Bavo en Lieveken

Part 10

Chapter 10 3,934 words Public domain Markdown

"Getrouwd!" gromde Bavo met eene grijns op de lippen en eenen diepen angst in de oogen.

Hij beschouwde eene wijl met zichtbare gramschap de verschrikte vrouw, die het hoofd op de borst hield gebogen en sprakeloos bleef.

"Ja, ik zal u helpen, vrees niet," kreet hij met onderdrukte kracht, "maar hadde mijn medelijden met uwe moedersmart mij niet overwonnen, ik ware gevoelloos voor uwe smeekingen gebleven. Veel meer, ik hadde mij op u gewroken en u onmeedoogend ter deur gewezen; want gij, vrouw, gij hebt, zonder het te weten, mijn leven vergiftigd en mij in het geluk ongelukkig gemaakt."

"Ik, mijnheer? O, hemel, gij bedriegt u voorzeker!"

"Neen, ik bedrieg mij niet. Mijne moeder had in het hart uwer Godelieve de kiemen van deugd en plichtbesef nedergelegd; ik, onnoozel kind nog, ik had haren geest de eerste begrippen der geleerdheid medegedeeld, de geleerdheid, welke haar moest behoeden voor zedelijke verlaging en bederf des harten. Gij, hare moeder, wat hebt gij met uw goed en zuiver Lieveken gedaan? Gij hebt haar naar eene fabriek gezonden, om geld uit haar te trekken; gij hebt die teedere bloem prijs gegeven aan de woeste aanraking van grove menschen...."

"Mijnheer, mijnheer, het is niet waar!" kreet bazin Wildenslag sidderende.

Maar Bavo, als buiten zich zelven van ontsteltenis, onderbrak haar en hernam:

"Laat mij spreken tot het einde; het is de laatste maal dat haar naam mijnen mond ontvalt. Ik herhaal het met verontwaardiging: wat hebt gij gedaan met het arme Lieveken? Ha, onnoodig mij te antwoorden, vermits men na twee jaar haar in eene stege te Douai verrast met den klomp in de hand, vechtende, scheldende en woorden sprekende, die zelfs eenen ruwen fabriekwerker van walg deden terugdeinzen. Ziedaar wat gij gemaakt hebt van uwe Godelieve. Nu is zij zelfzuchtig, ongevoelig, en er blijft in haar niets meer over van de fijnheid des gemoeds? Nu haat zij waarschijnlijk de moeder, die de zuivere ziel van haar kind verkocht voor wat geld?"

"O, neen, neen, mijnheer, heb medelijden met mij! Godelieve is het eenige mijner kinderen, dat mij nog oprecht bemint, mijn eenige steun in het ongeluk!"

"Het zij zoo, vrouw; misschien is er nog een goed gevoel in haar overgebleven, misschien heeft zij u het kwaad vergeven, dat gij haar hebt gedaan; maar ik toch vergeef het u niet, ik kan het u niet vergeven.... Ziehier de honderd franken, welke gij vraagt. Ga nu, en moge God u niet langer straffen voor uwe noodlottige dwaling ten opzichte van uw kind."

Onder het uitspreken dezer woorden had hij de hand in eene lade van den schrijflessenaar gebracht, en legde nu vijf goudstukken voor de vrouw op de tafel. Deze beschouwde het geld met starende oogen en bevende lippen, deinsde terug en riep:

"O, God, kon ik die hulp weigeren!... Maar neen, de eer mijns zoons, de eer mijner arme Godelieve! Ik moet bedaren, bukken als eene slavin onder zulke schreeuwende onrechtvaardigheid; mijn engelachtig kind hooren beschuldigen van laagheid, van bederf des harten! Ik bezwijk er onder; mijn moed breekt...."

Zij liet zich op een stoel vallen en begon bitter te weenen.

"Eene schreeuwende onrechtvaardigheid?" vroeg Bavo over hare uitroeping verwonderd. "Zijn mijne verwijten, hoe wreed ook, niet gegrond?"

