Balmoedertje

Part 5

Chapter 54,047 wordsPublic domain

Op zijn hand druppelden gestaag haar tranen.

Dat bracht hem tot wanhoop. Hij stond op, liep de kamer op en neer.

--O lieveling, jou in dit oogenblik tranen te zien storten, om mij.... om mij....

Hij slikte een snik weg, en drukte zijn lippen op haar haren.

--Je kunt me niet vergeven, he....? 't Is een geluksdroom geweest van enkele uren. Nu laat je me heengaan voor altijd. Dwaas, die ik was te veronderstellen, dat je liefde groot genoeg zou zijn, om zoo een offer te brengen....

Ze wendde zich wat van hem af.--Stil, spreek zoo niet.... het heeft me overrompeld.... ik kan 't me niet indenken.... jij, jij.... zoo jong....

Haar oogen zagen verdwaasd, als in een floers, voor zich uit, en als sprekend tot zichzelf, zei ze met gebroken stem. --Ik zal het nooit kunnen vergeten.... 't is nu zoo anders geworden.

Verstard in zijn wanhoop zag hij haar aan, veegde de tranen, die bleven vloeien zachtjes van haar wangen.

En met groote teederheid liefkoosde hij haar, als een moeder haar ongelukkig kind.

--Het zou niets veranderen aan ons geluk.... later, als je me wilde vertrouwen, zou je 't leeren begrijpen, als je 't wilde wegdenken uit ons leven.... zei hij mat.

En weer neerknielend bij haar, sloeg hij zijn armen om haar heen, als om haar te beschermen tegen haar groote smart. Een smart, die haar trof door hem....

In haar groote liefde weerde ze hem niet af, liet toe, dat hij haar tegen zich aandrukte.

--'t Is ontzettend!.... 't is ontzettend.... steunde ze tegen hem aan geleund.--En ik hou zooveel van je.... ik hou zooveel van je, snikte ze toonloos.--Het geluk zou anders ook te groot geweest zijn.... schamperde ze pijnlijk,--onbestaanbaar, dat in je leven te zien komen, als niet tegelijk een vreeselijke schaduw er op moest vallen....

In diepe smart zag hij haar aan.

O, o, was dat het meisje, dat pas sedert enkele dagen zijn pad had gekruist.... Het leek hem een oneindigheid van smart, die zij samen doorleefd hadden.

Hij stond op, en trok haar zachtjes naar zich toe, haar aanziende met oogen waarin heel zijn wanhoop zich spiegelde.

En weer streelde hij haar bleeke wang.

Hij wist, dat in dit oogenblik een diepe klove gaapte tusschen hen, hij had het kunnen voorzien.

Hij verachtte zich om zijn zwakheid haar niet uit den weg te zijn gegaan.

Hoe dikwijls had hij zich niet voorgehouden, dat hij de gedachte aan een huwelijk voor altijd van zich af moest zetten.

Zoolang hij zijn kind, zijn kleine Annie bij zich had gehad, was dit hem niet moeilijk gevallen. Waarom had hij zich los gemaakt van het zoo vast voorgenomen besluit.

Vele anderen, in omstandigheden verkeerende als hij, had hij zien trouwen in Indië; maar dan vervulde hem altijd weerzin voor die cynische levensopvatting.

Nooit, nooit, had hij het mogelijk geacht van zijn voornemen af te wijken. Zoo'n huwelijk leek hem, den idealist, een bespotting.

En nu....

Al die herinneringen stonden nu klaar in zijn denken, spookten in zijn heet hoofd rond.

Hij had Dina die smart moeten besparen. In zijn onvergeeflijk egoïsme was hij recht op zijn doel afgegaan. En nu zag hij dat arme kind lijden om hem, door zijn schuld.

Hij wist heel zeker, dat nu een vonnis over zijn toekomst was geveld.

Als Dina tot bezinning zou komen, zou ze hem koel afwijzen, zich beleedigd voelen door zijn aanraking. Het kon wel niet anders.

