer met de fabriek; het is de oude meester-klerk, die schier alles bestiert. Ha, ik weet niet, Christina, maar het verblijdt mij grootelijks, dat M. Raemdonck hier tegenwoordig is."
"En mij verheugt het insgelijks, Adriaan. Nu zal uw meester kunnen zien, dat gij een goed vader zijt en uwe kinderen hebt laten leeren...."
Hunne stille samenspraak werd onderbroken door den klank der bel, die het begin der plechtigheid aankondigde.
Een der raadsheeren had de trede der verhevenheid beklommen en hield eene openingsrede. Hij sprak over de noodzakelijkheid van het onderwijs voor alle standen der samenleving, en spoorde bovenal de werklieden aan om hunne kinderen niet in de onmacht en de slavernij der onwetendheid te laten. Zijne bondige rede eindigende, zeide hij:
"Luistert, mijne vrienden, hoe een werkman als gij, een werkman van Brussel [Voetnoot: M. Dauby.], tot zijne medegezellen spreekt.--Het onderwijs, zegt hij, is heden voor iedereen eene dringende noodzakelijkheid, tot welke loopbaan of ambacht men ook zij bestemd. Niet geleerd zijn, wanneer de anderen geleerdheid bezitten, stelt den mensch in eenen toestand van eeuwige minderheid. De voordeelen van het onderwijs bestaan niet alleenlijk in te kunnen lezen, schrijven en rekenen, maar het opent den geest, ontwikkelt het verstand en vormt de rede; het leert opmerken en vergelijken; het geeft den mensch licht en sterkte om zijne plichten te vervullen en zijne rechten te verdedigen. Gij weet het, gezellen, de nijverheid vervormt zich onophoudend: alle dagen komen nieuwe verbeteringen tot stand. Alles gaat vooruit; de werkman moet mede vooruitgaan en den stap der anderen volgen, wil hij niet achterblijven en verpletterd worden. Indien de mekanieken hem zijnen lichamelijken en enkel stoffelijken arbeid ontnemen, om hem niets te laten dan het verstandelijk werk, dit is ook een vooruitgang; maar slechts op voorwaarde dat de werkman zich tot de hoogte zijner nieuwe taak wete te verheffen. Wie zal hem daartoe helpen? Het onderwijs, de geleerdheid, die den geest ontwikkelt en den mensch nieuwe krachten geeft, krachten, wel anders machtig dan die zijner armen, omdat zij noch de vermoeidheid noch de jaren vreezen;--de geleerdheid, die hem nieuwe wegen opent, die hem een beter dagloon met minder lichamelijke vermoeidheid bezorgt;--de geleerdheid, die de eeuwenlange ongelijkheid tusschen de menschen vermindert en veel meer kan toebrengen om ze geheel te doen verdwijnen dan de dwaze droom dergenen, die de rijkdommen onder allen zouden willen verdeeld zien, en waarvan de zekerste uitslag niets zou zijn dan de gelijkheid der armoede. Zegenen wij dus als werklieden den vooruitgang der scholen, de verspreiding van het onderwijs, als de schoonste glorie onzer eeuw. Wat ons betreft, wij beschouwen elke school als een tempel, opgericht aan de waardigheid en de welvaart van het arbeidende volk!--Ziedaar, vrienden, de edele woorden, u door eenen uwer gezellen toegestuurd. Drukt ze in uw hart en volgt den wijzen raad, die er in ligt besloten; want zij toonen u het middel om uwe krachten te verdubbelen, uwe welvaart te vermeerderen en in de toekomst het werk en den werkman te verheffen en te veredelen."
Deze redevoering, met kracht en overtuiging uitgesproken, had eenen diepen indruk op het gemoed der aanhoorders gedaan. Eerst na een oogenblik der volledigste stilte braken de toejuichingen los. Onder degenen, die met koortsige geestdrift in de handen klapten en bravo riepen, kon men bovenal vrouw Damhout onderscheiden. De opgetogene Christina had hare eigene denkwijze zoo welsprekend hooren bevestigen; en zij gevoelde, dat de woorden van den raadsheer eene lange lofrede van haar gedrag als moeder waren geweest.
"Welnu, Adriaan," vroeg zij zegevierend, "had ik gelijk of niet? Die heer weet er meer van dan Jan Wildenslag, niet waar? En gij hoort wel, dat er verstandige werklieden zijn, die denken als ik over het onderwijs der kinderen?"
Damhout knikte met het hoofd ten teeken van toestemming; maar hij had den tijd niet om haar te antwoorden, want de oefeningen der schoolkinderen begonnen onmiddellijk en werden zonder verpoozing voortgezet.