"Valsch, geheel valsch, mijnheer," kreet bazin Wildenslag onder hare tranen. "Wie was er laf genoeg, om u te komen zeggen, dat hij Godelieve heeft zien vechten en haar onbetamelijk heeft hooren schelden?"

"Het is Steven Geerts, die haar in eene stege te Douai met den klomp in de hand heeft zien slaan."

"Ach, ik herinner mij de droeve zaak; het was Godelieve niet, het was hare zuster Theresia, die inderdaad, voor het aangezicht ten minste, op haar gelijkt. Godelieve, mijnheer? Er is nooit een hard woord van hare lippen gevallen; zij is schoolmeesteresse geweest; zij heeft verstand, zij is goed als een engel, en haar hart is nog even zuiver als toen gij haar leerdet lezen."

"Hemel, wat zegt gij daar altemaal?" stamelde Bavo, door den twijfel aangegrepen. "En zij is getrouwd?"

"En zij heeft nooit toegelaten, mijnheer, dat een man haar zonder eerbied bezage, en zij is niet getrouwd."

"Maar verklaar u, gij doet mij vergaan van ongeduld. Zeg mij, ik smeek u, welk was dan het lot van het arme Lieveken gedurende die acht lange jaren?"

"Welaan, ik zal mijn verdriet bedwingen," zeide bazin Wildenslag, het hoofd oprichtende. "Om mijn edel kind, mijne goede Godelieve, te verdedigen, zal ik moed en sterkte vinden. Luister, mijnheer, gij zult vernemen wat ons en haar lot was sedert gij ons buiten de stadspoort een treurig vaarwel zeidet. Wij gingen naar Wazemmes, bij Rijssel, en vonden er veel en goed werk. Dewijl ik in mijne pogingen om Godelieve op eenen winkel van kleedermaaksters aanvaard te zien, niet kon gelukken, deed haar vader haar naar de fabriek gaan. Het arme kind kon het daar niet gewend worden en viel ziek van verdriet. Het duurde lang eer zij weder eenige krachten terugvond; dan, om toch iets te winnen, begon zij in ons huis eene kleine school te houden, om den kinderen onzer Vlaamsche geburen te leeren lezen."

"En onze brieven, waarom liet gij die zonder antwoord?"

"Uwe brieven? Wij hebben er slechts eenen ontvangen, en Godelieve heeft er op geantwoord."

"Wij schreven er nog drie andere."

"Daarvan weet ik niets, mijnheer."

"Uw man ontving ze op de fabriek. Heeft hij ze misschien achtergehouden of vernietigd?"

"Het is wel mogelijk, mijnheer; hij meende, dat het voor Godelieve beter was geene betrekking meer te hebben met menschen, die te verre boven onzen stand waren; want wij wisten door eenen kameraad van Gent, dat gij klerk geworden waart bij M. Raemdonck, en Godelieve zeide altijd, dat gij onfeilbaar rijk zoudt worden."

"En waarom schreef Godelieve dan niet eens om tijding van ons te hebben?"

De vrouw wachtte een oogenblik en zuchtte dan:

"Wij arme, gemeene fabriekwerkers? En toch, ik heb dikwijls Godelieve aangeraden u te schrijven; maar het verschrikte haar; er was te veel verschil tusschen uwe ouders en ons; zij dorst niet schrijven."

"Ga voort, vrouw, ik zal u niet meer onderbreken," zeide de jongeling.