De gedachte aan zijn kleine Annie, die hem aanhing met al de teederheid van haar Indische natuur, het kind, dat hij had gekoesterd en verzorgd, om wier wille hij de moeder bij zich had gehouden, maakte, dat zijn smart een oogenblik week voor de herinnering aan die lieve aanhankelijkheid. En het moest nu de oorzaak zijn van hun beider ellende.

Hij stond op met een blik vol deernis op Dina.

--Ik ga nu heen lieveling, zei hij zacht.

--Misschien wil je me nooit meer zien, moet ik uit je leven gaan, met alleen de herinnering aan wat had kunnen zijn.... Ik zal je niet meer lastig vallen. Ik weet, dat het kind een onoverkomelijke scheidsmuur tusschen ons zal zijn.... Ik zal probeeren 't te dragen.... Vergeef 't me, dat ik je dit niet heb bespaard, het was mijn vaste voornemen het te doen. Maar mijn liefde voor je was sterker dan ik zelf. Een oogenblik van zwakheid maakte, dat ik mijn zelfbeheersching verloor.... 't Was zwak van me.... akelig zwak. In mijn groot geluk vergat ik, wat achter me lag, krankzinnig.... Ik had het niet mogen doen. En het gebeurde kan alleen mijn smart verzwaren.... om jou.... Ik ga nu heen, en je zult nooit meer van me hooren.... Op dit oogenblik is er geen plaats voor liefde in je ziel, zelfs niet voor medelijden.... alleen voor verachting.... voor minachting....

Denk niet te hard over me.... en.... als er een oogenblik in je leven komt, dat je zachter gestemd wordt, dat je me kunt vergeven...., dat je misschien...., misschien.... ondanks alles, een verlangen naar mij in je voelt opkomen...., wees dan niet te trotsch, roep me dan terug, en ik.... kom....

Hij sloot haar in zijn armen en drukte een kus op haar voorhoofd....

En toen, zachtjes, ging hij weg, zonder om te zien naar haar, die hij achterliet, in wanhoop....

Hij wist dat nu alles voorbij was....

II.

Dagen volgden elkander op, de vorst hield aan en op de ijsbaan was jolijt van vroolijke menschen....

Maar Paul bleef thuis, maakte soms een groote wandeling, speelde zijn partijtje in de soos, of verdiepte zich schijnbaar in lectuur.

Schaatsenrijden deed hij niet meer.

Ondanks hem zelf, kreeg hij een schok zoo vaak de post werd binnen gebracht, dan vluchtigde zijn blik over het blad met brieven en couranten, keek hij of er ook iets voor hem bij was. En telkens voelde hij even de physieke pijn, die hem een oogenblik den adem benam.

--Natuurlijk niets. Het was ook te gek om er over te denken....

Dan las hij rustig door en floot een deuntje, zoo zijn ontroering verbergend. Niemand mocht weten wat daar bloedde in zijn ziel....

Er waren acht dagen verloopen, sedert hij van Dina afscheid had genomen.

Zorgvuldig vermeed Paul zijn ouders iets te laten merken van wat in hem omging, ook zij hadden recht te weten van zijn kind. Maar hij voelde het als onmogelijk daar nu over te spreken. Hij zou de kracht missen, nog eens te doorleven wat nog zoo versch in zijn geheugen lag.

Voorloopig wilde hij hen in in onwetendheid laten. Misschien kon hij wel vroeger naar Indië terugkeeren, zijn verlof bekorten.

In elk geval dacht hij er over eenige dagen op reis te gaan.

Met het uur werd zijn onrust heviger, en hoe meer de hoop vervloog, dat Dina hem zou terugroepen, des te heviger verlangde hij naar haar.

Op een ochtend, na een slapeloozen nacht, besloot hij zijn ouders te zeggen, dat hij voor een week naar Brussel ging.