Men droeg eenige verzenstukjes en fabelen voor, en men vertoonde zelfs een geestig blijspel, het alles onder het twintigmaal herhaalde handgeklap der aanschouwers, die verbaasd waren en zich trotsch gevoelden over de kunde en de geleerdheid hunner kinderen.
Eindelijk ging men over tot de prijsuitreiking. Een groot getal jongens van allen ouderdom, de kleinste eerst, werden beurtelings opgeroepen en kregen één of meer boeken.
Velen moeders ontvielen tranen van geluk en hoogmoed; eenigen drukten in vol publiek hunne kinderen op hun hart en deden door deze eenvoudige uitstorting van liefde en blijdschap de toejuichingen der ontroerde aanschouwers verdubbelen.
Toen men aan de leerlingen der hoogste klasse was gekomen, en Bavo de schoone, groote boeken één voor één van de tafel zag verdwijnen, werd het hem eenigszins bang om het hart. Ware hij op de school gebleven, dan hadde hij wel zeker het grootste getal dier prijzen behaald. Al de eer, welke zijnen ouden gezellen nu werd aangedaan, ware hem te beurt gevallen. Hoe hadde die openbare zegepraal, in tegenwoordigheid des burgemeesters en der andere heeren, zijne moeder en zijnen ziekelijken vader gelukkig gemaakt! Nu zou hij slechts eenen prijs krijgen, eenen kleinen prijs, want er lagen geene groote boeken meer op de tafel.
Nog treuriger werd Bavo, toen hij ook den laatsten prijs zag weggaan; maar hij werd uit zijne droeve overweging opgewekt door de verschijning van den hoofdonderwijzer, die op het tooneel vooruitkwam om tot het publiek te spreken.
De redenaar was een man met grijze haren; er lag in zijn schoon en indrukwekkend gelaat een toon van ernst en goedheid, van overtuiging en liefde, die liet vermoeden, dat deze grijsaard het onderwijs der kinderen beschouwde als eene soort van priesterschap.
Op stillen, doch diepgevoelden toon begon hij zijne aanspraak. Van zijne eerste woorden af verwonderde hij elkeen, en boeide de aandacht gansch bijzonderlijk; want hij verhaalde een vertelsel van werklieden, eenen vader en eene moeder, die ten koste van vele opofferingen hunnen zoon hadden laten leeren, en die zelfs te midden van nood, van ziekte en ellende, liever honger hadden geleden dan hun kind van de school te trekken. Hij prees deze ouders zeer hoog, noemde ze edele, waardige menschen, en stelde ze ten voorbeeld van allen, die hem aanhoorden.
Dewijl hij geene namen noemde, meende men, dat hij een uitgevonden verhaal voordroeg; maar de moed en de opoffering dezer ingebeelde ouders rukten evenwel tranen van bewondering uit de oogen van alle lieden.
Christina Damhout hield het hoofd gebogen en verborg hare ontroering. Haar hart klopte fel, en zij was als beschaamd.
"God heeft die goede ouders beloond," ging de grijze redenaar voort, "en in het feit dat ik u verhalen ga, zult gij het bewijs vinden, dat het onderwijs, gepaard met de zedelijke opvoeding, het hart van den mensch veredelt en hem, met het besef zijner plichten, ook den moed en de kracht geeft om ze te vervullen. De zoon dier ouders was leerling op deze school. Hij was de sterkste en meest geleerde in de hoogste klasse, en wel zeker zou hij al de eerste prijzen hebben weggedragen. Niemand twijfelde er aan, noch wij, zijne leermeesters, noch zijne medeleerlingen, noch hij zelf. Hij snakte naar den dag der prijsuitreiking, niet voor zich zelven, maar voor zijnen vader en zijne moeder, die gelukkig zouden zijn door zijne schoone zegepraal. Dan kwam de werkstaking der fabrieken; zijn vader werd doodelijk ziek; nood en lijden overvielen zijne arme ouders. Wat deed de jongen? Hij verzaakte aan al zijne prijzen, aan de lang gedroomde eer, om eenen dwingenden plicht te vervullen. Hij verliet de school, zonder het zijnen ouders te durven zeggen, zocht en vond werk in eene fabriek, legde in 't geheim zijn dagloon in de kas zijner moeder neder en redde dus, als een onzichtbare weldoener, zijne ouders uit de bittere ellende.... Door ontijdig van de school weg te blijven, heeft de goede zoon zijn recht op het behalen der prijzen verloren; maar wij, zijne leermeesters, met toestemming van den heer burgemeester en met behulp van eenen milden beschermer der volksscholen, hebben besloten zijne vlijt, zijne kunde en bovenal zijn edel gedrag door eene bijzondere belooning te erkennen."