"Ach, onze geschiedenis is kort, mijnheer," hernam bazin Wildenslag. "Mijn man en mijne zonen leidden een zorgeloos leven. Zij bleven dikwijls halve weken zonder te willen werken, zoodat zij zich den toegang tot vele fabrieken zagen weigeren. Wij vertrokken altezamen naar Rouaan. Daar hield Godelieve weder school in ons huis, en leerde er de kinderen der Fransche werklieden; want door altijd Fransch te hooren spreken, had zij in die taal spoedige vorderingen gemaakt. Zij had veel te lijden van hare woeste broeders en afgunstige zusters, omdat zij altijd zindelijk was gekleed en door iedereen, als een voorbeeld van zedigheid en beleefdheid, werd geprezen en geacht. Eene dame der stad bezorgde haar eindelijk eene goede plaats als leermeesteresse in eene groote kostschool van jonge juffrouwen. Daar bleef zij twee volle jaren, niets van hare jaarwedde behoudende dan wat haar noodig was om zich de kleederen aan te koopen, welke zij natuurlijk in hare kostschool hoefde te dragen, ten einde niet te veel tegen de andere meesteressen af te steken. Al het overige bracht zij naar huis om ons te helpen; want haar vader was ziek geworden, en van mijne andere kinderen waren de meeste getrouwd of ongetrouwd in het rond alleen gaan wonen; en de twee jongens, welke met ons bleven, gaven minder van hun dagloon af dan hun kost en hun onderhoud bedroegen. De kwaal van mijnen man verergerde langzaam; het was eene kwijnziekte, die hem allengskens scheen uit te putten en ons deed vreezen, dat hij niet meer zou genezen. Dan gebeurde er iets, dat ons in de bitterste ellende moest storten. Een mijner zonen, die sedert als soldaat naar Afrika is vertrokken, een woestaard, een gevoellooze verkwister, was reeds meer dan eens, tot schande der arme Godelieve, aan hare kostschool gaan bellen om haar geld te vragen. Dit mishaagde de meesteresse van het gesticht zeer; maar uit genegenheid voor Godelieve had men geduld gehad, zoolang totdat eens mijn baldadige zoon, door den drank verblind, binnen de kostschool drong en daar, door scheldwoorden en gewelddaden, zijne zuster eene groote somme gelds wilde afdwingen. Hij joeg den lieden zulken schrik aan en ontstichtte de leerlingen op zulke onbehoorlijke wijze, dat Godelieve hare plaats verloor en, schier half dood van schaamte en wanhoop, naar huis kwam. Haar broeder, die wel gevoelde, dat hij ons allen ongelukkig had gemaakt, vertrok des anderen daags om dienst te nemen in het vreemdenlegioen voor Afrika. Godelieve, wier moed en opoffering onuitputtelijk zijn, begon onmiddellijk rond te zien om weder eenige leerkinderen te zamen te krijgen, en wat naaiwerk te vinden; maar het gelukte haar niet spoedig genoeg. De armoede stond voor onze deur, en wij schrikten van de droeve toekomst, die ons bedreigde. Misschien had mijn arme man een geheim voorgevoel, dat hij niet lang meer zou leven. In hem ontstond eensklaps eene onverwinnelijke begeerte om terug naar Vlaanderen te gaan. Wij wilden hem dit besluit uit het hoofd stellen; Godelieve bovenal, waarom, ik weet het niet, beefde bij het gepeins alleen, dat wij de stad Gent nog zouden wederzien. Er was niets aan te doen; want hij smeekte ons met overvloedige tranen, hem toch niet op vreemden grond te laten sterven. De lucht van Vlaanderen zou hem genezen, hij was er van overtuigd. Wij verkochten onze meubelen en ons huisraad, om op den ijzeren weg of met de