De voorafgaande dagen had hij in zoo een zenuwspanning doorgebracht, dat hij niet langer thuis kon blijven; hij vreesde elk oogenblik zijn zelfbeheersching te verliezen.

Het inpakken van de noodzakelijkste kleeren, die hij mee wou nemen, gaf hem al wat afleiding, maar telkens bleven zijn handen werkeloos, verviel hij in gepeinzen.

In Brussel zou hij geheel vrij zijn, zich kunnen overgeven aan zijn smart. En hieraan had hij behoefte.

In het Grand Hotel besprak hij een kamer.

De gedachte niet langer den ganschen dag zich te moeten beheerschen, tegenover de huisgenooten een onverschillige houding te veinzen, gaf hem een heerlijk gevoel van rust.

--Als er brieven voor me komen in dien tijd, moeder, dan stuurt u ze me wel op, verzocht hij, en zijn oogen gretigden weer naar de post, die binnen gebracht werd.

Niets voor hem....

Nog altijd scheen de hoop in hem te leven, dat de met zooveel smart verlangde brief eens zou komen. Het was meer een zelfkwelling, een wreed zich martelen, dan de verwachting, dat die hoop ooit zou verwezenlijkt worden....

Hij zat in het spoorboekje een trein op te zoeken, toen het luide overgaan van de schel hem verschrikt deed opspringen.

--Meneer van der Lisse, voor den jongen meneer diende het binnenkomend meisje aan.

Die schel gold dus toch wel hem, overwoog hij en liep de gang in.

--Waar heb je meneer gelaten? vroeg hij onverschillig.

Het gebeurde wel meer, dat de een of andere kennis hem kwam opzoeken; het viel nu slecht, dat hij op het punt was de stad uit te gaan, bedacht hij.

--Meneer is in den salon, en het gedienstige meisje hield de deur open, om hem door te laten.

Het gesprek tusschen de beide jonge mannen duurde een heele poos. En mevrouw van Weede maakte zich ongerust, dat Paul zijn trein zou missen.

--Nou dan neemt hij een andere, hij heeft niets te verletten, goedigde de oude heer, even opziende van zijn courant.

Het volgende oogenblik zagen ze elkaar verschrikt aan, met een slag viel de voordeur dicht.

Paul was met van der Lisse meegegaan naar diens huis, waar Dina hem om een onderhoud had verzocht.

Gedurende die korte wandeling bestormden de hevigste gewaarwordingen Pauls arm, in zenuwspanning gefolterd, hoofd.

Toch, toch, was het dan gekomen...! zong het in hem. Een duizeling was hem overvallen toen van der Lisse hem het doel van zijn komst vertelde.

Het was bijna ondenkbaar....

En in zijn verwardheid overstormde Paul zijn vriend met allerlei vragen, waarop van der Lisse het antwoord schuldig moest blijven.

--De meisjes hebben mij niets verteld, zei hij ongeduldig,--en je had ons wel in het vertrouwen mogen nemen over je plannen,........ je hebt dat wel heel geheimzinnig behandeld.

Paul trok met de schouders,--Ik wist het zelf niet, ik had het nooit durven hopen, verontschuldigde hij verward.

Nog altijd wist hij zich niet zeker, en hij drong er op aan, dat van der Lisse hem zou vertellen, wat zijn zusters gezegd hadden.

--Meisjes zijn in die dingen altijd zoo gewichtig, Dina heeft eenvoudig gevraagd of ze jou bij ons zou mogen ontmoeten. De rest konden we wel raden.... En nou ben ik je maar komen halen....

Hij liet Paul binnen, en wees hem een deur.--Hier is ze, fluisterde hij en liep door.

Een oogenblik aarzelde Paul eer hij de hand om de deurknop sloeg. Het was of de moed hem ontzonk, nu hij na dagen van martelend verlangen, wist tot haar te gaan....

Klamme zweetdruppelen parelden op zijn voorhoofd, toen hij na een oogenblik aarzelens, binnen ging.

Bij den schoorsteen stond Dina, haar bleeke gezichtje versmald van smart.

Zij kwam hem eenige passen tegemoet en zwijgend sloten ze elkaar in de armen.

Ze trok hem met zich mee naar de canapé, en zoo tegen elkaar aangeleund-bleven ze eenigen tijd zitten, beiden teveel geroerd om te kunnen spreken.

Hij streelde aldoor haar bevende handjes, en drukte die aan zijn lippen.--Ben je van mij.... toch van mij?.... vroeg hij na een oogenblik van stil geluk, en boog zich tot haar over.

Zij kon geen woorden vinden, knikte flauwtjes door haar tranen heen, die hij wegkuste, telkens weer.

De voorafgegane dagen waren ook voor Dina geweest een tijd van zelf-marteling, van ernstig beproeven.

Aanvankelijk stond haar besluit vast, ze kon er niet op terugkomen, ze kon niet over dat eene heen stappen.

Maar toen ze zich indacht, dat ook hiermee voorgoed het mooie heerlijke geluk, dat zij in zich had voelen opbloeien zou verdorren, had ze zoo een groote smart gevoeld, grooter dan al het leed, dat het lot haar oplegde te dragen.

En zij deinsde er voor terug.

Had ze Paul dan nu reeds zoo lief...?

Nooit zou ze meer de herinnering aan hem uit haar leven kunnen wegwisschen. En in de oogenblikken, dat haar smart het hevigst was, werd haar verlangen naar hem het grootst.

Zij voelde den druk van zijn handen, zijn kus op haar lippen; en zijn donkere oogen, met een wanhoopsuitdrukking brandden in de hare.

Het bezit van dat alles, nu zij het eenmaal gekend had, te moeten missen.... Ze kon het niet.... En ze riep hem terug.... wetend, dat hij bereid zou zijn tot haar te komen, als zij het wilde. En nu ze hem bij zich had, groeide weer een zacht kleurtje op haar verbleekte wangen. Zij hoorde van zijn reisplan naar Brussel. Daar zou nu niets van komen.... of wou hij toch? Paul sloot haar tot antwoord in zijn armen.

--Ik ga vanmiddag dadelijk naar je ouders, vindt je dat goed?

--Ja, fluisterde ze hem toe.

--En dan moet ik de zaak bij mij thuis ophelderen, zei Paul nerveus.

Toen was Dina de meisjes van der Lisse gaan roepen, en had ze hun haar geheim verteld.

O, wat was dat een wondere middag geweest, herinnerde Paul zich, weggezakt in zijn herinnering. Eerst die officieele visite bij de familie Tervoort, het stijve, dwaze van zoo een ontvangst bij vreemde menschen, waar je komt om de hand van de dochter te vragen....

Daarna het onderhoud thuis, met zijn ouders.

Hij had hun nu maar dadelijk alles verteld van Annie, ze moesten het toch ééns weten.

Mevrouw van Weede eerst gelukkig, met Paul's trouwplannen, zat als versteend voor zich uit te staren.

--En je hebt ons daar nooit een woord van geschreven, Paul, verweet ze.

--Ach, dat kon hij ook moeilijk pleitte goedig de oude heer, voelend wat het voor Paul moest zijn, die bekentenis te doen.

Arme jongen, hij was ook nog zoo bitter jong, toen hij naar Indië ging, en dadelijk op zoo een klein plaatsje, waar je op een paar Europeanen bent aangewezen.

Kom, zijn moeder moest daar nu maar niet over tobben, waar het moedige meisje was voorgegaan met haar voorbeeld van vergevensgezindheid.

Wat gedwongen feliciteerden ze hem, mevrouw van Weede mokkend, over de weinig mededeelzaamheid van Paul.

En waarom Paul zijn kind niet mee had genomen naar Europa, vroeg ze.