diligence te reizen, en vertrokken op eenen zekeren morgen naar het geboorteland. Van al mijne kinderen wilde niemand ons volgen dan Godelieve alleen. Mijn man had te veel van zijne krachten verhoopt. Alhoewel hij onderweg dreigde te bezwijken, wilde hij toch de reis niet staken; maar toen wij het voorgeborcht der stad Rijssel bereikten, kon hij niet verder en viel buiten kennis in de herberg, voor welke wij ons hadden doen afzetten. Hij bekwam echter een beetje, nadat hij eenige uren had gerust. Wij bleven twee dagen in de herberg; maar onze weinige geldmiddelen waren schier ten einde. Wij vonden niet verre van daar een klein werkmanshuisje, dat ledig stond, huurde het en brachten er onzen armen zieke naartoe. Een slecht bed, een paar stoelen, eene oude kachel en twee of drie stukken keukengerief, ontnamen ons, tot den laatsten frank, al wat wij bezaten.... Luister nu, ik bid u, mijnheer, en moget gij den moed en de zielegoedheid van mijn kind bewonderen, zooals zij het verdient! Dan kwam eene wreede ellende ons bezoeken; ik werd van schrik en wanhoop bijna zinneloos. Geen voedsel, geen hulp voor mijnen stervenden man, geen uitzicht dan de honger voor ons en een akelige dood voor hem. Hoe zal ik het engelachtig gedrag van Godelieve beschrijven? Zij bracht geld in huis, zij deed den dokter komen en betaalde de medicijnen. Waar zij de middelen haalde, dorst ik haar niet vragen; maar ik bemerkte wel, dat eerst hare oorringen, dan haar gouden kruis, en dan allengs hare schoone kleederen verdwenen, zoolang tot haar niets meer overbleef dan voorwerpen zonder waarde. Eindelijk moesten ook mijne zondagskleederen worden opgeofferd. Ik sprak van mijnen man in het hospitaal te zien te krijgen; maar hij smeekte weenend om genade, en Godelieve wilde er niet van hooren. Dan hebben wij naar Rouaan geschreven, om hulp van onze kinderen te hebben. Mijn jongste zoon alleen heeft geantwoord, dat hij zou komen om voor ons te werken; doch hij had zich in zijne fabriek sterk aan den arm gewond en liet ons wachten totdat het te laat was. Dit heeft zoo bijna eene gansche maand geduurd, mijnheer, eene gansche maand, dat Godelieve elken nacht op eenen stoel bij het bed haars vaders bleef gezeten, hem troostende, hem sprekende van genezing, van Gods barmhartigheid en van een beter leven in den hemel. Geene klacht in haren mond; zij lachte, zij was vroolijk, de goede, om moed te geven. O, mijnheer, de woorden ontbreken mij om u te zeggen, wat Godelieve in die schrikkelijke dagen voor ons gedaan heeft. Oordeel er over: gedurende de laatste week zijns levens heeft mijn arme man, door de teedere zorgen, door de liefderijke vertroostingen van zijn kind verleid, haar aangezien voor eenen engel, en niet anders meer tot haar gesproken dan tot een wezen, door God gezonden om zijnen doodsstrijd zacht te maken, en hem den hemel te wijzen. En, mijnheer, het was niet omdat haars vaders geest door de ziekte was verzwakt, o neen, ik, hare moeder, ik verkeerde in dezelfde dwaling. Er kwam een oogenblik dat hare onbegrijpelijke opoffering mij nederwierp voor hare voeten en dat ik, van dankbaarheid en bewondering zinneloos, voor mijn kind knielde als voor het zuiverste beeld van Gods goedheid zelve. Ach, haddet gij mijnen armen man zien sterven, met eenen zaligen lach zijne dochter aanschouwende, en nog, tot vaarwel, de hand van zijnen troostengel kussende."