Hij vertelde haar al de bezwaren, die daaraan verbonden waren.... het was nu goed bezorgd bij de Zusters op Batavia. En Dina wilde, dat zij het samen zouden halen, als ze weer in Indië zouden zijn.

--Een heel besluit voor het meisje, prees meneer van Weede.

Paul voelde opnieuw hoe nameloos ongelukkig dat gezegde van zijn vader hem toen maakte.

Ja, het was lief geweest van Dina, dat besefte hij heel zeker, dat ze hem in alles was tegemoet gekomen, het bestaan van zijn dochtertje accepteerde, als een gewoon feit.

En nooit was er een schaduw gevallen op hun mooi jong geluk.

III.

Op hun doorreis te Batavia hadden ze samen Annie afgehaald, en het kind meegenomen naar Magelang.

Dina's oogen stonden vol tranen toen ze de uitbundige blijdschap zag, waarmee het kind zich in Paul's armen wierp.--Papa weer terug! jubelde het.--Papa weer terug.... papa niet meer weggaan van Annie. En ze knelde de bruine armpjes om zijn hals.

Háár Paul den vader-naam....

--Kom mama nou ook netjes groeten, gebood Paul toen het kind wat tot bedaren was gekomen,--en zeg, dat je altijd een zoete meid zult zijn.

Annie gehoorzaamde, liet zich gewillig bij Dina brengen.

--Wat zou je nou zeggen?....

--Annie altijd zoet.... En een paar groote zwarte oogen zagen op naar Dina.

Dina gaf het kind een kus en huiverde even bij de aanraking van die kleine lenige handjes, die kil aanvoelden. Hoe wonderlijk leek haar het kleine meisje, met dien ernst in de oogen.

Terwijl Paul met de zuster, die speciaal met de zorg voor het kind belast was geweest, sprak, en overlegde over het verzenden der kleertjes, bleef Annie dicht tegen Dina geleund, haar handje in die van Dina, rustig het gesprek volgen, zag van de zuster naar haar vader, in gestage vrees, dat papa weer weg zou gaan, zonder haar.

Wel was het een heerlijke tijd voor het kind geweest, het jaar, dat zij bij de zusters had doorgebracht, dat ook aan haar opvoeding ten goede was gekomen; maar het denkbeeld van opnieuw van hem gescheiden te worden liet haar geen oogenblik los.

Op kostschool hadden ze het kind dadelijk andere kleeren laten maken, zoodat Paul even verbaasd was toen hij zijn Annie terug zag in een net japonnetje, in plaats van het baadje met lange mouwen, en daaronderuit de broekspijpen, op den groei gemaakt.

Het deed hem pleizier om Dina, die hij al zoo wat had voorbereid. Het portretje, dat hij haar van het kind had laten zien, deed haar geen al te groote verwachtingen koesteren. Nu viel Annie haar mee. Het dunne, met vaal-bruinen gloed overdekte haar was in een vlecht gestrengeld, en met een strik van rood lint van onderen vastgemaakt. Aan de kleine voeten droeg ze nette schoentjes; hooge laarsjes, die een gedeelte van het been bedekten. Het helder wit japonnetje was netjes gestreken, en van een hoogst eenvoudig snit, zooals al de kleine meisjes die in Indië droegen: een kort rokje met nauw sluitend lijfje, dat het halsje wat ontbloot liet, en korte mouwtjes. De bloedkoralen ketting, nog een geschenk van haar moeder, tintte warm op het donkere halsje. Het magere gezichtje, met het platte neusje leek een klein masker, waarin alleen de oogen leefden. Oogen, zwart als de nacht, met vochtig fluweelen waas, dat verzachtte den al te fellen gloed.

--Ziezoo, zei Paul, zich tot het kind wendend,--zeg de zuster nou maar goeden dag....

Langzaam trok het kind haar handje uit die van Dina.--Gaat Annie mee met papa?....

--Ja, Annie gaat mee met papa en mama.... verbeterde Paul.

--O.... lekker!.... En het kind klapte opgetogen in haar handjes.

De zuster kreeg de tranen in de oogen, toen het kind haar de armpjes om den hals knelde en kuste tot afscheid.--Zal je nou altijd een beste meid blijven.... en Zuster Denise niet vergeten?....

Annie beloofde het, liep toen dadelijk naar Paul, wiens hand zij stevig vasthield, als was zij bang, dat hij haar op het laatste oogenblik nog zou ontsnappen.

De religieuse bleef van uit de voorgalerij van het klooster het kind naoogen.

En telkens omkijkend stapte Annie trots door, nog roepend zoolang de zuster haar kon hooren: "dag zusterrrrr, dag zusterrrrr", met de rollende "r", die als het gefluit van een vogeltje wegparelde.

Al gauw hechtte het kind zich aan Dina, die ze mocht helpen bij het verzorgen van de bloemen--ze had zelve ook een tuintje gekregen, waar ze allerlei plantjes in kweekte, die ze elken middag met haar gietertje begoot.

Toen ze op een dag hoorde, dat ze een ade zou krijgen, voelde ze het volle gewicht van haar rechten als oudere.--Dan mag Annie dragen, ja ma? vroeg ze, Dina aanziende met haar groote peinsoogen.

--Ja zeker, als Annie sterk genoeg is geworden.... beloofde Dina.

--O, Annie ken wel dragen, net als groote pop, die is ook zwaar....

Die te spa gegeven belofte had Annie niet vergeten. Op zekeren dag kwam ze, tot schrik en ontsteltenis van Dina en de baboe, met het kleine broertje aandragen, in het volle besef van haar praestatie. En ze was lang niet van zins zich het broertje te laten afnemen.

--Dat mag je nooit meer doen, hoor! berispte Dina.

--Maar Annie ken toch.... hield ze vol.

--Ja; Annie ken; maar Annie mag niet, niet goed voor Annie.... probeerde Dina in Annie's brabbeltaaltje het haar duidelijk te maken.--Later, als Annie grooter is....

Op een ochtend, dat Paul het kind meenam, op een wandelingetje langs den kampementsweg, vroeg ze hem naar haar eigen moeder, naar Ma-Annie....

Onder Inlandsche vrouwen is het de gewoonte de moeder te noemen naar den naam van het kind. En zoo werd Annie's moeder naar háár Ma-Annie genoemd.

Paul vertelde haar, dat Ma-Annie weg, ver weg was gaan wonen, en liet het kind beloven daar nooit meer naar te vragen....

Het had Paul even onaangenaam gestemd, die vraag van het kind. Gelukkig maar, dat zij die niet in tegenwoordigheid van Dina gedaan had.

Het liefste wou hij, dat het kind die vrouw zou vergeten.

Bij zijn vertrek naar Holland had hij haar een som gelds gegeven, en een huisje voor haar gekocht in het Solosche; daar kon ze van het geld handel drijven, en was hiermee voorgoed elke betrekking tusschen hem en die vrouw geëindigd. Het was de conditie geweest, waaronder ze afstand deed van het kind, dat Paul noodig vond aan haar invloed te onttrekken.

Zich volkomen bewust, dat hij haar een ruime belooning had gegeven, was Paul verzekerd in het vervolg niet meer door haar lastig gevallen te worden.

Alleronaangenaamst werd hij eens getroffen, toen hij 's morgens van zijn dienst komend, bij de baboe, die zijn jongste kindje wat in de buitenlucht ronddroeg, een Inlandsche vrouw te zien, die hem sterk herinnerde aan Annie's moeder.

Wat ter wereld kon die vrouw bewogen hebben naar Magelang te komen... Hij overwoog, of hij haar niet kon laten dwingen weg te gaan, voordat Dina haar tegenwoordigheid bemerkte.

Maar was het niet beter elke nieuwe relatie te vermijden.