Zij smolt in tranen weg en liet het hoofd op de borst vallen.

De jongeling had dit verhaal met eene klimmende ontroering aangehoord; de uitdrukking zijns gelaats was een zonderling mengsel van medelijden en geheime fierheid, van smart en van blijdschap. Op het einde echter had de deernis met het bitter lot der Wildenslags hem overwonnen; sedert eene wijl leekten er stille tranen op zijne wangen.

Hij stond op, ging tot de vrouw, greep haar de hand en zeide:

"Arme bazin Wildenslag, wat hebt gij geleden! Ik beschuldigde u zoo wreedelijk. O, vergeef het mij! Wees gedankt; want ik begrijp aan uwe woorden, aan uwe moederlijke ontroering, dat gij hebt medegeholpen om uwe Godelieve de loopbaan te laten betreden, die hare deugd en hare geleerdheid haar voorschreven. Kom, troost u; ik zal mijne ouders over u spreken; wij zullen u helpen; de ellende ten minste zal u niet meer bezoeken."

"Wees gezegend, mijnheer," murmelde de vrouw nog snikkend, "uwe eindelooze goedheid ontrukt mij nieuwe tranen. Ha, gij hebt het hart uwer moeder ... een hart, mild en edel als het hart mijner Godelieve!"

Bavo deed eenen stap naar zijnen schrijflessenaar en nam er eenig geld uit.

"Met de honderd franken, die dáár liggen," zeide hij, "kunt gij den prijs van het verloren pak betalen. Deze droeve zaak mag u dus niet meer bekommeren. Hier hebt gij nog honderd franken meer, om in uwe eerste behoefte te voorzien, ik zal met mijne moeder de middelen overwegen om u een min bitter lot te verzekeren. Indien wij uwe Godelieve eene plaats van leermeesteresse te Gent konden bezorgen? Voor uwen zoon heb ik voordeelig werk. Vermits hij een gevoelig gemoed heeft, zal ik hem in den goeden weg terugbrengen.--Daar, neem het geld, vrouw; gij hebt mij heden verlost van eene lange treurnis, van eene diepe smart, die mij sedert jaren aan het harte knaagt. Ja, vrouw, het is zoo. De gedachte, dat het goede, zoete Lieveken, de vriendin mijner kindsheid, de gedienstige engel, die bij het ziekbed mijns vaders heeft gewaakt, in de wereld was verloren geloopen, deze gedachte was mij pijnlijk, en mijn medelijden werd allengs eene onverwinlijke smart. Nu ben ik daarover gerust, nu ben ik gelukkig te weten, dat zij ten minste hare zedelijke natuur, hare schoone inborst en de edelheid harer beminnende ziel ongeschonden heeft behouden."

Bazin Wildenslag had het geld van de tafel genomen. Zij vouwde de handen te zamen voor den jongeling en zuchtte met de oogen vol tranen:

"O, mijnheer, uwe barmhartigheid, uwe goedheid maakt mij stom; ik weet niet, hoe u mijne erkentenis uit te drukken. Morgen vroeg, vóór ons vertrek, zullen wij hier terugkomen. Godelieve zal op de knieën u zegenen voor uwe milde weldaad...."

"Godelieve? Morgen?" kreet de jongeling verbaasd. "Waar is dan Godelieve?"

"Ik durf u niet langer bedriegen, mijnheer; zij is in de Sint-Baafskerk en bidt er voor het Heilige Graf...."

"En waarom kwam zij niet met u?"

"Het arme meisje is vervaard, mijnheer."

"Vervaard? Van mij?"

"Beschaamd, mijnheer; om onze reis naar Gent te kunnen betalen, hebben wij de eenige kleederen, die nog waarde konden hebben, moeten verkoopen. Godelieve schrikte van zich voor u te vertoonen...."

"En nochtans, ik zou haar willen zien!" riep Bavo met ontsteltenis. "Na acht jaar afwezigheid! Wat doen de kleederen? Zij getuigen immers van hare opoffering, van hare liefde voor hare ouders? Ach, mocht ik eene belooning eischen, het ware, dat het mij toegelaten wierd haar te troosten en haar moed te geven!"

"Ik zal ze halen, mijnheer. Mij ook beschaamde de poging, welke ik bij u moest beproeven; maar de weldaad van edelmoedige menschen als gij zijt, vernedert niet, integendeel! Ik zal het Godelieve doen begrijpen, mijnheer. Zij zal komen om u te danken."

Bazin Wildenslag ging ter deur uit.

Als bezwijkend onder eene geweldige ontsteltenis, liet Bavo zich op een stoel zakken en legde het hoofd in de handen. De afwisseling zijner uitdrukking getuigde dat hij worstelde tegen gepeinzen, die tegen zijnen wil hem bestormden. Evenwel na eenige oogenblikken scheen hij over deze geheime opwellingen van een vorig gevoel te hebben gezegepraald; want hij hief het hoofd op en zeide met eenen lichten spotlach tot zich zelven:

"Het zijn droomen, die vergaan voor de wezenlijkheid. Geene onmogelijke gepeinzen! Ja, het is ons plicht, te erkennen en te beloonen wat het goede Lieveken eertijds voor mijnen zieken vader heeft gedaan. Lieten wij haar ongelukkig zijn, het ware eene wreede ondankbaarheid, misschien eene zedelijke misdaad. Onze plicht is zeer eenvoudig te vervullen. Wij zullen hen bijstaan en beschermen, totdat Godelieve eene voordeelige plaats in een onderwijsgesticht heeft gevonden; totdat zij weder de middelen hebben bekomen om stil en tevreden te leven. Wij zullen over hen waken, om voortaan het ongeluk van hen af te keeren. Anders kunnen wij toch niets...."