Al den tijd van zijn huwelijk had hij niet meer aan de mogelijkheid van een terugzien gedacht. Het was een afgesloten periode in zijn leven, die hij het liefst uit zijn herinnering wilde wegwisschen.

Tusschen hem en Dina was er nooit met een woord over die vrouw gerept. En nu plots kwam ze op het onverwachts in zijn leven terug.... Wat zou hij moeten doen om haar van zich af te houden....? Die tegenwoordigheid spelde niet veel goeds, angstte het in hem.

Uit de slaapkamer naderden, met zacht gekraak van de mat, lichte voetstappen aan.... Annie, bemerkend, dat papa niet naar bed was gegaan, had zich voorzichtig uit haar bedje laten glijden, kwam nu dralend nader.--Papa niet slapen?.... neen?.... vroeg ze met haar vleistemmetje.

Paul keek naar het kleine donkere figuurtje in den ruimen hansop, en zette een boos gezicht.

--Papa moet werken....

--Annie ook niet slapen....

Aarzelend kwam ze naderbij, zette zich stilletjes op de punt van een wipstoel, dat die voorover helde. Ze greep zich aan de armleuningen vast, bang door wippen haar vader te storen. En ze keek naar buiten, tusschen de bladeren van de groote planten door, den zonbeschenen kampementsweg op.

Ongemerkt zag Paul naar haar kleine aardige beweginkjes, naar de smalle bloote voetjes, die even tipten op den grond.--Jij moest eigenlijk in je bedje liggen.....

--Laat maarrrrrr, papa ook niet in bed....

Paul soesde door, de hand onder het hoofd.

Annie sloeg de fluweelige oogen telkens even naar hem op. Ze scheen na te denken.

--Mooi, die bloemen, mooi.... herhaalde ze een paar malen als tot zich zelf, en haar oogen kregen een droomende uitdrukking, dreven weer vragend den kant op van Paul....

Plots scheen ze een inval te krijgen.--Papa moet niet boos zijn, ja.... Papa heeft gezegd Annie mag niet meer praten over Ma-Annie, maar Annie heeft Ma-Annie gezien....

Paul sprong op, dat het kind ervan schrok.

--Waar?.... Waar heb je haar gezien?....

Een kleine hoofdbeweging wees naar achteren.--Daar, bij Ma-Annie in huis.... Ma-Annie is getrouwd.... met korpraal.

Paul liep eenige malen de voorgalerij op en neer....

--Lekker bij Ma-Annie.... Annie heeft koekjes gekregen.... snaterde ze voort.

Was dat nou het resultaat van al zijn zorgen....!

Paul had een gevoel of iets vreeselijks dreigde. Die onrust, die hem dagen lang vervolgde.... Daar was nu de oorzaak!

Annie moest hij wegzenden, hij kon het kind niet voortdurend onder zijn toezicht houden, en de bedienden waren niet te vertrouwen, voor een kleinigheid om te koopen teneinde het kind bij de moeder te brengen. Ze zagen er bovendien geen kwaad in.

Het ergste vond hij het voor Dina.... Wat moest hij haar zeggen, als ze hoorde, dat die vrouw hier was....

Als het waar was, wat Annie daar vertelde van den korporaal, dan zou het eenige middel zijn den kolonel zijn toestand uiteen te zetten, en de overplaatsing van dien korporaal te bewerken.

Tot zoolang zou hij dan Annie en ook het kleinste van haar weg moeten zien te houden.

Maar, hoe kon hij dat doen zonder zijn vrouw er mee bekend te maken....?

En dat moest hij tot elken prijs vermijden. Dina, in haar toestand van hopelooze zwakte.... dat moest er nog bij komen....

Hij ging naar buiten, staarde met starren blik voor zich uit. Dit was dus weer een nieuwe ellende, die hem bedreigde.... Maar hij mocht zich niet laten gaan, in zijn zelfbeklag, hij moest energiek handelen, geen oogenblik verliezen....