Weder boog hij het hoofd en staarde ten gronde; na eene wijl beweegloos te zijn gebleven, murmelde hij met eenen diepen zucht:

"Het is zonderling! De mensch schijnt een dubbel wezen in zich te besluiten ... maar neen, zijn wil en zijn hart stemmen niet altijd overeen. En nochtans, ik moet die gepeinzen verjagen. Vermits er tusschen haar en mij eene maatschappelijke onmogelijkheid is ontstaan, moet ik mijne kindsheid vergeten. Haar ongeluk legt mij den eerbied op; kwetsen wij hare gevoelige ziel niet. Ha, men belt! Daar is zij! Hoe klopt mijn hart! Ik moet mij bedwingen.... Arm Lieveken! was het zóó, dat ik haar moest wederzien?"

Vrouw Wildenslag trad in de kamer, gevolgd door hare dochter.

Het benauwde meisje hield het hoofd gebogen als eene veroordeelde, en dorst den blik niet opheffen; zij beefde zichtbaar, en slechts toen hare moeder haar bij den arm greep, kwam zij vooruit tot in het midden der kamer.

Een versmachte kreet was Bavos boezem ontsnapt, en hij had eenen stap gedaan om tot het meisje te naderen en haar de hand te grijpen; maar hij wederhield zich zelven en zeide:

"Godelieve, vergeef het mij: ik wenschte zoo vurig u te zien. Wees niet beschaamd; ik weet, dat gij hebt geleden en wat gij voor uwe ouders hebt gedaan. Die slechte kleederen verheffen u in mijne oogen, en de eenige indruk, dien zij op mij uitoefenen, is mij een gevoel van eindeloozen eerbied in te boezemen voor het edel hart, dat zij bedekken."

Het meisje hief het hoofd op en sprak zeer bedaard, doch met eenen plechtigen nadruk:

"Mijnheer, ik dank u uit den grond mijner ontroerde ziel, meer nog voor uwe goede woorden, dan voor uwe milde weldaad. Niet alleen verlost gij ons van de akelige vrees; maar gij redt ons uit de ellende. Wees gezegend; in al mijne gebeden zal ik uwen naam en den naam uwer ouders mengen, opdat God u gelukkig late zijn in de maat uwer grootmoedigheid."

Bavo scheen verstomd; er lichtte een vreemde glans in zijnen blik; hij rustte met de bevende hand op de tafel, als hadde hij eenen steun noodig gehad. Die groote blauwe oogen, zoo kwijnend en zoo vol dankbaarheid op hem gevestigd; dat fijn gelaat, dat zuiver voorhoofd, waarop nu de rozeverf der kuischheid en der schaamte wolkte! O! zij was schooner nog dan het engelachtig Lieveken zijner droomen. Wat geweldigen strijd voerde hij tegen zijn hart! Maar hij moest zijne dwalende zinnen bedwingen: de eerbied voor de ongelukkige Godelieve gebood het hem.

Een holle zucht welde op uit zijnen beklemden boezem; hij liet zich op eenen stoel zakken en zeide met schijnbare kalmte:

"U weder te zien na acht jaar afwezigheid, Godelieve, is mij eene groote blijdschap. Het ontstelt mij. Natuurlijk, niet waar? Die herinneringen der kindsheid, hoe blijven zij, immer met nieuwe kracht opgewekt, in het menschelijk harte leven!... Ach, ik laat u daar staan, te midden der kamer. Verontschuldig mij; zet u neder."

Godelieve hief de handen smeekend op.

"Mijnheer," stamelde zij, "heb medelijden met een ongelukkig meisje! Uwe goedheid is zoo eindeloos. Ik ben ontsteld, ik gevoel mij ziek, mijne krachten begeven mij. Vergun mij als eene genade, voor heden dit huis te verlaten. Morgen vroeg zal ik bedaard zijn, ik zal, beter dan nu, madam uwe moeder mijne grenzenlooze dankbaarheid kunnen uitdrukken...."

"Gij wilt vertrekken, Godelieve?" kreet de jongeling met verdriet. "O, neen, ik bid u, nog een oogenblik!"

Door hare moeder aangedreven om aan dien wensch te voldoen, zette het meisje zich neder en boog weder het hoofd. Men zou gezegd hebben, dat de oogslag van Bavo haar schrik inboezemde; en inderdaad, zij had bij elken zijner blikken gesidderd.

"Zeg mij, Godelieve, hebt gij in uw smartelijk leven nog dikwijls aan onze gelukkige kindsheid gedacht?" vroeg Bavo.

"Mijn eenige troost op de wereld," zuchtte het meisje, "was de dankbare herinnering uwer goedheid voor het arme zieke kind."

"En voor mij, Godelieve, was het de eenige, maar bittere smart mijns levens, te moeten denken, dat de zoete gezellinne mijner kinderjaren, ongelukkig en verloren, in de wereld dwaalde."

Er heerschte eene korte stilte.

"Godelieve," vroeg de jongeling eensklaps, als gedreven door eene geweldige ontroering, "Godelieve, ik gaf u een aandenken, eene gedachtenis. Hebt gij ze bewaard?"

Hij bekwam geen antwoord.

"Het beeld van Bavo en Lieveken met hun boek in de hand," zeide hij, "onnoozel en gebrekkig werk, dat aan den kleinen Bavo schier eene maand arbeid kostte. Gij hebt mij beloofd, dat gij het zoudt bewaren."

"Maar, Godelieve toch, hoe kunt gij M. Damhout dus zonder antwoord laten?" kreet moeder Wildenslag. "Ja, ja, mijnheer, zij heeft het bewaard.--Wederhoud mij niet, Godelieve.--Zoo goed bewaard, mijnheer, dat het sedert jaren onder het kleine crucifix hangt, waarvoor Godelieve gewoon is te bidden."

"Ach, dank, dank om uwe trouwe herinnering!" riep Bavo.

"Waarom verwondert u dit, mijnheer?" zeide het meisje met eene vonk van waardigheid in de oogen. "Indien ik mijn gansche leven wilde bidden voor het geluk van hem, die mij leerde lezen, kon ik iets beter doen dan zijn beeld te hangen op de plaats, waar ik elken avond nederknielde om mijne ziel tot God te verheffen?"

Bavo liep tot haar, greep haar de beide handen en zeide diep ontroerd:

"Altijd dezelfde engel! Kom, Godelieve, troost u en schep moed; gij zult niet ongelukkig meer zijn. Wij zullen u beschermen. Wij zullen eene goede, zeer goede plaats van leermeesteresse te Gent zoeken; mijne moeder zal u weder liefhebben en u helpen. Ik zal uw vriend zijn, evenals toen wij nog onnoozele kinderen waren.... Het is te zeggen ... ik weet niet, de ontsteltenis maakt mij duizelig, mijne zinnen zijn verward...."

Het verschrikte meisje ontwrong hem hare handen met zulk koortsig geweld, dat hij zich in zijn hart over deze beweging gekwetst gevoelde en met spijtige verbaasdheid eenen stap terugdeinsde.

Godelieve hief langzaam het hoofd op; alhoewel er tranen in hare oogen glinsterden, was er zooveel maagdelijke fierheid in haren blik, zooveel edelheid in de uitdrukking van haar schoon gelaat, dat Bavo haar met ontzag aanschouwde.

[Illustratie: Aan mij de vriendin mijner kindsheid!]